Romeins Thracië

De Via Egnatia in Filippoi

[Dit is het vijfde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

De Romeinse Republiek

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, kregen de Romeinen, in oorlog met de Macedoniërs, in de eerste helft van de tweede eeuw v.Chr. te maken met de Thraciërs. Komend vanaf de Adriatische Zee bouwden ze de Via Egnatia, die langs Thessaloniki naar het oosten voerde, langs de havensteden die de Grieken eeuwen eerder aan de Thracische zuidkust hadden gebouwd. Op de annexatie van Macedonië (in 146 v.Chr.) volgde de annexatie van het koninkrijk Pergamon, en daarmee was in elk geval de beheersing van het zuiden van Thracië voor Rome van enorm strategisch belang.

Het zou te ver voeren om hier alle conflicten te noemen die Rome in en rond Thracië heeft uitgevochten. Het was in elk geval nooit eenvoudig, zoals wel blijkt uit het feit dat de oorlog tegen de Bessers duurde van 119 tot 107 v.Chr. Al die tijd was de Via Egnatia niet helemaal veilig. Ook in de oorlogen tegen koning Mithridates VI Eupator van Pontus, een van de gevaarlijkste tegenstanders waarmee Rome te maken had in de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr., werd gevochten in Bulgarije. Bij een van deze oorlogen moet Spartacus in Romeinse handen zijn gevallen: misschien als krijgsgevangene, misschien als verkochte slaaf.

Romeins cavaleriemasker (Archeologisch museum, Stara Zagora)

Er ging geen decennium voorbij zonder gevechten. In de jaren tachtig van de eerste eeuw was het dus de oorlog tegen Mithridates; in de jaren zeventig bereikten de legioenen de Donau; in de jaren zestig leden ze een nederlaag tegen de Geten. Julius Caesar wilde de regio in de jaren vijftig pacificeren maar koos voor Gallië, en werd vermoord voordat hij in 44 v.Chr. alsnog naar Thracië kon komen – verschillende legioenen waren al vooruitgestuurd.

Na ongeveer 40 v.Chr. was duidelijk dat twee mannen zouden vechten om de erfenis van Julius Caesar: Octavianus, gestationeerd in Italië, en Marcus Antonius, gestationeerd in het oosten. Het was even duidelijk dat de confrontatie zou plaatsvinden op de Balkan, en dus veroverde Octavianus in de jaren dertig Illyricum, zodat hij altijd over het land naar Macedonië, Griekenland en Thracië zou kunnen. Zo naderden de Romeinen Noord-Thracië niet alleen vanaf de Egeïsche Zee, maar ook vanaf de Adriatische Zee. Omdat de Odrysen inmiddels een vriendelijk, pro-Romeins koninkrijk vormden, werden ze niet geannexeerd, maar het gebied langs de Beneden-Donau werd in 12 v.Chr. wel onderworpen: de provincie Moesia. De afstammelingen van de Triballiërs en de Geten leefden nu in het Romeinse Rijk.

Het graf in Karanovo

Het Romeinse Keizerrijk

De annexatie van het Odrysische Rijk volgde ten tijde van keizer Claudius, in het jaar 46 na Chr. Hun gebied zou bekend komen staan als de Romeinse provincie Thracia. De hoofdstad was Perinthos. Het graf van de laatste heerser van een onafhankelijk deel van Thracië, Rhoemetalces III, is geïdentificeerd in een grafheuvel in Karanovo. Voor het eerst sinds de regering van koning Filippos II van Macedonië, vier eeuwen eerder, leefden alle Thraciërs weer in hetzelfde rijk – en opnieuw werden ze bestuurd door een vorst die ergens in het verre westen leefde.

Onomstreden was de Romeinse heerschappij niet. De Romeinen bouwden weliswaar een reeks forten langs de Donau, waaronder het fort Novae voor legioen VIII Augusta, maar keizer Domitianus moest in de jaren 85-89 aanvallen afweren van de Daciërs. Zij leefden in wat nu Roemenië is en de oorlogssituatie dwong de Romeinen tot een provinciale herindeling: Moesia werd gesplitst in Moesia Superior en Moesia Inferior, wat je kan vertalen als het stroomopwaarts en het stroomafwaarts gebied langs de Donau. Het werd in Thracië pas echt rustig toen keizer Trajanus het koninkrijk Dacië binnenviel (101-102) en daarna definitief annexeerde (105-106). Ik schreef al eens over zijn enorme overwinningsmonument bij Adamclisi.

Adamclisi

Pax Romana

Het verhaal van de provincies Thracia en Moesia Inferior is feitelijk dat van alle andere Romeinse provincies. Er kwamen nieuwe wegen, zoals die van Belgrado over Niš, Sofia, Plovdiv, Edirne naar Byzantion (Istanbul) aan de Bosporus. In het archeologisch potjeslatijn heet die wel Via Diagonalis, omdat die als een scheve lijn van noordwest- naar zuidoost-Bulgarije gaat.

De steden groeiden – niet zelden worden verstedelijking en romanisering beschouwd als twee namen voor hetzelfde proces – en dat kwam niet alleen door natuurlijke bevolkingsgroei, maar ook door migratie. (Ik zou niet goed weten hoe de voorouders van de joodse vrouw waarover ik eens blogde, anders dan door migratie in Bulgarije kunnen zijn aangekomen.)

Een speciale groep migranten waren de legionairs die hier land kregen. In de provincie Thracië lagen, behalve de hoofdstad Perinthos, onder meer ook de havensteden Byzantion en Mesembria (Nesebar), en in het binnenland Hadrianopolis (Edirne), Filippopolis (Plovdiv), Serdica (Sofia) en Pautalia (Kyustendil). In Moesia Inferior lagen de havensteden Histria, Tomis (Constanza), Odessos (Varna) en langs de stroom Troesmis, Durostorum, de legioensbasis Novae en de hoofdstad Oescus. Na Trajanus’ overwinning stichtte hij Nikopolis.

De oude Thracische godin Bendis en een Romeins gezin (Archeologisch museum, Sofia)

Mannen uit deze steden deden dienst in de Romeinse hulptroepen en, als ze het burgerrecht hadden gekregen, in de legioenen. Het Thracisch raakte overvleugeld door het Grieks, al zijn er opvallend veel Latijnse inscripties bekend uit het huidige Bulgarije, en bleven aloude grafgebruiken bestaan. En zoals overal maakte de provinciale adel carrière in het Romeinse Rijk: in 235 trad keizer Maximinus Thrax aan, wiens bijnaam aangeeft dat hij uit Thracië stamde.

Zijn korte regering – van 235 tot 238 – markeert het einde van de betrekkelijke rust en het begin van de Crisis van de Derde Eeuw.

[Wordt straks vervolgd]

#Adamclisi #Bessers #Claudius #Dacië #Domitianus #Geten #Karanovo #MarcusAntonius #MaximinusThrax #MithridatesVIEupator #Moesia #Nesebar #NikopolisAanDeDonau #Novae #Octavianus #Odrysen #Perinthos #RhoemetalcesIII #Serdica #Sofia #Spartacus #Thracië #Trajanus #Triballiërs #ViaDiagonalis #ViaEgnatia #VIIIAugusta

Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)

Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.

Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. We hadden ook kunnen uitwijken naar de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?

Dilemma: ik wilde als spreker de organisatoren en de gastheer niet afvallen, maar de te bescheiden presentatie was inderdaad wat vreemd. Ik heb voor dit dilemma geen echt bevredigende oplossing gevonden en uiteindelijk mijn praatje maar ingeleid door te zeggen dat er menselijke en begrijpelijke factoren in het spel waren, dat het iets was om te bespreken bij een andere gelegenheid, en dat wij het er verder bij de borrel maar niet over moesten hebben. Het leidt immers tot niets, behalve een nare afdronk.

Synthese

Het boek van Robert Nouwen, Rome en de Lage Landen is, zoals gezegd, de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw: namelijk sinds De Romeinen in Nederland van Wim van Es. Dat beleefde drie drukken tussen 1972 en 1980. En nu is er een opvolger. Ik mag bij lezingen de luisteraars graag wat prikkelen met ironie of overdrijving, maar niet nu: dit boek is belangrijk.

Elke wetenschap heeft overzichtswerken nodig, de zogeheten syntheses. Het zijn de boeken waarin je de hoofdlijnen kunt naslaan. Waaruit bestond in de Romeinse Lage Landen het takenpakket van een procurator? Welk legioen lag in Nijmegen? Hoe mobiel waren kooplieden uit Tongeren? Syntheses zijn noodzakelijk omdat niemand het totale overzicht heeft.

Sterker nog: doordat het databestand almaar groeit, hebben we steeds minder overzicht. Tot 2010 viel de wetenschappelijke productie over Romeins Nederland uit te drukken in meters papier, namelijk vijfentwintig meter sinds 2000. In deze tijd van PDFs lukt zelfs zo’n vergelijking niet. We verdrinken in de data (en desondanks is dat te weinig). Het meest in het oog springend zijn de archeologische vondsten. Er zijn ook inscripties bij gekomen en historiografische teksten, zoals de Dexippus Vindobonensis. Niemand kan het nog overzien.

En dat was maar één aspect van het oudheidkundig bedrijf. Deze dataverwerving is immers geen wetenschap. Het is slechts een voorwaarde voor wetenschap. Het eigenlijke werk is de interpretatie van die data, en interpretaties veranderen in de loop der jaren.

Om het nog onoverzichtelijker te maken, verschijnt een deel van de relevante wetenschappelijke literatuur niet in het Nederlands of Engels. Daarom is de door Italiaanse classici geïdentificeerde inscriptie over het bezoek van keizer Domitianus aan Nijmegen, waar archeologen al eerder een opvallende piek in het circulerende kleingeld vaststelden, in Nederland lang onbekend gebleven.

Institutioneel gescheiden oudheidkundes

En nu ik de classici noemde: dat zijn geen archeologen. En omgekeerd zijn archeologen geen classici. Sinds in de jaren ’80 de onderzoeksscholen Archon en Oikos zijn opgericht, zijn de twee oudheidkundige bloedgroepen verder uit elkaar gedreven. En zolang ik aan een hoogleraar archeologie moet uitleggen wat een klankwet is, is interdisciplinariteit een wassen neus.

Er bestaan momenteel twee institutioneel gescheiden oudheidkundes. Regelmatig baseren archeologen de interpretatie van mooie vondsten op inzichten die volgens oudhistorici verouderd zijn. Omgekeerd herhalen classici denkbeelden die door anderen zijn weerlegd. Ik heb ooit in een boze bui geschreven dat de meeste misinformatie wordt verspreid door wetenschappers die uitspraken doen buiten hun specialisme, en was verbaasd toen De Volkskrant me erop wees dat dit inmiddels Lendering’s Law heet.

Nouwen als syntheticus

De kiesheid schrijft nu bescheidenheid voor, maar het is belangrijk te benadrukken dat de diverse oudheidkundige bloedgroepen onvoldoende weten van elkaar. Vandaar het belang van syntheses. En met de verschijning van Rome en de Lage Landen hebben we die dus voor het eerst sinds van Van Es. U kunt tegenwerpen dat er in de tussentijd wel degelijk overzichtswerken zijn verschenen,noot Ik denk aan Romeins Nederland van Van Dockum & Van Ginkel (1993), aan mijn eigen boeken De randen van de aarde (1999) en Edge of Empire, en aan Wee de overwonnenen van Alexander van de Bunt (2020). maar dat waren slechts geactualiseerde samenvattingen van Van Es. Lapwerk.

Rome en de Lage Landen is dus een belangrijk boek omdat het volledig is en actueel. Het is bovendien een goed boek omdat Nouwen én het materiële én het geschreven bewijs overziet. Bovendien overziet hij het Franse taalgebied: in Nederland een verdwijnende vaardigheid.

Als dit alles was, hadden we voldoende reden voor een toost. Maar dit is niet alles.

[Wordt vervolgd]

#boek #Domitianus #GalliaBelgica #GermaniaInferior #Nijmegen #RobertNouwen #synthese #WimVanEs

Vragen rond de jaarwisseling (1)

Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

Fresco van een duiker (Paestum)

Is de beroemde schildering van de duiker uit Paestum, gemaakt rond 475 v.Chr., Grieks, Etruskisch of Graeco-Etruskisch?

Je kunt zeggen dat een scheppend kunstenaar autonoom is en uit de diverse tradities neemt wat hij nodig heeft, maar dat roept de vraag op welke tradities dat zijn. En of we die tradities eigenlijk wel kennen, want we kennen uit de Griekse wereld weinig dat hier op lijkt. Ik legde de vraag voor aan Ruurd Halbertsma, die voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie maakte over Paestum. Hij schreef:

De bekende ‘Tombe van de duiker’ blijft een Fremdkörper in de archeologie van Zuid-Italië. Het is tot nog toe de enige gedecoreerde graftombe uit de Griekse periode van Poseidonia/Paestum die we kennen. De twee lange wanden tonen vier ligbedden (klinai), waarop zes symposiasten zijn neergevleid, bezig met muziek, zang en liefkozingen. Een van de korte zijden laat de aankomst (of vertrek?) van de twee andere gasten zien, op de andere korte zijde is een jongen bezig met het uitschenken van de wijn. Op het deksel van de tombe is een naakte jongen afgebeeld, die vanaf een soort duiktoren een duik neemt in het water. Over de interpretatie is al veel inkt gevloeid. Het meest plausibel lijkt mij dat hier de geneugten van de jeugd worden gevierd. De duik als symbool van de overgang van leven naar dood wordt in de literatuur ook vaak genoemd, maar wordt op geen enkele manier gesteund door bijvoorbeeld literaire parallellen met een dergelijke beeldspraak als inhoud.

De beste parallel voor de afbeelding is te vinden in de necropool van Tarquinia, in de Tombe van de Jacht en Visserij, ca. 520-510 v.Chr. Tussen al het jagen en vissen duikt een jongen vanaf een rotspunt de zee in, ook in de Etruskische wandschilderkunst een unicum. Nu hadden de Grieken uit Poseidonia wel contacten met de Etrusken, maar dat waren de Campaanse Etrusken, die aan de overkant van de rivier de Sele woonden. Hun hoofdstad, die onder het huidige Pontecagnano ligt, werd door de Romeinen in de Derde Samnitische Oorlog verwoest. Of het beeld/imago van de duiker in Poseidonia beïnvloed is door een kunstuiting helemaal ten noorden van de Tiber lijkt mij onwaarschijnlijk. Er werd door Grieken én door Etrusken voor het plezier gezwommen en gedoken, zoals jongetjes rondom de Middellandse Zee dat nog steeds doen, zoveel is zeker. En dat plezier zien we terug in de graven, naast de jacht, de muziek, de zang, de wijn en de seks. Kortom, laten we de ‘Tombe van de duiker’ maar gewoon Grieks blijven noemen!

De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

Waren er overeenkomsten tussen Tamuda (in Marokko) als grensgebied en de limesstreek in Nederland?

Zoals zo vaak is het drievoudige antwoord: “ja” en “nee” en “we weten het niet”. Ja, want alle grensgebieden kennen dezelfde problematiek:

  • je moet niet ten onrechte welwillende bezoekers buitensluiten
  • je moet niet ten onrechte vijandelijke bezoekers toelaten.

Voor de Romeinse wereld geldt hierbij als bijzonderheid seizoenmigratie en nomadisme, thema’s die voor de Nederlandse limes wat onderschat en voor de Maghreb wat overschat lijken te zijn. Tot zo ver het “ja”.

Nee, want de limes langs de Rijn is langs een grote transportader door het vruchtbare vlakke land, terwijl in de Maghreb de vruchtbare gebieden in het voorland liggen, en er bergen zijn.

Tot slot “we weten het niet”. We weten niet of de Romeinen één visie hadden op strategie, die aan alle grenzen dezelfde was, of dat de rijksverdediging steeds werd aangepast aan de omstandigheden. Voor zover ik weet zijn er argumenten voor beide standpunten.

Codex Justinianus met Accursische glossen en in miniletters aanvullend commentaar (Limburgs Museum, Venlo)

In de Oudheid waren er allerlei, meest ongeschreven rechtssystemen in ons land. Later zijn stedelijk, gewestelijk en nationaal recht ontstaan. Sinds wanneer is er sprake van nationale rechtssystemen en lijkt de ontwikkeling in ons land op die in bijvoorbeeld Duitsland?

Voor zover mij bekend bestonden in het Romeinse Rijk inderdaad vooral ongeschreven rechtssystemen met daarnaast een geschreven traditie, waarvan we niet weten in welke mate die ook het leven reguleerde van gewone Bataven of Nerviërs. Dat geschreven rechtsstelsel is gecodificeerd in Beiroet en later, ten tijde van Justinianus, nog een tweede keer in Constantinopel. Deze Byzantijnse codificatie is rond 1200 in West-Europa ingevoerd en zou, samen met de standaardglossen van Accorso di Bagnolo de standaard zijn voor voor de nationale rechtssystemen.

Let wel: rond 1200 waren er nog geen nationale staten.noot Ik vertik het om dat nieuwe anglicisme “natie-staat” te gebruiken. In de zestiende eeuw streefden de overheden naar eenheid (bijv. de Pragmatieke Sanctie van 1549), maar het verzet van de gewesten tegen deze centralisatiepolitiek was fel. Ik denk dat we in West-Europa pas kunnen spreken van nationale rechtssystemen vanaf pakweg 1800.

Nederland en België waren rond 1830 wel zo’n beetje klaar, maar Duitsland werd pas in 1870 een eenheid, en ik meen te weten dat er pas in 1900 één rechtsstelsel was. In elk geval kon je in het Duitse Rijk tot 1899 een vonnis vragen volgens Romeinse regels.

Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

Wat weten we eigenlijk over Germaanse en Frankische naamgeving voor personen?

Daarover blogde ik hier. (De vragensteller had vervolgvragen die ik niet zo 1-2-3 kan beantwoorden, sorry.)

Allegorie op de wetenschap (Berliijn)

Waarom bestuderen we de Oudheid? … Waarom heb jij voor de Oudheid gekozen?

Waarom ik dit vak heb gekozen? Stom toeval. Ik had het verkeerde vakkenpakket om nog tropenarts te worden, en toen ik eenmaal was verlost van de militaire dienst, was de inschrijving voor Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam al gesloten. Die van Geschiedenis aan de Vrije Universiteit was nog open.

Waartoe dient de wetenschappelijke bestudering? Eén reden is dat dingen in de Oudheid zijn ontstaan die nog steeds het geval zijn, zoals het idee dat je niet én joods én christelijk kunt zijn, en maximaal één godsdienst kunt hebben: dat gaat terug op de implementatie van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. Als je eenmaal weet dat iets onder specifieke omstandigheden is ontstaan, kun je je er ook van distantiëren. Het staat u vrij tegelijk moslim en katholiek te zijn, daar gaat Domitianus niet langer over. In die zin is oudheidkunde een bevrijdend, emancipatoir vak.

Veel van die “ontstaan-claims” zijn overigens niet sociaalwetenschappelijk en overtuigend te bewijzen. En bovendien is het ontstaan van iets minder belangrijk dan het hedendaagse functioneren. Dus dit is geen heel sterke rechtvaardiging van de bestudering van het tijdperk.

Een tweede, hiermee verwante rechtvaardiging is dat we zo nu en dan antieke ideeën kunnen reconstrueren en spiegelen met de onze. Wat een Aristoteles beweerde over vrouwen, zou in onze tijd ondenkbaar zijn, en roept de vraag op waarom wij zo anders denken.

En dan is er nog het aspect waarop Rens Bod zo vaak attendeert: de modellen waarmee geesteswetenschappers hun onderzoek doen, beschrijven de werkelijkheid niet alleen maar vormen die ook. Ze hebben zélf agency. Ik adviseer iedereen om De vergeten wetenschappen te lezen. Oudheidkundig voorbeeld: de reconstructie van de Indo-Europese taalfamilie schiep het nationalisme in een voor ons herkenbare vorm.

Tot zover de officiële redenen, waarmee de subsidiëring valt te rechtvaardigen. De voornaamste reden is echter een andere: het contact met het verleden is gewoon leuk. Net zoals het bijwonen van het North Sea Jazz festival, een vakantie in Limburg, een bezoek aan Museum Arnhem of het lezen van een roman, behoeft een liefde voor de Oudheid voor het niet-gesubsidieerde deel der mensheid geen rechtvaardiging.

[Morgen meer]

PS

Ik deel altijd petities als oudheidkundige instellingen worden bedreigd, wat zo elke twee à drie maanden gebeurt. Soms pakt het gelukkig goed uit: de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft aardwetenschappen (met een belangrijk isotopenlaboratorium) niet beëindigd.

#AccorsoDiBagnolo #agency #DerdeSamnitischeOorlog #Domitianus #FiscusJudaicus #Lucaniërs #nomadisme #Paestum #Redbad #RensBod #RomeinsRecht #schilderkunst #seizoensmigratie #speelfilm #Tamuda #vragenRondDeJaarwisseling

Het scheiden der wegen

Schema van het scheiden der wegen (klik=groot)

Het is niet voor het eerst dat ik schrijf over het scheiden van de wegen van joden en christenen. Voor negentiende-eeuwse christenen was dat simpel: er was een Oud Verbond en omdat de joden Jezus van Nazaret niet hadden erkend als messias, was er een Nieuw Verbond, waarin de joden als verbondsvolk waren vervangen door de christenen. En voor joden was het ook al simpel: christendom was monotheïsme voor de export, maar niet het onversneden echte spul. Beide groepen – de negentiende-eeuwse christenen en de negentiende-eeuwse joden – claimden het tempeljodendom als hun eigen erfgoed en meenden dat de andere religie zich van de rechte leer had afgesplitst.

De geschiedenis van het christendom werd lange tijd eigenlijk even simpel voorgesteld. Ooit was er een zuivere kerk geweest, waar links en rechts aftakkingen van waren, met één orthodoxe stroming die in een rechte lijn vanaf de apostelen ging naar het eigen kerkgenootschap.

Al in de negentiende eeuw stond vast dat het complexer was. De Dode Zee-rollen en de publicatie van vroegchristelijke bronnen hebben dat bevestigd. Ik verzorg over deze materie weleens een cursus, en onlangs maakte ik daarbij het schema dat u hierboven ziet. Het is in deze vorm gemaakt door Kees Huijser, die wel vaker het grafische werk voor deze blog verzorgt. Ik beweer niet dat dit overzicht correct is; er is geen verband of lijn die niet ook anders kan zijn; maar het schema helpt om de stof te ordenen.

Pluriform jodendom

Helemaal links ziet u de situatie rond het jaar 150 v.Chr. In zijn Joodse Oorlog en Joodse Oudheden gebruikt de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus ongeveer dit moment om de stromingen te introduceren die volgens hem het normale jodendom vertegenwoordigen: de farizeeën, de sadduceeën en de essenen.

Het is plausibel dat deze drie stromingen ontstonden door het conflict dat ligt besloten in de Dode Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT, “Enige werken der Wet”. Volgens een mogelijke interpretatie richtte de auteur zich tot hogepriester Jonathan, om hem te waarschuwen voor de eerste farizeeën (“Belialsoverleg”) en te brengen tot de juiste, vroeg-sadducese opvattingen. Toen de hogepriester niet akkoord ging, splitste de groep rond de auteur van deze brief zich van de sadduceeën af en vormde de groep van de essenen. Althans, dat is een mogelijk scenario, dat is gebaseerd op de aanname dat de Dode Zee-rollen door de essenen zijn geschreven. Dat is maar de vraag.

Als deze aanname correct is, zijn er ook meerdere esseense groepen geweest; de Dode Zee-rollen documenteren verschillen in opvatting en verschillende woonplaatsen. Ook de farizeeën waren verdeeld; vanaf het begin van de jaartelling waren er twee hoofdstromingen. De sicariërs, waarvan nogal eens wordt genegeerd dat ze ook niet-joodse leden hadden, waren overigens een farizese afsplitsing. De meeste joodse stromingen overleefde de ondergang van Jeruzalem in 70 niet.

Het scheiden der wegen

De Jezusbeweging kende ook twee takken, waarvan de joodse tak is vertegenwoordigd in de Didache (al zijn er andere interpretaties) en de niet-joodse in de brieven van Paulus en de evangeliën. Die zijn geschreven rond 70 (Marcus) en in de generatie er na. Er zijn geleerden die het evangelie van Johannes dan weer heel vroeg plaatsen en beweren dat dat “een game-changer” is, maar ik geloof er helemaal niks van. Ik noem het echter om nog eens te benadrukken dat het schema ook maar een vereenvoudiging is, ja een oververeenvoudiging.

Meer oververeenvoudiging: Jochanan ben Zakkai organiseerde het rabbinaat en baseerde zich daarbij op een van de twee farizese stromingen. Helemaal onwaar is het niet, maar het rabbijnse jodendom dat zo kwam te ontstaan, heeft bredere wortels dan alleen het farizeïsme. De optekening van de Mishna, een verzameling rabbijnse wijsheid, toont dat joods leven mogelijk is in een samenleving die niet joods is. Er zijn geen Joodse machthebbers, met andere woorden – een gevolg van de opstand van Bar Kochba. Na 136 na Chr. moest men achttien eeuwen wachten voor een nieuwe Joodse staat in het land van Israël.

Die Bar Kochba-opstand had een einde gemaakt aan de joodse christenen. Althans, daarvoor zijn aanwijzingen. Het is weer niet zo zeker allemaal. Wat wél zeker is, is dat op dat moment de rabbijnse joden en de christenen al uit elkaar aan het gaan waren. De door de Romeinse keizer Domitianus met ongebruikelijke hardheid geïnde belasting die bekendstaat als Fiscus Judaicus speelde daarbij een belangrijke rol, maar er waren meer factoren, waarover discussie bestaat.

Pluriform christendom

De andere, niet-joodse christenen waren verdeeld over allerlei oriëntaties en ideeën, die ik in dit schema achterwege heb gelaten. Egypte was een fabriek aan nieuwe opvattingen. In de tweede helft van de tweede eeuw organiseerde Eirenaios van Lyon het nieuwe geloof, en zijn opvattingen staan aan het begin van de proto-orthodoxie.

Er zijn op dat moment andere opvattingen. Montanisme, die het martelaarschap verheerlijken; gnostici, met een complexe mythe en eigen teksten, bekend uit Nag Hammadi. En er zijn nog meer opvattingen, die we niet altijd even goed kennen. De meeste mensen die Christus vereerden, deden dat in combinatie met de oude goden, en de scheiding van het langzaam groeiende rabbijnse jodendom was ook niet scherp. Over deze ideeën zijn we slecht geïnformeerd omdat latere, orthodoxe kopiisten dit materiaal zelden kopieerden. Soms, zoals in een hymne waarin Christus aan Apollo wordt gelijkgesteld, schemert er iets door.

De keuze van Constantijn

De bekering van Constantijn betekende dat het exclusivistische christendom (dat stelde dat als je Jezus vereerde, je hem als enige godheid aanvaardde en dus niet, zoals in de Oudheid gewoon was, de nieuwe god combineerde met de verering van de andere goden) de wind in de zeilen kreeg. Iets preciezer: binnen dit exclusivistische christendom steunde hij de proto-orthodoxe groep. Met het Concilie van Nikaia, dit jaar zeventien eeuwen geleden, werd dit de staatskerk van het Romeinse Rijk.

Was de proto-orthodoxie de belangrijkste groep binnen het derde-eeuwse christendom, en was Constantijns specifieke keuze daarom voorspelbaar? Of was de proto-orthodoxie een van de vele christelijke oriëntaties, en was zijn keuze persoonlijk? Ik voor mij denk het laatste, maar er zijn geleerdere mensen die denken dat het proto-orthodoxe christendom dominant was, en sommigen denken dat die dominantie begon met Eirenaios, anderen denken dat het al eerder het geval was.

Wat ik maar zeggen wil: dit schema is handig voor onderwijsdoelen, en wat mij betreft mag iedereen het gebruiken. Als je er maar bij zegt dat elk aspect discutabel is.

#4qmmt #constantijnDeGrote #didache #dodeZeeRollen #domitianus #eersteConcilieVanNikaia #eirenaiosVanLyon #essenen #exclusivistischeChristenen #farizeeen #fiscusJudaicus #flaviusJosephus #gnosis #jezusVanNazaret #jochananBenZakkai #jonathanDeMakkabeeer #messias #mishna #montanisme #nagHammadi #nietExclusivistischeChristenen #sadduceeen #scheidenDerWegen #sicariers

De Palatijn

De Domus Augustana op de Palatijn

Ik heb me zelden in mijn leven zó in mijn oudheidkundige waanwijsheid betrapt gevoeld als op een grijze decemberdag, nu een jaar of twintig geleden, in Rome. Ik was met twee studenten op het Forum Romanum en we wandelden naar de Palatijn, de heuvel waar ooit de keizerlijke paleizen stonden en waar Romulus de stad zou hebben gesticht. Uiteraard moest ik alles uitleggen en stond ik al in de doceerstand toen een van de studenten (de Lauren van Zoonen die hier ook weleens leuke blogs schrijft) zei dat dit toch wel een magische plek was.

Bam. Dat was ik even vergeten. Maar Rome is natuurlijk niet slechts een plaats waar allerlei oudheidkundig interessants is te zien. Het is ook een plek die je moet ervaren. Er is niets mis met Ruinenlust. Zeker op de Palatijn, waar de overblijfselen van de oude gebouwen zijn opgenomen in een prachtig park, dat zelfs op een grijze decemberdag magisch is.

De IJzertijd

Niet dat er vanuit de doceerstand niets over de Palatijn te vertellen valt. Volgens de Romeinse traditie was de heuvel al in de oudste tijden bewoond. In de keizertijd wees men de vermeende hut van Romulus nog altijd aan. Archeologen hebben inderdaad de resten van eenvoudige boerderijen – geen herdershutten – gevonden. Dat bevestigt overigens niet de traditie dat Rome is gesticht op de Palatijn, want soortgelijke boerderijen stonden ook op andere heuveltoppen.

Maquette van een IJzertijddorpje op de Palatijn (Antiquarium v/d Palatijn, Rome)

In elk geval lag in de IJzertijd een kleine nederzetting op het westelijk deel van de Palatijn, de zogeheten Germalus. Of de heuvel destijds al was omgeven door een muur met drie poorten, zoals de antieke auteurs en Italiaanse archeologen beweren, valt niet uit te maken. Feit is wel dat de Palatijnse nederzetting ook zonder omwalling nagenoeg onneembaar was, aangezien de heuvel aan vrijwel alle zijden was omgeven door diepe, drassige dalen. Pas in de vroege zesde eeuw v.Chr. zou een begin worden gemaakt met de drainage.

Republiek

In voorindustriële samenlevingen, zo vervolgt uw docent, waren de hygiënische omstandigheden slecht. Rijke stedelingen vestigden zich het liefst op heuveltoppen, omdat ze daar minder last hadden van de stank van afval en uitwerpselen. Zo ook in Rome.

Huis van Augustus

Uit geschreven bronnen is bekend dat in de republikeinse periode op de Palatijn vooraanstaande Romeinse politici woonden, op loopafstand van het Senaatsgebouw. Hun huizen moeten groot zijn geweest, maar vooralsnog ontbreken archeologische sporen van vóór 90 v.Chr. Uit de daaropvolgende tijd stammen het Huis van Livia (Augustus’ echtgenote) en het Huis van de Griffioenen. Archeologen hebben ook tempels uit de republikeinse periode geïdentificeerd, zoals die van Victoria en Kybele.

Paleisbouw

Keizer Augustus was de eerste die hier grootschalig bouwde, maar een echt paleis was zijn woning op de Germalus niet. Dan zou het immers lijken alsof hij koning was, en dat was uit den boze. Al ten tijde van Tiberius (r.14-37) bleek het Huis van Augustus echter te klein voor alle representatieve functies. Het werd daarom uitgebreid, maar het 150 bij 120 meter grote complex dat tegenwoordig bekendstaat als Domus Tiberiana en waarvan de ruïnes liggen onder de lieflijke Farnesetuinen, is jonger.

Maquette van de Palatijn (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Keizer Caligula (r.37-41) verbond de huizen van Augustus, Livia en Tiberius met het Forum en gebruikte, volgens een archeologische bevestigde anekdote, de tempel van Castor en Pollux als entree. Daarna bouwde Nero eerst de Domus Transitoria, een verzameling gebouwen die de diverse paleisachtige constructies moest verbinden. Na de beruchte brand van Rome werden alle gebouwen geïntegreerd in het Gouden Huis. De Domus Tiberiana maakte hier deel van uit.

De diverse bouwfasen zijn door archeologen geïdentificeerd, en uw docent wil er best wel over praten, maar veel is nog onduidelijk. Alle gebouwen zijn namelijk aan het eind van de eerste eeuw na Chr. weer geïntegreerd in de paleizen die architect Rabirius ontwierp voor keizer Domitianus (r.81-96): de representatieve Domus Flavia en de residentiële Domus Augustana. (De namen zijn bedacht door moderne geleerden.) Deze residentie werd voltooid in 92. Met een oppervlak van ruim een vierkante kilometer domineren deze gebouwen – of beter: de ruïnes ervan – de heuvel tot op de huidige dag.

Reconstructie van Domitianus’ troonzaal in Rome

Magische plek

In de tweede eeuw liet keizer Hadrianus (r.117-138) op verschillende plaatsen werkzaamheden uitvoeren, en een ruime halve eeuw later begonnen de Severische keizers weer nieuwe gebouwen toe te voegen. Keizer Septimius Severus (r.193-211) bouwde in de zuidhoek onder meer een badhuis en het zogeheten Septizodium. Dat was een sierlijke muur die vooral diende om de lelijke onderbouw van het badhuis aan het zicht te onttrekken voor wie over de Via Appia de stad binnen kwam.

Wat bomen geven aan waar het Septizodium stond

Keizer Heliogabalus – over hem binnenkort meer op deze blog – sierde de heuvel met een tempel voor zijn god, de Syrische Elagabal. De volgende keizer, Severus Alexander (r.222-235), wilde een imposante toegang toevoegen in de buurt van het Septizodium, maar de voortekens waren steeds ongunstig, zodat het project nooit werd voltooid. Daarmee kwam een einde aan de keizerlijke bouwactiviteit op de Palatijn. De keizers waren steeds minder vaak in Rome. Zeker na de Crisis van de Derde Eeuw dienden andere steden als residentie.

Maar het was een magische plek, met belangrijke tempels, met Domitianus’ goed gebouwde paleis, en met herinneringen aan het oudste Rome en Romes eerste keizer. In de vijfde eeuw keerden de keizers terug en waren er reparaties. Ook Theodorik, die rond 500 regeerde over Italië, liet de gebouwen opknappen. Een magische plek dus, waarvan de naam voortleeft in ons woord “paleis”.

#Augustus #Caligula #Domitianus #DomusAugustana #DomusAurea #DomusFlavia #DomusTiberiana #DomusTransitoria #Germalus #GoudenHuis #Hadrianus #Heliogabalus #Kybele #LaurenVanZoonen #Livia #Nero #Palatijn #Rabirius #Rome #Romulus #Ruinenlust #SeptimiusSeverus #Septizodium #SeverusAlexander #TheodorikDeGrote #Tiberius #Victoria

Publius Annius Florus

Portret van een tijdgenoot van Hadrianus (Archeologisch museum, Zadar)

Al een paar keer heb ik op deze blog de Romeinse schrijver Publius Annius Florus genoemd, die zeker niet verbleef op de toppen der Parnassos, maar waaraan best een blogje te wijden valt. Florus weet namelijk wel hoe hij een verhaal moet vertellen en is bovendien een vertegenwoordig van wat weleens wordt aangeduid als het Zilveren Latijn. Die naam verraadt een oud waardeoordeel, namelijk dat het Latijn van de eerste eeuw v.Chr. het allerbeste was geweest. Toen stond er voor redenaars echt iets op het spel, en dat maakte het Latijn van auteurs als Cicero zo briljant. Daarna was de retorica in verval geraakt, en zouden geschiedschrijvers hielenlikkers zijn geweest. Nog steeds aardig Latijn, luidde het vooroordeel, maar geen Cicero.

Het vooroordeel is allang weerlegd. Ook een feestrede kan immers een literair hoogtepunt zijn. Los daarvan: geen taalkundige zal zeggen dat het taalgebruik van de ene eeuw beter is dan het andere. Desondanks blijven de zilveren schrijvers (zeker in het onderwijs) wat onderbelicht, hoewel het project van Plinius de Oudere, die feitelijk de wetenschap op de Grieken veroverde, een enorme ambitie verraadt, hoewel een Tacitus echt wel iets te melden heeft, en hoewel je nog altijd kunt lachen om dichters als Juvenalis en Martialis.

En toch. Zelfs als we het zilver opwaarderen, behoort Florus niet tot de top. Hij lijkt tussen pakweg 70 en pakweg 140 geleefd te hebben en publiceerde tijdens het bewind van keizer Hadrianus (r.117-138) een geschiedkundig overzichtswerkje en nog wat andere teksten. Het is overgeleverd onder verschillende namen: Florus, Annius Florus, Publius Annius Florus en Lucius Anneus Florus. Classici zijn het er echter over eens dat het gaat om dezelfde schrijver.

Biografie

In de Late Oudheid noteerde Virgilius van Toulouse wat biografische informatie over Florus. Die zou ten tijde van keizer Domitianus uit Africa naar Rome zijn gekomen om deel te nemen aan een poëziewedstrijd. Hoewel zijn voordracht kon rekenen op grote publieke bijval, won hij niet de eerste prijs. Zijn naam was echter gevestigd en hij werd een gevierd sofist: een concertredenaar die het publiek vermaakte met mooie, geïmproviseerde redevoeringen.

Na een rondreis door de Griekse wereld keerde hij terug naar Rome en reisde hij verder naar Gallië, wat suggereert dat hij geen patroon had kunnen vinden in de hoofdstad. Uiteindelijk vestigde hij zich in Tarragona, waar hij een school stichtte. Hij hield van de stad, schreef hij, waar de mensen eerlijk waren en het klimaat aangenaam. Hier schreef hij een dialoog over de vraag of de beroemde Vergilius moest worden beschouwd als een redenaar of als een dichter. Deze tekst is overgeleverd op zijn eigen naam, Publius Annius Florus.

Enkele jaren later, toen de Spaanse keizer Trajanus aan de macht was gekomen, keerde hij terug naar Rome, waar iedereen zijn gedichten bleek te kennen. Hier verbleef Florus nog steeds toen Hadrianus in 117 aan de macht kwam. Hij raakte bevriend met deze eveneens Spaanse keizer en het is interessant dat een familie genaamd Annius Verus in deze tijd een belangrijke rol speelde in het keizerlijk bestuur. Waren dat verwanten van Florus?

Zijn vriendschap met de vorst wordt geïllustreerd door een (beschadigd overgeleverd) puntdicht, waarin hij zich bewonderend uitliet over Hadrianus’ reislust, die hem voerde naar de onaangename landen aan de rand van de aarde:

Ik wil echt geen Caesar zijn,
lopen door Britannië,
schuilen bij <…>
kou in Skythië doorstaan.

Waarop Hadrianus antwoordde:

Ik wil echt geen Florus zijn,
lopen door de rosse buurt,
schuilen bij de voedselbank,
muggen vet van bloed doorstaan.noot Historia Augusta, Hadrianus 16; vert. John Nagelkerken.

Overigens krijgen we hier een doorkijkje naar Hadrianus zelf, want dit gedichtje is overgeleverd in de Historia Augusta, die via de biografieëncollectie van Marius Maximus (vroege derde eeuw) teruggaat op Hadrianus’ autobiografie. Blijkbaar was Hadrianus heel erg ingenomen met de door hem geschreven parodie.

Epitome

Terug naar Florus zelf. Hij is vooral bekend om de Epitome van de Geschiedenis van Titus Livius. Die is slechts twee boekrollen lang, gericht op krijgsgeschiedenis en eenzijdig pro-Romeins. Florus benut de aristotelische metafoor van groei, bloei en verval: de heerschappij van de koningen was Romes zuigelingentijd, de verovering van Italië was Romes jeugd, en als mediterrane macht was Rome volwassen. De onvermijdelijke conclusie dat Rome, nu het een keizerrijk was, feitelijk in verval was geraakt, is onvermijdelijk. Florus spreekt van de inertia Caesarum, en je hoeft geen Latijn te studeren om dat te vertalen. Het roept de vraag op wie de tekst hebben gelezen, want dit was geen compliment aan Hadrianus, die afzag van expansie.

Dit pessimisme is interessant, maar er is nog een reden om Florus, zelfs al vertelt hij eigenlijk alleen maar na wat Livius vóór hem had geschreven, niet te negeren: hij gaat verder waar Livius ophoudt. Diens geschiedwerk eindigde rond het jaar 9 v.Chr., maar Florus’ Epitome vertelt ook over latere campagnes. We weten niet zeker welke bronnen hij daarvoor heeft gebruikt, maar een daarvan moet een vóór 41 gepubliceerde geschiedenis van de Germaanse Oorlogen zijn geweest. Hij vertelt namelijk dat een van de drie tijdens de Slag in het Teutoburgerwoud verloren veldtekens nog steeds niet was teruggevonden, terwijl die standaard in 41 was heroverd bij de Chauken. De vergissing bewijst overigens dat Florus zelf niet veel wist over het verleden, want anders zou hij wel hebben geweten dat het veldteken weer in Romeinse handen was.

De Epitome is dus geen historiografisch hoogtepunt, maar desondanks een nuttige tekst, die ons enerzijds een idee geeft van de verloren delen van Livius’ Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad en ons anderzijds informeert over enkele gebeurtenissen uit de eerste eeuw na Chr. En Florus vertelt vlot. Daarom is de Epitome tot in de negentiende eeuw gebruikt als schoolboek, wat welbeschouwd een eerbetoon is aan Florus’ vertelkwaliteiten.

#antiekeGeschiedschrijving #Domitianus #Hadrianus #HistoriaAugusta #MariusMaximus #PubliusAnniusFlorus #PubliusVergiliusMaro #Trajanus #VirgiliusVanToulouse

Domitianus in Leiden (2)

Domitianus als farao

[Tweede deel van een stuk over de Domitianusexpositie in het Rijksmuseum van Oudheden. Het begin was hier.]

Van de vijfentwintig bruikleengevers aan de Domitianusexpositie zijn er tien Italiaans en ik vermoed dat die samen twee derde van de voorwerpen leveren. Er zijn ook veel stukken waarvoor je anders naar het Getty-museum in Malibu moet reizen. De tentoonstelling legt een zekere nadruk op de toenmalige sculptuur, waar heel verrassende keuzes bij zijn. Uit Benevento komt het portret van Domitianus als farao. Voor het eerst zag ik vondsten bij elkaar uit Castel Gandolfo, waar een keizerlijke villa was, en mede door een artikel in het PALMA-boek realiseerde ik me dat dit landgoed reconstrueerbaar was.

De koe van Myron

Nog een verrassende keuze: de “koe van Myron” uit de Tempel de Vrede. Dat was een soort park, niet ver van het Forum Romanum en het Forum van Augustus, waar keizer Vespasianus kunstvoorwerpen had opgesteld. Daaronder was dus een beroemd standbeeld van een koe, gemaakt door de Griekse kunstenaar Myron. In Leiden is niet alleen een replica te zien, maar ook zijn er munten met afbeeldingen. Ik probeer me voor te stellen of Nederland ooit euro’s zal slaan met de Vaandeldrager van Rembrandt erop.

Er is een complete zaal met dameskapsels, vergelijkbaar met de coiffure à la Belle Poule. Ik beken dat ik wat sceptisch was, tot ik ergens las “de keizerin was een soort influencer”. Dat was natuurlijk waar.

Een dame met een prachtig kapsel

Bouwprojecten

Ik vertel weinig nieuws als ik zeg dat Domitianus grootse bouwprojecten ontwikkelde in Rome. In 64, in het Vierkeizerjaar en tijdens de regering van zijn oudere broer Titus waren er grote branden geweest en er was werk aan de winkel. Het Forum van Trajanus gaat feitelijk terug op een ontwerp uit de tijd van Domitianus en het Forum Transitorium, met de reliëfs van Domitianus’ favoriete godin Minerva, eveneens. De Piazza Navona heeft nog steeds de contouren van Domitianus’ stadion.

De gebogen wand van het ernaast gelegen Palazzo Massimo alle Colonne verraadt dat het staat op een odeon, waar ooit Griekse concertredenaars triomfen vierden, zodat “zelfs degenen kwamen luisteren die slechts de andere taal machtig waren”. Aan het woord was de Griekse auteur Filostratos, die een doorkijkje biedt naar het multiculturele literaire leven van die tijd. Een leven dat eigenlijk beter valt te typeren als monocultuur, nu dankzij de DNA-revolutie het trekken van grenzen tussen culturen volstrekt onmogelijk is geworden. Ik kom 4 januari in een van mijn stukjes op dit punt terug.

Het reliëf van de Haterii

Ik was blij het Haterii-reliëf te zien, waarop een trotse aannemersfamilie de projecten toont waaraan het gewerkt heeft. Dit reliëf staat in een afdeling van de Vaticaanse Musea die steeds gesloten is als ik er eens kan zijn. Dus ik was blij het nu eens te kunnen zien. Er is een mooie maquette van het Colosseum. Een enorme wandschildering geeft een idee van hoe Rome eruit zag.

Verrassingen

Zoals ik al zei: de Domitianusexpositie biedt veel verrassende voorwerpen. Ik was getroffen door een fonteinbeeldje van een kikker waarin twee gaten zaten, die ervoor zorgden dat het stromende water lucht aanzoog, waardoor luchtbelletjes ontstonden en de waterstraal even werd onderbroken, zodat het leek alsof het beeldje kwaakte. Even verderop was een bronzen beeldje van een zanger die wierookwolkjes uitblies.

En valse korenmaat

En dan was er een bronzen korenmaat die diende om het graan te meten waarmee belastingbetalers hun afdrachten deden. Het voorwerp toont dat Domitianus’ naam na zijn dood overal werd uitgewist. Minstens zo interessant is dat de maat niet klopt en de belastingbetalers teveel moesten afdragen. De overheid als knevelaar.

Vervolg

Ik kan nog wel even doorgaan, maar voor vanavond is het welletjes. U krijgt de komende weken nog minstens drie dozijn stukjes n.a.v. de Domitianusexpositie. Heel kort, maar toch.

Het museum zou u immers, als u de expositie had kunnen bezoeken, mooie en troostrijke dingen hebben getoond waarmee u deze enigszins troosteloze tijd wat makkelijk door had kunnen komen. Het mag niet zo zijn. Het zou echter jammer zijn u die mooie dingen niet alsnog te tonen. Dus u mag vanaf woensdagmiddag op deze blog nogal wat Leidse (en een paar andere) domitianana verwachten.

#Domitianus #Domitianusexpositie #ForumTransitorium #Haterii #RijksmuseumVanOudheden

Het Forum van Trajanus

het Forum van Trajanus (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

In het Drents Museum in Assen is momenteel een mooie expositie over het oude koninkrijk Dacië, zeg maar Roemenië. Rond het begin van onze jaartelling was dat een machtige staat, die het de Romeinen bij tijd en wijle knap lastig maakte, mede doordat de koning dankzij enkele goudmijnen altijd huurlingen kon aantrekken. Voor keizer Trajanus waren die goudmijnen voldoende reden om het gebied te annexeren. Er waren twee campagnes voor nodig, maar in 106 na Chr. was de oorlog voorbij.

Nu moest iedereen in Rome het ook nog zien, en dus zette de zegevierende keizer zijn krijgsgevangenen in om een nieuw forum aan te leggen: het Forum van Trajanus, met daarnaast de Markthallen van Trajanus. De architect was Apollodoros van Damascus, die eerder een beroemde brug over de Donau had gebouwd. Het complex, volgens onze bronnen een van de mooiste bouwwerken in Rome, was voltooid in 112. De combinatie van oorlogsvoering en bouwwerken illustreert vooral het door oudhistorici als fantasieloos getypeerde beleid van deze keizer.

De noordoostelijke exedra

Wie het Forum van Trajanus betrad vanuit het zuidoosten, waar het Forum van Augustus lag, zou op het enorme plein eerst het veertien meter hoge ruiterstandbeeld van de bouwer van het forum hebben gezien. Aan weerszijden van het plein lagen twee halfronde portico’s, de zogeheten exedra’s. Voorbij het plein verrees Romes grootste basiliek, met meteen daarachter een erezuil voor de keizer, geflankeerd door twee bibliotheken. We weten dat er een tempel is geweest, die lange tijd in het uiterste noordwesten werd gezocht, maar vermoedelijk is te identificeren met een niet al te grote ruimte bij de ingang. Tot slot lagen achter de noordoostelijke exedra de Markthallen. Als u deze beschrijving wat onduidelijk vond, is hier een illustratie.

Exedra’s

In de exedra’s werd onderwijs verzorgd. In de treden, zuilen en vloer was overvloedig gebruikgemaakt van Numidisch geel marmer, wat de bezoekers moest herinneren aan het Dacische goud. De bovenkant van de galerijen was versierd met beelden van barbaren, krijgsbuit, paarden en veldtekens. Ook waren hier portretten van overleden keizers en hun familieleden te zien, die waarschijnlijk afkomstig waren uit een deel van het Forum van Augustus dat was gesloopt om ruimte te maken voor dat van Trajanus.

De Basilica Ulpia (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Basiliek

Achter het plein lag de vijfschepige basiliek, de Basilica Ulpia, vernoemd naar Trajanus’ familie. Het gebouw strekte zicht uit over 176 meter en was een van de grootste constructies in Rome.

Blijkens munten had de basiliek aan de kant van het plein een centrale toegangspoort met daarboven een beeldengroep van de keizer in een vierspan, met aan weerszijden paardenknechten. Boven twee kleinere ingangen stonden tweespannen en op de hoeken waren kopieën te zien van de veldtekens van de legioenen die hadden deelgenomen aan de Dacische Oorlog. Vermoedelijk was aan deze zijde ook een twintig meter lang fries te zien dat voorstelde hoe de keizer te paard gezeten een aanval leidde. Dit reliëf is later verwijderd, in vieren gesplitst en verwerkt in de triomfboog van keizer Constantijn de Grote. Een reconstructie van het geheel is te zien in het Museo nazionale della civiltà romana.

Reconstructie van het Grote Trajanusreliëf (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Wie de basiliek door een zij-ingang binnenkwam, moet een ervaring hebben gehad die vergelijkbaar is met die bij het betreden van de moskee van Córdoba: in alle richtingen leken zuilen te staan. In het middenschip waren onderaan zuilen van Egyptisch grijs graniet (waarvan er nu nog tweeëntwintig overeind staan). Boven een reliëf van offerende overwinningsgodinnen was een tweede zuilengalerij, vervaardigd uit Karystisch groengeaderd marmer. Ditzelfde gesteente was ook gebruikt voor de pilaren tussen de zijschepen. Wat betreft het mozaïek op de vloer: daar lag de immer verrassende combinatie van groengeaderd, geel en paarsgeaderd marmer.

Juridische aangelegenheden

De basiliek bood onderdak aan juristen, die hier kwamen voor rechtszaken, onderwijs, vergaderingen en beraadslagingen. Ook werden hier wetten afgekondigd en vonden uitdelingen plaats. Over een andere toepassing lezen we in de Historia Augusta:

Omdat Marcus Aurelius voor de oorlog tegen de Germanen de schatkist had uitgeput en het niet over zijn hart kon verkrijgen de bewoners van de provincies een buitengewone heffing op te leggen, organiseerde hij op het Forum van de vergoddelijkte Trajanus een veiling van keizerlijke kostbaarheden. Hij verkocht bekers van goud, kristal en agaat, paleismeubilair, een gewaad van zijde en brokaat van zijn echtgenote en zelfs de juwelen die hij in grote getallen had aangetroffen in een gewijd kabinet van Hadrianus.noot Historia Augusta, Marcus Aurelius  17.4.

De zuidwestelijke zijde van de basiliek was de plaats waar slaven werden vrijgelaten. Ze kregen dan een vrijlatingsbrief, draaiden een pirouette en zetten een vilten muts op. Na dit ritueel moesten ze zichzelf zien te redden en was de meester bevrijd van zijn zorgplicht.

De markthallen van Trajanus

Markthallen

Ten noordoosten van de basiliek lagen de markthallen. Ze vormden het oudste deel van het complex, waarmee keizer Domitianus al een begin had gemaakt. De verschillende galerijen lagen op vijf niveaus tegen de zuidelijke helling van het Quirinaal. In totaal waren er zo’n honderdvijftig winkels. In die op de begane grond werden tuinbouwproducten verkocht. Olie- en wijnhandelaren waren gevestigd op de eerste verdieping.

Daarboven vond de verkoop plaats van peperdure specerijen uit het Verre Oosten. De straat op dit niveau – waar men tegenwoordig het complex betreedt – heette in de Middeleeuwen Via Biberatica (“Drankweg”), wat een verbastering moet zijn van Via Piperatica (“Peperweg”). Ook de overdekte winkelpassage op de derde verdieping was gewijd aan de specerijenhandel. Tot slot waren op het hoogste bouwniveau de kantoren gevestigd van de administratie van de voedseluitdelingen.

[wordt vervolgd]

#ApollodorosVanDamascus #ConstantijnDeGrote #Dacië #Domitianus #ForumVanTrajanus #Hadrianus #HistoriaAugusta #Italië #Keizerfora #MarcusAurelius #peper #Rome #Trajanus #triomfboogVanConstantijn #ZuilVanTrajanus

IIII Flavia Felix

De samenvloeiing van Donau en Sava, gezien vanaf de basis van IIII Flavia Felix (Belgrado)

Zoals ik vertelde in het vorige blogje, was IIII Macedonica uit Mainz in ongenade gevallen doordat het Rijnleger tijdens de Bataafse Opstand (69-70 na Chr.) opzichtig had gefaald. Keizer Vespasianus herformeerde het echter onder de naam IIII Flavia en stationeerde het in Burnum, het huidige Kistanje in Kroatië.

Hoewel veel soldaten vanuit het oude legioen naar het nieuwe zullen zijn overgeplaatst, waren er ook rekruten uit Noord-Italië en wellicht Zuid-Gallië. Gnaeus Julius Agricola (de toekomstige schoonvader van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus) hield toezicht op de feitelijke formering van het legioen. Omdat het insigne van de vernieuwde eenheid bestond uit het sterrenbeeld Leeuw, is het mogelijk dat het eind juli of begin augustus 70 officieel werd opgericht.

Burnum

De eerste basis was dus Burnum in de provincie Dalmatië. Daar verving IIII Flavia XI Claudia, dat naar het Rijnland was overgeplaatst. Stuivertje wisselen dus. De aanwezigheid van het Vierde blijkt uit een aantal inscripties en verschillende dakpannen en bakstenen. Onder de soldaten bevond zich Javolenus Priscus, een van de bekendste juristen tijdens de regering van keizer Trajanus.

Dakpanfragment van IIII Flavia Felix (Archeologisch Museum, Zadar)

In de eerste jaren van zijn bestaan ​​​​ ontving IIII Flavia de eretitel titel Felix, “gelukkig”. Het is denkbaar dat het deze titel al vanaf de oprichting droeg, maar het is waarschijnlijker dat het een overwinning herdacht, misschien op de Daciërs, die in de komende veertig jaar gevaarlijke vijanden waren. Ze woonden in het moderne Roemenië, ten noorden van de Donau.

De Dacische Oorlogen

De Daciërs vielen het Romeinse Rijk binnen in 86 na Chr., en versloegen de legioenen die Moesia moesten verdedigen. Keizer Domitianus reorganiseerde de grensverdediging en bereidde de regio voor op oorlog. De provincie Moesia werd in tweeën gesplitst, en IIII Flavia Felix moest Moesia Superior verdedigen, d.w.z. de westelijke helft van de zone langs Beneden-Donau. Daartoe werd het overgeplaatst naar Singidunum ofwel Belgrado, hoewel een kort verblijf in Viminacium (Kostolac in Servië) niet valt uit te sluiten. Resten van de legioenbasis in Belgrado zijn gevonden in het enorme fort Kalemegdan dat zich nog altijd verheft bij de samenvloeiing van Donau en Sava.

In 88 viel een grote Romeinse legergroep Dacië binnen. Generaal Tettius Julianus versloeg koning Decebalus bij Tapae; IIII Flavia Felix was een van de negen betrokken legioenen. Helaas verhinderde de opstand van de gouverneur van Germania Superior, Lucius Antonius Saturninus, blijvend succes (89 na Chr.).

In 98 gaf keizer Trajanus, net aangetrede, het legioen opdracht wegen aan te leggen in de regio ten noorden van de Donau, waar Tibiscum (het huidige Jupa) werd gesticht. Het doel was de beheersing van enkele kopermijnen, maar het betekende ook dat de IJzeren Poort voortaan van beide kanten door Romeinse troepen was beschermd.

Vier jaar later nam IIII Flavia Felix deel aan de Dacische campagne van Trajanus en was het korte tijd gestationeerd in de hoofdstad van de geannexeerde gebieden, Sarmizegetusa. (Het garnizoen bestond verder uit I Adiutrix en XIII Gemina.) Een onderafdeling bouwde een fort nabij Arad in het westen van Roemenië, waar het een oogje hield op de Sarmaten, een stam in het oosten van Hongarije die in 92 nog XXI Rapax had vernietigd. Dit fort beheerste ook de weg langs de rivier de Mures, die Dacië verbond met de Romeinse gebieden in Pannonië (West-Hongarije).

Belgrado

Trajanus’ opvolger Hadrianus stuurde het legioen terug naar Belgrado en gaf een deel van de veroveringen op, maar de Romeinse troepen bleven patrouilleren langs de Mures-weg. Een onderafdeling van IIII Flavia Felix was gestationeerd in Apulum (Alba Julia), beroemd om zijn goudmijnen.

Inscriptie van IIII Flavia Felix (Archeologisch Museum,
Sremska Mitrovica)

Het staat vast dat het legioen verschillende wegen in Moesia Superior heeft bewaakt. Een inscriptie vermeldt een politiepost in Naissus (het huidige Niš aan de Morava); een andere post was Ulpiana aan de Donau, waarvandaan een weg leidde naar Thessaloniki en de Egeïsche Zee, en een andere naar Scodra en de Adriatische Zee.

De tweede eeuw

Het gebeurde in de tweede en derde eeuw steeds vaker dat, als er ergens een crisis was, de keizer verschillende legioenen vroeg een onderafdeling te sturen. Die werden dan samengevoegd tot een nieuwe eenheid. Soldaten uit verschillende regio’s konden zo van elkaar leren, terwijl de grensverdediging nergens een storend groot gat kreeg. Tijdens het bewind van Antoninus Pius (r.138-161) was een onderafdeling van IIII Flavia Felix in Mauretanië om te vechten tegen de Mauri.

Het Vierde Flavische, Gelukkige Legioen speelde een belangrijke rol in de campagnes van keizer Marcus Aurelius (r.161-180) tegen de stammen aan de overzijde van de Midden-Donau. De oorlog verliep goed en het leek erop dat de Romeinen Bohemen zouden annexeren, maar een vals bericht in 175 dat Marcus was overleden lokte een opstand uit in het oosten, waar Avidius Cassius zichzelf uitriep tot keizer. Hoewel de oostelijke troepen loyaal bleven, besloot Marcus de oostelijke provincies te bezoeken. Pas in 178 werd de oorlog hernomen en opnieuw hadden de Romeinen de overhand. De details blijven onduidelijk, maar zeker is dat IIII Flavia Felix een belangrijke rol speelde.

Een van de officieren van het legioen in de jaren 180 was Clodius Albinus, die zich in 193, na de dood van Pertinax, in Brittannië uitriep tot keizer. Hij was niet de enige kandidaat. De Donaulegioenen plaatsten Lucius Septimius Severus, de gouverneur van Pannonia Superior, op de troon en versloegen voor hem eerst Didius Julianus in Rome, vervolgens Pescennius Niger in Syrië en tot slot Clodius Albinus bij Lyon.

Een onderafdeling van IIII Flavia Felix nam onder Septimius Severus deel aan een campagne tegen het Parthische Rijk. De commandant van het legioen was op dat moment Gaius Julius Avitus Alexianus, de zwager van de keizer.

Grafsteen van een soldaat van IIII Flavia Felix (Apameia)

Late Oudheid

In de derde eeuw voerde Rome verschillende oorlogen tegen de opvolgers van de Parthen, de Sassanidische Perzen. Dat IIII Flavia Felix aan ten minste één van die campagnes heeft deelgenomen, is waarschijnlijk, omdat een grafsteen van een legionair is gevonden in Kyrrhos in Syrië. Een inscriptie uit Spiers aan de Midden-Rijn moet behoren tot een van de oorlogen tegen de Alamannen: misschien die van Caracalla in 213, of die van Severus Alexander in 235, of die van Maximinus Thrax in 235-236, of een vergeten campagne. Opnieuw moet een onderafdeling van IIII Flavia Felix het Donaugebied hebben verlaten. Het Vierde was ook betrokken bij de gevechten rond de Harzhorn, diep in Duitsland, waar veel Romeinse vondsten een veldslag tijdens de regering van Maximinus Thrax documenteren.

IIII Flavia Felix was rond 300 na Chr. nog in Belgrado, toen iemand een inscriptie wijdde aan de genius (“goede geest”) van het legioen. Samen met de nieuw opgerichte eenheden V Iovia en VI Herculia beschermde het de belangrijke stad Sirmium (Sremska Mitrovica). In 273 waren soldaten van IIII Flavia Felix (en vier andere legioenen) betrokken bij wegenbouwactiviteiten in Jordanië, zoals blijkt uit een inscriptie uit Qasr el-Azraq.

Het Vierde Flavische legioen was nog steeds in Moesia Superior in de vierde eeuw. De laatste vermelding is in de tekst die bekendstaat als Notitia Dignitatum (c.394, misschien later). Daarna verdwijnt het legioen uit onze bronnen.

#Alamannen #AlbaJulia #AntoninusPius #Apulum #AvidiusCassius #Belgrado #Burnum #Caracalla #ClodiusAlbinus #Dacië #Dalmatië #Decebalus #DidiusJulianus #Domitianus #GaiusJuliusAvitusAlexianus #genius #GnaeusJuliusAgricola #Hadrianus #Harzhorn #IAdiutrix #IIIIFlaviaFelix #IIIIMacedonica #IJzerenPoort #JavolenusPriscus #Kalemegdan #LeeuwSterrenbeeld_ #legioen #LuciusAntoniusSaturninus #MarcusAurelius #Mauri #MaximinusThrax #Moesia #Naissus #NišNaissus_ #NotitiaDignitatum #PescenniusNiger #PubliusHelviusPertinax #RomeinsLeger #Sava #SeptimiusSeverus #SeverusAlexander #Singidunum #Sirmium #Tapae #TettiusJulianus #Tibiscum #Trajanus #VAlaudae #VIovia #VIHerculia #XIClaudia #XIIIGemina #XXIRapax

Herakles (2)

De Kretenzische Stier (Archeologisch Museum, Antalya)

In mijn vorige blogje introduceerde ik de eerste zes werken die Herakles moest verrichten voor koning Eurystheus van Tiryns. De halfgod had de Peloponnesos ontdaan van monsters en zou voor zijn volgende zes werken reizen maken buiten de Peloponnesos.

De Kretenzische stier

Herakles’ zevende werk was het vangen van de Kretenzische stier. De bronnen zijn het oneens over de aard van dit beest: was het de vader van de Minotaurus of was dit het dier dat Europa vervoerde van Fenicië naar Kreta? Om het nog wat complexer te maken, wordt hetzelfde verhaal verteld over de Atheense held Theseus. In elk geval: men vertelde dat Herakles het ondier bedwong in de buurt van Marathon.

De merries van Diomedes (Antikensammlung, München)

Merries van Diomedes

Koning Diomedes leefde in het noordelijke Thracië, en bezat vier vleesetende merries, die Herakles maar moest zien te vangen. Op weg naar het hoge noorden ving Herakles de Kerkopen, waarover ik het al eens eerder had, en bezocht hij zijn vriend Admetos van Thessalië, wiens echtgenote Alkestis hij en passant ook nog even uit de Onderwereld terughaalde. Eenmaal in Thracië ving Herakles de paarden, maakte hij een einde aan het leven van Diomedes en voedde het lijk aan die paarden.

Herakles en Hippolyte (Musée royal de Mariemont, Morlanwelz)

De gordel van Hippolyte

Hippolyte was de koningin van de Amazones, de vrouwelijke krijgers in het verre oosten. Eurystheus eiste haar gordel, om die aan zijn dochter cadeau te doen.  Herakles rustte dus een schip uit, belandde in een voorloper van de Trojaanse Oorlog, maakte wat Argonauten-achtige avonturen mee en arriveerde bij de Amazones. Al snel was Hippolyte verliefd op Herakles en ze wilde hem de gordel gewoon geven. De godin Hera, nog steeds vertoornd, verspreidde echter het gerucht dat de Griek haar wilde ontvoeren, waarop toch een conflict ontstond, waarin vele Amazones het leven lieten.

Geryon (Musée du Bardo, Tunis)

De runderen van Geryon

In het uiterste westen woonde Geryon, de driekoppige koning van een mythologisch koninkrijk dat later werd geïdentificeerd als Cádiz. Eurystheus beval Herakles om Geryons vee te stelen. Toen deze zijn tegenstander had verslagen, richtte hij twee zuilen op om zijn overwinning te herdenken: de Zuilen van Herakles dus ofwel de Straat van Gibraltar. Op de terugweg stichtte hij verschillende steden en wijdde hij tempels in voor zichzelf, o.a. in Rome (de tempel van Hercules in het Forum Boarium). De historische waarheid achter deze verhalen is vermoedelijk de Fenicische kolonisatie: overal hebben de Feniciërs tempels gewijd aan Melqart, een god die men later identificeerde met Herakles.

Keizer Commodus als Herakles met de appels van de Hesperiden (Capitolijnse Musea, Rome)

De appels van Hesperiden

Herakles moest nu de gouden appels van de Hesperiden zien te verwerven. Zij waren de dochters van Atlas, de reus die de hemel op zijn schouders droeg. De Hesperiden bewaakten diens boomgaard en het is aannemelijk dat dit verhaal een historische kern heeft in een stam van vrouwelijke krijgers in het moderne Mali; zij beheersten de handel in goud. Op de terugweg bezocht Herakles nog het orakel van Zeus Ammon in Siwa en stichtte hij de Egyptische stad Thebe.

Herakles en Kerberos (Antikensammlung, München)

Kerberos

Het laatste werk was het vangen van Kerberos, de driekoppige wachthond van de Onderwereld. Tijdens het onvermijdelijke gevecht werd Herakles beschermd door de leeuwenhuid die hij te danken had aan zijn eerste werk. Toen hij eenmaal met de hellehond was teruggekeerd bij Eurystheus, was Herakles vrij van verdere dienstbaarheid. Hij wreekte zich onmiddellijk door de drie zonen van Eurystheus te doden, hun vader af te zetten en zelf te gaan regeren als koning van Tiryns en de Peloponnesos.

Herakles doodt Nisos (Antikensammlung, München)

Dood

Over Herakles zijn nog veel meer verhalen bekend, maar twee blogjes is wel genoeg. Toen hij met zijn echtgenote Deianeira eens probeerde een rivier over te steken, bood een kentaur genaamd Nisos aan de vrouw te dragen. Halverwege de stroom probeerde hij echter Deianeira te verkrachten, waarop Herakles hem doodde met een van zijn giftige pijlen. De stervende centaur maakte Deianeira wijs dat zijn bloed, als ze het aanbracht op Herakles’ kleding, ervoor zou zorgen dat hij haar eeuwig trouw zou blijven. Toen hij het gewaad aanhad, vergiftigde hij zichzelf; om aan de helse pijnen te ontkomen, liet hij een brandstapel bouwen, waarop hij zichzelf verbrandde. Na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen of – volgens andere tradities – een sterrenbeeld.

De koningen van Sparta en die van Macedonië beweerden afstammelingen te zijn van de halfgod, en in de Hellenistische tijd voerden veel Griekse koloniën in het oostelijke Middellandse Zeegebied hem op als stichter. De Romeinse keizers Domitianus, Commodus, Septimius Severus, Postumus en Maximianus hebben zich laten afbeelden als Hercules.

#Admetos #Alkestis #Amazones #Argonauten #Cádiz #Commodus #Deianeira #Domitianus #Eurystheus #Geryon #heldenverhalen #Hera #Herakles #HeraklesSterrenbeeld #Hesperiden #Hippolyte #kentauren #Kerberos #Kerkopen #Maximianus #Melqart #mythologie #Postumus #SeptimiusSeverus #Sparta #StraatVanGibraltar #Theseus #Thessalië #ZuilenVanHerakles