Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Circumcelliones

En ze verwierf op zeker moment de steun van de circumcelliones, die voor het eerst rond 320 worden vermeld. Het lijkt te zijn gegaan om arme plattelandsbewoners, meestal dagloners zonder veel bestaanszekerheid, die de ambitie hadden opgegeven normaal werk te vinden. Verder lijken onder de circumcelliones keuterboeren te zijn geweest met schulden die ze niet langer konden aflossen. Augustinus schrijft dat ze werden behandeld als beesten, wat wel verklaart waarom ze zich uit de stads- en dorpsgemeenschappen terugtrokken en zich overgaven aan banditisme. Zouden het Galliërs zijn geweest, ze zouden Bagaudae genoemd zijn geweest, en als het in de Middeleeuwen was geweest, dan was er sprake van een jacquerie.

Het lijkt erop dat toen Constantijns zoon Constans (r.337-350) maatregelen nam tegen de donatisten, dezen antwoordden door de circumcelliones te instrueren om terreurdaden te verrichten tegen de officiële kerk. We kennen twee leiders bij hun (Berber)naam: Axido en Fasir. Hun opstand, die rond 340 plaatsvond, liep volledig uit de hand, want ze richtten zich vooral op de landhuizen van de grootgrondbezitters, waar ze de schuldregisters vernietigden en de bewoners – dat ging in een moeite door – dwongen hun slaven vrij te laten. De Romeinse generaal Taurinus onderdrukte deze opstand.

Ik schreef zojuist “lijkt erop” omdat we geen geschriften hebben van de circumcelliones zelf. Niet alleen waren ze merendeels ongeletterd, maar zelfs al zouden ze teksten hebben geschreven, dan nog zouden ze niet zijn gekopieerd toen de keizerlijke kerk eenmaal het pleit had gewonnen.

Het huis van Optatus in Timgad

Zelfmoordaanslagen

Enkele jaren later, tussen 345 en 347, was er een tweede revolte, die door generaal Silvester werd onderdrukt. Hierna lijken (lijken!) de circumcelliones hun modus operandi te hebben gewijzigd, want we vernemen dat ze heel riskante overvallen deden, waarbij ze zouden hebben gehoopt te sneuvelen, zodat ze als martelaren meteen naar de hemel zouden gaan. Hun aanvalskreet zou Deo laudes! zijn geweest, “Prijs God!” Dit moet rond 390 zijn geweest, en de regie zou in handen zijn geweest van de donatistische bisschop Optatus, wiens huis is opgegraven in Timgad. Een laatste geweldsgolf vond plaats rond 411.

Dat die zelfmoordaanslagen geen fictie zijn, wordt bewezen door vijfenzestig grafstenen die zijn gevonden bij de Jebel Nif en-Nser, niet ver van het Algerijnse stadje Ain M’lila: het gaat om circumcelliones die zich in een kloof hebben geworpen, mogelijk toen ze geen slachtoffers konden vinden om te vermoorden. We lezen ook over ongewapende circumcelliones die bewapende konvooien aanvielen. Wij zouden het suicide by cop noemen. Genadeloos als Romeinse gouverneurs waren, lieten ze de aanvallers vrij.

Jebel Nif en-Nser

Twijfel

Zoals gezegd: we weten het allemaal niet zo zeker. Hun eigen opvattingen kennen we eigenlijk niet en een auteur als Augustinus was vooringenomen. Weliswaar herkende hij de sociale oorzaak, maar hij maakte zich zó grote zorgen om het donatisme dat hij bereid was de overheid te vragen desnoods met geweld op te treden. Augustinus voelde sympathie voor de ontrechten, maar niet voor bondgenoten van de donatistische concurrentie.

Nog iets: het Latijnse woord cella kan ook “graanopslag” betekenen, wat prima past bij een plattelandsbeweging. Je zou de nomaden die bij de oogst kwamen helpen, kunnen aanduiden als degenen die zich bij de silo’s ophouden. Maar deze interpretatie van de naam maakt het lastiger – hoewel zeker niet onmogelijk – de circumcelliones te presenteren als donatistische terroristen.

“Eeuwig vrede voor de katholieke kerk”: anti-donatistische polemiek (Nationaal Museum, Algiers)

In elk geval: ze waren gevaarlijk. Reizigers, en zekere geestelijken in dienst van de keizerlijke kerk, vormden bewapende karavanen alvorens op pad te gaan. Dat zegt echt wel iets. Augustinus kan overdrijven als hij zegt dat de kreet Deo laudes gevreesder was dan het brullen van een leeuw, maar zijn angst was wel degelijk reëel.

Kortom: er zijn wat problemen in de bewijsvoering, maar we mogen de circumcelliones beschouwen als plattelandsrebellen die steeds meer veranderden in de gewapende tak van de donatistische kerk.

PS

De circumcelliones spelen een belangrijke rol in de historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas (2020; bespreking).

#Algerije #Augustinus #Bagaudae #banditisme #Circumcelliones #Constans #ConstantijnDeGrote #donatisme #FransWillemVerbaas #Licinius #Numidië #OptatusVanTimgad #terrorisme #Timgad #zelfmoord

De ketter van Carthago (2)

De vorig jaar verschenen historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas gaat niet en wel over Augustinus, de bisschop van Hippo over wie ik gisteren blogde. De hoofdpersoon heet Spes en wordt aangetrokken, afgestoten, opnieuw aangetrokken, weer afgestoten en tot slot weer aangetrokken door de bisschop, die dus wel centraal staat in het boek. In feite is het samen te vatten als “hoe Spes bleef kijken naar Augustinus”.

Zoals zoveel historische romans moet je het boek niet lezen omdat het allemaal precies klopt. Nog voor de eerste zin gaat het al fout als er een datering anno Domini wordt gebruikt. Er waren in de Oudheid verschillende dateringssystemen, maar deze is pas in de zesde eeuw gemeengoed geworden. Augustinus dateerde bijvoorbeeld gebeurtenissen regelmatig aan de hand van de Romeinse consuls: zo lezen we in De stad van God dat Christus is gestorven toen Lucius Rubellius Geminus en Gaius Fufius Geminus het consulaat bekleedden. Er zijn in De ketter van Carthago wel meer dingen waar ik als historicus door afgeleid raakte, maar ik vind het niet helemaal eerlijk het boek daarop af te rekenen. Een roman die het verleden toont zoals het werkelijk was, zou zo saai zijn als het menselijk leven nu eenmaal is.

Spes, Optatus en Augustinus

De troeven van deze roman liggen ergens anders. Verbaas vertelt een spannend verhaal rond een paar mooie personages. Spes is een man van de daad, die over onrecht verontwaardigd kan zijn en dan ietwat impulsief kan handelen. Dat brengt hem al snel bij de donatistische Circumcelliones, onder leiding van Optatus, aan wie de lezer alleen maar een hekel kan hebben.

Eerlijk gezegd: het ligt er wat dik op, een vadsige valse profeet die voortdurend een slang bij zich heeft. Dat is overigens – de historicus in mij kan niet helemaal zwijgen – wel alleszins mogelijk, want de Libische volken kenden slangenculten en ik wil absoluut niet uitsluiten dat de verondersteld zuivere donatisten aspecten van oudere heidense culten hadden geïntegreerd.

Het huis van Optatus in Timgad

Verbaas’ Augustinus is een sympathieke man, nooit te beroerd voor een pastoraal gesprek en met inzicht in de kwaliteiten van zijn gelovigen. Hij kent Spes beter dan deze zichzelf kent. En ook: Augustinus is een voorstander van een kerk die wat ruimte wil laten voor menselijke gebreken en die ook vergeving kent. Waar de donatisten een zuivere kerk wilden, was Augustinus’ kerk er voor het koren én het onkruid.

Geen historische roman

Misschien is er in De ketter van Carthago, waarvan ik zo meteen zal uitleggen dat het helemaal niet over het verleden gaat, zelfs iets teveel vergeving. Als Spes zich na enkele moordpartijen afwendt van de Circumcelliones, krijgt hij de absolutie – maar Spes hoeft zich niet te melden bij de burgerlijke autoriteiten. Augustinus’ collega Synesios zou dat niet zo hebben aangepakt: van hem is een herderlijke brief  over waarin hij iemand adviseert zich aan te geven en de doodstraf te aanvaarden. (Het voordeel voor de terechtgestelde, legt Synesios uit, is dat hij zo verhindert dat  zijn ziel na zijn dood blijft rondspoken.) Een priester mag niet als voorwaarde aan de absolutie stellen dat iemand aangifte tegen zichzelf doet, maar op dit punt voelde De ketter van Carthago ongemakkelijk.

Ik leg hier een moderne norm aan. Wat Verbaas heeft geschreven, gaat namelijk in feite over een moderne vraag. Aan de ene kant is er een georganiseerde religie, met een geschoolde geestelijkheid die de consequenties van bepaalde gedachtegangen kent en die accepteert dat de gelovigen niet perfect zijn. Dat is allemaal heel mooi, maar regelmatig gebeurt het dat geestelijken wat al te makkelijk hun eigen onvolmaaktheid aanvaarden. Als reactie daarop ontstaan stromingen die grotere zuiverheid eisen – en die ontaarden eigenlijk altijd in gewelddadig radicalisme. Zie sommige Amerikaanse evangelicals, en zie vooral de zogenaamd Islamitisch Staat, die meer dan eens het model lijkt te zijn geweest van Verbaas’ Circumcelliones.

Dit is dus geen roman over Augustinus. Maar het is een boeiend boek dat in feite gaat over de vraag wat een goede zielzorger moet zijn. U moet De ketter van Carthago zeker lezen als u besluit naar Algerije te reizen, want u zult verschillende locaties uit de roman herkennen.

Spes’ pleegvader is kapitein en versiert zijn huis met een mozaïek van schepen. Dit is zo’n mozaïek, te zien in het museum van Annaba.

 

#Augustinus #Circumcelliones #donatisme #donatisten #FransWillemVerbaas #Nachleben #OptatusVanTimgad #roman