Sallustius, Caesars handlanger

Laatantiek portret van Sallustius (Museo archeologico nazionale, Florence)

Als ik u zeg dat het laat was in het jaar dat was begonnen toen Julius Caesar zonder collega het consulaat bekleedde, ofwel eind 45 v.Chr., dan weet de trouwe bezoeker van deze blog dat dit een aflevering zal zijn van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Maar het gaat vandaag niet over hem. Het gaat over een van zijn paladijnen: Gaius Sallustius Crispus.

De vroege loopbaan van Sallustius

In 54, toen Caesar zich bezighield met het bestrijden van Ambiorix, bekleedde Sallustius de quaestuur. Uit deze tijd is een op zijn naam overgeleverde scheldredevoering tegen Cicero overgeleverd, maar die is vermoedelijk niet zijn eigen werk. In datzelfde jaar betrapte de volkstribuun Titus Annius Milo de quaestor in bed met zijn echtgenote Cornelia Fausta (een dochter van Sulla). Dat leverde Sallustius een pak slaag op. Toen Milo twee jaar later voor de rechter moest verschijnen, had Sallustius, inmiddels volkstribuun, een persoonlijke reden om zich te voegen bij de aanklagers.

Weer twee jaar later, toen de Tweede Burgeroorlog op het punt stond uit te breken, sloot Sallustius zich aan bij Caesar en stemde hij vóór een wet waarmee Caesar in absentia kandidaat voor het consulaat kon zijn. Dat was een van de aanleidingen tot de Tweede Burgeroorlog. Als gevolg van zijn keuze ontnamen aanhangers van Pompeius Sallustius zijn positie in de Senaat.

Toen de burgeroorlog eenmaal een feit was, plaatste Caesar Sallustius aan het hoofd van een legioen in Illyricum, maar hij streed er zonder veel succes. In het jaar daarop, 48 v.Chr., was hij echter opnieuw quaestor. Rond deze tijd trouwde hij met Terentia, de ex van Cicero. In het volgende jaar, 47 v.Chr., werd hij bijna gelyncht door muitende soldaten van het Tiende Legioen, die hij namens Caesar moest vertellen dat ze nog langer moesten wachten op hun betaling. Ik vertelde er al over. En toen, na deze reeks mislukkingen, nam Sallustius’ leven ineens een positieve wending.

Praetor en propraetor

Het begon met Caesars Afrikaanse campagne. Sallustius bekleedde inmiddels het ambt van praetor en commandeerde enkele schepen. Kort na Caesar landing bij Hadrumetum (het huidige Sousse) leidde Sallustius de al genoemde foeragecampagne naar de Kerkenna-eilanden, vlak voor de Tunesische kust, waar hij de hand legde op een grote hoeveelheid graan, dat Caesars troepen hard nodig hadden. Dit was meer dan verdienstelijk, want het was winter en dan is de Middellandse Zee onrustig.

Waar Sallustius zich in de volgende weken bevond, is onduidelijk, maar hij lijkt zich opnieuw nuttig te hebben gemaakt. Na de slag bij Thapsus had koning Juba I van Numidië weten te vluchten naar het noordwesten van het huidige Tunesië, waar hij het stadje Zama bedreigde. De bewoners vroegen Caesar om bescherming en deze ijlde er naartoe, dreef Juba de dood in en annexeerde een deel van diens koninkrijk. De nieuwe provincie heette Africa Nova en de eerste gouverneur was Gaius Sallustius Crispus.

Hij resideerde in Cirta, het huidige Constantine, en (met een woord van de Oost-Duitse classicus Peter Schmidt) “die Statthalterschaft erfüllte seine finanziellen Erwartungen”. Een van de zaken die hij ter hand nam, was de vestiging van veteranen in steden als Thugga.

Een luxe Romeins huis in Thugga

Proces

Eind 45 v.Chr. was Sallustius terug in Rome, en daar kwam het tot een rechtszaak. Dat is eigenlijk wel bijzonder. Aanklachten tegen provinciegouverneurs wegens corruptie waren niet ongebruikelijk, zeker als er Romeinse burgers woonden in de uitgebuite provincie. Dat die er ook in Cirta waren, staat vast, want ze lieten votiefstèles achter in het heiligdom van El-Hofra. Maar je zou van een pas onderworpen gebied hebben verwacht dat het zich wel driemaal zou bedenken voor het in Rome een klacht indiende: het zou niet voor het eerst of laatst zijn dat Rome bij wijze van antwoord de belastingsom verhoogde. En je verwacht zéker niet dat de aanklacht wordt ingediend tegen de beschermeling van een militaire potentaat die onlangs zijn laatste tegenstanders heeft verslagen.

Dat het desondanks kwam tot een rechtszaak, duidt op excessieve en onweerlegbare corruptie. Alleen door heel veel steekpenningen uit te delen en door de invloed van Julius Caesar zelf, ontkwam Sallustius aan een veroordeling.

Geschiedschrijver

Enkele maanden later was Caesar dood. Sallustius zou zich nuttig hebben kunnen maken voor een Marcus Antonius, voor een Lepidus, voor een Octavianus, of voor een andere generaal die claimde Caesar op te volgen. Maar hij bleef afzijdig. Het lijkt erop dat de rechtszaak zijn reputatie voorgoed had vernietigd. Hij trok zich terug uit de politiek en ging geschiedenisboeken schrijven. In 42 of 41, nadat de Driemannen de moordenaars van Caesar bij Filippoi hadden verslagen, publiceerde hij De samenzwering van Catilina en in het volgende jaar De oorlog tegen Jugurtha. Als oud-gouverneur van Numidië was hij over Jugurtha natuurlijk goed geïnformeerd. Later werkte hij aan zijn Historiën, waarvan alleen fragmenten over zijn die betrekking hebben op de jaren 78-67 v.Chr.

Sallustius bezat een park in het noorden van de stad, vlakbij de Via XX Settembre. Of beter: het was ooit een tuin van Caesar geweest, maar Sallustius verwierf het na de dood van de dictator. Een deel van de sculptuur is over: de Stervende Galliër in de Capitolijnse Musea, de Ludovisi-troon en een andere Stervende Galliër in de Palazzo Altemps, een Knielende Galliër in het Louvre, een beeld van een stervende Niobide in de Palazzo Massimo alle Terme en de obelisk die tegenwoordig staat bovenaan de Spaanse Trappen.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Algerije #Cirta #CorneliaFausta #ElHofra #GaiusSallustiusCrispus #JubaI #JuliusCaesar #LuciusSergiusCatilina #Numidië #Terentia #Thugga #TitusAnniusMilo #Tunesië #XGemina

Imperator, Mynkd, MNKDH

Een vroege Romeinse generaal in Spanje voert de titel inpeirator = imperator (Louvre, Parijs)

Romeinse keizers hadden de gewoonte om in inscripties aan hun namen ook een stuk of wat titels toe te voegen: zoveel keer consul, aangewezen voor een volgend consulaat, in het zoveelste jaar met de bevoegdheden van tribuun en zo-en-zo vaak imperator. Dat laatste woord betekent “bevelhebber”, en was een eretitel die een leger bij acclamatie kon verlenen aan een zegevierende generaal.

De eerste deze titel kreeg, was Scipio Africanus, nadat hij tijdens de Tweede Punische Oorlog de Karthaagse bezittingen in Iberië had veroverd.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.40.2-5. De Spaanse soldaten, die eerst de Karthagers hadden gediend maar naar de Romeinen waren overgelopen, wilden Scipio een titel geven die in onze Griekse en Latijnse bronnen wordt weergegeven met een woord dat “koning” betekent. Die titel was echter onaanvaardbaar voor een Romeinse republikein, en dus werd Scipio uitgeroepen tot imperator.

Hij was de eerste Romein met die titel, maar er was een antecedent. We lezen bij Diodoros van Sicilië dat vóór Scipio de Karthaagse generaal Hasdrubal de Schone van zijn manschappen een eretitel kreeg, die de Griekstalige geschiedschrijver weergeeft als strategos autokrator,noot Diodoros, Wereldgeschiedenis 25.12.1. wat de gangbare Griekse aanduiding is voor een buitengewoon bevelhebber. Ik heb er al eens over geblogd.

Punische en Numidische titels

Onlangs attendeerde Maarten Kossmann, die alles weet van de talen van de Maghreb, op een Punische inscriptie uit Lepcis Magna, waarop Imperator Caesar Augustus wordt vertaald met Mynkd Q‘ysr ‘Wgsṭs.noot Lepcis Magna N 14. (Het Punisch noteert geen klinkers.) Mynkd zou daarom het Karthaagse woord kunnen zijn geweest dat de soldaten van Hasdrubal gebruikten om hun generaal te eren en dat Diodoros weergaf met strategos autokrator.

Het leuke is nu dat Mynkd helemaal geen Punisch woord is, maar Numidisch: MNKDH. Dus het is denkbaar dat het oer-Romeinse imperator via een in Iberië verleende Karthaagse eretitel teruggaat op een Numidisch woord. Dat illustreert leuk de vervlochtenheid van de antieke culturen.

Bezwaren

Ik zou het graag concluderen, ook omdat ik er steeds meer van overtuigd raak dat Numidië een belangrijkere rol heeft gespeeld dan de antieke auteurs ons laten geloven. Er zijn met mijn theorietje echter wel wat problemen. Om te beginnen weten we niet precies wat een MNKDH is. Het woord kan “voorganger” betekenen, maar zeker is dat niet.

Bovendien is de geciteerde Punische inscriptie vrij jong: ze dateert uit de tijd van keizer Augustus. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, maar er is een aanwijzing dat voorname aanvoerders voordien een andere titel hadden. Een beroemde inscriptie uit Dougga noemt Massinissa namelijk een GLD, en de betekenis daarvan, “koning”, staat niet ter discussie.

Het beste dat ik er van kan maken is dus dat het denkbaar is dat imperator via-via teruggaat op een Numidische aanvoerderstitel die niet die is van de legitieme vorst. Maar om eerlijk te zijn: dat vind ik zelf te complex om serieus te nemen, maar ik vraag me af waarom de maker van een Punische inscriptie niet koos voor iets als ‘MPRTR en een numidisme prefereerde. Van de andere kant: zulke verbanden moeten we wel overwegen. Waar culturen naast elkaar bestaan, nemen ze immers zaken van elkaar over.

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

Zelfde tijdvak


Alpenpas gezocht

april 9, 2021
De Rostra

juli 12, 2024
Despotes hippon

april 22, 2025 Deel dit:

#dougga #hasdrubalDeSchone #imperator #lepcisMagna #maartenKossmann #massinissa #numidie #scipioAfricanus #tweedePunischeOorlog

Naar de dokter

Bezoek aan de dokter (Musée national des antiquités, Algiers)

Zoals u wellicht heeft gemerkt, was ik onlangs in Algerije. Daarover later meer. Maar eerst eens een blogje over een mozaïek dat ik in Algiers zag in het Musée national des antiquités. Het is gevonden in een voorstad van Batna die Ouled Arif heet; in de Oudheid heette de plaats Lambiridi. Het mozaïek vormde de vloer van een familiegraf, waarin drie sarcofagen stonden. De voornaamste was van een zekere Cornelia Urbanilla, die hier rustte na “te zijn gered van een groot gevaar” en een leven van achtentwintig jaar, tien maanden twaalf dagen en negen uur. Dat is vreemd precies, want doorgaans wisten Romeinen niet zo goed hoe oud ze waren.

Het schijnt dat zulke nauwkeurige aanduidingen duiden op horoscoopgebruik, maar ook als dat zo is, is mij niet duidelijk aan welk gevaar Urbanilla is ontkomen. Misschien is het leven zelf wel het bedoelde gevaar. Daarvoor pleit dat links twee pauwen zijn afgebeeld, vogels die in de derde eeuw na Chr., toen dit mozaïek werd gemaakt, een symbool waren voor de wederopstanding en verlossing uit dit ondermaanse tranendal. Maar ja, dat verklaart dan weer niet waarom rechts twee eenden staan.

Cornelia Urbanilla is afgebeeld op het mozaïek, maar niet als portret, zoals we zouden verwachten, maar als lijk. Helemaal bovenaan zien we haar mummie, waaronder afgekort staat

MC Urbanillae
Memoriae Corneliae Urbanillae
Aandenken aan Cornelia Urbanilla

Dit is in Latijnse letters, net zoals het daaronder afgebeelde Griekse woord Euterpius, wat zoiets betekent als “veel blijdschap brengend”. Verder zien we vier slangpotige reuzen die een cirkelvormige afbeelding dragen van een arts die een mannelijke patiënt onderzoekt. De dokter draagt een Grieks kledingstuk, wat suggereert dat de mozaïeklegger een voorbeeldenboek gebruikte, en niet probeerde een arts af te beelden zoals je die in Romeins Numidië zou hebben kunnen ontmoeten.

Ook hier is een tekst, dit keer in het Grieks:

οὐκ ἤμην
ἐγενόμην
οὐκ εἰμί
οὐ μέλει μοι

Ik was niet
Ik was er
Ik ben niet
Het deert me niet

Je krijgt, ondanks de onbegrijpelijke eenden, de indruk dat Cornelia Urbanilla heeft willen zeggen blij te zijn dat ze is verlost van de ziekte die leven heet. Ik moest denken aan de woorden van de stervende Sokrates, geciteerd in de dialoog Faidon van Plato, dat zijn vrienden een offer verschuldigd waren aan de god van de geneeskunst. De interpretatie dat Sokrates dacht dat de dood zag als een soort genezing, staat al heel lang ter discussie omdat er niet zoveel bewijs is dat de Atheners het leven zagen als ziekte. (En bovendien, de proloog van de Faidon noemt iemand die moet genezen, en u zoekt zelf maar op aan wiens genezing de stervende Sokrates, althans volgens Plato, heeft gedacht.) Misschien hebben we met dit mozaïek echter toch een aanwijzing dat er in de Oudheid een traditie heeft bestaan dat het leven een ziekte was.

De kwaliteit van het mozaïek is overigens niet geweldig: het palet is nogal vlak, hoewel steentjes met allerlei kleuren in de omgeving van Batna betrekkelijk gemakkelijk te krijgen zijn. Het oogt als haastwerk en misschien moeten we het eindresultaat wel heel anders uitleggen: dit mozaïek is onnadenkend tot stand gekomen, er is geen diepere betekenis, het is gewoon een allegaartje.

[Dit was het 513e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Algerije #eend #Faidon #geneeskunde #horoscoop #mozaïek #mummie #Numidië #pauw #Plato #Sokrates #symboliek

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (2)

Lambaesis, basis van III Augusta

Ik noemde in het vorige stukje hoe III Augusta in Tunesië en Algerije was terechtgekomen en een basis had gebouwd in Lambaesis. Uit de tijd van keizer Hadrianus (r.117-138) komt een belangrijke inscriptie: een toespraak van de keizer tot de manschappen. Hij prijst ze, maar maakt ook duidelijk hoe scherp de hiërarchie is tussen soldaten en officieren.

Met een onderbreking die ik nog zal noemen, was en bleef Lambaesis de basis van III Augusta. Soms gingen onderafdelingen naar andere provincies.

  • In 115-117 deed een onderafdeling mee aan Trajanus’ oorlog tegen het Parthische Rijk. Er vielen veel slachtoffers III Augusta werd versterkt met Syrische rekruten. (Hun grafstenen zijn gevonden in Lambaesis.)
  • Tussen 132 en 136 diende een grote onderafdeling in de oorlog tegen de messiaanse pretendent Bar Kochba.
  • Weer dertig jaar later kwamen soldaten van III Augusta in actie in de Parthische oorlog van Lucius Verus.
  • In 175 namen legionairs van III Augusta deel aan de Marcomannencampagne van Marcus Aurelius, die de Afrikaanse soldaten naar Hongarije bracht. Velen van hen keerden nooit meer terug omdat ze werden toegevoegd aan II Adiutrix, dat tijdens deze oorlog zware verliezen had geleden.
  • Keizer Septimius Severus, afkomstig uit Africa Procularis, kende het legioen in 193 de titel Pia Vindex (“Trouwe wreker”) toe. Dit suggereert dat III Augusta een rol speelde in de burgeroorlog na de moord op keizer Publius Helvius Pertinax.
  • In 215-217 zette Caracalla tegen de Parthen een onderafdeling uit Lambaesis in.
Bu Njem

Forten

Septimius Severus gaf rond 200 opdracht tot de bouw van een reeks forten langs de woestijngrens, zoals Ghadames, Gheriat el-Garbia en Bu Njem. Dit is de Limes Tripolitanus. Net als Lambaesis zijn ze bewaard gebleven en hebben ze een architectonische eigenaardigheid: vijfhoekige torens bij de poorten. Ze zijn uniek voor gebouwen van III Augusta.

Opvallend is dat er langs de woestijn erg veel forten zijn en dat die werden bezet door legionairs. Het is denkbaar dat III Augusta meer mannen onder de wapens had dan de 5300 waarop onderzoekers de grootte van een legioen meestal schatten. Ik voor mij weet geen enkele reden te noemen waarom alle legioenen even groot zouden moeten zijn geweest.

Crisis

Het lijkt erop dat III Augusta tussen pakweg 215 en 220 grote verliezen leed tegen een van de proto-Berber-stammen in het binnenland. Het werd weer op sterkte gebracht met manschappen van III Gallica, dat was ontbonden door Heliogabalus. Opnieuw kwamen mensen uit Syrië richting Africa Proconsularis en Numidië.

Een soldaat van III Augusta in Keulen (Römisch-Germanisches Museum)

In 238 gebruikte de gouverneur van Africa Proconsularis III Augusta om de opstand van een zekere Gordianus I en Gordianus II te onderdrukken. Hij was succesvol, maar dat derde Gordianus won de burgeroorlog van dat jaar. Eenmaal alleenheerser ontbond hij het legioen dat verantwoordelijk was voor de dood van zijn vader en grootvader.

Vijftien jaar later herformeerde keizer Valerianus het legioen. Het kreeg de bijnaam Iterum Pia Iterum Vindex (“dubbel trouw, dubbel wreker”). Het voerde nu een lange en moeilijke oorlog tegen de “Vijf volkeren”: een federatie van Berberstammen. De strijd duurde tot ongeveer 260, toen commandant Gaius Macrinus Decianus een overwinningsmonument oprichtte bij Lambaesis.

Late Oudheid

Dat de situatie nog niet voldoende veilig was, kan echter worden afgeleid uit het feit dat de legioenbasis in de volgende jaren werd versterkt. In 289-297 werd de strijd hernieuwd en zag keizer Maximianus zich gedwongen persoonlijk het bevel over de Romeinse strijdkrachten in Africa Proconsularis en Numidië op zich te nemen.

Onmiddellijk na de overwinning verliet III Augusta Lambaesis, en hoewel het in de regio bleef, weten we niet waar. Misschien is het ook wel de verkeerde vraag. Het is heel goed mogelijk dat het legioen verspreid is geweest over diverse forten langs de lange zuidelijke grens van het Romeinse Rijk. Het legioen wordt in elk geval nog steeds genoemd in de late vierde of vroege vijfde eeuw en we weten van een christelijke soldaat die is begraven in Madauros.

Een christelijke legionair uit Madauros

We weten ook dat het platteland van Numidië rond 400 onveilig was door religieuze terroristen, de zogeheten Circumcelliones. Het suggereert dat het Derde Legioen Augusta bij de bewaking van de enorm lange zuidelijke grens van het Romeinse Rijk uiteindelijk heeft gefaald.

#AfricaProconsularis #Algerije #BarKochba #BuNjem #Caracalla #Circumcelliones #GaiusMacrinusDecianus #Ghadames #GheriatElGarbia #GordianusI #GordianusII #GordianusIII #Hadrianus #Heliogabalus #IIAdiutrix #IIIAugusta #IIIGallica #Lambaesis #legioen #LimesTripolitanus #LuciusVerus #Madauros #Marcomannen #MarcusAurelius #Numidië #PubliusHelviusPertinax #RomeinsLeger #SeptimiusSeverus #Trajanus #Tunesië #Valerianus

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (1)

De veldtekens van III Augusta (Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel)

De legioenen uit de vroege Keizertijd gaan terug op eenheden uit de late Republiek. Ze zijn vrijwel allemaal geformeerd door Julius Caesar of Octavianus. Het Derde Legioen, dat later de bijnaam Augusta zou krijgen, is een uitzondering. Het is in 43 v.Chr. in het veld gestuurd door consul Gaius Vibius Pansa. De nummers één tot en met vier waren toen, in de laatste jaren van de Republiek, gereserveerd voor de legers van de consuls. Pansa nam dus een eerste en een derde legioen mee toen hij oprukte naar Modena op de Povlakte om te strijden tegen Marcus Antonius. Een tweede en een vierde legioenen gingen mee, gecommandeerd door consul Aulus  Hirtius. Ook in het gezelschap: Octavianus, met een privéleger.

Het drievoudige leger won. Beide consuls kwamen echter om het leven. Octavianus was nu ineens meester van een heel groot leger, marcheerde op Rome en eiste de macht. Zo simpel.

Naar Africa Proconsularis

Het Derde Legioen bleef blij hem. Mogelijk was het aanwezig tijdens de dubbele slag bij Filippi (42), waarin Octavianus, inmiddels samenwerkend met Marcus Antonius, de moordenaars van Caesar versloeg. Later nam het Derde Legioen deel aan de oorlog om Sicilië, waar Octavianus afrekende met de laatste zoon van Pompeius, Sextus. Octavianus’ bondgenoot was het leger van Marcus Aemilius Lepidus, dat uit Tunesië was gekomen en na de overwinning zijn generaal in de steek liet. Octavianus nam dat leger over en stuurde het Derde Legioen naar Tunesië. En daar is het gebleven.

Inscriptie voor Gavius Macer van III Augusta (Lepcis Magna)

Het is niet helemaal duidelijk waar het legioen zich aanvankelijk bevond. Het gebied, dat Africa Proconsularis heette, was vrij rustig en misschien zette Octavianus de soldaten in bij de herbouw van Karthago. Dan zal de eerste basis wel in de buurt van die stad zijn geweest, maar bewijs ontbreekt. In elk geval documenteert een inscriptie uit 14 na Chr. soldaten die een weg aanleggen van Tacape (Gabès in zuidelijk Tunesië) naar hun basis. Die bevond zich wellicht in Theveste, vanuit Tunesië bezien nét over de grens met Algerije.

Tacfarinas

III Augusta bewaakte de 3000 kilometer lange grens van de Atlantische Oceaan tot en met Tripolitana. Dus Marokko, Algerije, Tunesië en half Libië. Hoewel dit een doorgaans rustig deel was van het Romeinse Rijk, kreeg III Augusta het hard te verduren in de jaren 17-24, toen het de strijd moest aanbinden tegen Tacfarinas, die een anti-Romeinse coalitie had gevormd uit Numidische en Mauretaanse stammen. Misschien vormde deze oorlog de aanleiding tot de overplaatsing van het legioen naar Ammaedara, het huidige Haïdra.

III Augusta, gecommandeerd door de gouverneur van Afrika, Marcus Furius Camillus, wist Tacfarinas in 17 in een geregelde veldslag te verslaan, maar deze begon een guerrilla: het soort oorlog waar de Romeinen het minst van begrepen. In 18 versloeg hij zo een onderafdeling van III Augusta. De nieuwe commandant, Lucius Apronius, strafte de legioensoldaten met decimatie, d.w.z. het doden van elke tiende soldaat. In 21 kreeg het Derde versterking van VIIII Hispana, maar de oorlog duurde nog voort. In 24 wist gouverneur Junius Blaesus de rebel te verslaan en mocht het Negende weer vertrekken, maar Tacfarinas keerde onmiddellijk terug. III Augusta was nu echter in staat hem te isoleren en tot zelfmoord te drijven.

Stempel van III Augusta (Annaba)

Senatorieel legioen

In deze tijd was het Derde het enige legioen dat onder bevel stond van een senator, namelijk de proconsul (gouverneur) van Africa Proconsularis. Eén van hen zou Velleius Paterculus geweest kunnen zijn, de auteur van een korte Romeinse Geschiedenis. Dit feitje is gebaseerd op de interpretatie van een inscriptie die echter ook anders te lezen is. Onmogelijk is het echter niet.

Keizer Caligula (r.37-41) vond het riskant om een ​​legioen in handen te laten van een senator, die immers voldoende waardigheid bezat om een gooi naar het keizerschap te doe. Hij koos ervoor zelf de commandant van III Augusta aan te wijzen – het was niet langer een senatorieel ambt. Caligula’s opvolgers Claudius en Nero zetten dit beleid doorgaans voort.

Het Vierkeizerjaar

Tijdens de verwarde laatste jaren van Nero kwam Lucius Clodius Macer in opstand tegen de tirannieke despoot. Hij formeerde in 68 een ander legioen, I Macriana Liberatrix, en steunde Sulpicius Galba, die vanuit Spanje naar Italië kwam en het keizerschap bekleedde. De nieuwe heerser wantrouwde Macer echter en beval een officier genaamd Trebonius Garutianus om de commandant van de twee legioenen te doden.

In januari 69 verloor Galba de controle over de situatie. Hij werd gedood en er brak een burgeroorlog uit tussen Otho en Vitellius, een voormalige gouverneur van Africa die inmiddels aan het hoofd stond van het Rijnleger. III Augusta koos de zijde van Vitellius, maar mengde zich niet in de strijd. Uiteindelijk wist weer een andere pretendent, Vespasianus, de macht te grijpen en een dynastie te stichten. Deze keizer was ook verantwoordelijk voor de overplaatsing van het legioen van Ammaedara terug naar Theveste (75).

Zes jaar later volgde een nieuwe overplaatsing, nu naar Lambaesis in Numidië. Veteranen vestigden zich in de omgeving: in Djemila (Cuicul), Sétif (Setifis) en Timgad (Thammugadi). De Romeinen ontgonnen en koloniseerden de Algerijnse Hautes Plaines werden in hoog tempo.

[Wordt vervolgd.]

#africaProconsularis #algerije #ammaedara #aulusHirtius #caligula #claudius #decimatie #djemila #gabes #gaiusVibiusPansa #galba #haidra #iMacrianaLiberatrix #iiiAugusta #juliusCaesar #juniusBlaesus #lambaesis #legioen #luciusApronius #luciusClodiusMacer #marcusAemiliusLepidus #marcusAntonius #marcusFuriusCamillusAfricanus #marcusVelleiusPaterculus #mauretanie #nero #numidie #otho #romeinsLeger #setif #sextusPompeius #slagBijFilippoi #tacape #tacfarinas #theveste #timgad #treboniusGarutianus #tunesie #vespasianus #vierkeizerjaar #viiiiHispana #vitellius

Augustinus’ olijfboom

Wat opvalt bij het lezen van Augustinus is dit: hij was rusteloos op zoek naar de waarheid. Hij bekeerde zich dus eerst (na de lectuur van Cicero’s Hortensius) tot de filosofie, bekeerde zich tot het manicheïsme, bekeerde zich tot het christendom, bekeerde zich daarbinnen weer tot de variant die we nu orthodox noemen en vond geen rust. De polemieken rond het pelagianisme zijn niet de teksten van een man die tevreden is met wat hij heeft gevonden of heeft bereikt.

Hij was bereid voor de waarheid een hoge prijs te betalen. Hij had, in de keizerlijke residentie Milaan, een voorname positie aan het hof, stond op het punt zich in te trouwen in een vooraanstaande familie en mocht vooruitzien naar lucratieve betrekkingen in het rijksbestuur, toen hij ineens een punt zette achter die loopbaan en zich terugtrok. Augustinus was maar een venditor verborum geweest, een kletsmajoor. Het is alsof iemand die op het punt staat de Nobelprijs voor de Letteren te krijgen, concludeert dat literatuur eigenlijk maar prietpraat is, de Zweedse Academie adviseert naar de pomp te lopen en besluit de waarheid buiten de literatuur na te jagen. Dat Augustinus zoiets deed, illustreert zijn gedrevenheid.

Anders dan zijn tijdgenoot Synesios, die bijvoorbeeld geloofde dat onbestrafte moordenaars na hun dood bleven spoken, is er bij Augustinus weinig kleingelovigs te vinden. Hij sneed grote thema’s aan. De aard van de tijd. Het ontwikkelende ego. De rol van de overheid. Het verschijnsel wil. De herkomst van het kwaad. Alleen mensen maken onderscheid tussen goed en kwaad. Het is een van de dingen die hen maakt tot mensen.

Omdat Augustinus leefde in de late vierde eeuw na Chr., drukte hij zijn ideeën uit in de toenmalige vormentaal van het neoplatonisme en van het christendom. Dat is voor ons wat lastig te doorgronden. Soortgelijke dingen zijn te zeggen over de andere filosofen uit die tijd. Ook zij worstelden met de vraag waarom mensen het kwade konden doen. Dat leidde dan tot discussies over de aard van de ziel – bestond die uit een deel dat naar het goede en een deel dat naar het slechte streefde? Of had een mens soms twee zielen? De hermeneutische exercitie bestaat eruit dat we de eigenlijke gedachten om te zetten in onze eigen vormentaal. Leefde Augustinus in onze tijd, hij zou het hebben gehad over het reptielenbrein.

***

Op weg naar M’daourouch, het antieke Madauros, zijn we woensdag door Souk Ahras gekomen: het Thagaste waar Augustinus is geboren. Een druk, levendig, modern stadje. De heuvel in het stadscentrum moet in de Oudheid gedomineerd zijn geweest door een tempel; tegenwoordig zijn daar een oud mausoleum en een verveloze mairie. In de achtertuin daarvan staat een olijfboom – zie de foto hierboven – met meerdere stammen. Die staat bekend als l’olivier de Saint Augustin. Een bijzondere band met de bisschop is er vanzelfsprekend niet. Dit soort associaties zijn normaal in de volkscultuur, vergelijk Stonehenge en de tovenaar Merlijn.

Een tijdje geleden heeft, zo vertelt men hier, een Amerikaans lab onderzocht hoe oud de boom was en hij bleek maar liefst negenentwintig eeuwen oud te zijn. Dat Augustinus de boom, toen al eeuwenoud, heeft gezien, is aannemelijk, want zijn heidense vader zal hem wel eens hebben meegenomen naar die tempel op de heuvel. Maar meer valt er niet van te maken.

***

Er is een bordje met uitleg, geschreven in het Tamazight ofwel Berber. Een mooi voorbeeld van culturele reappropriatie.

#Algerije #Augustinus #bisschop #cultureleToeEigening #Numidië #olijfboom #pelagianisme #reptielenbrein #SoukAhras #Thagaste #ziel

Votiefstèles uit Numidië

Twee stèles uit Numidië (Louvre, Parijs)

Bovenstaande twee stèles, tegenwoordig in het Louvre in Parijs, zijn gevonden bij de antieke hoofdstad van Numidië, Cirta, het huidige Constantine in Algerije. Voordat de Romeinen hier in 44 v.Chr. de macht overnamen, woonden in deze streek de Numidiërs. Of beter gezegd, hier woonden de Massyli, een van de twee grote Numidische groepen. De andere groep was die van de Masaeisyli – hoe verzin je zo’n naam? – en die woonden wat westelijker. Hoewel de oude Grieken in de naam van de antieke Numidiërs hun eigen woord voor rondzwervende herders herkenden, νομάδες, waren de mensen in deze regio geen nomaden. Ze waren sedentair.

We zien dat in Cirta. Dat was in de voor-Romeinse tijd al een behoorlijke nederzetting en het is geen verrassing dat archeologen in het in 1950 ontdekte heiligdom van El-Hofra vele tientallen votiefstèles vonden. 281 waren voorzien van Punische inscripties (zoals de twee hierboven), 17 hadden Griekse inscripties, 7 hadden Latijnse inscripties, en de overige waren te beschadigd voor bestudering.

Beide stèles hierboven hebben de vorm van een obelisk, zoals ook de Neo-Punische graven uit Libië (voorbeelden), beide dateren uit de tweede eeuw v.Chr. en beide zijn voorzien van het teken van Tanit, een in Numidië populaire Astarte-achtige hemelgodin. Het opschrift op de linker luidt:

Gewijd door Abdeshmun, zoon van Marish, zoon van Baalshillem.

Dit lijkt vrij standaard te zijn. De rechter inscriptie is opvallender, mits de informatie die ik las op het bordje in het Louvre correct is.

Ingeloste gelofte van Lucius, zoon van Numerius. Gewijd aan Baal Hammon, die Lucius’ verzoek verhoorde en hem zegende.

De rechter inscriptie, gesteld in het Punisch, is dus gewijd door een Italische bezoeker, misschien een Romein, die in de tweede eeuw v.Chr. naar dit heiligdom is gekomen. Dat kan best: Africa, het huidige Tunesië, was in 146 v.Chr. door de Romeinen veroverd en ze hadden al eerder contacten met de Massyli. Een Italiër in Numidië kan heel wel een lokale god hebben vereerd, zoals Romeinen ook in Delfi en andere Griekse heiligdommen hun reverences maakten. Ik had het alleen in Algerije niet zo vroeg verwacht. Voor wie er meer van weet: zie de commentaarmogelijkheid. Ik heb zelf gedacht aan de opening van de marmergroeve waar giallo antico werd gewonnen. Dat gebeurde in de tweede eeuw v.Chr.

Laatste punt: El-Hofra werd gevonden in 1950 en de publicatie was er in 1955. In de tussentijd had het FLN de oorlog verklaard aan Frankrijk. Het is toch wel knap dat de onderzoekers onder zulke omstandigheden hun werk hebben kunnen doen.

[Volgende week meer. Dit was het 336e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Algerije #Cirta #Constantine #ElHofra #Masaeisyliërs #Massyliërs #Numidië #PunischeKunst #tekenVanTanit #votiefgift

Een Algerijnse officier in Vechten

Inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een half jaar geleden was ik op reis door Algerije en hoewel ik veel mooie dingen heb gezien, was er ook een mini-teleurstelling: terwijl ik wél de grafsteen vond van Adiutor, iemand uit Nederland die belandde in Algerije, vond ik niets over Antistius, een Romeinse bestuurder uit de tweede eeuw na Chr. die de omgekeerde reis maakte. Er zijn in Algerije minstens twee inscripties (deze EDCS-13100076 en EDCS-16300167) maar ik heb die niet gezien. Een derde inscriptie is gevonden bij de Muur van Hadrianus (EDCS-07801373) en een vierde – hier boven – komt uit Vechten, even onder Utrecht. Die staat bekend als EDCS-11100902 en als u denkt dat ze slecht leesbaar is, heeft u gelijk, maar zie hieronder.

De jonge bestuurder

Quintus Antistius Adventus Postumius Aquilinus is rond 128 geboren in een senatoriële familie uit de Numidische stad Thibilis, halverwege Cirta en Hippo Regius, en profiteerde van het netwerk van Afrikaanse bestuurders dat in de loop van de tweede eeuw steeds meer invloed kreeg in Italië en uiteindelijk een keizer zou leveren, Septimius Severus. Uit de vier inscripties kennen we Antistius’ loopbaan, die hem kort voor 150 moet hebben gebracht naar Rome, waar hij een van de leden was van het college der vigintiviri, de beginnende magistraten, meest senatorenzonen, die ieder jaar werden benoemd. Hij was een van het viertal dat samen verantwoordelijk was voor het onderhoud van de straten in Rome.

Stap twee: een officiersfunctie bij het Eerste Legioen Minervia aan de Rijn, in Bonn, vermoedelijk in 151-152. Een normale carrièrestap, net als de volgende halte: de quaestuur, een financieel ambt dat Antistius uitoefende in Thessaloniki. Hiermee trad hij toe tot de Senaat. Het zou vreemd zijn geweest als het niet zo zou zijn gegaan, want hij kwam uit een senatoriële familie en had een goed patronagenetwerk.

Vervolgens was Antistius verantwoordelijk voor het toezicht op de ridderstand, de tweede laag van de Romeinse elite, en daarna was hij volkstribuun. Het waren geen sinecure-aanstellingen maar hij hoefde er weinig voor te reizen, kon verblijven in de villa die hij in Rome zal hebben gehad en had gelegenheid om tussen de bedrijven door zijn Algerijnse landgoederen te bezoeken. Dat laatste gold ook voor zijn volgende positie: assistent-gouverneur in Africa. Zo rond 155-157 resideerde hij in Karthago, waar hij gezien heeft hoe de Antonijnse Baden werden aangelegd, en hoewel hij nu behoorlijk aan de bak moest, zal hij voor of na zijn ambtstermijn even naar Thibilis zijn gegaan.

Ten oorlog

Hierna werd hij praetor, een juridische functie. Deze valt te dateren in 158. Je bekleedde deze functie op je dertigste of later, waaruit volgt dat Antistius moet zijn geboren in 128 of misschien 127 of 126, maar vermoedelijk niet eerder.

Deze functie was beslissend voor je verdere carrière. Je had ervaring in het leger, je kende de rechtspraak en de financiële sector, je had wat gereisd, je had een eigen netwerk opgebouwd en je was bekend bij de keizer. Nu kwamen de werkelijk belangrijke bestuurstaken en voor Antistius begon een militaire loopbaan. Zijn eerste positie daarin was het commando over het Zesde Legioen Ferrata in Carpacotna (zeg maar Megiddo). Dat oefende hij blijkbaar tot tevredenheid uit, want in 162 was hij commandant van het Tweede Legioen Adiutrix, dat deelnam aan de oorlog die keizer Lucius Verus voerde tegen de Parthen. Hier werd hij onderscheiden, wat betekent dat hij gevechtservaring opdeed, en onmiddellijk daarna kreeg hij een aanstelling als gouverneur van de provincie Arabia. Zijn residentie was Bosra, even ten zuiden van Damascus, en hij moet hebben gereisd naar steden als Petra en Hegra.

Weer een nieuwe functie, dit keer in Rome: curator van de openbare werken. Zeg maar rijksbouwmeester. Het waren onrustige tijden want er woedde een epidemie – mogelijk een ziekte die lijkt op pokken – en aan de Donaugrens waren allerlei stammen actief, die er zelfs in slaagden Aquileia aan de Adriatische Zee te bereiken.

Keizer Lucius Verus reisde opnieuw af naar het front en verleende zijn wapenbroeder uit de Parthische Oorlog buitengewone bevoegdheden voor de bescherming van Italië en het Alpengebied, waarbij hij twee pas-gelichte legioenen, het Tweede en het Derde Legioen Italica, moest trainen. Toen Lucius Verus bezweek aan de epidemie en zijn medekeizer Marcus Aurelius het commando overnam, zal Antistius de nieuwe oppercommandant hebben geadviseerd. Misschien is dit het moment waarop hij een priesterschap kreeg toegekend: hij was fetialis. Die religieuze functie, ooit bedoeld om oorlogsverklaren te regelen, had weinig om het lijf en gold vooral als eerbetoon voor bewezen diensten.

Vechten

Antistius werd vervolgens gouverneur van Germania Inferior (170 na Chr.). Dit betekent dat de keizer hem volledig vertrouwde, want de twee legioenen die hier lagen, het al genoemde Eerste Minervia in Bonn en het Dertigste Ulpia Victrix in Xanten, waren op dit moment niet op volle sterkte: Lucius Verus en Marcus Aurelius hadden onderdelen overgebracht naar de Donau. Antistius kon dan ook niet verhinderen dat een groep Chauken via de Noordzee de fortenreeks langs de Rijn omzeilde en het Vlaamse kustgebied plunderde. Zijn collega Didius Julianus, gouverneur van Belgica, rekende met hen af.

Het zal in deze jaren, tussen 170 en 173, zijn geweest dat Antistius in Vechten, het antieke Fectio, de genoemde inscriptie liet oprichten voor Jupiter. Hier is ze nog een keer, zoals ze momenteel wordt getoond op de expositie “Romeinen langs de Rijn” in het Rijksmuseum van Oudheden.

Nog eens de inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een glanzende carrière

Korte tijd later verruilde Antistius Keulen voor Londen, waar hij gouverneur was van Britannia. Over wat hij hierna deed, hebben we geen informatie, maar zijn zoon Lucius trouwde kort voor 180 met prinses Vibia Aurelia Sabina, een dochter van Marcus Aurelius en keizerin Faustina II.

Antistius had een prachtige carrière gemaakt. We kennen er echter meer. Zoals Velius Rufus. Deze inscriptie uit Brühl is curieus maar documenteert een even mooie loopbaan, die zelfs nog wat hoger gaat: Publius Helvius Pertinax, die zij aan zij met Antistius moet hebben gestaan in de oorlogen tegen de Parthen en aan de Donau, bracht het tot keizer. Ik ben er nooit zo voor om antieke verhoudingen met moderne situaties te vergelijken, maar voor één keer: officieren als Antistius, Velius Rufus en Pertinax zijn voor Rome wat de mannen uit Cullum’s Register zijn voor Amerika.

[Dit was het 367e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#AdriatischeZee #AntonijnseEpidemie #FaustinaII #Fectio #IMinervia #IIAdiutrix #IIItalica #IIIItalica #MarcusAurelius #Numidië #QuintusAntistiusAdventus #RomeinsLeger #Thibilis #Vechten #VIFerrata

Het Numidisch en het Proto-Berber

Numidische ruiter (Musée national des antiquités, Algiers)

Een ruim jaar geleden – het was ten tijde van de verkiezingen – reisde ik door Algerije en korte tijd daarna door Tunesië. Je loopt er van de ene naar de andere Romeinse stad; er zijn er uit de Maghreb ongeveer 500 bij naam bekend, wat aanzienlijk meer is dan de 60 uit Gallië. Dit was een van de verstedelijkste gebieden uit de oude wereld.

T-steden

Op een gegeven moment viel me op dat ontzettend veel plaatsnamen, zowel antieke als moderne, beginnen met een t-klank. Systeem kon ik er niet in ontdekken. Het kon gaan om een havenstad als Tipasa, om een heuvelfort als Tiddis en om een bronnenheiligdom als Thubursicum, maar ook om steden als Thugga, Tebessa, Thysdrus, Thuburbo Maius, Thagaste en Thamugadi. De /t/ lijkt wel universeel te zijn.

Deze plaatsnamen zijn dus ouder dan de Romeinse aanwezigheid, wat wijst op een landschap tjokvol dorpen en steden. En de /t/ komt dus uit de taal van de mensen in het binnenland die in de Griekse bronnen de Libiërs heten en in de Latijnse bronnen de Afri, om ze te onderscheiden van de Puniërs, die afstamden – of claimden af te stammen – van Fenicische kolonisten. Hun steden hebben Fenicische namen als Utica en Karthago, ofwel ‘Attiq (“oude stad”) en Qart hadašt (“nieuwe stad”).

Steden en volken

En dit is toch wel opmerkelijk, dat vele tientallen inheemse plaatsnamen door de Romeinen en alle latere overheersers zijn overgenomen. De Romeinen bedachten er niet zelf een naam voor, maar namen iets over dat er al was. Dat betekent dat die plaatsen al redelijk belangrijk waren, en inderdaad kon bijvoorbeeld Thugga in de ogen van een Griekse waarnemer in de vierde eeuw v.Chr. doorgaan voor polis, een zelfstandige stadstaat met eigen staatsinstellingen. Opgravingen tonen dat de regio voor de komst van de Romeinen al allerlei dorpen, heuvelforten en beginnende steden kende.

Iets soortgelijks zien we bij de namen die de Grieken en Romeinen gaven aan de volken die daar in het binnenland woonden. Herodotos weet dat ten westen van Karthago de Maxyen leefden; vanaf de derde eeuw v.Chr. bestond rond het huidige Constantine het koninkrijk van de Massyliërs; achter de moderne havenstad Oran leefden de Masaeisyliërs; en daar achter kwamen de Maurusii ofwel Mauri ofwel Moren. Dat element /ma/ keert terug in de naam waarmee de Berbers zichzelf aanduiden, Imazighen. Het lijkt erop dat /ma/ de aanduiding voor een grote bevolkingsgroep is geweest in de taal die men in de Oudheid sprak in het binnenland.

We zullen die taal gemakshalve “Numidisch” noemen – het is denkbaar dat de tweede lettergreep ook een /ma/ is geweest. De Grieken hoorden er namelijk hun woord voor zwervende herdersvolken in, nomades, waar het misverstand vandaan komt dat de Numidiërs alleen maar veetelers waren. De continuïteit van de plaatsnamen toont echter dat er ook een aanzienlijke sedentaire bevolking was, wat overigens Herodotos al met enige stelligheid benadrukt.

Numidisch en Proto-Berber

Ik vergeleek die Numidische volkennamen – zoals Maxyen, Massyliërs en Masaeisyliërs – zojuist met de Berbernaam Imazighen. Maar is Numidisch wel een oude Berbertaal? Het vervelende is dat we maar weinig woorden uit het Numidisch kennen: plaats- en volksnamen dus, in vergriekste of verlatiniseerde vorm, de namen van een stuk of wat vorsten en officieren.

De huidige Berbertalen, zo veel is zeker, stammen af van een oertaal, die taalkundigen als Maarten Kossmann (Leiden) kunnen reconstrueren en waarvan ze kunnen vaststellen dat die gesproken moet zijn geweest in de eerste helft van het eerste millennium v.Chr. Dat maakt het Proto-Berber oud genoeg om de voorouder te zijn geweest van het Numidisch. Het weinige dat we van het Numidisch begrijpen, oogt desondanks toch wel anders dan het Proto-Berber. De taal van de Numidiërs heeft zich, als ze werkelijk van het Proto-Berber afstamt, wel heel snel ontwikkeld. Daarom overwegen taalkundigen ook dat het Numidisch en het Proto-Berber allebei teruggaan op een gemeenschappelijke voorouder, die enkele eeuwen eerder gesproken moet zijn geweest.

Data, data

De puzzel is alleen op te lossen met meer data. Weliswaar zijn ongeveer 1300 Numidische inscripties bekend, maar de overgrote meerderheid bestaat uit grafschriften van slechts drie woorden (“X, kind van Y”), soms voorzien van een vierde woord dat wel de weergave zal zijn van een ambt of een familienaam. Het wachten is op een flink grote tweetalige inscriptie en het is zeker niet uit te sluiten dat die nog eens zal worden ontdekt.

In Thugga zijn bijvoorbeeld twee Punisch-Numidische inscripties gevonden. Een daarvan biedt de namen van enkele ambten (GLDMCK, “vijftigman”), maar ook de Numidische weergaven van de koningsnamen: ZLLSN, GYY, MSNSN en MKWSN ofwel Zelalsen, Gaïa, Massinissa en Micipsa. De namen van de ambten en de eerste koningsnaam zijn totaal nieuw, de tweede naam is in de Griekse en Romeinse bronnen foutief overgeleverd als Gala. Onze kennis is gegroeid, maar je blijft hopen op een stevige klapper.

#Berbers #Berbertalen #MaartenKossmann #Masaeisyliërs #Massyliërs #Numidië #plaatsnaam #taalkunde

Het alfabet van Numidië

Punisch-Numidische bilingue uit Lixus (Kasbah-museum. Tanger)

Vorige week organiseerde het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden voor de vierde keer de Week van het Oude Schrift. Eerlijk is eerlijk: soms gaan de lezingen minder over schrift dan over de taal of over het geschrevene, maar het is een leuk initiatief, waar ik zo veel mogelijk naar kom luisteren. Zoals afgelopen zaterdag, toen Maarten Kossmann van de Leidse universiteit kwam spreken over het Berber-schrift (“Tifinagh”) en zijn antieke voorgangers.

Allerlei alfabetten

Ik heb die mooie letters – altijd blokletters – in Algerije weleens gezien: bijvoorbeeld uitleg in het Frans, Arabisch en de Berbertaal Amazigh over de persoon van Augustinus, die de Algerijnen zo reapproprieren. Ik zag de karakters ook op verkiezingsaffiches en ik bezit een zwaard met een kwaadafwerende inscriptie, die overigens niemand kan lezen.

Dat komt mede doordat er diverse soorten Tifinagh-schrift zijn, met allerlei plaatselijke varianten. Het eerste wat Kossmann uitlegde was dat het huidige schrift een nieuwschepping is uit de jaren zestig, gebaseerd op de traditionele, plaatselijke schriftsoorten die de Tuaregs gebruiken. Die gaan weer terug op een nog ouder alfabet, dat ik gemakshalve “Numidisch” zal noemen. “Libico-Berber” mag ook. Het moderne Tifinagh gebruikt weliswaar de antieke karakters, maar vormt woorden zoals ook westerse talen doen, onder andere door klinkers te noteren.

Het Numidische schrift waarop de diverse Tuareg-alfabetten teruggaan, heeft eigenlijk ook nooit als eenheid bestaan. Net als het Grieks, dat eveneens enkele smaken kent, zijn er verschillende soorten Numidisch schrift, zoals dat van de Canarische Eilanden, in de eigenlijke Maghreb een westelijke en een oostelijke versie, en een variant uit de oase van Bu Njem. Een overzicht vindt u hier.

Numidische inscriptie (Wadi el-Amud)

De in deze inscripties vervatte taal, die ik maar Numidisch zal noemen, is op een of andere manier verwant met de huidige Berbertalen, al is de precieze relatie niet helemaal duidelijk. Het probleem zit hierbij in de Oudheid: zoals steeds hebben we over die periode te weinig informatie. Er zijn onvoldoende tweetalige inscripties. Verschillende Numidische woorden lijken weliswaar op moderne Amazigh-woorden, maar de gereconstrueerde klanken passen niet bij die van de huidige Berbertalen.

Oorsprong

Kossmann ging ook in op de vraag wanneer, hoe en waarom de Numidiërs hun alfabet hadden ontwikkeld. De enige dateerbare tekst is een inscriptie uit Dougga ter ere van de tien jaar eerder overleden koning Massinissa uit 138 v.Chr.; een andere inscriptie uit dezelfde antieke stad oogt iets ouder en lijkt een aanpassing aan een eerder alfabet. Als we als ontstaansmoment de vroege derde eeuw v.Chr. aannemen, zullen we er niet al te ver naast zitten; ik moest denken aan het enorme, precies toen gebouwde grafmonument van Médracen. De koning die dat heeft laten bouwen, zou opdracht gegeven kunnen hebben voor het ontwerpen van een eigen schrift, zoals koning Darius de Grote eveneens een eigen Perzisch schrift liet maken.

Een neo-tifinagh-inscriptie over Augustinus (Souk Ahras)

Er zijn overeenkomsten tussen het Numidische alfabet en de Punische karakters uit Karthago, maar het heeft duidelijk een eigen aanzien: het zijn blokletters, geen cursiefletters. De meerderheid van de karakters heeft bovendien geen Punische parallel. Hoewel oudheidkundigen het niet kunnen bewijzen, is aannemelijk dat het Numidische schrift is ontworpen om recht te doen aan de klanken van de antieke taal én te bewijzen dat men een eigen identiteit had. Opnieuw: zie Darius’ Perzische alfabet.

Een vergeten cultuur

Het was een leuke lezing over het schrift van een antiek volk waarvan het belang vaak wordt onderschat. De Numidiërs hielpen Rome tijdens de Eerste Punische Oorlog; het was dankzij een interventie van de Numidische vorst Naravas dat de Karthagers de Huurlingenoorlog overleefden; Scipio Africanus diende feitelijk als Massinissa’s huurling tijdens de Slag op de Grote Vlakte; nadat Scipio Hannibal had verslagen bij Zama, bleven de Numidiërs meesters van het veld; het was om te verhinderen dat Numidië een supermacht werd, dat Rome Karthago veroverde. Desondanks zijn de Numidiërs eigenlijk nauwelijks bekend.

Algerijns verkiezingsaffiche.

Numidië was weliswaar geen antieke supermacht, maar zit daar vlak onder – en wordt dus veelal genegeerd. Het is wat ironisch dat Kossmann sprak in een museum dat, als het gaat om Numidisch schrift, slechts drie afgietsels bezit van inscripties, die het museum momenteel niet toont. Ik weet ook niet goed wat hier de oplossing voor moet zijn, want ook een museum koopt niet zomaar een inscriptie in Libië, Tunesië, Algerije of Marokko, maar het is wat jammer een antieke subtopper volkomen te negeren, zeker als de verhalen boeiend zijn.

#Algerije #Libië #MaartenKossmann #Madghacen #Marokko #Massinissa #Numidië #Tunesië