Toerist in Málaga

De alcazaba van Málaga

Málaga, wat Fenicisch is voor “koningsstad”, stond eigenlijk niet op ons reisprogramma, maar toen we de reis afgelopen november voorbereidden, hadden we de indruk dat we hier, komend vanuit Almería, de overstap naar de trein naar Córdoba weleens zouden kunnen missen. Dus kozen we ervoor om in Málaga te overnachten en later in alle rust door te reizen.

Het zou, zo dachten we, een superkort bezoek zijn. Eigenlijk wilden we gewoon niets bekijken. Ik was hier eerder geweest en het Romeinse theater wilde ik mede daarom niet nog eens zien: ik heb – zei hij blasé en niet voor het eerst – in mijn leven zó veel van die waaiervormige schouwburgen gezien dat het opnieuw bekijken ervan me niet erg aansprak. Er boven verrijst de Alcazaba die de Nasriden van Granada hier bouwden; die moesten we laten wat ze was, omdat we vreesden dan te laat op het station te zijn om de trein naar Córdoba te halen. Hetzelfde gold voor de kathedraal. We beperkten ons dus tot het museum.

Het museum

Het heeft diverse collecties, maar we moesten ons beperken tot de archeologie. Het is beter een museum gedeeltelijk te bezoeken dan niet te bezoeken. Zoals in Spaanse musea gebruikelijk was er goede uitleg van wat archeologen nu eigenlijk doen, dit keer niet gefocust op de technieken maar op de vragen die ze proberen te beantwoorden, waarbij het museum de antwoorden die eerdere onderzoekers hebben gegeven, eveneens behandelde. De bestudering van het verleden is immers een discussie zonder einde, en wetenschappers komen vooruit door slechte antwoorden te weerleggen en nieuwe antwoorden als hypothesen te toetsen. Van een intrigerend beeld van een everzwijn in gevecht met een ram, is bijvoorbeeld eerst geopperd dat het een voorbeeld was van Iberische kunst, al bleek het later Romeins te zijn.

Everzwijn met ram (Museo de Málaga)

De prehistorische afdeling was uitstekend, al zou ik van de rotstekeningen meer kleurenreproducties hebben willen zien. De dolmens die ook hier zijn geweest, worden gepresenteerd in hun West-Europese, Atlantische context. De Feniciërs passeren de revue – Málaga is immers door hen gesticht – zonder de obligate uitleg van hun Levantijnse herkomst. (Verfrissend, een museum voor mensen die de middelbare school wél hebben afgemaakt.) De kunst van de mensen die hier toen al woonden, die we wellicht Tartessisch kunnen noemen, is eenvoudiger dan wat we hadden gezien in Elche en Valencia: het aardewerk had bijvoorbeeld minder versieringen.

Daarop volgde een Romeinse afdeling die niet opvallend spectaculair was. Dat is me de afgelopen week vaker opgevallen en het kan zijn dat de beste Romeinse stukken in Madrid zijn. Intrigerend waren de voorwerpen uit het Rijk van Toledo, want die kwamen niet uit Málaga maar uit Segovia. De verklaring is nogal cynisch: Francisco Franco wilde graag de banden aanhalen met Nazi-Duitsland en benadrukte dus het Visigotische = Germaanse karakter van het Rijk van Toledo. Dat dit volgens de Duitse archeologen van die tijd, geïnspireerd door Gustaf Kossinna, betekende dat Duitsland territoriale aanspraken kon laten gelden op het blijkbaar Germaanse gebied, lijkt Franco’s culturele adviseur zich niet te hebben gerealiseerd. In elk geval werden destijds in alle Spaanse archeologische musea voorwerpen uit de zesde en zevende eeuw neergelegd die moesten bewijzen dat heel Spanje Germaans was geweest.

Laatantieke gesp (Museo de Málaga)

Tot slot de afdeling Middeleeuwen, die voor Málaga niet anders kon zijn dan een overzicht van Arabische kunst. Houtsnijwerk hadden we op deze reis nog niet veel gezien, en verder was er opvallend rijk gedecoreerd aardewerk, een kleine verzameling grafinscripties en een maquette die goed toonde hoe de toenmalige stedelijke structuur voortleeft in de huidige stad – de kathedraal staat op de plek van de oude moskee. Deze afdeling was wat meer kunsthistorisch dan historisch van aard, maar beslist heel erg mooi, en het blijft natuurlijk een fascinerende gedachte dat dit deel van Spanje langer Arabisch is geweest dan Spaans.

Elfde-eeuws houtsnijwerk (Museo de Málaga)

Pauze op het station

Meer Málaga zat er voor ons niet in: de trein naar Córdoba wachtte. Door de motregen wandelden we terug en we zagen dat de bedding van de Guadalmedina zowaar water bevatte. Ze deed zo haar naam eer aan: het is de Wadi al-Medina, de wadi van de stad, en een wadi is een bedding waar nu eens wel en dan weer geen water in stroomt.

Op het station ontdekten we dat onze trein niet reed. We hadden daar sinds het verschrikkelijke treinongeluk vorige week rekening mee gehouden, maar omdat we geen bericht hadden gehad van de spoorwegmaatschappij (die ons voor wat betreft contactgegevens het hemd van het lijf had gevraagd), waren we ervan uitgegaan dat we vervoer hadden. We hebben nieuwe kaartjes kunnen kopen en het is dus allemaal geen catastrofe.

Ons bezoek aan Málaga werd dus langer dan superkort. Maar zo is het dus gekomen dat ik de tiende aflevering van dit narcistische winterfeuilleton zit te schrijven op een station, wachtend op de trein. Buiten vallen inmiddels diluviale regens, binnen is de koffie goed en mijn gezelschap nog beter, dus ik ben best tevreden.

Ik verwacht dus dat ik morgen kan schrijven over een ingekort bezoek aan Córdoba.

#FranciscoFranco #GustafKossinna #Málaga #Nasriden #RijkVanToledo #Segovia

De opstand van Hermenegild (2)

Visigotische votiefkroon (Visigotisch Museum)

[Laatste van tweede blogjes over de opstand van Hermenegild. Het eerste was hier.]

Vierde bedrijf: Oorlog?

Koning Leovigild liet het niet bij een religieuze volte-face: hij trok ten strijde. Maar niet tegen zijn zoon. Zijn eerste campagne voerde hem naar het noorden, naar de Basken: door zijn gezag daar te laten gelden, verhinderde hij dat de Franken zich in een mogelijke burgeroorlog in het Rijk van Toledo zouden mengen. Een tweede operatie bracht hem naar Mérida, waar hij de weg afsneed waarmee de Sueben Hermenegild te hulp zouden hebben kunnen schieten. Pas nu rukte hij op naar Sevilla.

Hermenegild had in de voorgaande tijd, toen zijn vader in het noorden was, alle gelegenheid gehad om op te rukken naar Toledo, maar dat deed hij niet. Het was, zo zei hij, niet passend dat een zoon met geweld optrad tegen een vader. De Latijnse formulering is een echo van de Latijnse vertaling van een beroemde regel uit het Bijbelboek Samuël: als David de mogelijkheid heeft koning Saul uit te schakelen, zegt hij dat het niet passend is met geweld op te treden tegen een gezalfde des heren.

De vraag is pertinent of Hermenegild zelf vond dat hij in opstand was. Hij was al koning vóór hij naar Sevilla ging en hij rukte niet op naar de residentie, wat je van een rebel zou verwachten. Nu hij door Leovigild tot rebel was gemaakt, probeerde hij zich wel te verdedigen. Bisschop Leander reisde naar Constantinopel om daar Byzantijnse steun te vragen; hij ontmoette er de latere paus Gregorius I de Grote, met wie hij vriendschap sloot, maar kreeg geen troepen toegezegd, ook niet toen hij had geopperd dat een pro-Byzantijnse koning Hermenegild de stad Córdoba weer aan Byzantium zou overdragen.

Hermenegild was gedoemd. De enige die hem kon steunen was de Byzantijnse commandant in zuidelijk Spanje, maar Gregorius van Tours weet dat Leovigild deze man 30.000 goudstukken betaalde om zich buiten het conflict te houden. Toen Leovigilds leger aankwam bij Sevilla, trok Hermenegild zich terug naar Córdoba, waar hij onder onduidelijke omstandigheden werd gevangengenomen. We mogen de vraag stellen of dit kleinschalige conflict wel een oorlog was. In elk geval bracht Hermenegilds jongere broer Reccared hem naar Valencia en later naar Tarragona. Koningin Ingundis overleed onderweg, verdacht jong.

Vijfde bedrijf: Reccared

Op de avond voor Pasen 586, 13 april, kreeg de gevangen Hermenegild de gelegenheid naar de kerk te gaan, maar hij weigerde de ariaanse eredienst bij te wonen. Op koninklijk bevel werd hij uit de weg geruimd – en omdat Leovigild radeloos was na de dood van zijn zoon, is wel aangenomen dat de ariaanse koningin Goiswintha de opdracht heeft gegeven.

De ontroostbare Leovigild overleed een paar dagen later, om te worden opgevolgd door zijn zoon Reccared. Leander van Sevilla haastte zich naar Toledo, en na een gesprek met de bisschop trok Reccared de consequenties uit de voorafgaande gebeurtenissen: zijn broer en de zuidelijke adel waren al overgegaan tot het Chalkedonische Credo, zijn vader was een eind in die richting opgeschoven, dus zijn eigen bekering was geen grote stap. Een inscriptie in de kathedraal van Toledo, gedateerd 13 april 587 (dus exact een jaar na de executie van Hermenegild) documenteert dat de kerk weer van eigenaar wisselde.

Inscriptie van koning Reccared in de Kathedraal van Toledo

Op de Derde Synode van Toledo (in 589) sloegen voorzitter Leander van Sevilla, koning Reccared en de Chalkedonische bisschoppen spijkers met koppen. De komende eeuw zou het Rijk van Toledo katholiek zijn – en niet in de betekenis die Leovigild aan dat woord had gegeven.

Wat betekende dit?

De lezer van deze blogjes mag zich afvragen waarom ik zoveel ruimte besteed aan dit conflict, dat geen opstand was, niet met een echte oorlog ten einde kwam, en feitelijk een familieruzie was, zij het een familieruzie onder gekroonde hoofden. Het punt zit in de symboliek waarmee Leander vorm gaf aan Hermenegilds bekering: niet met een doopsel maar door middel van zalving.

Daarvoor was een antecedent, al moesten de betrokkenen er anderhalf millennium voor terug: de profeet Samuël had, toen koning Saul niet recht in de leer bleek, David tot koning gezalfd. Daarom zijn de woorden waarmee Hermenegild aangaf niet tegen zijn vader ten strijde te willen trekken zo belangrijk: ze duiden erop dat de parallellie ook door hem werd herkend. Het blijkt ook uit zijn munten, waarop hij aangeeft te regeren krachtens droit divin. Leovigild nam de claim van de weeromstuit over op enkele munten, iets wat hij nooit daarvoor had gedaan en nooit meer zou doen na de “opstand” van zijn zoon.

Hermenegild en Leander introduceerden een nieuwe legitimatie voor de monarchie. Waar Leovigild zich nog had gepresenteerd als behorend tot de oude Visigotische adel, maar al had ervaren dat dit eigenlijk niet goed werkte omdat er allerlei belangrijke niet-Visigotische rijksgroten waren, koos zijn zoon voor een nieuwe manier om de monarchie te rechtvaardigen. In de zin dat deze legitimatie religieus was, leek ze wat op de Byzantijnse: de keizer gold als gelijke van de apostelen, isapostolos. Het verschil is dat Hermenegild teruggreep op koning David.

Reccared had aan deze vorm van legitimatie geen behoefte. Zijn vader had hem immers al vóór de crisis met Ingundis tot koning gemaakt. Maar men herinnerde zich het nieuwe model. Toen in 633 koning Swinthila zijn zoon Sisebut tot medekoning wilde verheffen, was er protest van de rijksgroten, en daarop kwam Leanders broer en opvolger, bisschop Isidorus van Sevilla, naar Toledo om de prins tot koning te zalven. Op latere Synodes van Toledo werd de praktijk steeds verder uitgewerkt.

Ere-inscriptie voor Hermenegild (Sevilla, Puerta de Córdoba)

Eind zevende eeuw was zalving de normale praktijk in het Rijk van Toledo, en een halve eeuw later was het gebruik ook bekend in het Karolingische Frankenrijk. Het is sindsdien de wereld overgegaan.

Literatuur

R. Barroso Cabrera e.a., Hermenegildvs Rex: Prince, Usurper, and Martyr
A Critical Study on the Rebellion of St Hermenegild (578-585) (2025)

#arianisme #Credo #Goiswintha #GregoriusIDeGrote #GregoriusVanTours #Ingundis #IsidorusVanSevilla #katholicisme #koningDavid #LeanderVanSevilla #Leovigild #monarchie #Reccared #RijkVanToledo #Sevilla #Sisebut #Swinthila #SynodesVanToledo #zalving

De opstand van Hermenegild (1)

Munt van Leovigild (Visigotisch Museum, Toledo)

U vreest wellicht een nieuwe aflevering in mijn narcistische winterfeuilleton, maar wees gerust: op maandag zijn musea en opgravingen gesloten, dus we deden het rustig aan, en ik vertel u over de opstand van Hermenegild. Dat was, alles bij elkaar, weinig anders dan een rimpeling in de grotendeels vergeten geschiedenis van het Rijk van Toledo, maar er was een interessant gevolg, dat ik aan het einde van het volgende blogje zal noemen. Los daarvan hebben we een Nibelungenachtig drama met twee ruziënde koninginnen en een gedoemde held.

Eerste bedrijf: ruziënde koninginnen

In 569 kwam in het Rijk van Toledo koning Leovigild aan de macht. Zijn doel was het verenigen van heel Iberië, wat betekende dat hij ambities had in het noordwesten, waar het Suebische koninkrijk lag, en in het zuidoosten, waar de Byzantijnen nog niet zo heel veel eerder enkele steden hadden ingenomen. Inderdaad zou Leovigild Córdoba heroveren. Er was hem verder veel gelegen aan vrede met de Franken in het noordoosten, waar de Merovingische koningen gelukkig verdeeld waren.

Koning Leovigild breidde zijn machtsbasis uit door te trouwen met de weduwe van een voorganger, Goiswintha, zodat hij niet alleen kon rekenen op de adel in de hoofdstad, maar ook op de rijksgroten rond de zuidelijke stad Sevilla. Uit een eerder huwelijk had Leovigild al twee zonen: Hermenegild en Reccared. Goiswintha had uit haar eerste huwelijk een dochter: Brunhilde, die inmiddels was getrouwd met Sigebert I, een van de Merovingische koningen. Zij hadden een dochter Ingundis, die trouwde met Hermenegild. Hier hebt u het in schema:

Diplomatieke huwelijken zijn per definitie bedoeld om de banden tussen twee staten aan te halen, en veronderstellen dat bruid en bruidegom hun eigen opvattingen ondergeschikt maken aan het staatsbelang. En daar bleek Ingundis temperamenteel niet toe geschikt: net als alle Franken volgde ze het Credo van Chalkedon, en dat bleef zo toen ze in 578 aankwam in Toledo, waar het hof sympathiseerde met het ariaanse christendom.

Met een beetje inschikkelijkheid valt zoiets wel op te lossen, maar toevallig was koningin Goiswintha, Ingundis’ grootmoeder en schoonmoeder, even oninschikkelijk ariaans. De twee vrouwen stonden lijnrecht tegenover elkaar en we lezen bij Gregorius van Tours dat Goiswintha de nieuwkomer zelfs fysiek lastigviel. Koning Leovigild, die het religieuze conflict oninteressant vond, zocht dus een manier om Ingundis en Goiswintha uit elkaar te houden.

Tweede bedrijf: Sevilla

De door Leovigild gevonden oplossing bestond eruit dat hij een eerdere promotie van Hermenegild veranderde in een wegpromotie. Hij had zijn zoon al eerder tot deelgenoot in de macht gemaakt, waarvoor de oud-Romeinse term consors imperii van stal was gehaald. Nu gaf Leovigild zijn kroonprins – eigenlijk: medekoning – de stad Sevilla als residentie. Zo was de katholieke koningin Ingundis hemelsbreed 400 kilometer verwijderd van de ariaanse koningin Goiswintha, kon kroonprins-koning Hermenegild bestuurlijke ervaring opdoen en was er ook een voorname gezagdrager die de door de Byzantijnen bezette gebieden in de gaten hield. Om duidelijk te maken dat er niets oneervols aan de hand was, kreeg Leovigilds jongere broer Reccared een soortgelijke benoeming in het noordoosten.

Het probleem leek opgelost, maar niet veel later ontving het hof in Toledo het bericht dat Hermenegild zich had bekeerd tot het katholicisme. We kunnen hier de invloed herkennen van zijn Frankische echtgenote, maar er is nog een speler die hier relevant is: bisschop Leander, een van de meest formidabele christelijke leiders van die tijd. Hoe Hermenegilds bekering precies is gegaan, weten we niet, maar het staat vast dat ze, zoals te doen gebruikelijk, niet werd gesymboliseerd door een nieuw doopsel, maar door zalving.

Leander, kathedraal van Sevilla

Het staat ook vast dat in Toledo de stoppen volledig doorsloegen: de bekering werd uitgelegd als opstand. We mogen aannemen dat dit zal hebben samengehangen met het feit dat lokale edelen in Sevilla zich aansloten bij hun pas aangekomen koning.

Derde bedrijf: Leovigild in actie

Leovigild had niet om deze crisis gevraagd en kon opnieuw op zoek naar een oplossing. Die vond hij door het arianisme wat aan te passen. Hij was geen religieuze scherpslijper. (Mogelijk had hij de problemen met Ingundis niet zien aankomen omdat hij meende dat ook andere royals de kerk beschouwden als bestuurlijk instrument, niet als voertuig van diepgevoelde overtuigingen.)

In 580 belegde Leovigild dus een ariaanse synode in Toledo, waar verschillende besluiten werden genomen. Zo werd het voor de aanhangers van het Credo van Chalkedon eenvoudiger gemaakt over te stappen naar het arianisme en werden enkele aspecten van de Chalkedonische rite overgenomen in de ariaanse eredienst. De meesterzet was dat de kerk van Toledo, die we misschien “ariaans light” kunnen noemen, zich voortaan ging aanduiden als “katholiek”. Dit was mogelijk omdat op instigatie van keizer Justinianus de kerk van Constantinopel inmiddels de zogeheten “drie kapittels” had aanvaard, wat door de westelijke bisschoppen werd beschouwd als ontrouw aan het Credo van Chalkedon. Leovigild en de zijnen profiteerden van de verwarring: zij claimden dat zij de ware katholieke, orthodoxe kerk waren.

De doop van Hermenegild (schilderij uit de Koninklijke Galerij, Madrid)

En daarmee hadden ze succes. De broer van de al genoemde bisschop Leander, Isidorus van Sevilla, typeerde Justinianus als ketter en we lezen over bisschoppen die nu partij kozen voor de Visigotische koning. Wie dat niet deed, moest rekening houden met inbeslagnames. Zo wisselde de kathedraal van Toledo van eigenaar. Kortom, door een combinatie van concessies en confiscaties had Leovigild zijn zoon potentiële steun ontzegd. Steun die hij blijkbaar aannemelijk achtte. We kunnen echter tevens concluderen dat Hermenegilds bekering al als gevolg had gehad dat zijn vader zijn religieuze beleid had aangepast in de richting van het Chalkedonische Credo.

[Wordt vervolgd]

#arianisme #Brunhilde #Credo #Driekapittelstrijd #Goiswintha #Hermenegild #Ingundis #IsidorusVanSevilla #Justinianus #katholicisme #LeanderVanSevilla #Leovigild #Reccared #RijkVanToledo #Sevilla #SigebertI #Toledo #zalving

Toerist in Valencia (1)

Iberisch beeldje van een ruiter (Prehistorisch Museum, Valencia)

De hogesnelheidslijn die onlangs zo negatief in het nieuws was, bracht ons in twee uur vanuit Madrid naar Valencia. Ik wist weinig meer over die stad dan dat de Cid er had gewoond, dat de Heilige Graal werd bewaard in de kathedraal, dat er een wetenschapsmuseum was en dat er een paar jaar geleden een beruchte moordzaak was. Ik moest opzoeken dat het ooit de hoofdstad was geweest van een Iberisch volk, de Edetaniërs.

De Iberiërs

Wie meer over hen wil weten, moet absoluut naar het Prehistorisch Museum, dat een weergaloos mooie en grote collectie heeft. Die begint met de eerste mensen en loopt dan door vele millennia en langs diverse soorten homo naar de Romeinse tijd. De informatie is actueel – ik zag de Denisova-mens netjes genoemd – en wordt gepresenteerd in twee talen, in het Spaans en in het Valenciaans. Het was een prachtig museum maar het was uitgestorven. We waren letterlijk de enige bezoekers.

De Iberische cultuur wordt er deels thematisch, deels aan de hand van opgravingen gepresenteerd. Er is dus uitleg van de metaalbewerking en van de handel, maar je ziet ook de vondsten van deze of gene site bij elkaar. Ik heb er echt van genoten, want dit is voor mij redelijk onbekend materiaal, dat ik eigenlijk alleen in het Nationaal Archeologisch Museum in Madrid heb gezien. Het museum in Valencia heeft veel meer.

Iberisch aardewerk uit Tosal de San Miquel (Prehistorisch Museum, Valencia)

Heel speciaal vond ik het aardewerk uit Tosal de San Miquel. Het gaat om grote kruiken die zijn beschilderd met jacht- of krijgersscènes. Er staan ook wel muzikanten op en bloemen en planten. Het oogt eenvoudig en straalt een zekere kracht uit. Ik kom er nog eens op terug. Het is echter wat moeilijk te geloven dat de cultuur die deze ietwat primitieve vazen maakte, ook de Dame van Elche voortbracht.

Almoina

De Romeinen herbouwden de Iberische nederzetting en herbouwden de stad nog eens na een stadsbrand. De resten van een badhuis, straten en een pakhuis zijn te zien in het Centro Arqueológico de l’Almoina, waarvan ik voor onze reis had gehoord dat het wat tegenviel. Maar ik moet zeggen: dat was niet zo. Het was zeker de moeite waard, al maakte het museum gebruik van gesproken uitleg. Het is lastig om een bordje met uitleg te lezen als er voortdurend iemand in je oor zit te tetteren – en dan heb ik het er nog niet over gehad dat het weinig gastvrij is voor mensen met hyperacusis.

In Almoina zijn ook de resten te zien van een Visigotische kapel, gewijd aan de heilige Sint-Vincentius, een martelaar die hier ten tijde van Diocletianus om het leven is gebracht. De kapel is gebouwd op een wat onhandige plek op het oude Romeinse forum, wat suggereert dat deze plek een speciale betekenis had. Misschien herinnerde men de plek waar hij was geëxecuteerd of begraven. Er waren graven in de buurt van de kapel en later kwam er een kerk. Een steenworp verderop is de plek die bekendstaat als Vincentius’ gevangenis, maar het is feitelijk een grafkapel voor de bisschoppen van de stad.

Visigotische kapel van Sint-Vincentius (Almoina)

Nog even iets over de Visigotische periode: toen het Rijk van Toledo in 711 door de Arabieren was onderworpen, behoorde Valencia tot de gebieden die in handen bleven van de laatste machthebber, de Theodomir over wie ik eerder schreef. Zijn paleis lag even ten westen van Valencia, bij Pla de Nadal. Enkele vondsten zijn te zien in het Prehistorisch Museum.

De zogenaamde Graal

De kathedraal van Valencia is minder mooi dan die van Toledo, maar trekt duizenden bezoekers omdat hier de kelk is te zien die Jezus zou hebben gebruikt bij het Laatste Avondmaal. Tijdens de kruisiging zou hierin zijn bloed zijn opgevangen. In de Middeleeuwen kende men verhalen over een mystiek voorwerp, de verder niet gedefinieerde Graal. Er lijken Arabische en Keltische modellen te zijn geweest voor de beroemde verhalen over dolende ridders die op zoek zijn naar dit voorwerp.

Deze Graal werd later gelijkgesteld aan de kelk van het Laatste Avondmaal. Ik benadruk dat dit een latere ontwikkeling is en dat er geen reden is om de Graalromans met Valencia in verband te brengen.

Kapel met de zogenaamde Graal (Kathedraal, Valencia)

Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er niet een hoop speculaties zijn, die wat doen denken aan het geneuzel over de Lijkwade van Turijn.noot Die toont een gekruisigde zoals men in de Middeleeuwen dacht dat een kruisiging in z’n werk ging en geen Romeinse kruisiging. Meer bewijs dat de Lijkwade middeleeuws is, is niet nodig, maar voor wie het nodig heeft: de koolstofdatering in de Middeleeuwen is waterdicht. De in Valencia geboden uitleg maakt gewag van archeologische studies, historische documenten, het gewicht van de Traditie (met hoofdletter), recente ontdekkingen inzake het ontwerp, vergelijkend onderzoek naar soortgelijke bekers en verwijzingen in de oude liturgie, en dit alles maakt het geheel plausibel dat dit de beker is van het Laatste Avondmaal. En trouwens, zo lees ik, er is geen bewijs tegen de authenticiteit.

Dit is vanzelfsprekend slechts laut tönendes Nichts. Er wordt van alles aangenomen, zoals dat Petrus het voorwerp had meegenomen na het Laatste Avondmaal en naar Rome had gebracht. (Dat hij daar is geweest, is geen heel oude traditie.) Vervolgens zouden de pausen de kelk hebben gebruikt. (De aanname is dat er zo vroeg al een successie van bisschoppen was.) Vervolgens belandde de beker in Spanje, werd hij tijdens de Arabische tijd verborgen en toevallig weer gevonden. Het moge duidelijk zijn dat een historicus bij zo’n claim begint te gnuiven van ergernis.

En dat doe ik dus ook. Aan het hoofd van de kerk van Valencia staat een aartsbisschop en zo’n kerel is niet dom. Zo iemand is naar de universiteit geweest, begrijpt wat een wetenschappelijk bewijs is en snapt dat een voorwerp ook een cultische  functie kan hebben als het onecht is. Er is geen noodzaak tot pseudowetenschappelijke claims – sterker nog, je maakt je kwetsbaar voor het verwijt dat je iets te verbergen hebt.

Muurschildering in de San Juan del Hospital

Tot slot

Dat moest ik even kwijt. Ik had in dit narcistische winterfeuilleton ook nog kunnen schrijven over de beeldschone kerk van San Juan del Hospital. En ik had kunnen vertellen dat ook in Valencia het standbeeld van Cervantes een man toont met twee armen, ook al had hij er maar één. Maar ik heb nu wel genoeg geschreven voor vandaag. Als ik er tijd voor heb is er morgen meer over Valencia.

#Edetaniërs #graal #LijkwadeVanTurijn #PlaDeNadal #RijkVanToledo #SintVincentius #Theodomir #TosalDeSanMiquel #Valencia #Visigoten

Toerist in Toledo

Aankomst in Toledo

Toledo, gelegen in het centrum van het Iberische Schiereiland, was in de Late Oudheid de hoofdstad van het Rijk van Toledo. Hier resideerden koningen die stamden uit een dynastie die ook wel Visigotisch wordt genoemd, wat nogal misleidend is omdat die naam een Germaans karakter suggereert dat deze vorsten totaal niet hadden. Ze waren in alle opzichten Romeins en de wetsoptekening van koning Recceswinth, het Liber Iudiciorum uit 654, is na het Byzantijnse Corpus Iuris de meest ambitieuze rechtscodificatie uit de Late Oudheid. Het Rijk van Toledo was simpelweg de post-Romeinse staat par excellence.

De stad bezit het bij mijn weten enige Visigotische museum ter wereld, en dat was één reden om er naartoe te gaan. Maar er was meer. De naam “Toledo” heeft een bijna magische klank, net zoals Venetië, Constantinopel, Damascus, Isfahan of Samarkand. In die plekken is ooit geschiedenis gemaakt en de echo’s klinken nog steeds door. Toledo als plaats van talloze laatantieke synodes, die vooruitwijzen naar de middeleeuwse standenvergaderingen. Toledo als centrale stad in de middelste grensmark van het Emiraat van Córdoba. De inname van Toledo in 1085 als keerpunt in de geschiedenis van het Iberische Schiereiland. Toledo als vertaalschool. Toledo als voornaamste bisdom in Spanje. En verder: Toledo als artistiek centrum, als plaats waar drie godsdiensten elkaar al dan niet harmonieus ontmoetten, en als locatie van beroemde romans (i.c., Het vijfde zegel van Simon Vestdijk).

Inscriptie van koning Reccared voor de Synodes van Toledo (Kathedraal van Toledo)

De stad stond al jaren op mijn verlanglijstje en ik kan alleen zeggen: Toledo overtrof alle verwachtingen. Ik zal dit narcistische winterfeuilleton niet voorzien van een uitputtende beschrijving van alles wat er is te zien, al was het maar omdat we er maar één dag konden zijn. Ik beperk me tot het Visigotisch Museum en twee moskeeën.

Visigotisch Museum

Eerst het Visigotisch Museum, dat voluit Museo de los Concilios y la Cultura Visigoda heet en is gebouwd in de dertiende-eeuwse kerk van San Román. Die is zelf ook een bezoek waard, want het is een prachtig voorbeeld van de mudejar-stijl, d.w.z. christelijke kunst met invloeden uit het Arabische zuiden. Geen romaanse rondbogen of gotische spitsbogen dus, zoals je in de dertiende eeuw misschien zou verwachten, maar hoefijzerbogen, en inscripties in Arabische letters.

Jezus geneest een blinde (El Salvador-kerk, Toledo)

De collectie op zich is niet heel groot en bestaat vooral uit architectuurfragmenten, al zijn er ook munten te zien en inscripties, replica’s van votiefkronen, gebruiksvoorwerpen en een afgietsel van een zesde-eeuwse pijler die is te zien in de kerk van El Salvador. Die is opmerkelijk, omdat die kerk teruggaat op de Grote Moskee van Toledo, waar de christelijke reliëfs op deze pijler blijkbaar nooit aanstoot hebben gegeven.

Het fijne zit vooral in het feit dát dit museum er is, want de zesde en zevende eeuw zijn een beetje een vergeten periode, terwijl het koningschap van Toledo een hoge symboolwaarde heeft gehad: de laatmiddeleeuwse christelijke koningen bewezen meer dan eens lippendienst aan een geïdealiseerd herstel van het door de Arabieren onderworpen koninkrijk, en die claim is blijven bestaan na de Late Middeleeuwen. In Madrid staan op de Plaza de Oriente tegenover het koninklijk paleis twintig achttiende-eeuwse standbeelden van heersers, die een verband suggereren tussen de bewoners van het paleis en de Visigotische koningen.

Votiefkroon (Visigotisch Museum)

Het museum in Toledo deelt deze visie op een continuïteit van het Rijk van Toledo via de christelijke rijkjes naar het moderne Spanje niet. Het toont het Rijk van Toledo als de laatantieke staat die het was, met laat-Romeinse trekken en vroeg-middeleeuwse trekken. Met een geestelijkheid en met een vorst. Er is weinig aandacht voor het leger: ook vooroordelen over het gewelddadige karakter van de zesde en zevende eeuw worden niet bevestigd. Ook worden geen pogingen gedaan de Visigotische heersers te presenteren als Germanen – de naam “Visigoten” is te ingeburgerd om nog te veranderen, maar is ook wat misleidend. In elk geval: het museum is de moeite van een bezoek meer dan waard.

Moskeeën

We bezochten ook twee voormalige moskeeën. Een daarvan is vernoemd naar een kerk die er later is ingericht en staat bekend als de Mezquita del Cristo de la Luz. Het is een beeldschoon monumentje, gebouwd in 999 na Chr., op een steenworp van een eveneens Arabische stadspoort, de Bab el-Mardum. De versieringen zijn gemaakt van baksteen, zodat deze moskee weliswaar heel sober is (want wat is nou eenvoudiger dan baksteen?) maar ook heel expressief gedecoreerd. Ik houd hiervan, zoals ik ook houd van de Amsterdamse School. Toen de moskee in gebruik was genomen als kerk, zijn fresco’s aangebracht die ook heel mooi zijn.

Mezquita del Cristo de la Luz

Even hoger op de heuvel ligt de Mezquita de Tornerías. Die is helemaal bijzonder. Je loopt vanaf de straat een huis binnen, en de vertrekken op de begane grond zijn al vrij monumentaal, met allerlei natuurstenen bogen. De functie is niet helemaal duidelijk. Daaronder ligt een cisterne. Deze twee niveaus waren in de Visigotische en Arabische tijd in gebruik. Er onder zijn wat resten uit de IJzertijd, en de moskee is gebouwd op de tweede verdieping. Het is prachtig ontsloten.

Deze moskee werd gebruikt door een gezelschap dat bekendstaat als de Broederschap van Yami’ al-Wadi’a, wat weleens wordt vertaald als “bewaring”. Een document uit de vroege vijftiende eeuw bewijst niet alleen dat er toen nog moslims in Toledo woonden, maar dat de leden van de Broederschap ook nog Arabisch spraken, huwelijken inzegenden volgens islamitisch recht, aalmoezen verzorgden, uitvaarten regelden en twee winkels verhuurden. De huuropbrengst werd gebruikt voor het onderhoud van de moskee.

El Greco, De begrafenis van de graaf van Orgaz

Tot slot

Ik kwam in Toledo ogen tekort. We betraden de stad over de Puente de Alcántara, we passeerden de Puerte del Sol, we bekeken de kathedraal (waar je eigenlijk een hele dag voor moet uittrekken), we bezochten het Sefardisch Museum ofwel de Sinagoga del Tránsito alsmede de even verderop gelegen Sinagoga de Santa María La Blanca. In de kerk van Santo Tomé hebben we verbluft gekeken naar El Greco’s schilderij van “De begrafenis van de graaf van Orgaz”, wiens graf daar trouwens ook werkelijk is.

Toledo heeft veel, veel meer te bieden, maar wij hadden slechts één dag. Geen bezoek dus aan het klooster van San Juan de los Reyes, aan het Alcazar of aan het El Greco-museum. We hadden er langer moeten blijven. Drie dagen minimaal. Maar we hebben de dingen gezien die we echt het meest wilden zien, en het is beter ergens te kort te zijn geweest dan er überhaupt niet te zijn geweest.

Morgen: Valencia.

#ElGreco #emiraatVanCórdoba #LiberIudiciorum #mudejarStijl #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #SimonVestdijk #SynodesVanToledo #Toledo #Visigoten

De verledens van Spanje (3)

Romeins en Arabisch Spanje bij elkaar in Málaga

Wat ik met de twee voorgaande blogjes (een, twee) heb willen vertellen, is dat het beeld van het verleden van Spanje verandert doordat de wind uit een andere politieke en culturele hoek is gaan waaien, wat een beetje de dagelijkse omgang is met het verleden, terwijl er tegelijk ook echte wetenschappelijke ontwikkelingen zijn: nieuwe technieken, nieuwe vragen, nieuwe data, nieuwe onzekerheden, nieuwe hypothesen. Die leiden overigens en gelukkig niet meteen tot nieuwe conclusies.

Je mag voor de toekomst verwachten dat onderzoekers, nu er allerlei nieuwe bioarcheologische technieken zijn, zullen gaan kijken naar de routes waarlangs herders hun kuddes verweidden. Mij zou het niet verbazen als vee over grotere afstanden blijkt te zijn verplaatst dan we zouden verwachten aan de hand van de bekende cañadas, want dat is in elk geval elders in Europa bewezen: denk aan de Romeinse herders die van Schotland naar Zuid-Engeland kwamen. Dat documenteert dan ook weer de verspreiding van ideeën. De DNA-revolutie is vooral een hermeneutische revolutie, net wat u zegt.

Twee losse constateringen

Ik heb nog twee losse constateringen. Ten eerste: met mijn opmerking over het verweiden van kuddes verplaatste ik de aandacht van het kustgebied en Andalusië naar de Spaanse Hoogvlakte. Zoals ik in het eerste stukje al aangaf, zijn er de afgelopen halve eeuw veel data bij gekomen dankzij ruilverkaveling langs de Guadalquivir en vastgoedprojecten aan de kust. De balans is al met al nogal oneven, nogal selectief.

En dat is wel een beetje de makke van de archeologie: ze is wel heel erg gebaseerd op data – of dat nu vondsten zijn, surveys of de patronen die dankzij GIS-systemen zichtbaar worden. Archeologen zijn “hands on”, concreet. Maar de analyse van het verleden veronderstelt ook denken over data die je niet hebt. Daar zijn oudhistorici dan weer goed in. En hier speelt het beruchte probleem dat archeologen de voorkeur geven aan de correspondentietheorie van de waarheid en historici meer neigen naar de coherentietheorie. In Nederland bemoeilijkt dat samenwerking. Ik vrees dat dat in Spanje niet anders zal zijn.

Ten tweede: weinig clichés over het verleden zijn onzinniger dan de zelfs niet langer als oxymoron te presenteren claim dat het niet voorbij zou zijn. Het verleden is hartstikke voorbij en betekent helemaal niets, tot wij er betekenis aan geven. De ontstaansgeschiedenis die ik in het eerste blogje noemde is één mogelijkheid om dat te doen, het doorgronden van maatschappijtypen en wijzen van verandering, zoals beschreven in het tweede blogje, is een ander. Maar er zijn meer manieren om betekenis toe te kennen, zoals het reconstrueren van ideeën uit het verleden, die reconstructies contrasteren met je eigen opvattingen, en zo opsporen waarom zij dachten zoals zij dachten en waarom jij denkt zoals jij denkt. Dat contrast leidt tot zelfinzicht.

Tot slot

Tot zover enkele min of meer officiële rechtvaardigingen voor een liefde voor het verleden. Persoonlijk vind ik ontstaansgeschiedenis niet interessant, omdat ze continuïteiten veronderstelt die doorgaans onbewijsbaar zijn. Over contrasterende opvattingen heb ik het in deze drie blogjes niet gehad, dus die laat ik rusten. Het doorgronden van antieke maatschappijtypen is echter belangrijk: inzicht in (de ontwikkeling van) samenlevingen is een voorname reden om historici archeologen en classici oudheidkundig onderzoek te laten doen.

Maar voor u en mij, ongesubsidieerde liefhebbers, geldt dat minder. Voor ons kunnen Oudheid en Middeleeuwen gewoon leuk zijn. Iets om van te genieten. En dat is wat ik binnenkort zal gaan doen: ik ga twee weken op vakantie en ik hoef u na deze drie blogjes niet meer te vertellen naar welk land.

#coherentietheorieVanDeWaarheid #correspondentietheorieVanDeWaarheid #DNARevolutie #emiraatVanCórdoba #RijkVanToledo #socialeWetenschappen

De verledens van Spanje (2)

Een Dressel-20-amfoor (Archeologisch Museum, Córdoba)

Het is niet voor niets dat we wetenschappers en erfgoedspecialisten faciliteiten bieden. We krijgen daar als samenleving immers iets voor terug. Dat kan bijvoorbeeld ontstaansgeschiedenis zijn, zoals ik in het vorige blogje illustreerde aan de hand van de visies op het Spaanse verleden: eerst was er een frame waarin de maatschappelijke, linguïstische, religieuze en nationale eenheid centraal stond, de afgelopen halve eeuw groeide een beeld dat meer ruimte liet aan variatie. Volgden oudheidkundigen en mediëvisten aanvankelijk een door nationalistische historici bepaalde visie, ook na 1975 volgden ze andermans agenda. Weliswaar een sympathiekere agenda, maar toch: de wetenschap handelde niet autonoom.

De sociale wetenschappen

Er zijn ook betere manieren om betekenis toe te kennen aan het verleden, ook al is dat voorbij en betekenisloos, en ook al is het door de schaarste van de ambigue archeologische en tekstuele data slecht kenbaar. Eén van die betere manieren is vertellen hoe de samenleving zich ontwikkelde.

Deze benadering, die tenminste uit de wetenschap zélf voortkomt, was in de jaren zeventig opnieuw populair. Wereldgeschiedenis en globalisering waren destijds in de mode, en er was discussie ontstaan over het bestaande sociaalwetenschappelijk instrumentarium. Geschiedschrijvers onderscheiden al sinds de Middeleeuwen bepaalde maatschappijtypen (zoals nomadisch, agrarisch, feodaal, kapitalistisch) en hoewel die wel degelijk nuttig zijn, bleek het zinvol nuanceringen aan te brengen, nu bleek dat er wereldwijd allerlei varianten bestaan. Voor Spanje was relevant:

  • Hoe hadden de antieke en middeleeuwse samenlevingen zich ontwikkeld?
  • Welke typeringen waren het meest verhelderend? (anders gezegd: hoe interpreteren we de schaarse en ambigue data?)
  • Hoe voltrokken de overgangen zich?

Wanneer we verleden samenlevingen goed begrijpen, krijgen we vat op grotere ontwikkelingen en zijn we beter voorbereid op de toekomst. Zoals gezegd: het is niet voor niets dat we als samenleving faciliteiten bieden aan archeologen, geschiedkundigen, classici, erfgoedspecialisten en wat dies meer zij. Oudheidkunde en mediëvistiek zijn wetenschappen, meer precies sociale wetenschappen. En als zodanig zijn ze belangrijk.

Baetica en El-Andalus

De bestudering van het antieke en middeleeuwse aardewerk is te beschouwen als een autonome ontwikkeling binnen de wetenschap. Ik ben althans niet op de hoogte van politici die vroegen om een verspreidingskaart van Romeinse Dressel-20-amforen of Arabisch loza dorada-keramiek.

Die Romeinse amforen zijn gebruikt om te bewijzen dat in de vroege keizertijd in Andalusië, dat destijds Baetica heette, op een waarlijk industriële schaal olijfolie is geproduceerd en geëxporteerd. De pottenbakkerijen waar de kruiken zijn vervaardigd, zijn geïdentificeerd en omdat elke Dressel-20-amfoor een paar stempels had, kunnen we van elke amfoor vaststellen waar de pottenbakker werkte. Beginnend aan de Beneden-Guadalquivir breidde het productiegebied zich steeds verder stroomopwaarts uit.

Wat dit ook van samenleving was, dit was geen simpele agrarische wereld. De vraag of we de productie en handel moeten typeren als kapitalistisch, vormt het onderwerp van een bekende discussie. Het antwoord biedt een model om de samenleving als geheel te doorgronden, en dat is belangrijk. Ik weet het antwoord niet, maar in elk geval is deze vraag voor het eerst mogelijk geworden dankzij het aardewerk.

Iets dergelijks geldt voor loza dorada, een dubbelgebakken aardewerk met een mooie metaalglans. Dit is uitgevonden in het Midden-Oosten en verspreidde zich naar het westen, waar de steden aan de Spaanse oostkust belangrijke productiecentra werden. Deze verspreiding documenteert contact tussen het centrum en de periferie van de Arabische wereld, en maakt vragen mogelijk over de mate van arabisering. Was die wel zo oppervlakkig als de historici aanvankelijk hadden aangenomen?

Maatschappelijke verandering

Die vraag keert terug als we kijken naar de islam. In mijn vorige blogje wees ik erop dat lange tijd gedacht is geweest dat de islam in El-Andalus een eigen karakter had gehad. Dat is een truïsme, aangezien religies zich sowieso aanpassen aan hun omgeving. Tegelijk kun je onderzoeken op welke wijze de islam zich aanpaste aan het Iberische Schiereiland, en dan is het wel zo fijn dat de afgelopen halve eeuw steeds meer Arabische bronnen zijn ontsloten. Dit gebeurde vrij aselectief, dus we hebben werkelijk de beschikking over meer data.

Uit de twee boeken die ik onlangs las, Muslim Spain Reconsidered van Richard Hitchcock en Kingdoms of Faith van Brian Catlos, leerde ik dat de moslims aanvankelijk behoorden tot de rechtsscholen van Abu Hanifa en Malik ibn Anas, en dat die laatste stroming steeds belangrijker werd. Een deel van de verklaring is dat de Abbasidische kalief in Bagdad Hanafiet was, en dat de Umayyadische emir van Córdoba een eigen koers wilde varen. Dat duidt opnieuw op grondig contact. Het toont ook dat de Arabische invloed niet zo oppervlakkig was als eerder aangenomen, en dat het overdreven was geweest te claimen dat de Spaanse islam wezenlijk anders was dan die in de kerngebieden.

Politiek in El-Andalus

En dat roept weer vragen op over het karakter van de middeleeuwse samenleving. Zo is wel geopperd dat de Arabische invloed zó groot was dat Andalusië van een overwegend stedelijke samenleving veranderde in een Arabische stamsamenleving. Als dit waar is, is hier een vrij zeldzaam type maatschappijverandering gedocumenteerd. Het betekent ook dat Arabisch Spanje heel, heel anders was dan het feodale noorden, en dat de macht van de centrale overheid gering was. De archeologie van de waterwerken is op dit punt belangrijk. Ze bewijst dat als El-Andalus al een stamsamenleving was, ze in elk geval geen nomadische stammen kende. De bevolking was sedentair.

Een andere mogelijkheid is dat zuidelijk en noordelijk Iberië allebei een feodaal karakter hadden, geërfd uit het Rijk van Toledo. Uiteraard veronderstelt dit dat ook het Rijk van Toledo zo’n feodaal karakter had, en het impliceert bovendien dat de Arabische veroveraars zich aanpasten aan degenen die ze in 711 onderwierpen. Ook hier helpt de archeologie. Je kunt immers kijken naar degenen die de kastelen bouwden: waren dat, zoals in bijvoorbeeld Italië, de lokale heren, of was dat de centrale overheid? En op welk moment?

Nu we beschikken over GIS-systemen, blijkt dat de kastelen van de vijfde tot en met achtste eeuw vooral door plaatselijke heren zijn gebouwd, maar dat dit later veranderde. Er was toen sprake van een wisselwerking tussen de vorst en de boeren: de kastelen beheersten de plekken waar vanouds agrarische productie plaatsvond. Zo is dus gedocumenteerd dat de eerste emirs moesten samenwerken met feodale heren maar dat ze, toen ze hun macht hadden geconsolideerd, iets schiepen dat leek op een centrale staat.

Zo blijkt dus dat het Emiraat van Córdoba in culturele zin zeker behoorde tot de grotere Arabische wereld, en dat het vorstelijk gezag in El-Andalus groter was dan in de feodale staatjes in het noorden. Misschien is voor dit laatste aspect Normandisch Sicilië de meest nabije parallel.

[Wordt vervolgd]

#AbuHanifa #Dressel20Amfoor #emiraatVanCórdoba #feodaleSamenleving #GISSystemen #hanafisme #MalikIbnAnas #malikisme #RijkVanToledo #socialeWetenschappen

De verledens van Spanje (1)

Het beeld van Leovigild, vóór het koninklijk paleis in Madrid, claimt de laatantieke vorst als voorloper van de koningen van Spanje.

Archeologische vondsten zeggen eigenlijk maar weinig. Ze moeten worden geïnterpreteerd: die scherven vormden ooit een kruik, die kruik bevatte olijfolie, de klei van die kruik komt uit de vallei van de Guadalquivir, en omdat ze is opgegraven in Rome duidt die kruik op handel. Maar ook zo’n geïnterpreteerde vondst is niet waarom wij, als samenleving, de mogelijkheid garanderen dat wetenschappers hun intellect, tijd en energie besteden aan archeologie. Wat kan het ons immers schelen dat Rome negentien eeuwen geleden Spaanse olijfolie importeerde? Wat hebben wij, om met Halbe Zijlstra te spreken, aan opgegraven potten en pannen, geïnterpreteerd of niet?

Die vraag kunnen we ook stellen bij historische gebeurtenissen. U en ik worden niet gelukkiger of wijzer als we weten dat in de late eerste eeuw na Chr. de Romeinse gemeentewetten in Spanje volgens een standaardmodel zijn geharmoniseerd. Er is méér nodig om zulke gegevens betekenis te geven. De resultaten van archeologisch en historisch onderzoek, en ook dat van het onderzoek van classici, krijgen pas zin als ze in een groter kader zijn geplaatst.

Ontstaansgeschiedenis

Eén zo’n kader, populair in de negentiende eeuw maar niet per se onzinnig, is dat van de ontstaansgeschiedenis. In deze visie wordt het verhaal over het verleden zó verteld dat het vooruit lijkt te wijzen naar het heden, dat het zodoende tegelijk legitimeert. Voor Spanje was dat lange tijd een verhaal over een eenheid die was geschapen in de Oudheid, toen de Romeinen één romaanse taal oplegden en het stedelijk landschap schiepen, en toen het Rijk van Toledo het gehele Iberische Schiereiland beheerste. Laatstgenoemde eenheidsstaat was christelijk geweest, en de herinnering hieraan was altijd aanwezig gebleven.

De Arabische invloed op Spanje was in deze visie slechts oppervlakkig geweest; niet alleen was de Spaanse islam wezenlijk anders dan die in de kerngebieden, maar in het Emiraat van Córdoba zouden ook altijd vitale christelijke minderheden hebben bestaan. Tegelijk zouden het noordelijke koninkrijk Asturië en zijn opvolgerstaten altijd het Rijk van Toledo hebben willen herstellen. De eenwording van de christelijke koninkrijken Castilië en Aragón en de onderwerping van het islamitische Granada (1492) waren daarom eigenlijk onvermijdelijk geweest. Het waren simpelweg uitingen van de Spaanse nationale identiteit. Tot de meest uitgesproken verdedigers van deze visie behoorde Claudio Sánchez-Albornoz, die van 1962 tot 1971 premier was van de Spaanse republikeinse regering in ballingschap.

Een geschiedbeeld als dit beschrijft hoe de eigen groep is ontstaan. Zolang de continuïteit sociaalwetenschappelijk en overtuigend is bewezen, is daar niets mis mee, maar er is ook een nadeel: er is geen ruimte voor wat afwijkt. In dit voorbeeld is er nauwelijks ruimte voor de groepen Basken en Catalanen die zichzelf niet beschouwen als Spanjaarden. Het beschreven geschiedbeeld laat ook weinig ruimte aan joden, moslims en niet-katholieke christenen.noot Vergelijk Nederland: “wij” waren lange tijd Germaans, Nederlandssprekend en protestants. Minister-president Drees meende nog dat een katholiek eigenlijk geen secretaris-generaal van een departement kon zijn.

Aanpassing

Alle geschiedbeelden veranderen. Daarbij spelen allerlei factoren een rol, waaronder nogal wat factoren die eigenlijk geen rol mogen spelen, zoals politieke wenselijkheid of selectief verworven extra data. Zo ook in Spanje. Het geschetste beeld was nationalistisch en katholiek, en hoewel het niet per se rechts was, was het wel de dood van Franco die ruimte schiep voor andere visies, waardoor het idee van “één Spanje” werd genuanceerd. Het perspectief verschoof naar convivencia, middeleeuws Spanje als verzameling samen levende culturen. Het is te lezen als een erkenning van de Baskische en Catalaanse identiteit. Deze omslag had dus iets te maken met de veranderde politieke windrichting, en dat gold eveneens voor de gegroeide aandacht voor El-Andalus.

De jaren tachtig zagen ook een uitbreiding van het archeologische databestand. Niet alleen was er ruilverkaveling in Andalusië, maar ook veranderden projectontwikkelaars de Spaanse costa’s in een vastgoedparadijs, waardoor er eindeloos veel vondsten kwamen uit het gebied langs de Guadalquivir en uit de kustregio. Zo kwam er aandacht voor de vroege verstedelijking van Spanje, vóór de komst van de Romeinen. Die is een feit, maar bedenk: heuvelforten en stedelijke nederzettingen zijn makkelijker te vinden dan herders die hun kuddes verplaatsen over de eeuwenoude cañadas. De toegevoegde data waren dus selectief: ze documenteerden grote nederzettingen, maar niet de rest van de toenmalige wereld, en het ging vooral over Andalusië en de Iberische kuststrook. (Dat is een van de redenen waarom de huidige opgraving van Turuñuelo, die ik al eens aanstipte, vlakbij de Portugese grens, zo belangrijk is.)

Anders gezegd: de perspectiefwisseling die rond 1975 inzette, is politiek of cultureel bepaald en inhoudelijk niet zo best onderbouwd.noot Dit is natuurlijk wat in Nederland is gebeurd toen de Germanen werden ingeruild voor de Romeinse limes: vaderlands verleden maakte plaats voor pan-Europees verleden, en het gegroeide Romeinse databestand was tot stand gekomen doordat Romeinse forten opvallender zijn dan Germaanse zwervende erven. In het jargon van de wetenschapsleer: de context of discovery is alleszins begrijpelijk, maar er zijn vraagtekens te plaatsen bij de justification of discovery. (U mag “perspectiefwisseling” lezen in plaats van discovery.)

[Wordt vervolgd]

#Asturië #ClaudioSánchezAlbornoz #contextOfDiscovery #convivencia #emiraatVanCórdoba #FranciscoFranco #Granada #justificationOfDiscovery #RijkVanToledo #Turuñuelo

Vragen rond de jaarwisseling (2)

De niet zo grote volksverhuizingen

Twee weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze beantwoorden. Nadat we gisteren het “klassieke” deel van de oude wereld hebben bekeken, nu de fascinerende Late Oudheid.

Maar wat kunnen we nu echt weten van de laatantieke migraties?

We weten dat de vijfde eeuw gewelddadig is geweest, maar of dit kwam door grootschalige migratie, is niet helemaal duidelijk. Dat de bronnen erover schrijven, wil alleen maar zeggen dat de auteurs er belang in stelden, maar we lezen inmiddels wel dieper en herkennen beter wat ze niet zeggen. Veel van wat oudhistorici als migranten hebben getypeerd, waren feitelijk opstandige Romeinse legeronderdelen. Alarik was geen barbaar die de vijandelijke hoofdstad plunderde, maar een Romeinse officier met politieke eisen in de richting van zijn superieur.

Het veel-gereproduceerde landkaartje hierboven is misleidend. Het toont wél de buitenlandse volken die op het Romeinse Rijk lijken te zijn afgekomen, over een periode van drie eeuwen, alsof dat gelijktijdig was. Dat is dus suggestief. En het verbergt de migratie uit het Romeinse Rijk weg, hoewel christelijke minderheden naar het oosten zijn getrokken.

En er is nog iets. We kunnen met moderne bioarcheologische technieken vaststellen dat er in de Late Oudheid bevolkingsverplaatsingen zijn geweest. Dat wordt dan veelal uitgelegd als zie-je-wel-dat-er-grote-volksverhuizingen-waren. Maar hoe groot waren eerdere migraties? We kunnen dat niet meten omdat mensen toen werden gecremeerd, en er geen materiaal resteert voor chemische analyse.

Advies: lees dit boek. Het is echt goed.

Justinianus (Bode-Museum, Berlijn)

Klopt het dat het beleid van keizer Justinianus, die in het westen grote gebieden wist te heroveren, destructief is geweest voor het West-Romeins staatsapparaat?

Dit vind ik een moeilijke vraag. Het Romeinse staatsapparaat is in de loop van de vijfde eeuw al voor een deel ingestort maar – als ik een oxymoron mag gebruiken – beschaafde barbaarse koningen garandeerden ook continuïteit, die in Ostrogotisch Italië en Visigotisch Iberië aanzienlijk was. Nadat Justinianus de Maghreb en Italië had heroverd, kwamen daar bestuurders met de aloude bestuurlijke functies. Voor zover er een breuk was geweest na de verdwijning van het keizerlijk hof in Italië (476), werd die minimaal ten dele hersteld.

De zesde eeuw bood wel het akelige schouwtoneel van de grote kladderadatsch: terwijl het klimaat verslechterde, was er eerst een enorme vulkaanuitbarsting, vervolgens hongersnood en ten slotte een uitbraak van de pest. De antieke cultuur en dus ook de laat-Romeinse instituties kwamen ten einde. Maar daar kon keizer Justinianus weinig aan doen.

Visigotische decoratie uit Mérida

Wat mij opviel is dat je in Visigotische (en eerdere?) kunst de abstracte vlakverdelingen al ziet die de latere islamitische kunst kenmerkt. Hoe verhouden die twee zich?

Het antwoord weet ik niet, maar het toeval wil dat ik medio januari naar Spanje afreis, waar ik twee weken hoop rond te trekken. Daarbij staat het Visigotische Museum in Toledo op het programma, én enkele steden waar Arabische architecten hebben gewerkt. Kortom: het antwoord volgt.

Romeinse helm uit Wijk bij Duurstede (Rijkscollectie)

Ik ben benieuwd wat u vindt van het standpunt van Albert Delahaye dat Dorestad niet bij Wijk bij Duurstede heeft gelegen. 

De ideeën van Albert Delahaye, dat oudheidkundigen de topografie van de Romeinse Lage Landen verkeerd hadden (en dat Dorestad niet Wijk bij Duurstede is), deden in in de jaren vijftig en zestig nogal wat stof opwaaien, mede doordat er destijds minder archeologisch materiaal was. Hij had redelijk wat aanhang. De data-explosie die volgde op de ondertekening van de Conventie van Malta heeft zó veel nieuwe vondsten opgeleverd, dat Delahayes opvattingen zelfs door zijn sympathisanten inmiddels worden beschouwd als te radicaal.

Ik heb me er nooit in willen verdiepen, omdat ik vermoed dat andere onderwerpen me in de beschikbare tijd méér inzicht opleveren. Dat is een vooroordeel, inderdaad, maar ik denk dat ik er goed aan deed. Ik verantwoord me hier.

[In het nieuwe jaar meer]

(Gevelsteen, Nadorststeeg, Amsterdam)

PS

Vandaag is de laatste dag van het jaar. Ik wens u een mooie jaarwisseling. En mocht u een financieel goed jaar achter de rug hebben en wat geld kunnen missen: overweeg eens een donatie aan de Stichting Leergeld, aan Cordaid of aan Reporters Without Borders.

#Alarik #AlbertDelahaye #Dorestad #Justinianus #RijkVanToledo #vragenRondDeJaarwisseling

Theodomir

Zomaar mooi kapiteel uit het Rijk van Toledo (Archeologisch museum, Mérida)

Een tijdje geleden postte ik enkele blogjes over de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland in 711 na Chr. Simpel samengevat stak generaal Tariq ibn Ziyad vanuit de Maghreb over naar Andalusië, waar hij Roderik versloeg, de koning van het Rijk van Toledo. Na dit eerste succes arriveerde een tweede Arabische strijdmacht, en vervolgens liepen de twee legers de regio volledig onder de voet. De verovering werd vereenvoudigd door verdragen te sluiten met lokale leiders, zoals een zekere Theodomir. Die erkende de Arabieren als gezaghebbers en kreeg in ruil erkenning als heerser van het zuidoosten van Spanje.

Voor mijn eerdere blogjes was Theodomir niet meer dan een voorbeeld van het soort verdragen dat de Arabieren sloten om hun gezag te vestigen. Er valt echter meer over deze man, die zo mooi de overgang van Late Oudheid naar Middeleeuwen markeert, te vertellen. Maar eerst iets over de context: wat de laatste generatie zou blijken te zijn van het Rijk van Toledo. En voor we dáár aan toekomen, moet ik nog wat verder terug, namelijk naar het midden van de zesde eeuw.

Dux Theodomir

De adel van het Rijk van Toledo, die we weleens aanduiden als de Visigoten, was op dat moment verdeeld en dat bood de Byzantijnen een kans om zuidelijk Spanje te veroveren. Het duurde niet lang tot de Visigoten aan een tegenoffensief begonnen: onder koning Leovigild (r.572-586) wisten ze de Byzantijnse posities te reduceren tot een smalle kuststrook. In de heroverde gebieden richtten ze nieuwe bestuurlijke eenheden in, die we misschien mogen aanduiden als marken ofwel grensgewesten. Aan het hoofd stond een dux. Een zo’n mark was Orospeda en strekte zich uit van het huidige Murcia tot Valencia. Een kleine halve eeuw later werd Cartagena daaraan toegevoegd.

Dit was het gebied waarover – weer een eeuw later – Theodomir als dux zou regeren. De in Andalusië geschreven Kroniek van 754 weet dat hij eens een vlootoverwinning heeft geboekt op de Byzantijnse zeestrijdkrachten, wat vermoedelijk betekent dat hij op een bepaald moment aan het hoofd heeft gestaan van de vloot van het Rijk van Toledo. Het is jammer dat we niet weten wat dit van operatie kan zijn geweest. Probeerden de Byzantijnen te profiteren van een hernieuwde verdeeldheid in het Rijk van Toledo?

Rebel

Het zou kunnen. In 692 was namelijk een zekere Suniefred in opstand gekomen tegen koning Egica. De rebel wist Toledo te nemen en kreeg daar de steun van Egica’s schoonmoeder en de aartsbisschop. Egica slaagde er echter in om, samen met zijn zoon Wittiza, de opstand te onderdrukken.

DYNASTIEREBELLENKoning EgicaSuniefredKroonprins
WittizaEgica’s
schoonmoederAartsbisschopTheodomir

De Handelingen van de Zestiende Synode van Toledo, die in het volgende jaar samenkwam om de rust te herstellen, noemt Theodomir als een van de rebellen. Hij werd officieel uitgesloten van alle kerkelijke sacramenten en moet al zijn wereldse functies en bezittingen hebben verloren.

Evengoed was Theodomir later in staat om als dux te onderhandelen met de Arabieren, wat betekent dat hij op een of andere manier een comeback moet hebben gemaakt. Dat is heel goed mogelijk, want koning Egica overleed ergens rond 703 en zijn zoon en opvolger Wittiza zal, zoals gebruikelijk, een amnestie hebben afgekondigd.

De Arabieren komen

Koning Wittiza overleed in 710 of 711 en werd opgevolgd door Roderik, die mogelijk verwant was met Theodomir. Het bewijs daarvoor is overigens niet zo heel sterk: Roderiks vader heette Theodefred, en was verwant met de verslagen rebellenleider Suniefred, in wiens kamp Theodomir zich dus had bevonden. Het bewijs voor de familiebanden bestaat dus uit naamovereenkomsten. Dat is niet het allersterkste bewijs, maar het is in deze periode ook niet verwaarloosbaar. In elk geval steunde dux Theodomir de nieuwe koning Roderik toen deze de strijd aanbond tegen de Arabieren.

Theodomirs monogram in Pla de Nadal (Prehistorisch Museum, Valencia)

Roderik sneuvelde en het was onduidelijk wat er daarna gebeurde – afgezien van het verdrag dat Theodomir in 713 sloot met de veroveraars. Daarin zegde hij een schatting toe en werd hij erkend als heerser over de mark waarover hij al heerste. Het is echter mogelijk dat Theodomir in 711, na de dood van Roderik, heeft geprobeerd zelf koning te worden, want hij bouwde een fenomenale villa, Pla de Nadal, die heel wel bedoeld kan zijn geweest als koninklijk paleis. Dat hij de bouwheer is, staat dankzij inscripties vast; dat het een koninklijke residentie was, is iets minder zeker, maar diverse architectonische aspecten kennen we alleen uit Byzantijnse en Toledaanse paleizen. De villa is echter nooit voltooid.

Arabische vazal

Het staat vast dat Theodomir, voordat hij zich onderwierp, heeft gestreden tegen de Arabieren, maar de gevechten verloor. Er is een mooi verhaal dat hij, toen de meeste van zijn mannen waren gesneuveld, de vrouwen in zijn stad een harnas aantrok, zodat de Arabieren dachten dat er nog een sterk garnizoen was, en Theodomir goede voorwaarden gunden. Toen de Arabieren ontdekten dat ze voor de gek waren gehouden, besloten ze zich toch aan de afspraak te houden. Misschien is dit verhaal bedacht om te verklaren waarom Theodomir een gunstig verdrag had weten te krijgen; het gaat in elk geval om een verhaalmotief dat we ook van elders kennen. Maar het kan natuurlijk ook gewoon echt zijn gebeurd.

Het vervolg is duidelijker. Na de onderwerping van het Rijk van Toledo reisden de twee Arabische generaals naar Damascus, waar kalief Walid I hen ontving. Theodomir was in hun gezelschap en verkreeg een bevestiging van zijn gezag. De Kroniek van 754 vermeldt dat hij in 744 overleed. En we mogen ons afvragen wat hij was: een opportunist, iemand die redde wat er te redden viel, of iets van allebei.

#Egica #KroniekVanHetJaar754 #Leovigild #PlaDeNadal #RijkVanToledo #Roderik #TariqIbnZiyad #Theodomir #Valencia #Visigoten #WalidI #Wittiza