SEZ vergleich caracalla

Rom 225 - Berlin 2025

SEZ-Reiss-vergleich-caracalla-251212.pdf

https://sez-fuer-alle.de/wp-content/uploads/2026/01/SEZ-Reiss-vergleich-caracalla-251212.pdf

GÜNTER REISS DIPLING ARCHITEKT (...)

Rom 225 - Berlin 2025

Ein Vergleich

Als ich kürzlich in Rom war konnte ich dort im #Sportforum zahlreiche Handwerker auf großen Gerüsten beobachten, die an der imposanten Ruine der 1.800 Jahre alten CARACALLA THERMEN
Restaurierungsarbeiten ausführten um dieses #Bauwerk zu erhalten.
#SeptimusSeverus war 206 der Erbauer und 235 wurde das Bauwerk durch #SeverusAlexander
vollendet.
Diese Anlage war noch im 5. Jahrhundert betriebsbereit und konnte durch die Bürger Roms immer noch eintrittsfrei genutzt werden.
Da die Anlage am Stadtrand Roms und in einer ärmlichen Gegend angelegt wurde, kann angenomen werden, dass sie erbaut wurde um die Popularität der Kaiser beim Plebs zu steigern.
Neben einigen #Schwimmbecken und #Gärten beherbergten die #Thermen #Gymnastik- und #Versammlungsräume, #Bibliotheken und diverse #Dienstleistungsbetriebe wie #Friseurgeschäfte.
Täglich konnten die Thermen ca. 2.000 #Gäste aufnehmen.
Meine Bewunderung über die #Römer führte zur Trauer und Wut über das Schicksal des SEZ in Berlin!

Durch die gegenwärtig Verantwortlichen soll es abgerissen werden.
Das vollständige SEZ war täglich für bis zu 15.000 BesucherInnen ein #Erlebnis und #Freude.
Der Abriss ist in diesem historischen Vergleich ein sinnloser, gegen die #Bevölkerung gerichteter Frevel!
Der eingeleitete Abriss des SEZ muss durch ein
#Moratorium zum Stopp der Vernichtung kommen.
Die #Verantwortung der Abrissverfechter, die das Areal auf der Grundlage eines falschen Bebauungsplanes aus dem Jahr 2018 umnutzen wollen darf nicht hingenommen werden.
Wir leben in einer "Metropole" genannten
Bürgergemeinschaft, die mehrheitlich den Wert
des erhaltenswerten Gemeingutes SEZ erkannt
hat und die Kulturgutvernichtung verhindern wird.
#Senat, MitbürgerInnen, #Gäste und #Stadtöffentlichkeit
sind aufgerufen:
Lasst das nicht zu!

Berlin, 4.12.2025 Günter Reiß
SEZ Architekt bei Hochtief
AG 1977 -1981
Vergleichende Bildinformationen

#SEZfürAlle #SEZBerlin
#LastUnsdasSEZretten
#Architektur #Berlin #Rom #Stadt #Natur #Kultur #Kunst #Umwelt #StadtNatur

Poor Emperor Severus Alexander, just wanted to watch the animals play 😭

XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

In de jaren na 118 stond het legioen onder bevel van Quintus Marcius Turbo Fronto, een persoonlijke vriend van keizer Hadrianus, die Dacië was belast met de pacificatie van Dacië, dat na de dood van Trajanus onrustig was geworden. XXX Ulpia Victrix moet wat politiewerk hebben gedaan.

Xanten

Na 122 werd het legioen gestuurd naar Castra Vetera ofwel Xanten in Germania Inferior. De locatie van deze basis is bekend, maar verzwolgen door de Rijn. Het Dertigste zou er, zoals gezegd, eeuwenlang blijven: het was er nog rond 400 en de burgerlijke nederzetting nabij de basis heette enige tijd eenvoudigweg Tricensimae, wat zoiets als “bij het Dertigste” betekent.

Germania Inferior wordt nauwelijks genoemd in onze bronnen, en inscripties zijn ons enige bewijs voor de activiteiten van het legioen. Militaire aangelegenheden blijven vrijwel onvermeld, wat (misschien ten onrechte) suggereert dat het rustig was in de regio. Een inscriptie vermeldt dat een officier in Keulen het heiligdom van Jupiter Dolichenus herbouwde; dezelfde man richtte twee heiligdommen in voor Mercurius en enkele godinnen met de opvallende naam Matres Paternae (“vaderlijke moeders”). Andere inscripties bewijzen dat de gouverneur van Germania Inferior soldaten uit het Dertigste gebruikte als klerken. Een onderafdeling van vijftig legionairs was gestationeerd in Iversheim, waar ze bakstenen en dakpannen vervaardigde.

Helm van een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

EXGERINF

Een andere onderafdeling was met I Minervia, het andere legioen in deze provincie, gestationeerd in Bonn. Andere onderafdelingen lijken in Remagen en aan de grens met Germania Superior te hebben verbleven. Dit is opmerkelijk omdat beide plaatsen dichter bij Bonn, de basis van I Minervia, liggen dan bij Xanten. De twee legioenen opereerden echter vaak samen. Inscripties uit ons rivierengebied vermelden vaak “het leger van Germania Inferior” (exercitus Germaniae Inferioris, kortweg EXGERINF).

Tijdens het bewind van keizer Septimius Severus (r.198-211) dienden onderafdelingen van deze twee legioenen als garnizoen van Lyon, de hoofdstad van de Gallische provincies. Het aantal inscripties van XXX Ulpia Victrix is ​​opmerkelijk groot. Andere inscripties bewijzen dat legionairs van het Dertigste overal in Gallië werden ingezet: in Châlons, in Parijs, in Bourges, in Auch bij de Pyreneeën en in de Alpen. Het lijkt erop dat XXX Ulpia Victrix een soort uitzendbureau was.

Militaire operaties

Toch diende het ook in oorlogen. Tijdens de regering van keizer Antoninus Pius (r.138-161) was een onderafdeling gestationeerd in Mauretanië, waar het de Mauri bestreed. Toen I Minervia in de jaren zestig van de tweede eeuw deelnam aan de campagne tegen het Parthische Rijk van Lucius Verus, waren daarbij ook soldaten van het Dertigste betrokken. Het is waarschijnlijk dat andere onderafdelingen betrokken waren bij de oorlogen van Marcus Aurelius tegen de Marcomannen (165-175 en 178-180), en deelnamen aan de campagne van de gouverneur van Gallia Belgica, Didius Julianus, tegen de Chauken in 173.

In 193 brak er een burgeroorlog uit. Munten bewijzen dat het Dertigste, Zegevierende Ulpische Legioen onmiddellijk de kant koos van Septimius Severus koos. Dit was moedig omdat een andere pretendent, Clodius Albinus, dichterbij was. In 196/197 moet het legioen bij de daadwerkelijke gevechten betrokken zijn geweest. Severus zegevierde en beloonde het legioen van Xanten met de titel Pia Fidelis (“trouw en loyaal”).

Inscriptie voor een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Stara Zagora)

Na 208 nam XXX Ulpia Victrix waarschijnlijk deel aan Severus’ Schotse campagne, en in 235 waren onderafdelingen actief tijdens de Perzische campagne van Severus Alexander. Uit archeologische vondsten kunnen we afleiden dat rond 240 de Rijngrens in een crisis verkeerde, en we moeten aannemen dat XXX Ulpia Victrix op een zeker moment een nederlaag heeft geleden. Het wist echter ook het Nederlandse rivierengebied te heroveren.

Late Oudheid

Dit gebeurde opnieuw in 256-258, toen de Franken Gallië binnenvielen. Keizer Gallienus kon ze teruggooien en moet daarbij het EXGERINF hebben gebruikt. In 260 waren de Franken terug, en deze keer werden ze verslagen door generaal Postumus, die prompt werd uitgeroepen tot keizer in een Gallisch Rijk. Dit waren de moeilijke jaren van de Crisis van de Derde Eeuw.

XXX Ulpia Victrix koos de kant van Postumus, die de regio tot rust bracht. Na 274 heroverde de Romeinse keizer Aurelianus Gallië echter, en hij haalde veel troepen weg voor een oorlog tegen keizerin Zenobia van Palmyra. Onmiddellijk staken de Franken de Rijn weer over en liepen het Nederlandse rivierengebied onder de voet. Het idee dat de limes totaal instortte, geldt inmiddels als achterhaald.

In de vierde eeuw veranderde de strategie. Mobiele cavalerielegers in het achterland vormden de ruggengraat van het Romeinse leger. De legioenen langs de Rijn waren nu minder belangrijk. Ze waren gestationeerd in goed-versterkte kastelen, waar ze de vijand opwachtten en tegenhielden totdat de cavalerie arriveerde. XXX Ulpia Victrix bleef in Xanten, waarschijnlijk op de plaats van wat ooit de burgerlijke nederzetting was geweest, maar had zijn werkelijke betekenis verloren. Het lijkt uit de geschiedenis te zijn verdwenen in de loop van de vroege vijfde eeuw.

#AntoninusPius #Bonn #Brigetio #ClodiusAlbinus #CrisisVanDeDerdeEeuw #Dacië #DidiusJulianus #EXGERINF #Gallienus #GallischKeizerrijk #GermaniaInferior #Hadrianus #IMinervia #IITraianaFortis #Iversheim #Keulen #legioen #LuciusVerus #Lyon #Marcomannen #MarcusAurelius #Mauretanië #Mauri #ParthischeRijk #Postumus #Rijn #RomeinsLeger #RomeinseLimes #SeptimiusSeverus #SeverusAlexander #Szöny #Trajanus #Vetera #Xanten #XIClaudia #XXXUlpiaVictrix #Zenobia

Romeins Recht (3): Justinianus

Modern standbeeld voor Ulpianus (Tyrus)

In het eerste stukje legde ik uit dat het Romeins Recht uiteenlopende bronnen had en in het tweede stukje toonde ik hoe rechtsgeleerden steeds meer zochten naar systematiek. Rond het midden van de derde eeuw na Chr., toen het Romeinse Rijk door een crisis ging, kwam er een tijdelijk einde aan deze rechtspraktijk. Wat dit in feite betekende, is moeilijk te achterhalen, maar het is opvallend hoe weinig documentatie we hebben uit deze periode. Vermoedelijk dateren de eerste codices, privéverzamelingen voor deze of gene provincie, uit deze tijd. Het was pas keizer Constantijn die zich weer om het Romeins Recht bekommerde en enkele rechtsgeleerden aanwees wier adviezen voortaan rechtskracht hadden. Dit staat bekend als de Citeerwet maar feitelijk was het een constitutie of, zo u wil, een decreet.

De vierde en vijfde eeuw

De tweede helft van de vierde eeuw is wel getypeerd als een renaissance en inderdaad werden allerlei oude teksten gekopieerd. Dat gold ook voor rechtsgeleerde teksten: ze werden, soms als samenvatting en altijd met aanpassingen (bijvoorbeeld aan het vernieuwde muntstelsel), opnieuw gepubliceerd. Sommige compendia hebben we over, zoals de Sententiae (“adviezen”) van Julius Paulus van Emesa en de Epitome (“samenvatting”) van Ulpianus van Tyrus. Deze laatste was overigens juridisch adviseur geweest van de keizers Caracalla (r.211-217) en Severus Alexander (r.222-235). We hebben zijn werk dus over in een vierde-eeuwse vorm. Ongetwijfeld zijn die benut in de rechtsscholen, zoals de beroemde instelling in Beiroet, dat zich tot op de huidige dag presenteert als nutrix legum, “de voedster van de wetten”.

In de derde eeuw en vroege vierde eeuw was er nogal wat wildgroei geweest. De leraren van de rechtenfaculteit in Beiroet namen het voortouw bij de herordening van het corpus aan wetten, constituties, decreten en andere regels. Een zekere Cyrillus schreef een systematische uitleg van alle juridische definities en zijn opvolgers adviseerden de keizer in Constantinopel. Er waren ook invloeden vanuit het joden- en christendom, zoals te vinden in de Collatio Legum Mosaicarum et Romanarum, waarin de wetten van Mozes naast het Romeinse recht worden geplaatst.

Keizer Theodosius II (r. 408-450) begreep hun verlangen naar één, systematisch geordend stelsel en gaf opdracht tot een codex van alle keizerlijke constituties sinds de regering van Constantijn de Grote. Deze Codex Theodosianus, gepubliceerd in 438, is zeer invloedrijk geweest. Na de desintegratie van het Romeinse bestuur in West-Europa waren er speciale edities voor de opvolgerstaten in Gallië (het Breviarium Alaricianum en de Lex Romana Burgundionum), op het Iberische Schiereiland (de Lex Romana Wisigothorum en het ambitieuze Forum Iudicum) en Italië (Edictum Theodorici).

Justinianus

Het Romeinse Recht zal echter voor altijd verbonden zijn met keizer Justinianus, die in 527 aan de macht kwam en onmiddellijk opdracht gaf tot codificatie van het volledige rechtssysteem. Het Corpus Iuris vormt het hoogtepunt van een juridische traditie die een ruim millennium eerder was begonnen met de Wetten van de Twaalf Tafelen.

Een team van tien rechtsgeleerden onder leiding van Tribonianus moest “selecteren wat nuttig was” in de handboeken, monografieën en commentaren uit de tweede en derde eeuw, alsmede de recentere compendia. “Herhalingen en tegenstrijdigheden moesten worden vermeden”, “alles wat onvolledig, onnodig of verouderd was, moest worden gewist” en de teksten moesten indien nodig worden geactualiseerd.

Het Corpus Iuris bestaat uit vier delen. Het omvangrijkste deel staat bekend als de Digestae. In vijftig boeken, onderverdeeld in titels, hoofdstukken en paragrafen, wordt elk denkbaar onderwerp behandeld. Omdat Justinianus dit uitdrukkelijk had geëist, moesten de namen van de oorspronkelijke rechtsgeleerden worden genoteerd. Een moderne verwijzing naar “Ulp., D. 50.15.1. pr.” betekent dat een opinie van Ulpianus wordt bedoeld, te vinden in het vijftigste boek van de Digesten, titel vijftien, hoofdstuk één, in de proloog. In de betreffende passage valt te lezen dat verschillende steden in Syrië de rang van colonia combineerden met Italiaanse rechten, en dat Ulpianus’  geboorteplaats Tyrus er één van was, omdat het de nobelste stad van allemaal was, heel oud, zeer betrouwbaar in de naleving van verdragen en uiterst loyaal aan Rome. Dat deze lofzang behouden is gebleven, suggereert dat Tribonianus’ team niet alles heeft gewist wat niet nodig was.

Tegelijk met de Digesten verscheen het handboek Institutiones, dat gebaseerd was op het al genoemde handboek van Gaius. Op twee nieuwe publicaties volgde de Codex Justinianus, een uitgebreidere versie van de Codex Theodosianus met keizerlijke constituties. Constituties die na de publicatie van deze drie teksten zijn verschrenen, zijn opgenomen in de Novellae. Die zijn gepubliceerd in het Grieks.

Romeins Recht als historische bron

Samen staan deze vier teksten – Institutiones, Codex, Digestae, Novellae – bekend als het Corpus Iuris. Voor een historicus vormt het hierin beschreven Romeins Recht een ware goudmijn. Hier hebben we een grote hoeveelheid wetgeving, relevant voor de Late Oudheid, maar gebaseerd op oudere regelgeving, die we vaak kunnen reconstrueren.

Bovendien bieden de Digesten inzicht in kwesties die juridisch advies vereisten, zodat we veel vernemen over de dingen die er voor de Romeinen werkelijk toe deden. Af en toe herken je de persoonlijkheid van een juridisch expert. Het zegt veel over het gevoel voor humor van Julius Paulus dat hij, in zijn commentaar op een wet die overspel bestrafte met verbanning naar een eiland, adviseerde de veroordeelden te sturen naar twee verschillende eilanden.

Tot slot: een van de grote vragen is hoe de Digesten in slechts drie jaar tot stand hebben kunnen komen. De verklaring is vrijwel zeker dat er een oudere collectie is geweest in de rechtsschool van Beiroet. We moeten het materiaal daarom met enige voorzichtigheid benutten. De originele teksten zijn geschreven in Italië, de eerste collectie was relevant voor Beiroet en Justinianus voerde deze opnieuw voor de Romeinse wereld van de zesde eeuw. Ik zou de informatie uit de Digesten dus niet zomaar extrapoleren naar pakweg Romeins Nijmegen of Tongeren.

[Met dank aan Sidney Smeets]

#beiroet #breviariumAlaricianum #caracalla #codexJustinianus #codexTheodosianus #collatioLegumMosaicarumEtRomanarum #constantijnDeGrote #corpusIuris #edictumTheodorici #forumIudicum #juliusPaulus #justinianus #lexRomanaBurgundionum #lexRomanaWisigothorum #libanon #romeinsRecht #severusAlexander #theodosiusIi #tribonianus #tyrus #ulpianus

De Palatijn

De Domus Augustana op de Palatijn

Ik heb me zelden in mijn leven zó in mijn oudheidkundige waanwijsheid betrapt gevoeld als op een grijze decemberdag, nu een jaar of twintig geleden, in Rome. Ik was met twee studenten op het Forum Romanum en we wandelden naar de Palatijn, de heuvel waar ooit de keizerlijke paleizen stonden en waar Romulus de stad zou hebben gesticht. Uiteraard moest ik alles uitleggen en stond ik al in de doceerstand toen een van de studenten (de Lauren van Zoonen die hier ook weleens leuke blogs schrijft) zei dat dit toch wel een magische plek was.

Bam. Dat was ik even vergeten. Maar Rome is natuurlijk niet slechts een plaats waar allerlei oudheidkundig interessants is te zien. Het is ook een plek die je moet ervaren. Er is niets mis met Ruinenlust. Zeker op de Palatijn, waar de overblijfselen van de oude gebouwen zijn opgenomen in een prachtig park, dat zelfs op een grijze decemberdag magisch is.

De IJzertijd

Niet dat er vanuit de doceerstand niets over de Palatijn te vertellen valt. Volgens de Romeinse traditie was de heuvel al in de oudste tijden bewoond. In de keizertijd wees men de vermeende hut van Romulus nog altijd aan. Archeologen hebben inderdaad de resten van eenvoudige boerderijen – geen herdershutten – gevonden. Dat bevestigt overigens niet de traditie dat Rome is gesticht op de Palatijn, want soortgelijke boerderijen stonden ook op andere heuveltoppen.

Maquette van een IJzertijddorpje op de Palatijn (Antiquarium v/d Palatijn, Rome)

In elk geval lag in de IJzertijd een kleine nederzetting op het westelijk deel van de Palatijn, de zogeheten Germalus. Of de heuvel destijds al was omgeven door een muur met drie poorten, zoals de antieke auteurs en Italiaanse archeologen beweren, valt niet uit te maken. Feit is wel dat de Palatijnse nederzetting ook zonder omwalling nagenoeg onneembaar was, aangezien de heuvel aan vrijwel alle zijden was omgeven door diepe, drassige dalen. Pas in de vroege zesde eeuw v.Chr. zou een begin worden gemaakt met de drainage.

Republiek

In voorindustriële samenlevingen, zo vervolgt uw docent, waren de hygiënische omstandigheden slecht. Rijke stedelingen vestigden zich het liefst op heuveltoppen, omdat ze daar minder last hadden van de stank van afval en uitwerpselen. Zo ook in Rome.

Huis van Augustus

Uit geschreven bronnen is bekend dat in de republikeinse periode op de Palatijn vooraanstaande Romeinse politici woonden, op loopafstand van het Senaatsgebouw. Hun huizen moeten groot zijn geweest, maar vooralsnog ontbreken archeologische sporen van vóór 90 v.Chr. Uit de daaropvolgende tijd stammen het Huis van Livia (Augustus’ echtgenote) en het Huis van de Griffioenen. Archeologen hebben ook tempels uit de republikeinse periode geïdentificeerd, zoals die van Victoria en Kybele.

Paleisbouw

Keizer Augustus was de eerste die hier grootschalig bouwde, maar een echt paleis was zijn woning op de Germalus niet. Dan zou het immers lijken alsof hij koning was, en dat was uit den boze. Al ten tijde van Tiberius (r.14-37) bleek het Huis van Augustus echter te klein voor alle representatieve functies. Het werd daarom uitgebreid, maar het 150 bij 120 meter grote complex dat tegenwoordig bekendstaat als Domus Tiberiana en waarvan de ruïnes liggen onder de lieflijke Farnesetuinen, is jonger.

Maquette van de Palatijn (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Keizer Caligula (r.37-41) verbond de huizen van Augustus, Livia en Tiberius met het Forum en gebruikte, volgens een archeologische bevestigde anekdote, de tempel van Castor en Pollux als entree. Daarna bouwde Nero eerst de Domus Transitoria, een verzameling gebouwen die de diverse paleisachtige constructies moest verbinden. Na de beruchte brand van Rome werden alle gebouwen geïntegreerd in het Gouden Huis. De Domus Tiberiana maakte hier deel van uit.

De diverse bouwfasen zijn door archeologen geïdentificeerd, en uw docent wil er best wel over praten, maar veel is nog onduidelijk. Alle gebouwen zijn namelijk aan het eind van de eerste eeuw na Chr. weer geïntegreerd in de paleizen die architect Rabirius ontwierp voor keizer Domitianus (r.81-96): de representatieve Domus Flavia en de residentiële Domus Augustana. (De namen zijn bedacht door moderne geleerden.) Deze residentie werd voltooid in 92. Met een oppervlak van ruim een vierkante kilometer domineren deze gebouwen – of beter: de ruïnes ervan – de heuvel tot op de huidige dag.

Reconstructie van Domitianus’ troonzaal in Rome

Magische plek

In de tweede eeuw liet keizer Hadrianus (r.117-138) op verschillende plaatsen werkzaamheden uitvoeren, en een ruime halve eeuw later begonnen de Severische keizers weer nieuwe gebouwen toe te voegen. Keizer Septimius Severus (r.193-211) bouwde in de zuidhoek onder meer een badhuis en het zogeheten Septizodium. Dat was een sierlijke muur die vooral diende om de lelijke onderbouw van het badhuis aan het zicht te onttrekken voor wie over de Via Appia de stad binnen kwam.

Wat bomen geven aan waar het Septizodium stond

Keizer Heliogabalus – over hem binnenkort meer op deze blog – sierde de heuvel met een tempel voor zijn god, de Syrische Elagabal. De volgende keizer, Severus Alexander (r.222-235), wilde een imposante toegang toevoegen in de buurt van het Septizodium, maar de voortekens waren steeds ongunstig, zodat het project nooit werd voltooid. Daarmee kwam een einde aan de keizerlijke bouwactiviteit op de Palatijn. De keizers waren steeds minder vaak in Rome. Zeker na de Crisis van de Derde Eeuw dienden andere steden als residentie.

Maar het was een magische plek, met belangrijke tempels, met Domitianus’ goed gebouwde paleis, en met herinneringen aan het oudste Rome en Romes eerste keizer. In de vijfde eeuw keerden de keizers terug en waren er reparaties. Ook Theodorik, die rond 500 regeerde over Italië, liet de gebouwen opknappen. Een magische plek dus, waarvan de naam voortleeft in ons woord “paleis”.

#Augustus #Caligula #Domitianus #DomusAugustana #DomusAurea #DomusFlavia #DomusTiberiana #DomusTransitoria #Germalus #GoudenHuis #Hadrianus #Heliogabalus #Kybele #LaurenVanZoonen #Livia #Nero #Palatijn #Rabirius #Rome #Romulus #Ruinenlust #SeptimiusSeverus #Septizodium #SeverusAlexander #TheodorikDeGrote #Tiberius #Victoria

Poor Emperor Severus Alexander, just wanted to watch the animals play 😭
Poor Emperor Severus Alexander, just wanted to watch the animals play 😭

II Parthica, Romes strategische reserve

Felsonius Verus, standaarddrager van II Parthica. Hij heeft de adelaarstandaard van zijn legioen opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)

In de eerste twee eeuwen van onze jaartelling plaatsten de Romeinen hun legioenen niet ver van de Rijn, Donau en Eufraat. De transportwegen moesten immers worden bewaakt en bijkomend voordeel was dat een vijand altijd een rivier moest oversteken, wat meestal wat voorbereiding vergde en dus de verdediger tijdwinst opleverde. Het nadeel van deze vorm van lijnverdediging was dat als de vijand eenmaal was doorgebroken, hij meteen diep het imperium kon binnendringen. Vandaar dat in de Late Oudheid een mobiele strategische reserve bestond.

Ontstaan

Het initiatief kwam van keizer Lucius Septimius Severus (r.193-211). In het kader van zijn oorlog tegen het Parthische Rijk formeerde hij drie nieuwe legioenen: I Parthica en III Parthica bleven in het oosten, maar II Parthica ging met hem mee naar Rome, kreeg een basis op de Albaanse Berg en diende voortaan als strategische reserve. Het legioen, dat tevens diende als tegenwicht tegen de Praetoriaanse Garde in Rome, kreeg al snel een tweede bijnaam, Albana.

Archeologen hebben de begraafplaats op de Albaanse Berg geïdentificeerd en we beschikken ook over grafstenen uit andere delen van het Romeinse Rijk. Een interessant trekje is dat de legionairs van II Parthica niet alleen hun legioensnaam, maar ook hun centuria (bataljon) vermeldden. Alleen de soldaten van II Traiana Fortis die in Alexandrië hun kameraden begroeven, hadden dezelfde gewoonte. Dit suggereert dat de eerste soldaten van het Tweede Parthische Legioen zijn gerekruteerd onder de gelijkgenummerde Alexandrijnse eenheid.

Elf jaar afwezig

Een strategische reserve zet je doorgaans in op een bedreigd punt en omdat Rome in de derde eeuw nogal eens werd bedreigd, marcheerde II Parthica van hot naar her. Waarschijnlijk zette Septimius Severus het in tijdens zijn Britse campagne (208-211) en nam zijn zoon en opvolger Caracalla het legioen mee bij zijn veldtocht tegen de Alamannen in 213. Het bewijs hiervoor is een grafschrift uit Worms, dat echter ook kan verwijzen naar de Germaanse oorlogen van Severus Alexander of Maximinus Thrax (234-236). II Parthica heeft zeker tegen de Parthen gevochten in de campagnes van 214-217. De commandant was betrokken was bij de moord op keizer Caracalla en de troonsbestijging van Macrinus.

In de winter van 217/218 verbleef II Parthica in Apameia in Syrië, waar het de zijde koos van weer een nieuwe pretendent: Caracalla’s familielid Bassianus, beter bekend als keizer Heliogabalus, die op dat moment al de steun had van III Gallica. Na de troonsbestijging van Heliogabalus kreeg het legioen de bijnaam Pia Fidelis Felix Aeterna (“eeuwig trouw, loyaal en gelukkig”). Het is denkbaar dat de soldaten die tijdens de actie waren gesneuveld, als groep zijn begraven. De grafstenen stonden in Apameia op een veldje te wachten op een officiële publicatie, die er bij mijn weten nooit meer is gekomen. Of ze er nog staan, nu Apameia systematisch is geplunderd, weet ik niet, maar kijk wel even hier en daar.

In elk geval keerde II Parthica samen met Heliogabalus terug naar Rome (218/219). Het kan wel elf jaar uit Italië zijn weggeweest, als het legioen inderdaad deelgenomen heeft aan de campagnes in Schotland, tegen de Alamannen en tegen de Parthen.

Grafschrift uit Worms (Andreasstift)

Opnieuw op mars

In 231 vertrok keizer Severus Alexander naar het oosten om te strijden tegen een nieuwe vijand: de Sassanidische Perzen, die inmiddels de Parthen hadden vervangen. Opnieuw had II Parthica zijn winterverblijf in Apameia. De veldtocht verliep in zoverre succesvol dat de Perzische expansie een halt werd toegeroepen. Misschien behoren de hierboven genoemde grafstenen uit Apameia bij deze gevechten.

Vervolgens marcheerde Severus Alexander via de Balkan en langs de Donau naar het Rijnland, waar II Parthica opnieuw een rol speelde in een oorlog tegen de Alamannen. De soldaten waren aanwezig in Mainz toen Severus Alexander werd vermoord (235). Later steunden ze zijn opvolger Maximinus, die de Germaanse oorlog succesvol afrondde.

In de daaropvolgende jaren vocht II Parthica met Maximinus tegen de Sarmaten in wat nu Hongarije is, en nam het deel aan zijn campagne in Italië, waar de Senaat in opstand was gekomen. De senatoren hadden twee nieuwe keizers gekozen, Pupienus en Balbinus, en Maximinus was gedwongen op Rome te marcheren. De soldaten van II Parthica wisten echter dat hun familieleden als gijzelaars dienden en hadden weinig zin in deze oorlog. Ze doodden Maximinus dus in Aquileia. Daarna marcheerden ze naar Rome terug, waar inmiddels Gordianus III aan de macht was gekomen. Het legioen was zeven jaar weggeweest.

Het bleef niet lang in Italië. De begraafplaats op de Albaanse Berg bevat geen grafstenen die jonger zijn dan de regering van Gordianus. De volgende dateerbare inscriptie is de grafsteen van een standaarddrager, Felsonius Verus, gevonden in (alweer) Apameia. Diens grafschrift noemt zijn eenheid II Parthica Gordiana, wat bewijst dat het Tweede bij Gordianus was tijdens zijn Perzische Oorlog (242-244).

In februari 249 was het legioen weer in Italië, hoewel niet per se op de Albaanse Berg. In de tussentijd heeft het misschien deelgenomen aan de oorlog tegen de Carpi van Philippus Arabs. In de tweede helft van 249 streed II Parthica voor deze keizer tegen diens rivaal Decius, maar werd het verslagen bij hetzij Verona in Noord-Italië, hetzij Beroea in Macedonië.

Inscriptie van een soldaat van II Parhica (Capitolijnse Musea, Rome)

Latere veldtochten

Inscripties bewijzen dat II Parthica zich gedurende de volgende halve eeuw in allerlei delen van het imperium bevond, maar het is moeilijk de volgorde van de diverse campagnes vast te stellen. Zeker is dat het Tweede Parthische Legioen in het rond 260 uitgebroken conflict tussen de keizers Gallienus (in Italië) en Postumus (in Gallië) eerstgenoemde steunde, waarvoor het werd beloond met bijnamen als Pia V Fidelis V (“vijfmaal trouw en loyaal”), Pia VI Fidelis VI en ten slotte Pia VII Fidelis VII.

Omdat Gallië tot 274 onafhankelijk was, kan een in Bordeaux gevonden inscriptie met vermelding van II Parthica daar pas in het laatste kwart van de derde eeuw zijn achtergelaten. Een inscriptie uit Arabia Petraea behoort mogelijk tot Aurelianus’ campagnes tegen keizerin Zenobia van Palmyra, dus ruwweg 272-273. Andere inscripties zijn te vinden in Thracië, Numidië en Cilicië. Zoals gezegd: ondateerbaar.

Het Tweede Parthische Legioen bevond zich aan het begin van de vierde eeuw in Italië en is vrijwel zeker ontbonden door Constantijn de Grote. Na zijn overwinning bij de Milvische Brug (oktober 312) reorganiseerde hij namelijk het stedelijk garnizoen. In elk geval wordt niet meer vermeld in onze bronnen of op inscripties.

Hoewel – er is een uitzondering. Rond 400 was een legioen met dezelfde naam, samen met II Armeniaca en II Flavia, gelegerd in Bezabde aan de Tigris, het huidige Cizre. Deze eenheid moet teruggaan op een verzelfstandigde onderafdeling, maar het kan ook een afsplitsing zijn van het in de buurt gelegerde I Parthica. In elk geval kon deze eenheid de verovering van Bezabde door de Perzen in 360 niet voorkomen, waarna II Parthica definitief verdwijnt.

#Alamannen #AlbaanseBerg #Apameia #Aquileia #Aurelianus #Balbinus #Bezabde #Bordeaux #Caracalla #Cizre #ConstantijnDeGrote #CrisisVanDeDerdeEeuw #Decius #FelsoniusVerus #Gallienus #GallischeRijk #GordianusIII #Heliogabalus #IParthica #IIArmeniaca #IIFlavia #IIParthica #IITraianaFortis #IIIGallica #inscriptie #legioen #Macrinus #Mainz #MaximinusThrax #Palmyra #ParthischeRijk #PhilippusArabs #Postumus #PraetoriaanseGarde #Pupienus #RomeinsLeger #SeptimiusSeverus #SeverusAlexander #VMacedonica #Worms #Zenobia

De Zevenslapers van Efese

De Zevenslapers van Efese

In de winter van 249/250 gelastte de Romeinse keizer Decius al zijn onderdanen om te offeren aan hun voorouderlijke goden. Daar was alle reden toe, want er woedde een akelige, op ebola lijkende epidemie, en verder waren er de problemen die worden samengevat als de Crisis van de Derde Eeuw. Voor sommige groepen pakte Decius’ loyaliteitseis vervelend uit, want neopythagoreeërs, hermetici en neoplatonisten maakten bezwaar tegen het offeren. Op naam van de pythagorese filosoof Apollonios van Tyana is een briefje overgeleverd waarin hij expliciet zegt dat de grootste eer die men aan de goden kan bewijzen, eruit bestaat niet aan ze te offeren. Duidelijke taal.

Voor de vereerders van Christus was het makkelijker. De meesten hadden de nieuwe god toegevoegd aan hun pantheon. Van keizer Severus Alexander (r.222-235) is bekend dat hij dagelijks offerde aan Abraham, Christus, Orfeus en de zojuist genoemde Apollonios van Tyana. Voor sommige vereerders van Christus stonden echter principieel afwijzend tegenover Decius’ eis, en betaalden met hun bloed. Dionysius van Parijs (Saint-Denis) is een voorbeeld. Andere christenen maakten zich uit de voeten, zoals de bisschop van Karthago, Cyprianus.

De Zevenslapers

In Efese vluchtten zeven mannen naar een grot om daar te schuilen tot de dagen voorbij waren waarin hun stadsgenoten aan het offeren waren. Ze vielen in slaap, maar toen ze werden gewekt door iemand die de grot als stal wilde gaan gebruiken, waren bijna twee eeuwen verstreken: dat zou in 447 zijn geweest, tijdens de regering van keizer Theodosius II. Dat de wakker geworden mannen werkelijk vele decennia hadden geslapen, werd onweerlegbaar bewezen toen ze boodschappen wilden doen met verouderde munten. De grot wordt nog altijd aangewezen, maar ik heb die zelf alleen van een afstand kunnen fotograferen.

De grot van de Zevenslapers

Dit mooie verhaal werd driekwart eeuw later, dus aan het begin van de zesde eeuw, voor het eerst opgeschreven door de Syrische auteur Jacobus van Serugh. Op dat moment was er al een aan de Zevenslapers gewijde kerk. De dubbele bodem van de legende betreft natuurlijk de opstanding van de doden.

Verspreiding

Misschien was het wel omdat een belangrijk theologisch leerstuk aanschouwelijk werd gemaakt, misschien was het wel gewoon omdat mensen hielden van wonderbaarlijke verhalen, maar in elk geval verspreidde de legende van de Zevenslapers zich bliksemsnel. Na een halve eeuw was er al een versie in het Centraal-Aziatische Sogdisch, rond 575 vertaalde de Gallische bisschop Gregorius van Tours de legende in het Latijn (lees maar). Van westelijk China tot de Atlantische Oceaan: na een halve eeuw kende de hele antieke wereld de legende.

Via het Sogdisch kennen we ook Perzische, Kirgizische en Tataarse versies; via het Latijn kwamen Angelsaksische en Ierse versies tot stand; de Syrische tekst moet ten grondslag liggen aan de Armeense, Koptische en Ethiopische versies. De Byzantijnse versies kunnen teruggaan op een origineel dat een fractie ouder zou kunnen zijn dan de tekst van Jacobus van Serugh.

Tot slot noem ik de Arabische versies. De joden van Najran, in het zuiden van het huidige Saoedi-Arabië, kenden de legende, al meenden zij dat ze ging over drie van hun geloofsgenoten. Het verhaal is daarna opgenomen in de Koran en deze variant dateert dus van voor 632. Hierin lezen we dat sommige mensen het hebben over zeven slapers, over drie slapers, over vier slapers, over vijf slapers plus een hond, of zeven plus hond. God weet het natuurlijk precies, stelt de Koran de luisteraar gerust, maar voor ons is interessant dat er vóór 632 al zo’n wildgroei aan tradities was dat het vragen opriep.

Parallel

Nu we het toch hebben over de vroege islam: daar vinden we een andere verhaal dat zich razendsnel verspreidde, al is het een stuk minder breed gedocumenteerd. Dat betreft een roepingsverhaal over de profeet Mohammed dat ouder is dan de standaardbiografie van Ibn Ishaq, en dat mondeling moet zijn doorgegeven naar het westen. Met aanpassingen vinden we dit verhaal in de in 731 voltooide Kerkgeschiedenis van Beda de Eerbiedwaardige, die het toepast op de Angelsaksische dichter Caedmon. U leest er hier meer over.

Wat ik met dit blogje maar zeggen wil: verhalen konden zich razendsnel verspreiden.

#Angelsaksen #BedaVanJarrow #Caedmon #Decius #Efese #GregoriusVanTours #JacobusVanSerugh #legende #Najran #SeverusAlexander #SintCyprianus #SintDionysiusVanParijs #TheodosiusII #Zevenslapers