Het beeld van Zeus in Olympia

Het beeld van Zeus in Olympia (Bode-Museum, Berlijn)

We zijn geneigd om bij de zeven wereldwonderen te denken aan grote constructies: de piramiden in Egypte (het enige wereldwonder dat we nog kunnen zien), het mausoleum in Halikarnassos (tegenwoordig weinig meer dan een kuil in de grond), de (verzonnen) hangende tuinen van Babylon, de vuurtoren van Alexandrië (gereduceerd tot kasteel). Het oudste lijstje met wonderbaarlijke bijzonderheden, opgesteld door Antipatros van Sidon,noot Palatijnse Anthologie (9.58). bevat echter ook een standbeeld: de Zeus van Olympia. Ook van dit wereldwonder is niets over, al weten we in welke tempel het wereldwonder heeft gestaan. In de tempel van Zeus dus.

Het enorme beeld van de Griekse oppergod is gemaakt door de Atheense beeldhouwer Feidias. Die had, dankzij twee beelden van Athena op de Akropolis in Athene, al een grote reputatie toen hij en zijn collega’s Kolotes en Panainos zich in 437 v.Chr. in Olympia vestigden om het beeld te maken van de god ter wiens ere de Olympische Spelen werden gevierd. Hun werkplaats is geïdentificeerd en opgegraven.

Hoe zag het beeld eruit?

Het twaalf meter hoge beeld is afgebeeld op talloze munten en gemmen, en is ook bekend omdat het in detail is beschreven door de Griekse auteur Pausanias.noot Pausanias, Gids voor Griekenland 5.11.  Zo weten we dat de god werd afgebeeld, zittend op zijn troon. Dit type kennen we ook uit de Levant, waar de oppergod El al in de Bronstijd zo werd afgebeeld. Bij wijze van voorbeeld noem ik dit exemplaar uit de Syrische havenstad Ugarit.

Feidias’ van goud en ivoor gemaakte beeld droeg in de ene hand een beeld van Nikè, de overwinningsgodin, en in de andere hand hield het een scepter. De armleuningen van de troon bestonden uit sfinxen: opnieuw een motief dat we kennen uit de Levantijnse Bronstijdkunst, zoals de Megiddo-ivoortjes. Verder waren er allerlei figuren in het grote beeld verwerkt, zoals leeuwen, Herakles en de Amazones, Theseus en de Amazones, meer Nikès, de Niobides en andere figuren uit de wereld van de Griekse mythen en sagen. Op de sokkel was de geboorte van Zeus’ dochter Afrodite afgebeeld.

Zeus (Musée de Mariemont, Morlanwelz)

Zeus wordt Christus

Goud wordt dof en ivoor verweert. Het beeld werd dus van tijd tot tijd opgeknapt en gerepareerd. Dankzij al die goede zorgen stond dit symbool van de aloude Griekse religie er dus driekwart millennium later nog altijd, in volle glorie. Na 324 na Chr. gelastte de Romeinse keizer Constantijn de Grote echter de ontmanteling van het beeld, dat op transport ging naar zijn nieuwe residentie, die later Constantinopel genoemd zou worden.

De verdere geschiedenis van de Zeus van Feidias is helaas onbekend, maar we kunnen speculeren. Van 362 tot 363 regeerde keizer Julianus de Afvallige, die vooral bekend is omdat hij, nadat zijn voorgangers blijk hadden gegeven van hun persoonlijke sympathie voor het christendom, het heidendom wilde herstellen. Julianus sneuvelde voordat hij veel had bereikt, maar bij de christelijke gezagsdragers zat de schrik er goed in en ze stelden zich steeds scherper op tegen uitingen van het heidendom. In Rome eisten ze de verwijdering van het beeld van Victoria uit het Senaatsgebouw; ook kwam er een einde aan de subsidiëring van de heidense eredienst. Het lijkt me goed mogelijk dat het wereldberoemde beeld van de Griekse oppergod, dat te heidens was om te worden beschouwd als alleen maar een kunstvoorwerp, op soortgelijke wijze werd verwijderd – te meer omdat het goud viel te gebruiken voor het slaan van munten en de vervaardiging van andere kunstvoorwerpen.

Christus in de Santa Pudenziana in Rome

Vergeten was het beeld allerminst. Toen in Rome de kerk van Santa Pudenziana rond 420 een mooi apsismozaïek moest krijgen, werd de nieuwe oppergod afgebeeld zoals de oude oppergod, waardoor Christus eruitziet als ware hij Feidias’ Zeus in Olympia.

#Christus #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #El #Feidias #JulianusDeAfvallige #Nikè #Olympia #Pausanias #Rome #SantaPudenziana #Zeus #zevenWereldwonderen

Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Sarcofaag van Herennius Etruscus, broer van Claudius II Gothicus (Museum Altemps, Rome)

Maar hoe erg was het feitelijk? Een gesneuvelde keizer is natuurlijk een aanwijzing dat het menens was, maar beschrijvingen van “barbaren” zijn sowieso stereotiep en mensen kunnen hun angst voor onoverzichtelijke problemen makkelijk omzetten in vijandsdenken. Deze of gene minderheid geldt dan als de boeman die de schuld krijgt voor een anders slecht benoembaar probleem. Zoals joden, christenen en astrologen nogal eens de schuld kregen, zo ook buitenlandse vijanden.

Dat er wel degelijk iets aan de hand was, blijkt uit muntschatten. In tijden van crisis begraven mensen hun geld, en de ruim 700 schatten uit Bulgarije zijn ongelijkmatig verdeeld: ruimtelijk bezien zijn er meer in het gebied langs de Donau dan in het zuiden, temporeel bezien is de helft te dateren tussen 235 en 270. Het laatste jaar correspondeert met een overwinning van keizer Claudius II Gothicus. (Zijn bijnaam hoef ik niet uit te leggen.) Er is meer bewijs dat de crisis serieus was: keizer Aurelianus (r.270-275) ontruimde de gebieden benoorden de Donau. Moesia was opnieuw een grensprovincie.

Herstel

De vierde eeuw zag herstel, dat meestal wordt geassocieerd met de regering van keizer Diocletianus (r.284-305), die inzag dat er meer dan één keizer moest zijn om op alle plaatsen tegelijk gezag te kunnen uitoefenen. De door hem ingezette hervormingen werden door zijn opvolgers voortgezet, waarvan Constantijn de Grote (r.306-337) de belangrijkste is. Zo werden de provincies opnieuw ingedeeld, waarbij de Thracische gebieden samenkwamen in één zogeheten diocees, dat ook Thracië heette.

Laatantieke keizer (Archeologisch museum, Veliko Tarnovo)

Het muntstelsel werd vernieuwd – in musea zie je dat goudstukken de zilverstukken overvleugelden – en het leger kreeg betere forten, die we kunnen typeren als kastelen. Waren dat aanvankelijk vooral grensforten, in de loop der tijden werden ook de (inmiddels kleinere) steden voorzien van indrukwekkende stadsmuren. Versterkte politieposten bewaakten de wegen, bruggen, mijnen, ateliers en andere strategisch belangrijke plekken.

Voor Thracië was speciaal belangrijk dat Diocletianus zijn residentie plaatste in de stad Nikomedeia aan de Zee van Marmara. Het graan dat nodig was om de stad te voeden, kwam uit de vallei van de Maritsa. Zijn opvolger Galerius nam Thessaloniki als residentie, en ook die stad leefde van Thracisch graan.

De baden van Sofia

Het christendom

Diocletianus beschouwde manicheeërs en christenen als on-Romeins en vervolgde hen jarenlang, maar Galerius maakte daaraan in 311 een einde. Hij deed dit toen hij een bezoek bracht aan de geneeskrachtige baden van Serdica, het huidige Sofia, waar het badhuis in kwestie is geïdentificeerd. Galerius’ opvolger Licinius besloot te gaan samenwerken met de christenen en de dynastie van Constantijn zette dat beleid na 324 voort.

En ook hij koos een residentie: Byzantion, dat later Constantinopel zou heten. Thracisch graan was opnieuw belangrijk. De Via Diagonalis die ik eerder noemde, werd belangrijker dan ooit: het was de weg naar de keizerlijke residentie. Ze heet tot op de dag van vandaag Тsarigradski pieti, de weg naar Tsarigrad, “keizerstad”. Het is geen toeval dat toen in 343 de christenen over hun christologische geschillen discussieerden, ze dat deden in een stad aan deze weg: de Synode van Serdica. Makkelijk bereikbaar over de weg vanuit Constantinopel en via de Donau vanuit het westen. Een van de aanwezigen was Sint-Servaas, de bisschop van Tongeren die in Maastricht zou worden begraven.

Het herstel van Thracië en Moesia Inferior, ingezet rond 270, kwam na een eeuw echter abrupt ten einde.

[Wordt later vandaag afgerond]

#Aurelianus #barbaren #Carpi #ClaudiusIIGothicus #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #CrisisVanDeDerdeEeuw #Decius #diocees #Diocletianus #Galerius #Goten #graan #Licinius #MaximinusThrax #Moesia #muntschat #Nikomedeia #Sarmaten #Serdica #SintServaas #Sofia #SynodeVanSerdica #Thracië #ViaDiagonalis

Nikolaas van Myra, zielzorger

De dood van Nikolaas van Myra (Antivouniotissa-museum, Korfu)

Het is vandaag 1689 of 1688 jaar geleden dat in het Lycische havenstadje Myra de bisschop overleed. Wat deze Nikolaas van Myra  overkwam tijdens zijn hemelvaart, is ronduit spectaculair, maar ik heb het al eens verteld. Vandaag wil ik het hebben over de christelijke gemeenschap die nu op zoek moest naar een nieuwe leider.

Verdeeld en vervolgd

Dat zal een kleine gemeenschap zijn geweest. In de derde eeuw, voordat keizer Constantijn de Grote de christenen tot eenheid dwong, was Christus op allerlei manieren vereerd geweest. Voor de meeste Romeinen – en dus ook voor de bewoners van Myra – was hij een van de vele goden die niet behoorden bij de officiële cultus, maar die je erbij kon nemen als dat je zo uitkwam.

Het staat verder vast dat er in de derde eeuw gelovigen waren die meenden dat als je Christus vereerde, je niet ook andere goden kon vereren. Deze exclusivisten worden in de vakliteratuur wel aangeduid als “proto-orthodox”; de minder radicale vereerders van Christus heten wel “demi-chrétiens”, wat veronderstelt dat alleen de proto-orthodoxen échte gelovigen waren. Dat is nodeloos normatief. Waar het om draait is dat er allerlei vormen van christendom bestonden en dat we niet kunnen weten of de proto-orthodoxe groep die later door de Romeinse overheid zou worden begunstigd, in de derde eeuw al de belangrijkste was. De eigen teksten van de andere groepen zijn immers niet overgeleverd.

Myra zou echter een vreemde havenstad zijn geweest als er niet diverse christelijke groepen waren geweest. Hier legden de Egyptische graanschepen aan – de graanpakhuizen zijn opgegraven – en het is ondenkbaar dat er geen Egyptische ideeën meekwamen: ideeën over een transcendente God die niet de Schepper was, afwijzing van lichamelijkheid, de ambitie godgelijk te worden, een ongemakkelijk gevoel bij de kruisiging van Christus… kortom, opvattingen die ook wel gnostisch zijn genoemd. Tegelijk lag Myra in Anatolië, waar het zogeheten montanisme bestond, een vorm van christendom die het accent legde op het martelaarschap. Voeg een groep toe die sympathiseerde met de joden in de (in 2009 opgegraven) synagoge van Myra, en we hebben, zonder dat we het bewijsmateriaal hebben laten buikspreken, al een stuk of wat soorten christendom.

Ruzies

De in 303 door keizer Diocletianus begonnen vervolging moet haar sporen hebben nagelaten. Er zullen doden zijn gevallen; menigeen zal hebben geofferd aan de oude goden. De verdeelde groepen werden kleiner, als ze al overleefden. In 311 maakte Diocletianus’ opvolger Galerius een einde aan de vervolging, en we kunnen ons de ressentimenten voorstellen tussen christenen die principieel waren geweest en degenen die eieren voor hun geld hadden gekozen. Documentatie voor Myra zelf ontbreekt, maar we weten uit andere delen van het Romeinse Rijk dat de herintegratie van afvalligen (lapsi) een probleem vormde.

Daar kwam het beleid van keizer Licinius nog bij, die na de dood van Galerius besloot de christenen te compenseren voor de vervolging (313). Ik heb al eens verteld hoe dat in Karthago leidde tot een conflict tussen twee bisschoppen die allebei meenden de echte bisschop te zijn en in aanmerking te komen voor het geld. Zoiets speelde niet in elke stad en er is geen aanleiding om ook voor Myra aan een kerkscheuring te denken, maar andere conflicten kunnen er wel zijn geweest. Degene die het geld moest verdelen, moest bijvoorbeeld kiezen tussen herstel van de kerkelijke bezittingen en ondersteuning van families. Je zult maar weduwe zijn geweest, zonder veel bestaanszekerheid, terwijl de bisschop een dure kopiist in dienst nam om een nieuw exemplaar van de Bijbel te maken.

De rol van Nikolaas van Myra

Tot zover de wereld waarin Nikolaas bisschop was. We mogen dan sinds kort een beredeneerd vermoeden hebben over zijn sterfjaar, we weten niet wanneer hij bisschop werd. Als hij lang bisschop is geweest, heeft hij deze problemen meteen na het einde van de vervolging moeten aanpakken; als hij later is gewijd, zal hij de nasleep ervan hebben meegemaakt. Dat zal hem heel wat hoofdbrekens hebben gekost. Hoe kon hij, behorend bij een van de christelijke groepen in Myra, mensen van de andere groepen bereiken en overtuigen?

Het door Constantijn de Grote belegde Concilie van Nikaia schiep duidelijkheid. De proto-orthodoxie werd nu erkend en werd de door de staat gesteunde opvatting. Minimaal vanaf dit moment zal Nikolaas deze opvattingen hebben gedeeld; als hij ervan zou zijn afgeweken, zou hij nooit als orthodoxe heilige zijn erkend. Hij stond na Nikaia ook sterker in de discussie met gnostici en montanisten.

Onze bronnen vermelden geen tegenstellingen binnen Nikolaas’ parochie. Evenmin geven ze aan dat de groep klein was, hoewel de feitelijke groei van het christendom pas net was begonnen. Het ontbreken van deze informatie is logisch. De bronnen zijn meest laat geschreven, toen de triomf van de orthodoxie al compleet was. Nikolaas’ rol als zielzorger interesseerde niemand meer. Maar voor de bisschoppen van zijn generatie moeten de aloude christelijke verdeeldheid en de recente wonden van de vervolging hebben behoord bij de dagelijkse pastorale zorg.

Wat we wel weten is dat de gelovigen bisschop Nikolaas, zoals te doen gebruikelijk, even buiten de stad begroeven. Een klein monumentje zal de plek hebben gemarkeerd. Daar is later de grafkerk gebouwd die tegenwoordig centraal staat in een toeristische mallemolen.

#bisschop #ConstantijnDeGrote #demiChrétiens #Diocletianus #EersteConcilieVanNikaia #exclusivistischeChristenen #Galerius #gnosis #lapsi #Licinius #Lycië #montanisme #Myra #NikolaasVanMyra

Het scheiden der wegen

Schema van het scheiden der wegen (klik=groot)

Het is niet voor het eerst dat ik schrijf over het scheiden van de wegen van joden en christenen. Voor negentiende-eeuwse christenen was dat simpel: er was een Oud Verbond en omdat de joden Jezus van Nazaret niet hadden erkend als messias, was er een Nieuw Verbond, waarin de joden als verbondsvolk waren vervangen door de christenen. En voor joden was het ook al simpel: christendom was monotheïsme voor de export, maar niet het onversneden echte spul. Beide groepen – de negentiende-eeuwse christenen en de negentiende-eeuwse joden – claimden het tempeljodendom als hun eigen erfgoed en meenden dat de andere religie zich van de rechte leer had afgesplitst.

De geschiedenis van het christendom werd lange tijd eigenlijk even simpel voorgesteld. Ooit was er een zuivere kerk geweest, waar links en rechts aftakkingen van waren, met één orthodoxe stroming die in een rechte lijn vanaf de apostelen ging naar het eigen kerkgenootschap.

Al in de negentiende eeuw stond vast dat het complexer was. De Dode Zee-rollen en de publicatie van vroegchristelijke bronnen hebben dat bevestigd. Ik verzorg over deze materie weleens een cursus, en onlangs maakte ik daarbij het schema dat u hierboven ziet. Het is in deze vorm gemaakt door Kees Huijser, die wel vaker het grafische werk voor deze blog verzorgt. Ik beweer niet dat dit overzicht correct is; er is geen verband of lijn die niet ook anders kan zijn; maar het schema helpt om de stof te ordenen.

Pluriform jodendom

Helemaal links ziet u de situatie rond het jaar 150 v.Chr. In zijn Joodse Oorlog en Joodse Oudheden gebruikt de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus ongeveer dit moment om de stromingen te introduceren die volgens hem het normale jodendom vertegenwoordigen: de farizeeën, de sadduceeën en de essenen.

Het is plausibel dat deze drie stromingen ontstonden door het conflict dat ligt besloten in de Dode Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT, “Enige werken der Wet”. Volgens een mogelijke interpretatie richtte de auteur zich tot hogepriester Jonathan, om hem te waarschuwen voor de eerste farizeeën (“Belialsoverleg”) en te brengen tot de juiste, vroeg-sadducese opvattingen. Toen de hogepriester niet akkoord ging, splitste de groep rond de auteur van deze brief zich van de sadduceeën af en vormde de groep van de essenen. Althans, dat is een mogelijk scenario, dat is gebaseerd op de aanname dat de Dode Zee-rollen door de essenen zijn geschreven. Dat is maar de vraag.

Als deze aanname correct is, zijn er ook meerdere esseense groepen geweest; de Dode Zee-rollen documenteren verschillen in opvatting en verschillende woonplaatsen. Ook de farizeeën waren verdeeld; vanaf het begin van de jaartelling waren er twee hoofdstromingen. De sicariërs, waarvan nogal eens wordt genegeerd dat ze ook niet-joodse leden hadden, waren overigens een farizese afsplitsing. De meeste joodse stromingen overleefde de ondergang van Jeruzalem in 70 niet.

Het scheiden der wegen

De Jezusbeweging kende ook twee takken, waarvan de joodse tak is vertegenwoordigd in de Didache (al zijn er andere interpretaties) en de niet-joodse in de brieven van Paulus en de evangeliën. Die zijn geschreven rond 70 (Marcus) en in de generatie er na. Er zijn geleerden die het evangelie van Johannes dan weer heel vroeg plaatsen en beweren dat dat “een game-changer” is, maar ik geloof er helemaal niks van. Ik noem het echter om nog eens te benadrukken dat het schema ook maar een vereenvoudiging is, ja een oververeenvoudiging.

Meer oververeenvoudiging: Jochanan ben Zakkai organiseerde het rabbinaat en baseerde zich daarbij op een van de twee farizese stromingen. Helemaal onwaar is het niet, maar het rabbijnse jodendom dat zo kwam te ontstaan, heeft bredere wortels dan alleen het farizeïsme. De optekening van de Mishna, een verzameling rabbijnse wijsheid, toont dat joods leven mogelijk is in een samenleving die niet joods is. Er zijn geen Joodse machthebbers, met andere woorden – een gevolg van de opstand van Bar Kochba. Na 136 na Chr. moest men achttien eeuwen wachten voor een nieuwe Joodse staat in het land van Israël.

Die Bar Kochba-opstand had een einde gemaakt aan de joodse christenen. Althans, daarvoor zijn aanwijzingen. Het is weer niet zo zeker allemaal. Wat wél zeker is, is dat op dat moment de rabbijnse joden en de christenen al uit elkaar aan het gaan waren. De door de Romeinse keizer Domitianus met ongebruikelijke hardheid geïnde belasting die bekendstaat als Fiscus Judaicus speelde daarbij een belangrijke rol, maar er waren meer factoren, waarover discussie bestaat.

Pluriform christendom

De andere, niet-joodse christenen waren verdeeld over allerlei oriëntaties en ideeën, die ik in dit schema achterwege heb gelaten. Egypte was een fabriek aan nieuwe opvattingen. In de tweede helft van de tweede eeuw organiseerde Eirenaios van Lyon het nieuwe geloof, en zijn opvattingen staan aan het begin van de proto-orthodoxie.

Er zijn op dat moment andere opvattingen. Montanisme, die het martelaarschap verheerlijken; gnostici, met een complexe mythe en eigen teksten, bekend uit Nag Hammadi. En er zijn nog meer opvattingen, die we niet altijd even goed kennen. De meeste mensen die Christus vereerden, deden dat in combinatie met de oude goden, en de scheiding van het langzaam groeiende rabbijnse jodendom was ook niet scherp. Over deze ideeën zijn we slecht geïnformeerd omdat latere, orthodoxe kopiisten dit materiaal zelden kopieerden. Soms, zoals in een hymne waarin Christus aan Apollo wordt gelijkgesteld, schemert er iets door.

De keuze van Constantijn

De bekering van Constantijn betekende dat het exclusivistische christendom (dat stelde dat als je Jezus vereerde, je hem als enige godheid aanvaardde en dus niet, zoals in de Oudheid gewoon was, de nieuwe god combineerde met de verering van de andere goden) de wind in de zeilen kreeg. Iets preciezer: binnen dit exclusivistische christendom steunde hij de proto-orthodoxe groep. Met het Concilie van Nikaia, dit jaar zeventien eeuwen geleden, werd dit de staatskerk van het Romeinse Rijk.

Was de proto-orthodoxie de belangrijkste groep binnen het derde-eeuwse christendom, en was Constantijns specifieke keuze daarom voorspelbaar? Of was de proto-orthodoxie een van de vele christelijke oriëntaties, en was zijn keuze persoonlijk? Ik voor mij denk het laatste, maar er zijn geleerdere mensen die denken dat het proto-orthodoxe christendom dominant was, en sommigen denken dat die dominantie begon met Eirenaios, anderen denken dat het al eerder het geval was.

Wat ik maar zeggen wil: dit schema is handig voor onderwijsdoelen, en wat mij betreft mag iedereen het gebruiken. Als je er maar bij zegt dat elk aspect discutabel is.

#4qmmt #constantijnDeGrote #didache #dodeZeeRollen #domitianus #eersteConcilieVanNikaia #eirenaiosVanLyon #essenen #exclusivistischeChristenen #farizeeen #fiscusJudaicus #flaviusJosephus #gnosis #jezusVanNazaret #jochananBenZakkai #jonathanDeMakkabeeer #messias #mishna #montanisme #nagHammadi #nietExclusivistischeChristenen #sadduceeen #scheidenDerWegen #sicariers

Romeins Recht (3): Justinianus

Modern standbeeld voor Ulpianus (Tyrus)

In het eerste stukje legde ik uit dat het Romeins Recht uiteenlopende bronnen had en in het tweede stukje toonde ik hoe rechtsgeleerden steeds meer zochten naar systematiek. Rond het midden van de derde eeuw na Chr., toen het Romeinse Rijk door een crisis ging, kwam er een tijdelijk einde aan deze rechtspraktijk. Wat dit in feite betekende, is moeilijk te achterhalen, maar het is opvallend hoe weinig documentatie we hebben uit deze periode. Vermoedelijk dateren de eerste codices, privéverzamelingen voor deze of gene provincie, uit deze tijd. Het was pas keizer Constantijn die zich weer om het Romeins Recht bekommerde en enkele rechtsgeleerden aanwees wier adviezen voortaan rechtskracht hadden. Dit staat bekend als de Citeerwet maar feitelijk was het een constitutie of, zo u wil, een decreet.

De vierde en vijfde eeuw

De tweede helft van de vierde eeuw is wel getypeerd als een renaissance en inderdaad werden allerlei oude teksten gekopieerd. Dat gold ook voor rechtsgeleerde teksten: ze werden, soms als samenvatting en altijd met aanpassingen (bijvoorbeeld aan het vernieuwde muntstelsel), opnieuw gepubliceerd. Sommige compendia hebben we over, zoals de Sententiae (“adviezen”) van Julius Paulus van Emesa en de Epitome (“samenvatting”) van Ulpianus van Tyrus. Deze laatste was overigens juridisch adviseur geweest van de keizers Caracalla (r.211-217) en Severus Alexander (r.222-235). We hebben zijn werk dus over in een vierde-eeuwse vorm. Ongetwijfeld zijn die benut in de rechtsscholen, zoals de beroemde instelling in Beiroet, dat zich tot op de huidige dag presenteert als nutrix legum, “de voedster van de wetten”.

In de derde eeuw en vroege vierde eeuw was er nogal wat wildgroei geweest. De leraren van de rechtenfaculteit in Beiroet namen het voortouw bij de herordening van het corpus aan wetten, constituties, decreten en andere regels. Een zekere Cyrillus schreef een systematische uitleg van alle juridische definities en zijn opvolgers adviseerden de keizer in Constantinopel. Er waren ook invloeden vanuit het joden- en christendom, zoals te vinden in de Collatio Legum Mosaicarum et Romanarum, waarin de wetten van Mozes naast het Romeinse recht worden geplaatst.

Keizer Theodosius II (r. 408-450) begreep hun verlangen naar één, systematisch geordend stelsel en gaf opdracht tot een codex van alle keizerlijke constituties sinds de regering van Constantijn de Grote. Deze Codex Theodosianus, gepubliceerd in 438, is zeer invloedrijk geweest. Na de desintegratie van het Romeinse bestuur in West-Europa waren er speciale edities voor de opvolgerstaten in Gallië (het Breviarium Alaricianum en de Lex Romana Burgundionum), op het Iberische Schiereiland (de Lex Romana Wisigothorum en het ambitieuze Forum Iudicum) en Italië (Edictum Theodorici).

Justinianus

Het Romeinse Recht zal echter voor altijd verbonden zijn met keizer Justinianus, die in 527 aan de macht kwam en onmiddellijk opdracht gaf tot codificatie van het volledige rechtssysteem. Het Corpus Iuris vormt het hoogtepunt van een juridische traditie die een ruim millennium eerder was begonnen met de Wetten van de Twaalf Tafelen.

Een team van tien rechtsgeleerden onder leiding van Tribonianus moest “selecteren wat nuttig was” in de handboeken, monografieën en commentaren uit de tweede en derde eeuw, alsmede de recentere compendia. “Herhalingen en tegenstrijdigheden moesten worden vermeden”, “alles wat onvolledig, onnodig of verouderd was, moest worden gewist” en de teksten moesten indien nodig worden geactualiseerd.

Het Corpus Iuris bestaat uit vier delen. Het omvangrijkste deel staat bekend als de Digestae. In vijftig boeken, onderverdeeld in titels, hoofdstukken en paragrafen, wordt elk denkbaar onderwerp behandeld. Omdat Justinianus dit uitdrukkelijk had geëist, moesten de namen van de oorspronkelijke rechtsgeleerden worden genoteerd. Een moderne verwijzing naar “Ulp., D. 50.15.1. pr.” betekent dat een opinie van Ulpianus wordt bedoeld, te vinden in het vijftigste boek van de Digesten, titel vijftien, hoofdstuk één, in de proloog. In de betreffende passage valt te lezen dat verschillende steden in Syrië de rang van colonia combineerden met Italiaanse rechten, en dat Ulpianus’  geboorteplaats Tyrus er één van was, omdat het de nobelste stad van allemaal was, heel oud, zeer betrouwbaar in de naleving van verdragen en uiterst loyaal aan Rome. Dat deze lofzang behouden is gebleven, suggereert dat Tribonianus’ team niet alles heeft gewist wat niet nodig was.

Tegelijk met de Digesten verscheen het handboek Institutiones, dat gebaseerd was op het al genoemde handboek van Gaius. Op twee nieuwe publicaties volgde de Codex Justinianus, een uitgebreidere versie van de Codex Theodosianus met keizerlijke constituties. Constituties die na de publicatie van deze drie teksten zijn verschrenen, zijn opgenomen in de Novellae. Die zijn gepubliceerd in het Grieks.

Romeins Recht als historische bron

Samen staan deze vier teksten – Institutiones, Codex, Digestae, Novellae – bekend als het Corpus Iuris. Voor een historicus vormt het hierin beschreven Romeins Recht een ware goudmijn. Hier hebben we een grote hoeveelheid wetgeving, relevant voor de Late Oudheid, maar gebaseerd op oudere regelgeving, die we vaak kunnen reconstrueren.

Bovendien bieden de Digesten inzicht in kwesties die juridisch advies vereisten, zodat we veel vernemen over de dingen die er voor de Romeinen werkelijk toe deden. Af en toe herken je de persoonlijkheid van een juridisch expert. Het zegt veel over het gevoel voor humor van Julius Paulus dat hij, in zijn commentaar op een wet die overspel bestrafte met verbanning naar een eiland, adviseerde de veroordeelden te sturen naar twee verschillende eilanden.

Tot slot: een van de grote vragen is hoe de Digesten in slechts drie jaar tot stand hebben kunnen komen. De verklaring is vrijwel zeker dat er een oudere collectie is geweest in de rechtsschool van Beiroet. We moeten het materiaal daarom met enige voorzichtigheid benutten. De originele teksten zijn geschreven in Italië, de eerste collectie was relevant voor Beiroet en Justinianus voerde deze opnieuw voor de Romeinse wereld van de zesde eeuw. Ik zou de informatie uit de Digesten dus niet zomaar extrapoleren naar pakweg Romeins Nijmegen of Tongeren.

[Met dank aan Sidney Smeets]

#beiroet #breviariumAlaricianum #caracalla #codexJustinianus #codexTheodosianus #collatioLegumMosaicarumEtRomanarum #constantijnDeGrote #corpusIuris #edictumTheodorici #forumIudicum #juliusPaulus #justinianus #lexRomanaBurgundionum #lexRomanaWisigothorum #libanon #romeinsRecht #severusAlexander #theodosiusIi #tribonianus #tyrus #ulpianus

De Europese canon (1-5)

Tijdens keizer Septimius Severus, wiens ereboog u hier ziet, bereikte het Romeinse Rijk zijn grootste omvang

Een tijdje geleden stelde ik een Europese historische canon voor van tweeënveertig vensters en nodigde ik u uit toevoegingen te doen en verbeteringen te suggereren. Tussen vandaag en de Europese verkiezingen van 6 juni zal ik in elf blogjes de uitkomst aan u presenteren: steeds vijf vensters en daarnaast een stukje waarin ik de keuzes verantwoord. Bedenk wel: een canon een didactisch hulpmiddel, geen in steen gehouwen waarheid. Een canon heeft meer te doen met wetenschapscommunicatie dan met wetenschap. Wie liever een canon van de geschiedwetenschap leest, vindt die hier.

Ter zake nu.

Het Romeinse Rijk

Periode: Tot de zesde eeuw / tot 1453

In het krachtige en welvarende Romeinse Rijk, dat rond 202 na Chr. zijn grootste omvang bereikte, woonde ongeveer een derde van de wereldbevolking. Hoe vitaal de toenmalige cultuur was blijkt wel uit het feit dat het imperium bleef bestaan tot 1453 (later meer) terwijl de voornaamste Romeinse talen – het Grieks, het Latijn en het Aramees – nog springlevend zijn.

De voornaamste erfenis, en de reden waarom de Romeinen deel uitmaken van de Europese canon, is echter een andere: bescheidenheid. De Romeinen hadden er geen enkele moeite mee te erkennen dat ze hadden geleerd van andere beschavingen. Ze erkenden het wezenlijk andere. Die bescheidenheid gaven ze door aan het middeleeuwse christendom, dat erkende te staan op de schouders van reuzen, aan de Renaissance en aan het latere Europa. Met een woord van Rémi Brague is bescheidenheid Europa’s “Romeinse weg”.

De kerstening, gesymboliseerd door de doop (Ravenna)

De kerstening

Periode: 96-1000

Het christendom ontstond als joodse sekte, raakte van de andere joden afgesplitst, deed Grieks-Romeinse filosofische bagage op, werd van tijd tot tijd en van stad tot stad vervolgd, tot de keizers Licinius en Constantijn het begin vierde eeuw erkenden als toegestane godsdienst. Tegen het einde van die eeuw was de Romeinse elite, die wist uit welke hoek de wind waaide, overgegaan tot het christendom en langzaam verspreidde het geloof zich.

In de vijfde eeuw begon missionering buiten het Romeinse Rijk (Saint Patrick, Ierland), de post-Romeinse elite werkte samen met de kerk (Clovis, Gallië) en later namen de vorsten in de noordelijke en oostelijke periferie het geloof aan (Harald I van Denemarken rond 965, Vladimir I van Kyjiv 988, Stefanus I van Hongarije 1000).

Goudschat van de Avaren (Nationaal Museum, Boedapest)

De Avaren

Periode: 560-803

Alternatief: de Hunnen (433-469)

Al in de IJzertijd bestond er een geleidelijke migratie van nomadische veetelers vanuit het droge Manchurije en Mongolië over de Altai naar de vochtigere steppe van het huidige Oekraïne. De migrerende groepen zijn bekend onder allerlei namen: Kimmeriërs, Skythen, Sarmaten. Steeds als het klimaat verslechterde, kwamen migranten westwaarts. De golf die in de late vijfde eeuw kwam opzetten diende zich aan als de Hunnen en later als de Avaren.

De meeste van deze groepen desintegreerden al snel, maar het rijk van de Avaren bleef een kwart millennium bestaan. Hun aanwezigheid blokkeerde de landweg tussen het oostelijk en westelijk deel van de Laat-Romeinse wereld. West-Europa raakte gescheiden van het Byzantijnse Rijk.

Inscriptie over waterwerken in Córdoba (Archeologisch museum, Córdoba)

Het emiraat van Córdoba

Periode: 711-1039

De Arabische veroveringen begonnen rond 630 en al begin achtste eeuw viel het post-Romeinse Rijk van Toledo. Niet veel later staken de Arabieren de Pyreneeën over, waar ze een ander post-Romeins rijk, dat van de Merovingen, destabiliseerden. De Merovingische generaal Karel Martel versloeg een Arabisch leger bij Poitiers (732), wat zijn familie het prestige gaf om de macht benoorden de Pyreneeën over te nemen. Zo ontstond de dynastie van de Karolingen, met een ideologie dat zij het christelijke Europa belichaamde, kampend tegen de Saracenen.

Een Arabische burgeroorlog maakte niet veel later een einde aan de expansie en het Iberische Schiereiland scheidde zich af van het Kalifaat. Dit emiraat van Córdoba zou eeuwenlang een van de voornaamste contactpunten zijn tussen de Arabische en West-Europese cultuur.

Een kopiist aan het werk

De Karolingische Renaissance

Periode: Vanaf 795

In 795 dicteerde Karel de Grote de circulaire die bekend is komen staan als de Brief over het cultiveren der letteren. Hiermee organiseerde hij het onderwijs in zijn rijk. In dezelfde tijd begonnen klerken in abdijen op grote schaal antieke teksten te kopiëren. Zo stelden ze het Griekse en Romeinse literaire erfgoed, voor zover nog aanwezig, voor latere generaties veilig.

Het doel van dit cultureel reveille was het opvoeden van de bevolking in christelijke deugden, maar ook teksten van heidense schrijvers werden gekopieerd. Zonder de Karolingische Renaissance zouden wij de Romeinse wereld nauwelijks kunnen kennen.

De Europese canon…

… vervolgt met de verantwoording van de Europese canon, en wordt vervolgd met een blogje over de Volle Middeleeuwen. U blijft op de hoogte van deze reeks (en van alle blogjes) via het WhatsAppkanaal.

1-56-1011-1516-2021-2526-3031-3536-4041-4546-50 #Avaren #Clovis #ConstantijnDeGrote #emiraatVanCórdoba #EuropeseCanon #HaraldIVanDenemarken #Hunnen #IerseMonniken #KalifaatVanBagdad #KarelDeGrote #KarelMartel #KarolingischeRenaissance #kerstening #Kimmeriërs #Licinius #Merovingen #Oekraïne #RémiBrague #RijkVanToledo #Sarmaten #SintPatrick #Skythen #slagBijPoitiers #StefanusIVanHongarije #VladimirIVanKyjiv

Het Forum van Trajanus

het Forum van Trajanus (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

In het Drents Museum in Assen is momenteel een mooie expositie over het oude koninkrijk Dacië, zeg maar Roemenië. Rond het begin van onze jaartelling was dat een machtige staat, die het de Romeinen bij tijd en wijle knap lastig maakte, mede doordat de koning dankzij enkele goudmijnen altijd huurlingen kon aantrekken. Voor keizer Trajanus waren die goudmijnen voldoende reden om het gebied te annexeren. Er waren twee campagnes voor nodig, maar in 106 na Chr. was de oorlog voorbij.

Nu moest iedereen in Rome het ook nog zien, en dus zette de zegevierende keizer zijn krijgsgevangenen in om een nieuw forum aan te leggen: het Forum van Trajanus, met daarnaast de Markthallen van Trajanus. De architect was Apollodoros van Damascus, die eerder een beroemde brug over de Donau had gebouwd. Het complex, volgens onze bronnen een van de mooiste bouwwerken in Rome, was voltooid in 112. De combinatie van oorlogsvoering en bouwwerken illustreert vooral het door oudhistorici als fantasieloos getypeerde beleid van deze keizer.

De noordoostelijke exedra

Wie het Forum van Trajanus betrad vanuit het zuidoosten, waar het Forum van Augustus lag, zou op het enorme plein eerst het veertien meter hoge ruiterstandbeeld van de bouwer van het forum hebben gezien. Aan weerszijden van het plein lagen twee halfronde portico’s, de zogeheten exedra’s. Voorbij het plein verrees Romes grootste basiliek, met meteen daarachter een erezuil voor de keizer, geflankeerd door twee bibliotheken. We weten dat er een tempel is geweest, die lange tijd in het uiterste noordwesten werd gezocht, maar vermoedelijk is te identificeren met een niet al te grote ruimte bij de ingang. Tot slot lagen achter de noordoostelijke exedra de Markthallen. Als u deze beschrijving wat onduidelijk vond, is hier een illustratie.

Exedra’s

In de exedra’s werd onderwijs verzorgd. In de treden, zuilen en vloer was overvloedig gebruikgemaakt van Numidisch geel marmer, wat de bezoekers moest herinneren aan het Dacische goud. De bovenkant van de galerijen was versierd met beelden van barbaren, krijgsbuit, paarden en veldtekens. Ook waren hier portretten van overleden keizers en hun familieleden te zien, die waarschijnlijk afkomstig waren uit een deel van het Forum van Augustus dat was gesloopt om ruimte te maken voor dat van Trajanus.

De Basilica Ulpia (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Basiliek

Achter het plein lag de vijfschepige basiliek, de Basilica Ulpia, vernoemd naar Trajanus’ familie. Het gebouw strekte zicht uit over 176 meter en was een van de grootste constructies in Rome.

Blijkens munten had de basiliek aan de kant van het plein een centrale toegangspoort met daarboven een beeldengroep van de keizer in een vierspan, met aan weerszijden paardenknechten. Boven twee kleinere ingangen stonden tweespannen en op de hoeken waren kopieën te zien van de veldtekens van de legioenen die hadden deelgenomen aan de Dacische Oorlog. Vermoedelijk was aan deze zijde ook een twintig meter lang fries te zien dat voorstelde hoe de keizer te paard gezeten een aanval leidde. Dit reliëf is later verwijderd, in vieren gesplitst en verwerkt in de triomfboog van keizer Constantijn de Grote. Een reconstructie van het geheel is te zien in het Museo nazionale della civiltà romana.

Reconstructie van het Grote Trajanusreliëf (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Wie de basiliek door een zij-ingang binnenkwam, moet een ervaring hebben gehad die vergelijkbaar is met die bij het betreden van de moskee van Córdoba: in alle richtingen leken zuilen te staan. In het middenschip waren onderaan zuilen van Egyptisch grijs graniet (waarvan er nu nog tweeëntwintig overeind staan). Boven een reliëf van offerende overwinningsgodinnen was een tweede zuilengalerij, vervaardigd uit Karystisch groengeaderd marmer. Ditzelfde gesteente was ook gebruikt voor de pilaren tussen de zijschepen. Wat betreft het mozaïek op de vloer: daar lag de immer verrassende combinatie van groengeaderd, geel en paarsgeaderd marmer.

Juridische aangelegenheden

De basiliek bood onderdak aan juristen, die hier kwamen voor rechtszaken, onderwijs, vergaderingen en beraadslagingen. Ook werden hier wetten afgekondigd en vonden uitdelingen plaats. Over een andere toepassing lezen we in de Historia Augusta:

Omdat Marcus Aurelius voor de oorlog tegen de Germanen de schatkist had uitgeput en het niet over zijn hart kon verkrijgen de bewoners van de provincies een buitengewone heffing op te leggen, organiseerde hij op het Forum van de vergoddelijkte Trajanus een veiling van keizerlijke kostbaarheden. Hij verkocht bekers van goud, kristal en agaat, paleismeubilair, een gewaad van zijde en brokaat van zijn echtgenote en zelfs de juwelen die hij in grote getallen had aangetroffen in een gewijd kabinet van Hadrianus.noot Historia Augusta, Marcus Aurelius  17.4.

De zuidwestelijke zijde van de basiliek was de plaats waar slaven werden vrijgelaten. Ze kregen dan een vrijlatingsbrief, draaiden een pirouette en zetten een vilten muts op. Na dit ritueel moesten ze zichzelf zien te redden en was de meester bevrijd van zijn zorgplicht.

De markthallen van Trajanus

Markthallen

Ten noordoosten van de basiliek lagen de markthallen. Ze vormden het oudste deel van het complex, waarmee keizer Domitianus al een begin had gemaakt. De verschillende galerijen lagen op vijf niveaus tegen de zuidelijke helling van het Quirinaal. In totaal waren er zo’n honderdvijftig winkels. In die op de begane grond werden tuinbouwproducten verkocht. Olie- en wijnhandelaren waren gevestigd op de eerste verdieping.

Daarboven vond de verkoop plaats van peperdure specerijen uit het Verre Oosten. De straat op dit niveau – waar men tegenwoordig het complex betreedt – heette in de Middeleeuwen Via Biberatica (“Drankweg”), wat een verbastering moet zijn van Via Piperatica (“Peperweg”). Ook de overdekte winkelpassage op de derde verdieping was gewijd aan de specerijenhandel. Tot slot waren op het hoogste bouwniveau de kantoren gevestigd van de administratie van de voedseluitdelingen.

[wordt vervolgd]

#ApollodorosVanDamascus #ConstantijnDeGrote #Dacië #Domitianus #ForumVanTrajanus #Hadrianus #HistoriaAugusta #Italië #Keizerfora #MarcusAurelius #peper #Rome #Trajanus #triomfboogVanConstantijn #ZuilVanTrajanus

Het Ware Kruis (1)

Helena (Capitolijnse Musea, Rome)

In het jaar 326 bezocht Helena, de moeder van Constantijn de Grote, het Heilig Land. Haar zoon had haar kort daarvoor de rang van augusta gegeven, wat je zou kunnen vertalen als “keizerin”, al betekent het niet dat ze beleid kon maken, uitvoeren of controleren. Ze had echter wél toegang tot de keizerlijke schatkist en kon daardoor het initiatief nemen tot bouwprojecten. In Betlehem legde ze de eerste steen voor de Geboortekerk, in Jeruzalem voor een kerk op de Olijfberg. Een van de aanwezigen was bisschop Eusebios van Caesarea, die enkele jaren later in zijn Leven van Constantijn verslag deed van het bezoek en de werkzaamheden.noot Eusebios, Leven van Constantijn 3.41-42.

Kruisvinding

Wat hij daarbij niet vermeldt, is dat Helena bij die gelegenheid het Ware Kruis zou hebben gevonden: het kruis waaraan Jezus dood zou zijn gemarteld. Christenen hebben de vondst eeuwenlang herdacht met het feest van de Kruisvinding.

Een latere legende vertelt dat Helena op de plek van de Grafbasiliek niet minder dan drie kruisen zou hebben gevonden en had vastgesteld welk het echte was, door het houtwerk te gebruiken om een zieke mee aan te raken. Bij het Ware Kruis genas deze in een handomdraai. De keizerin nam dat kruis mee naar Rome, waar het nog eeuwenlang vereerd zou worden in een kerk die was ingericht in een voormalig keizerlijk paleis, de kerk van Santa Croce in Gerusalemme.

De kapel bestaat nog steeds en u vindt er ook het bordje met het opschrift “Jezus van Nazaret, koning der Joden”, de spijkers waarmee Jezus werd vastgenageld aan het hout, doornen van de doornenkroon, een stukje van de paal waaraan Jezus was vastgebonden bij de geseling, de dwarsbalk van het kruis van de goede moordenaar, een vinger van de ongelovige Thomas en – de laatste keer dat ik er was – een bisschoppelijk goedgekeurde expositie die betoogde dat de Lijkwade van Turijn echt authentiek was en dat wetenschappers met hun koolstofdateringen er niks van begrijpen. Getuige het beledigende mailtje dat ik vorige week ontving zijn er nog steeds mensen die niet willen begrijpen wat wetenschap is.

De kapel in de Santa Croce, Rome

Vroege kruisverering

De legende is pas later ontstaan en de vraag dringt zich op waar ze vandaan komt. Eén ding is zeker: Eusebios weet van niets, terwijl hij een ontdekking als deze, als hij er bij was geweest, zeker niet onvermeld zou hebben gelaten. Maar er circuleerden al verhalen over het kruis. Het tweede-eeuwse, apocriefe Evangelie van Petrus bevat bijvoorbeeld een exuberante beschrijving van Jezus’ opstanding, waarbij – ik verzin het ook niet – het kruis sprekend wordt opgevoerd.

Deze tekst illustreert dat er mensen waren die het kruis beschouwden als een belangrijk onderdeel van hun geloof. Een inscriptie uit de omgeving van het Algerijnse Sétif documenteert de verering van “hout van het kruis uit het Beloofde Land” in het jaar 359.noot EDCS-70200001.. Je zou je kunnen voorstellen dat geestelijken die wilden benadrukken dat Christus weliswaar goddelijk was maar ook echt als mens had geleden, lichamelijk dus, als eersten het materiële aspect van de kruisiging hebben benadrukt. Er was in elk geval voldaan aan de voorwaarden om relikwieën van het kruis te gaan vereren.

De eerste zekere vermelding van de verering van het kruishout in Jeruzalem is te vinden bij Egeria, een voorname pelgrim die Jeruzalem bezocht rond het jaar 383. Ze vertelt:

Dan wordt een zetel voor de bisschop neergezet, achter het kruisbeeld dat daar nu staat. De bisschop neemt plaats op de zetel; een tafel met een linnen kleed wordt voor hem neergezet en rondom de tafel staan dia­kens. Dan brengt men een verguld zilveren kistje met daarin het heilige hout van het kruis: het wordt geopend en men haalt het eruit en het wordt op de tafel gezet, zowel het hout van het kruis als het opschrift.

Zodra dat op tafel is gezet, houdt de bisschop met beide handen, zittend, de uiteinden van het heilig hout vast, terwijl de rondom staande diakens het bewaken. De reden van die bewaking is deze: het is gewoonte dat men een voor een naar voren komt, heel het volk, zowel gelovigen als doopleerlin­gen, en voorover buigt naar de tafel, het heilig hout kust en dan verder loopt; maar ooit, ik weet niet wanneer, heeft iemand naar men zegt erin gebeten en een stukje van het heilig hout gestolen. Daarom wordt het nu door de rond­om staande diakens bewaakt, zodat niemand die naar voren komt dat nog eens durft te doen.noot Egeria, Reisverslag 37; vert. Vincent Hunink.

Uit de daarop volgende jaren zijn meer verslagen, waarin we de legende beginnen te herkennen. Misschien is er overigens een vermelding vóór Egeria. Kyrillos, die tussen 350 en 386 bisschop was van Jeruzalem, noemt dat in de Grafbasiliek Golgotha werd vereerd en dat “de hele wereld is gevuld met stukken kruishout”.noot Kyrillos van Jeruzalem, Mystagogische Katechese 4.10 en 13.4. Hoewel hij niet expliciet zegt dat ook in Jeruzalem het kruis werd vereerd, lijkt het er wel op. Het probleem is dat de datering van deze tekst niet helemaal duidelijk is. Steeds meer onderzoekers plaatsen ze tegen het einde van Kyrillos’ leven of nemen aan dat de teksten niet door hemzelf zijn geschreven.

Constantijn en Helena (Madaba)

Dit lijkt zeker: er circuleerden al vroeg verhalen over het kruis; relieken werden al vroeg overal vereerd; na 380 is er documentatie voor verering van het kruis in Jeruzalem. Je zou zeggen: het begon met de verering van crucifixen, waaruit in het derde kwart van de vierde eeuw de verering van het Ware Kruis in Jeruzalem is ontstaan, samen met de kiemen van een legende dat dit stuk hout door Helena was gevonden tijdens de regering van Constantijn.

[Wordt vervolgd]

#ConstantijnDeGrote #Egeria #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanPetrus #Golgotha #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Jeruzalem #koolstofdatering #Kruisvinding #KyrillosVanJeruzalem #LijkwadeVanTurijn #Sétif #WareKruis

Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Circumcelliones

En ze verwierf op zeker moment de steun van de circumcelliones, die voor het eerst rond 320 worden vermeld. Het lijkt te zijn gegaan om arme plattelandsbewoners, meestal dagloners zonder veel bestaanszekerheid, die de ambitie hadden opgegeven normaal werk te vinden. Verder lijken onder de circumcelliones keuterboeren te zijn geweest met schulden die ze niet langer konden aflossen. Augustinus schrijft dat ze werden behandeld als beesten, wat wel verklaart waarom ze zich uit de stads- en dorpsgemeenschappen terugtrokken en zich overgaven aan banditisme. Zouden het Galliërs zijn geweest, ze zouden Bagaudae genoemd zijn geweest, en als het in de Middeleeuwen was geweest, dan was er sprake van een jacquerie.

Het lijkt erop dat toen Constantijns zoon Constans (r.337-350) maatregelen nam tegen de donatisten, dezen antwoordden door de circumcelliones te instrueren om terreurdaden te verrichten tegen de officiële kerk. We kennen twee leiders bij hun (Berber)naam: Axido en Fasir. Hun opstand, die rond 340 plaatsvond, liep volledig uit de hand, want ze richtten zich vooral op de landhuizen van de grootgrondbezitters, waar ze de schuldregisters vernietigden en de bewoners – dat ging in een moeite door – dwongen hun slaven vrij te laten. De Romeinse generaal Taurinus onderdrukte deze opstand.

Ik schreef zojuist “lijkt erop” omdat we geen geschriften hebben van de circumcelliones zelf. Niet alleen waren ze merendeels ongeletterd, maar zelfs al zouden ze teksten hebben geschreven, dan nog zouden ze niet zijn gekopieerd toen de keizerlijke kerk eenmaal het pleit had gewonnen.

Het huis van Optatus in Timgad

Zelfmoordaanslagen

Enkele jaren later, tussen 345 en 347, was er een tweede revolte, die door generaal Silvester werd onderdrukt. Hierna lijken (lijken!) de circumcelliones hun modus operandi te hebben gewijzigd, want we vernemen dat ze heel riskante overvallen deden, waarbij ze zouden hebben gehoopt te sneuvelen, zodat ze als martelaren meteen naar de hemel zouden gaan. Hun aanvalskreet zou Deo laudes! zijn geweest, “Prijs God!” Dit moet rond 390 zijn geweest, en de regie zou in handen zijn geweest van de donatistische bisschop Optatus, wiens huis is opgegraven in Timgad. Een laatste geweldsgolf vond plaats rond 411.

Dat die zelfmoordaanslagen geen fictie zijn, wordt bewezen door vijfenzestig grafstenen die zijn gevonden bij de Jebel Nif en-Nser, niet ver van het Algerijnse stadje Ain M’lila: het gaat om circumcelliones die zich in een kloof hebben geworpen, mogelijk toen ze geen slachtoffers konden vinden om te vermoorden. We lezen ook over ongewapende circumcelliones die bewapende konvooien aanvielen. Wij zouden het suicide by cop noemen. Genadeloos als Romeinse gouverneurs waren, lieten ze de aanvallers vrij.

Jebel Nif en-Nser

Twijfel

Zoals gezegd: we weten het allemaal niet zo zeker. Hun eigen opvattingen kennen we eigenlijk niet en een auteur als Augustinus was vooringenomen. Weliswaar herkende hij de sociale oorzaak, maar hij maakte zich zó grote zorgen om het donatisme dat hij bereid was de overheid te vragen desnoods met geweld op te treden. Augustinus voelde sympathie voor de ontrechten, maar niet voor bondgenoten van de donatistische concurrentie.

Nog iets: het Latijnse woord cella kan ook “graanopslag” betekenen, wat prima past bij een plattelandsbeweging. Je zou de nomaden die bij de oogst kwamen helpen, kunnen aanduiden als degenen die zich bij de silo’s ophouden. Maar deze interpretatie van de naam maakt het lastiger – hoewel zeker niet onmogelijk – de circumcelliones te presenteren als donatistische terroristen.

“Eeuwig vrede voor de katholieke kerk”: anti-donatistische polemiek (Nationaal Museum, Algiers)

In elk geval: ze waren gevaarlijk. Reizigers, en zekere geestelijken in dienst van de keizerlijke kerk, vormden bewapende karavanen alvorens op pad te gaan. Dat zegt echt wel iets. Augustinus kan overdrijven als hij zegt dat de kreet Deo laudes gevreesder was dan het brullen van een leeuw, maar zijn angst was wel degelijk reëel.

Kortom: er zijn wat problemen in de bewijsvoering, maar we mogen de circumcelliones beschouwen als plattelandsrebellen die steeds meer veranderden in de gewapende tak van de donatistische kerk.

PS

De circumcelliones spelen een belangrijke rol in de historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas (2020; bespreking).

#Algerije #Augustinus #Bagaudae #banditisme #Circumcelliones #Constans #ConstantijnDeGrote #donatisme #FransWillemVerbaas #Licinius #Numidië #OptatusVanTimgad #terrorisme #Timgad #zelfmoord

Het sterfjaar van Nikolaas van Myra

Nikolaas van Myra redt drie onschuldigen het leven (Antivouniotissa-museum, Korfu)

Nikolaas, de bisschop van de Lycische havenstad Myra, is overleden op 6 december in een onbekend jaar in de vierde eeuw. Dat weten we zeker. Hij is vermoedelijk geboren in Patara, dat iets westelijker ligt. Wanneer hij het levenslicht zag, weten we niet, maar de kerk viert het op 29 juli. (Sint-Nikolaas heeft elk jaar vier feestdagen en de verklaring leest u hier.) En er is zowaar een nieuwtje over de hoogwaardige bisschop: de Italiaanse onderzoeker Gerardo Cioffari, die zijn leven heeft gewijd aan de wetenschappelijke bestudering van de Nikolaas-traditie, heeft een plausibele theorie over het sterfjaar van Nikolaas van Myra geformuleerd. Er is nog geen officiële publicatie, dus ik zeg het allemaal met een slag om de arm.

Het verhaal van de drie officieren

Maar eerst even dit. De oudste bron over het leven van bisschop Nikolaas is de Praxis de stratelatis, wat je kunt vertalen als “het avontuur van de officieren”. De tekst werd tot voor kort rond 400 gedateerd, maar allerlei details, zoals de plaatsnamen in Myra en de namen van functionarissen, blijken accuraat en daarom is nog niet zo lang geleden aannemelijk gemaakt dat de tekst rond 337 moet zijn geschreven. Een Engelse vertaling van die zogeheten “eerste recensie” is hier. In sommige handschriften vinden we een andere versie, die een iets uitgebreider slot bevat, toegevoegd door de auteur zelf.

Samengevat: keizer Constantijn stuurt drie officieren naar Frygië om onrustige Adaifali te pacificeren. Onderweg zijn ze te gast bij de bisschop van Myra en zijn ze ooggetuige van diens ingreep in een strafproces, waarbij een omgekochte magistraat drie onschuldigen dreigt te laten onthoofden. Nikolaas zorgt ervoor dat het recht zijn loop heeft, de officieren reizen verder, brengen Frygië tot rust en keren terug naar Constantinopel. Daar dient iemand een valse beschuldiging tegen hen in. Met wat steekpenningen bewerkt hij dat Ablabios de drie mannen gevangen zet. Die Ablabios is een goede bekende: hij bekleedde van 329 tot 337 een van de vier praetoriaanse prefecturen.

De drie officieren worden zelfs ter dood veroordeeld, maar ze bidden tot Nikolaas, die nog die nacht aan de keizer verschijnt en hem instructies geeft. De keizer grijpt in en uiteraard reizen de officieren, voorzien van keizerlijke geschenken voor de bisschop, af om hun beschermer te bedanken. Het verhaal eindigt met de aalmoezen die ze voortaan distribueren. De tweede versie die ik zojuist noemde, voegt toe dat ze bij aankomst ontdekten dat Nikolaas net was overleden, zodat ze hem vereerden op de begraafplaats.

Wonderverhalen

De mensen in de Oudheid droegen informatie anders over dan wij. Dit is een wonderverhaal en het voldoet aan alle formele kenmerken van het genre: eerst de introductie van de personages, dan een probleem dat menselijkerwijs onoplosbaar is, de climax waarbij de betrokkenen bidden, de ingreep van de wonderdoener en tot slot het verbeterde leven van de betrokkenen. (Antieke wonderverhalen hebben dezelfde vijfvoudige structuur als tragedies.)

Een wonderverhaal “werkt” doordat het de toehoorder verbaast en dus een prettige sensatie bezorgt, en zo op een aangename manier confronteert met het probleem dat de verteller eigenlijk aan de orde wil stellen: in dit geval dat rijke mensen doodvonnissen kunnen kopen. “Onschuldigen worden ter dood veroordeeld,” roept de auteur van de Praxis de stratelatis het publiek toe, “en alleen een wonder kan hen redden”. De luisteraar kan zelf wel bedenken dat wijze bestuurders toestaan dat bisschoppen een oogje in het zeil houden.

Het sterfjaar

Wat hebben wij, op zoek naar het sterfjaar van Nikolaas van Myra, nu in handen? Om te beginnen een synchronisme met Ablabios, die in 329 aan de macht kwam, en met Constantijn, die in mei 337 overleed. Nikolaas is dus tussen 329 en 337 overleden. Verder een reeks gebeurtenissen, vol verifieerbare details, zoals de namen van personen en plaatsen. Maar we kunnen preciezer zijn, want ook de opstand in Frygië is bekend. De naam Adaifali kennen we weliswaar niet, maar het kan alleen gaan om Taifali: een groep “barbaren” aan de Donau, die in 328 door Constantijn was verslagen. Een deel van de krijgsgevangenen was gevestigd in de Romeinse provincie Frygië en kwam rond 335 in opstand.

Dat maakt het “window” heel klein. Onder de aanname dat, afgezien van Nikolaas’ wonderlijke verschijning, de meeste feiten correct zijn, kunnen we als chronologie aannemen dat de officieren in 335 naar de Taifali gingen, in de winter terugkeerden, in de loop van 336 in het gevang belandden en eind 336 of begin 337 door Constantijn (om welke reden dan ook) werden vrijgelaten en afreisden naar Myra. De enige zesde december waarop Nikolaas kan zijn overleden, is dus 6 december 336. Eventueel valt 6 december 335 te overwegen, al proppen we dan wel veel gebeurtenissen in één jaar. Cioffari noemt 337, maar ik begrijp niet waarom. Het veronderstelt namelijk dat we het hardste deel van de traditie, de sterfdatum, laten vervallen; ik houd het dus maar op 6 december 336.

[Met dank aan Marcus Vankan, auteur van het interessante boek Heilige Nikolaas, bruggenbouwer tussen oost en west.]

#Ablabios #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #Frygië #GerardoCioffari #MarcusVankan #Myra #NikolaasVanMyra #Taifali #wonderverhaal