Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

Een Romeinse Kybele (Museum Carnuntinum, Petronell)

De cultus van de moedergodin was, zoals ik in het vorige stukje schreef, in Anatolië eeuwenoud en de naam Kybele kwam uit het oosten van die regio. De Frygiërs, die in de IJzertijd Anatolië waren binnengetrokken en zich in het westen van Anatolië hadden gevestigd, namen de cultus over. Zo bezien is het grappig dat de Griekse en Romeinse auteurs de cultus van Kybele typeren als Frygisch. Frygië was echter alleen een halteplaats bij de verspreiding van de cultus naar het westen. Een andere halteplaats kan de Lydische hoofdstad Sardes zijn geweest, waar een tempel stond voor Kubaba.

Griekse godin

De Grieken meenden dat de Anatolische geboortegodin dezelfde was als hun eigen Rhea, de moeder van de Olympische goden en godinnen Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus. Deze gelijkstelling vergemakkelijkte de verspreiding van de cultus, die al in de zesde eeuw v.Chr. bekend was in Lokroi in Zuid-Italië. De Grieken waren geïntrigeerd door de extatische riten van “de grote moeder van de goden”, maar Kybele werd nooit deel van de gewone Griekse mythische wereld.

De meest voorkomende voorstelling van de godin was tot dan toe een reliëf geweest van een staande of zittende dame. In het laatste kwart van de vijfde eeuw v.Chr. schiep de beeldhouwer Agorakritos van Paros een nieuw type: een gekroonde Kybele met een tamboerijn in haar linkerhand, zittend op een troon, tussen twee leeuwen. Dit beeld, waarvoor Anatolische voorbeelden waren, was te zien in het Metroön van Athene. Het zou eeuwenlang een normale iconografie blijven.

Reliëf van Kybele uit Athene; meestal zijn er links en rechts leeuwen (Pergamonmuseum, Berlijn)

De twee leeuwen golden als de trekdieren van de strijdwagen van de godin. Rijdend daarop is ze te zien in Delfi en op de prachtige schijf uit het oostelijke Ai Khanum, waarover ik al eens schreef. Op dit hellenistische voorwerp staat ze afgebeeld, rijdend naar een zoroastrisch heiligdom, met aan de hemel een zon, maan en Venus in Babylonische stijl.

Kybele op het schathuis van de Sifniërs (museum van Delfi)

Toen deze schijf werd gemaakt, vielen Galatische stammen Anatolië binnen. Een daarvan, de Tolistobogii, veroverde Pessinos en maakte die tempelstad tot residentie (ca. 270 v.Chr.). In 238 en 230 werden de Galaten verslagen door koning Attalos I Soter van Pergamon. Het cultusbeeld van Kybele, de al genoemde baetyl, werd als buit overgebracht naar Pergamon. Daar stond het voorwerp in het Megalesion, het heiligdom van de Grote Moeder, gebouwd door de stichter van Attalos’ dynastie, Filetairos.

Naar Rome

Tijdens de Tweede Punische Oorlog hoorden de Romeinen van een orakel dat ze Hannibal niet zouden verslaan voordat de “Grote Moeder van de berg Ida” naar Rome was gebracht. Dus stuurden de Romeinen in 204 een gezantschap naar Pergamon en vroegen om de heilige steen, die inderdaad naar Rome werd gebracht. Omdat de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vertelt dat Romeinse dames, elk op hun beurt het heilige beeld dragend, de godin naar de tempel van Victoria droegen, is waarschijnlijk dat in feite slechts een deel van de heilige steen is overgebracht naar Rome.

Een latere sage vertelt dat een Romeinse dame genaamd Claudia Quinta, die was beschuldigd van onkuisheid, haar onschuld bewees door het schip met de godin eigenhandig van de zeehaven Ostia naar de rivierhaven van Rome te slepen.

Claudia Quinta (Nationaal Museum, Rome)

De steen bevond zich oorspronkelijk in de tempel van Victoria maar werd later overgebracht naar haar eigen heiligdom, de tempel van Kybele. Beide cultusplaatsen bevonden zich op de Palatijnse heuvel, hartje Rome. Het feit dat een vreemde cultus op zo’n centraal punt stond, zegt veel over de openheid van Rome voor buitenlandse goden en godinnen.

De tempel op de Palatijn

Feest voor Kybele

Voor veel Romeinen waren de extatische ceremonies een beetje al te veel. In eerste instantie was het Romeinse burgers verboden om als priester op te treden in deze on-Romeinse rituelen. Dit verbod werd na drie eeuwen opgeheven door keizer Claudius (r.41-54), die het Lentefeest op de Romeinse kalender zette. Een andere aanpassing was de hernoeming van de Grote Moeder: ze was nu de Grote Moeder van de berg Ida, waardoor ze van een algemeen Anatolische geboortegodin een Trojaanse godheid werd. En dus Romeinse verering waardig.

Kybeles strijdwagen (Metropolitan Museum, New York)

Naast het lentefeest van Kybele en Attis vierden de Romeinen de Megalensische Spelen. Op 4 april bracht een hoge stedelijke magistraat, de praetor urbanus, een offer, en daarna waren er feestmaaltijden. Lagere magistraten reden een zilveren cultusbeeld en de heilige steen in een wagen naar het beekje Almo (bij de Via Appia), waar ze het wasten.

De Romeinse volgelingen van Kybele lijken inwijdingsrituelen te hebben gekend. Deze werden geassocieerd met de taurobolium-ceremonie, waarover ik het ook al eens had. Of dit ritueel een Romeinse innovatie was of een overleving uit de Anatolische fase van deze cultus, is onduidelijk, maar er is in elk geval geen bewijs voor dit ritueel vóór de regering van Hadrianus (r.117-138.). Het ritueel werd door christelijke auteurs gepresenteerd als een bloedoffer, wat vrijwel zeker niet klopt,

Kybele op een kroon (Centraal Museum, Utrecht)

De cultus van Kybele is in wat afgelegen gebieden voortgezet tot in de vroege vijfde eeuw. In een van zijn brieven vergelijkt Synesios, een aristocraat uit Libië die nog bisschop zou worden, iemands hoofdtooi met die van Kybele, alsof iedereen de jaarlijkse processie van haar cultusbeeld nog kent. Het is een van de laatste vermeldingen van een cultus die op dat moment al minimaal twee millennia oud was.

#AgorakritosVanParos #AiKhanum #Athene #AttalosISoter #Attis #ClaudiaQuinta #Claudius #Delfi #FiletairosVanPergamon #Frygië #Galaten #Hadrianus #Ida #Kybele #LokroiEpizefyroi #Ostia #Palatijn #Pergamon #Pessinos #praetorUrbanus #Rhea #Rome #SynesiosVanKyrene #taurobolium #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

De Frygiërs van koning Midas

Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.

Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.

Frygiërs in Centraal-Anatolië

Wanneer vond die migratie plaats? Troje VIIb wordt meestal tussen pakweg 1150 en 950 v.Chr. gedateerd: een aanwijzing dat de Frygiërs in de twaalfde eeuw begonnen aan de oversteek van Europa naar Azië. Ze zouden zich uiteindelijk vestigen in het westen van de Anatolische hoogvlakte, maar er zijn aanwijzingen dat Frygische groepen aanvankelijk ook veel oostelijker waren. De Assyrische koning Tiglath-Pileser I (r.1114-1076) verwijst namelijk naar “Muški” die hij versloeg in de buurt van de Eufraat. De Assyriërs zouden deze naam later gebruiken om de Frygiërs aan te duiden. Natuurlijk is het denkbaar dat de Assyriërs een en hetzelfde woord gebruikten voor twee verschillende Anatolische volken, maar het valt ook niet uit te sluiten dat een vroege groep Frygiërs uitzwermde tot aan de Eufraat.

Frygisch aardewerk (Archeologisch Museum, Kayseri)

Misschien vinden we ook in de loop van de achtste eeuw v.Chr Frygiërs in het zuidoosten van de Anatolische hoogvlakte, in Tyana. Het bewijs is echter zwak: het gaat alleen om een man genaamd Mit-ta-a, genoemd in Assyrische bronnen, die dezelfde zou zijn als de legendarische Frygische koning Midas. De naamovereenkomst is opvallend, maar ook niet méér. Over Midas straks meer.

Frygiërs in West-Anatolië

De belangrijkste groep bouwde een koninkrijk in de buurt van Gordion, een kleine honderd kilometer ten westen van Ankara. Een andere groep Frygiërs bleef in de buurt van de Hellespont en clusterde rond het latere Daskyleion. (Er zijn dus eigenlijk twee Frygiës.) Het staat vast dat de immigranten allerlei gewoontes overnamen van de eerdere bevolking, zoals de verering van de grote godenmoeder, die we ook wel kennen als Kybele.

Beeld van Matar (Museum van Gordion)

De Frygiërs van Gordion heersten over een groot deel van westelijk Turkije. Dit koninkrijk had de trekken van een vroege staat, dus geen stamsamenleving. Ruim 250 inscripties bewijzen dat er een geletterde elite was; ook zien we dat de vorsten een internationaal netwerk onderhielden. Er waren contacten met Delfi in het westen, noot Herodotos, Historiën 1.14. en met Urartu en Assyrië in het oosten. Daarmee was Gordion verbonden via de Koninklijke Weg.

De beroemdste koning van Frygië was Midas, die bekend is uit Griekse sagen. Het hoeft niet per se één man te zijn geweest: het kan gaan om een titel. Ook Assyrische bronnen verwijzen naar een Mit-ta-a. Die vertellen dat tijdens diens regeringsperiode de nomadische Kimmeriërs Anatolië binnenvielen. In 710/709 zag Mit-ta-a zich gedwongen hulp te vragen bij de Assyrische koning Sargon II. Helaas bleek dat onvoldoende. In 696/695 pleegde Mit-ta-a, die een veldslag had verloren, zelfmoord. Het moet niettemin een machtig man zijn geweest, die de middelen had gehad om voor zijn voorganger een enorme grafheuvel te laten opwerpen. Een bezoek aan de grafkamer is een hoogtepunt bij elke reis naar Turkije.

De grote tumulus van Gordion

Perzisch Frygië

De Kimmerische plundertochten zorgden voor een halve eeuw van verwarring, waarin Frygië uiteenviel in kleine vorstendommen. Uiteindelijk wist de Lydische koning Gyges (ca. 650 v.Chr.) de orde te herstellen. Een van zijn opvolgers, Alyattes, veroverde het voormalige Frygië – zowel dat rond Gordion als dat rond Daskyleion – en versterkte Gordion. Vanaf nu was Frygië geen politieke eenheid meer maar slechts een geografisch begrip.

Toen de Perzische koning Cyrus de Grote rond het midden van de zesde eeuw Anatolië onderwierp, werd Frygië een satrapie. Of beter: twee, want de ene lag rond Gordion en de andere (“Hellespontijns Frygië”) rond Daskyleion. Er was  continuïteit in de architectuur en de taal (150 inscripties), in de wijze waarop men landbouw bedreef (vooral veeteelt) en in de religie: de cultus van de grote godenmoeder was nog eeuwen te vinden in de stad Pessinos.

Het Perzische garnizoen in Gordion was daar nog in de laatste maanden van 334 v.Chr., toen de Macedonische commandant Parmenion, de rechterhand van Alexander de Grote, de stad bezette. Het verhaal van de Gordiaanse Knoop heb ik al eens verteld.

Frygië maakte nadien deel uit van enkele hellenistische rijken en kwam uiteindelijk in handen van de Romeinen. De regio raakte opgenomen in de grotere wereld en de mensen begonnen de grote talen van de Oudheid te spreken: Grieks en wellicht ook wat Aramees. Het is dan ook verrassend dat er in de vijfde eeuw na Chr. nog mensen waren die nog steeds Frygisch spraken.noot Sokrates, Kerkgeschiedenis 5.23.

#AlexanderDeGrote #AnatolischeTalen #CyrusDeGrote #Daskyleion #Frygië #GordiaanseKnoop #Gyges #HellespontijnsFrygië #historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #Kimmeriërs #KoningMidas #KoninklijkeWeg #Kybele #LuwischeTalen #Lydië #Muški #Parmenion #Pessinos #SargonII #satrapie #TiglatPileserI #Tyana

De Kimmeriërs

Kimmerische of Skythische pijlpunten (Nationaal Museum van Armenië, Yerevan)

De Kimmeriërs, die zijn interessant! En dat is natuurlijk omdat het bewijsmateriaal enerzijds gevarieerd is, zodat allerlei specialisten erbij komen kijken, maar anderzijds tekortschiet, zodat er geen consensus kan ontstaan. Kortom: een fijne puzzel.

Dode Kimmeriërs

Eerste bewijsmateriaal: Griekse poëzie. In de Odyssee vertelt Homeros dat Odysseus, ergens in het verre verre westen, de rand bereikt van de Okeanos, waar de stad en het land van de Kimmeriërs zich bevinden. De zon schijnt er niet, de gebieden zijn eeuwig gehuld in mist en nevel, en “steeds hangt de heilloze nacht om de diep ongelukkige mensen”.noot Homeros, Odyssee 11.14ff. Als dit u doet denken aan het dodenrijk, dan zit u goed, want niet veel later brengt Odysseus inderdaad een bezoek aan die naargeestige plek.

De Kimmeriërs zijn dus westelijke stedelingen en nogal dood, of iets dat erop lijkt. Dat is voor ons ietwat lastig, aangezien alle andere bewijs suggereert dat het gaat om noordelijke nomaden die nogal in leven zijn.

Nomaden in Anatolië

Het tweede bewijsmateriaal bestaat uit de teksten uit Mesopotamië. Diverse teksten uit Assyrië vermelden mobiele groepen die onrust veroorzaken in de noordelijke grensgebieden. Deze Kimmeriërs lijken in de achtste eeuw over de Kaukasus zuidwaarts te zijn getrokken, en bedreigden daar het koninkrijk Urartu (een oude naam voor Armenië). Koning Rusa I rukte tegen hen op, maar werd verslagen. Daarna trokken de Kimmeriërs Urartu binnen, dat ze plunderden tot aan het Urmia-meer.

Later trokken de Kimmeriërs – of een groep Kimmeriërs – westwaarts, waar ze in 710/709 Frygië bedreigden. Koning Mit-ta-a, die u vermoedelijk kent onder de naam Midas,noot Mogelijk is Midas een vorstelijke titel geweest. zag zich genoodzaakt bij de Assyrische koning Sargon II hulp te vragen, maar dat belette de Kimmerische inval niet. Mit-ta-a pleegde in 696 of 695 zelfmoord na een verloren veldslag. Over Frygië horen we daarna weinig meer; de nieuwe macht in Anatolië zou het meer westelijk gelegen Lydië zijn. Wellicht vestigden groepen Kimmeriërs zich op de Frygische hoogvlakte, waar nog altijd nomaden heen en weer trekken.

De Frygische hoogvlakte

Kimmeriërs in Mesopotamië

De Assyrische kronieken vermelden de Kimmeriërs nog vaker. In 679 werd een leider genaamd Teušpa samen met zijn mannen belegerd in een stad genaamd Hubušnu. Later lezen we over Kimmeriërs in de buurt van Ellipi, in Medië en in Elam, vér in het zuiden. De Assyriërs hadden blijkbaar veel tijd nodig om orde op zaken te stellen.

Er zijn speculaties, en ze zijn niet zonder aanwijzingen in de bronnen, dat ontevreden groepen in het Assyrische Rijk samenwerkten met de Kimmeriërs, of in hun aanwezigheid kansen zagen voor het bevorderen van hun eigen agenda. Omdat de Assyrische bronnen na het midden van de zevende eeuw schaarser worden, is op dit punt meer onduidelijkheid dan we zouden willen.

Het westen

Terug naar de groep of groepen in Anatolië. Frygië was ten einde gekomen, Lydië was ontstaan en kreeg te maken met Kimmerische strooptochten. De Lydische koning Gyges wist de eerste aanval af te slaan, maar sneuvelde in 644. Later plunderden de Kimmeriërs ook enkele Griekse steden in Klein-Azië. Uiteindelijk wist koning Alyattes, die u moet plaatsen tussen pakweg 600 en 560 v.Chr., een einde te maken aan deze dreiging.

Archeologie

Archeologen hebben weer ander bewijs. Zij associëren de Kimmeriërs met de zogeheten Chernogorovka-Novocherkassk-cultuur,noot Wie verzint toch zulke namen? die tussen 900 en 650 heeft bestaan op de vlakten tussen de rivieren Prut en Don. Dus zeg maar in Oekraïne, met uitlopers naar Bulgarije. Deze mensen werden vaak begraven met bogen, zwaard en speer, wat suggereert dat ze vochten als bereden boogschutters. Hun kostbaarste bezit bestond uit runderen, waarmee ze als nomaden zwierven over de vlakten.

En nu is het interessant dat Aristeas van Prokonessos – ik noemde hem al eens omdat hij voldoet aan het profiel van een sjamaan – vertelt dat de Skythen de Kimmeriërs hebben verdreven uit Oekraïne. Als dit waar is, zouden we kunnen vermoeden dat de Kimmeriërs op drift zijn geraakt, zuidwaarts over de Kaukasus zijn gegaan en daarvandaan naar Anatolië en Mesopotamië. Het probleem met deze theorie is dat er weinig voorwerpen van de Chernogorovka-Novocherkassk-cultuur zijn gevonden bezuiden de Kaukasus.

Maar ook dat is weer problematisch, want eigenlijk lijken al die steppenomaden nogal op elkaar. Ik zou althans niet goed weten wat het verschil is tussen een Kimmerische en een Skythische pijlpunt. Kortom, het tekstuele en archeologische bewijs is asymmetrisch. Zelf zou ik overigens sowieso liever denken aan “de steppenomaden”, zonder al te specifieke etnische etiketten te willen plakken.

En tot slot: er zijn theorieën dat de auteur van de Odyssee kennis had genomen van een vroeg verhaal over de Argonauten, dat dit verhaal al was gelokaliseerd in Kolchis (het huidige Georgië), en dat de beschrijving van het dodenrijk is geïnspireerd door een groep Kimmeriërs in die regio. Het onvermogen te accepteren dat we inconsistente en dus onvoldoende informatie hebben, lijkt de vader van deze vader van deze gedachte. On n’a pas besoin de cette hypothèse-là.

#Alyattes #AristeasVanProkonessos #ChernogorovkaNovocherkasskCultuur #dodenrijk #Frygië #Gyges #Homeros #Kaukasus #Kimmeriërs #Kolchis #Lydië #Medië #nomadisme #Oekraïne #RusaI #SargonII #Skythen #Turkije #Urartu

Moedergodin

Beeld van Matar (Museum van Gordion)

Bovenstaande foto is niet de mooiste uit mijn collectie. Het beeld staat in het museum van Gordion, even ten westen van Ankara. We bezochten dat deel van Turkije voor het eerst in 2003, toen ik bezig was met de documentatie van mijn boek over Alexander de Grote, en destijds waren de digitale camera’s nog niet zo best. Bij een tweede bezoek stond het beeld niet in de expositie. IJs en weder dienende zal ik echter snel zorgen voor een betere foto, want op de dag dat u dit (in Nederland voorbereide) stukje leest, ben ik opnieuw in Gordion, met een gloednieuwe camera.

Nu maar hopen dat Matar thuis is. Ze is een van de vele Anatolische moedergodinnen, die in dat gebied al sinds mensenheugenis worden vereerd. Er is een beroemd beeldje uit Çatalhöyük, uit pakweg 6000 v.Chr., terwijl we weten dat later “de zonnegodin van Arinna” een zeer belangrijke rol speelde in de cultus van de Midden-Bronstijd. Haar gemaal, “de weergod van Hatti” (een soort Zeus, staand op bergtoppen), was meestal haar ondergeschikte.

Moedergodinnen waren, anders dan men vaak aanneemt, in de oude wereld niet alomtegenwoordig. Dat wil zeggen, er werden wel overal godinnen vereerd en sommige daarvan waren ook moeders, maar in bijvoorbeeld Mesopotamië waren zij niet – of steeds minder vaak – de soevereine Schepper-godinnen die ze wel waren in Anatolië. Daar werden in het eerste millennium bijvoorbeeld Kybele en Leto vereerd, en de Frygische Matar, die hierboven is afgebeeld.  Niet zelden waren ze voorzien van een gemaal, die dan aan haar ondergeschikt was.

Helaas is er een soort zwaan-kleef-aan geweest waarbij al deze godinnen op één hoop werden gegooid. Het is makkelijk zoiets te doen, want ze vertonen inderdaad familiegelijkenis; de Grieken beschouwden ze al als manifestaties van één en dezelfde oergodin; we weten te weinig over de eigenlijke mythologie om de nuances te zien; en dus zijn alle moedergodinnen door negentiende-eeuwse onderzoekers aan elkaar gelijkgesteld. Deze hypothetische moedergodin die alle prehistorische volkeren vereerden, werd vanzelfsprekend uitgeroepen tot het archetype van de christelijke cultus van Maria.

Dit is echter veel te kort door de bocht. We hebben in feite geen idee hoeveel de dames gemeenschappelijk hebben, afgezien dan van het feit dat de Grieken vanaf pakweg de vierde, derde eeuw v.Chr. de neiging hadden ze een zekere exclusiviteit toe te kennen: wie een Moedergodin vereerde, kon de andere goden wel achterwege laten (“henotheïsme”). Het plaatselijke perspectief zou wel eens heel anders kunnen zijn geweest en ik zou zelf deze Matar nog niet meteen gelijkstellen aan pakweg Atargatis, Kybele, de Artemis van de Efesiërs, Leto, Hebat of hoe ze ook geheten mogen hebben.

[Dit was de zevende aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

#ArtemisVanEfese #Çatalhöyük #Frygië #Gordion #henotheïsme #Kybele #moedergodin #Turkije

Kybele in Anatolië

Kybele op een reliëf uit Karchemiš (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

De diverse volken in de Oudheid aanbaden vele, vele goden en godinnen. Een van de allerbekendste was de grote godenmoeder: de godin die ooit de andere goden, de eerste mensen, de dieren en de wilde natuur had gebaard. Kortom: de universele moeder. De mensen in Anatolië, zeg maar het huidige Turkije, vereerden haar onder diverse namen. Uit Hittitische bronnen kennen we haar onder de naam Hepat.

Uit het eerste millennium v.Chr. kennen we bijvoorbeeld de Leto van de Lyciërs en de Artemis van Efese. Matar, Agdistis en Kybele zijn de Frygische namen van de godin. De laatste naam zou gaan vanaf de vijfde eeuw v.Chr. gaan overheersen.

Voor ik verder ga ruim ik nog even een misverstand uit de weg: als godin van de geboorte was Kybele – of hoe we haar ook noemen – niet de godin van de vruchtbaarheid zelf. Een vruchtbaarheidsgodin is geen geboortegodin en vice versa.

Moedergodin uit Çatalhöyük (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Prehistorie?

Het is niet ondenkbaar dat de geboortecultus teruggaat tot de Steentijd. Beeldjes van vrouwen met grote borsten en buiken, gevonden in Çatalhöyük en Hacilar, suggereren dat moedergodinnen al in het zevende en zesde millennium voor Christus werden vereerd. Een Chalcolithisch beeldje van een vrouw in barensnood, gevonden in Mosfilia op Cyprus, kan bewijs zijn voor de verspreiding van deze cultus.

De eerste hoofdwet van de archeologie, dat je alles wat je niet kunt interpreteren maar religieus moet noemen, is echter wel van toepassing. Andere interpretaties zijn zeker denkbaar. Ik wijs er bovendien op dat een religieuze continuïteit van meerdere millennia makkelijker aan te nemen dan te bewijzen is. Oudheidkunde zijnde oudheidkunde en dataschaarste zijnde dataschaarste, weten we weer eens minder dan we weleens denken.

Beeld van Matar (Museum van Gordion; meer)

De Anatolische Kybele

Het eerste onbetwiste bewijs voor de cultus van Kybele, nog steeds Kubaba genoemd, komt uit Karchemiš, een belangrijke Neo-Hittitische stad aan de Eufraat. Een ander vroeg cultuscentrum was de berg Dindymon in het oosten van Frygië. In het nabijgelegen Pessinos, aan de voet van de berg, werd de godin, Matar en Agdistis genaamd, vereerd in de vorm van een grote zwarte steen. (Zo’n steen heet een baetyl en we kennen zulke culten ook uit bijvoorbeeld Oud-Pafos, waar de Cyprioten Afrodite vereerden.) Hoewel Frygië achtereenvolgens werd geregeerd door de koningen van Gordion, door de Lydische koningen in Sardes, door de Achaimenidische Perzen en door de Seleukiden, wisten de priesters van Kybele in Pessinos tot in de Romeinse tijd hun onafhankelijkheid te bewaren.

Misschien introduceerden de Frygiërs, die in de Vroege IJzertijd vanuit Thracië naar Anatolië waren gekomen, aspecten van de Thracische cultus van Dionysos. In elk geval hadden de rituelen voor Kybele een extatisch karakter. Dat was natuurlijk ook passend voor een godin van de wilde natuur. Een van deze rituelen was de zelfcastratie van sommige van de priesters, de galli, die berucht was in de antieke wereld. Ze deden dit om Attis na te doen, de geliefde van Kybele, die zijn geslachtsdelen had afgesneden in een staat van religieuze razernij. Zittend onder een pijnboom was hij doodgebloed. Of deze zelfcastratie altijd werkelijk plaatsvond of eerder symbolisch was, zoals christenen die het lichaam en bloed consumeerden van Christus, is weer eens niet uit te maken. Ik weet het althans niet.

Pessinos

Een van de belangrijkste ceremonies, het best bekend uit Griekse en Romeinse bronnen, werd gevierd aan het begin van de lente, in maart. De vereerders hakten dan een pijnboom om en brachten die naar de tempel. Hier werd de stam versierd met viooltjes, die druppels bloed van Attis voorstelden. De hogepriester sneed dan in zijn arm en offerde zo wat bloed aan de godin. De andere priesters dansten en sloegen zichzelf, totdat druppels van hun bloed waren gevallen op de heilige dennenboom.

[Wordt vervolgd]

#ArtemisVanEfese #Attis #Çatalhöyük #baetyl #Dindymon #EersteHoofdwetVanDeArcheologie #Frygië #galli #Gordion #Hacilar #Hittieten #Karchemiš #Kybele #Leto #Lydië #Mosfilia #NeoHittieten #OudPafos #Pessinos #Sardes #vruchtbaarheidsgodin

Het sterfjaar van Nikolaas van Myra

Nikolaas van Myra redt drie onschuldigen het leven (Antivouniotissa-museum, Korfu)

Nikolaas, de bisschop van de Lycische havenstad Myra, is overleden op 6 december in een onbekend jaar in de vierde eeuw. Dat weten we zeker. Hij is vermoedelijk geboren in Patara, dat iets westelijker ligt. Wanneer hij het levenslicht zag, weten we niet, maar de kerk viert het op 29 juli. (Sint-Nikolaas heeft elk jaar vier feestdagen en de verklaring leest u hier.) En er is zowaar een nieuwtje over de hoogwaardige bisschop: de Italiaanse onderzoeker Gerardo Cioffari, die zijn leven heeft gewijd aan de wetenschappelijke bestudering van de Nikolaas-traditie, heeft een plausibele theorie over het sterfjaar van Nikolaas van Myra geformuleerd. Er is nog geen officiële publicatie, dus ik zeg het allemaal met een slag om de arm.

Het verhaal van de drie officieren

Maar eerst even dit. De oudste bron over het leven van bisschop Nikolaas is de Praxis de stratelatis, wat je kunt vertalen als “het avontuur van de officieren”. De tekst werd tot voor kort rond 400 gedateerd, maar allerlei details, zoals de plaatsnamen in Myra en de namen van functionarissen, blijken accuraat en daarom is nog niet zo lang geleden aannemelijk gemaakt dat de tekst rond 337 moet zijn geschreven. Een Engelse vertaling van die zogeheten “eerste recensie” is hier. In sommige handschriften vinden we een andere versie, die een iets uitgebreider slot bevat, toegevoegd door de auteur zelf.

Samengevat: keizer Constantijn stuurt drie officieren naar Frygië om onrustige Adaifali te pacificeren. Onderweg zijn ze te gast bij de bisschop van Myra en zijn ze ooggetuige van diens ingreep in een strafproces, waarbij een omgekochte magistraat drie onschuldigen dreigt te laten onthoofden. Nikolaas zorgt ervoor dat het recht zijn loop heeft, de officieren reizen verder, brengen Frygië tot rust en keren terug naar Constantinopel. Daar dient iemand een valse beschuldiging tegen hen in. Met wat steekpenningen bewerkt hij dat Ablabios de drie mannen gevangen zet. Die Ablabios is een goede bekende: hij bekleedde van 329 tot 337 een van de vier praetoriaanse prefecturen.

De drie officieren worden zelfs ter dood veroordeeld, maar ze bidden tot Nikolaas, die nog die nacht aan de keizer verschijnt en hem instructies geeft. De keizer grijpt in en uiteraard reizen de officieren, voorzien van keizerlijke geschenken voor de bisschop, af om hun beschermer te bedanken. Het verhaal eindigt met de aalmoezen die ze voortaan distribueren. De tweede versie die ik zojuist noemde, voegt toe dat ze bij aankomst ontdekten dat Nikolaas net was overleden, zodat ze hem vereerden op de begraafplaats.

Wonderverhalen

De mensen in de Oudheid droegen informatie anders over dan wij. Dit is een wonderverhaal en het voldoet aan alle formele kenmerken van het genre: eerst de introductie van de personages, dan een probleem dat menselijkerwijs onoplosbaar is, de climax waarbij de betrokkenen bidden, de ingreep van de wonderdoener en tot slot het verbeterde leven van de betrokkenen. (Antieke wonderverhalen hebben dezelfde vijfvoudige structuur als tragedies.)

Een wonderverhaal “werkt” doordat het de toehoorder verbaast en dus een prettige sensatie bezorgt, en zo op een aangename manier confronteert met het probleem dat de verteller eigenlijk aan de orde wil stellen: in dit geval dat rijke mensen doodvonnissen kunnen kopen. “Onschuldigen worden ter dood veroordeeld,” roept de auteur van de Praxis de stratelatis het publiek toe, “en alleen een wonder kan hen redden”. De luisteraar kan zelf wel bedenken dat wijze bestuurders toestaan dat bisschoppen een oogje in het zeil houden.

Het sterfjaar

Wat hebben wij, op zoek naar het sterfjaar van Nikolaas van Myra, nu in handen? Om te beginnen een synchronisme met Ablabios, die in 329 aan de macht kwam, en met Constantijn, die in mei 337 overleed. Nikolaas is dus tussen 329 en 337 overleden. Verder een reeks gebeurtenissen, vol verifieerbare details, zoals de namen van personen en plaatsen. Maar we kunnen preciezer zijn, want ook de opstand in Frygië is bekend. De naam Adaifali kennen we weliswaar niet, maar het kan alleen gaan om Taifali: een groep “barbaren” aan de Donau, die in 328 door Constantijn was verslagen. Een deel van de krijgsgevangenen was gevestigd in de Romeinse provincie Frygië en kwam rond 335 in opstand.

Dat maakt het “window” heel klein. Onder de aanname dat, afgezien van Nikolaas’ wonderlijke verschijning, de meeste feiten correct zijn, kunnen we als chronologie aannemen dat de officieren in 335 naar de Taifali gingen, in de winter terugkeerden, in de loop van 336 in het gevang belandden en eind 336 of begin 337 door Constantijn (om welke reden dan ook) werden vrijgelaten en afreisden naar Myra. De enige zesde december waarop Nikolaas kan zijn overleden, is dus 6 december 336. Eventueel valt 6 december 335 te overwegen, al proppen we dan wel veel gebeurtenissen in één jaar. Cioffari noemt 337, maar ik begrijp niet waarom. Het veronderstelt namelijk dat we het hardste deel van de traditie, de sterfdatum, laten vervallen; ik houd het dus maar op 6 december 336.

[Met dank aan Marcus Vankan, auteur van het interessante boek Heilige Nikolaas, bruggenbouwer tussen oost en west.]

#Ablabios #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #Frygië #GerardoCioffari #MarcusVankan #Myra #NikolaasVanMyra #Taifali #wonderverhaal

Alexander de Grote in Pamfilië

Syllion

In het vorige blogje vertelde ik hoe Alexander de Grote in de eerste maanden van 333 v.Chr. langs de Lycische kust was getrokken. Na deze tocht kwamen de Macedoniërs aan in Pamfylië, een uitgestrekte vlakte in het zuiden van Turkije, die in het voorjaar even groen is als Holland of Vlaanderen. Net als de Grieken woonden de Pamfyliërs in met elkaar rivaliserende steden en ook hier gold dat de vijand van je buurman je vriend is. Anders gezegd: Alexander belandde in een politiek wespennest.

Het wespennest

Door zich te verbinden met het Lycische Faselis haalde hij zich een conflict op de hals met Termessos, en dat leidde er weer toe dat de Pamfylische stad Perge zich bij de Macedoniërs aansloot, wat op zijn beurt tot gevolg had dat die als vijanden werden beschouwd door de bewoners van Syllion en Aspendos. Met diplomatieke middelen zette Alexander de situatie naar zijn hand. Althans, dat dacht hij.

De Macedoniërs marcheerden verder langs de kust en bereikten de stad Side in het oosten van Pamfylië, waar de bergen, net als in Lycië, weer reikten tot aan de zee. Verder naar het oosten trekken zou betekenen dat Alexanders leger geen contact meer had met dat van Parmenion; en dat zou gevaarlijk zijn, temeer daar de bewoners van het bergland geen aanstalten maakten zich te onderwerpen. Een andere reden om terug te keren was dat de situatie in Pamfylië inmiddels toch uit de hand was gelopen. Dus maakte Alexander rechtsomkeert, maar niet dan nadat hij in Side een garnizoen had achtergelaten dat Pamfylië moest beschermen tegen de bergbewoners. Opnieuw een aanwijzing dat Alexander de gebieden waar hij doorheen trok, wilde behouden.

De rivier Eurymedon in Pamfylië, niet ver van Aspendos

Hij richtte nu zijn aandacht eerst op Syllion, maar begreep al snel dat deze op een tafelberg gelegen stad (zie de foto bovenaan) niet was in te nemen met het kleine leger dat hem vergezelde. Het volgende aanvalsdoel was Aspendos. De bewoners gaven zich over, beloofden extra tribuut te zullen betalen en stonden een stuk land af aan Alexanders bondgenoot Perge.

Gordion

Inmiddels was de winter voorbij en aangezien de Macedonische aanvoerders hadden afgesproken hun legers in Gordion samen te voegen, was het tijd Pamfylië te verlaten en naar het noorden te marcheren. Via Sagalassos (momenteel een opgraving van de universiteit Leuven) trokken de Macedoniërs landinwaarts. Alexander liet zijn jeugdvriend Nearchos achter als satraap van Pamfylië en Lycië en wees daarnaast Antigonos Eénoog aan als de generaal die de verzetshaarden moest opruimen.

Uitzicht vanuit Sagalassos; de troepen van het stadje bezetten bij de nadering van de Macedoniërs de heuvel vooraan.

Alexander zelf vervolgde ondertussen zijn weg naar het noorden. Hij passeerde Pessinos, waar hij zal hebben geofferd aan de Frygische moedergodin Kybele. De Macedoniërs trokken door een weids, hier en daar glooiend, boomloos grasland zoals nergens in Griekenland en Macedonië in deze uitgestrektheid voorkwam. Ik noemde het in het intro van het vorige blogje al. De vlakte was op een grandioze manier verlaten en de doortocht was daardoor niet zonder gevaar: het terrein was immers goed geschikt voor een onverhoedse cavalerie-aanval. Alexander moet dankbaar zijn geweest dat Parmenion het gebied al had beveiligd. Zonder problemen legde het leger ook de laatste etappes af en kwam aan in Gordion.

Frygië

Gordiaanse knoop

Daar, in de oude hoofdstad van Frygië, wachtten Alexander en Parmenion op de aankomst van versterkingen uit het thuisland en op de oogst. Ik heb al eens verteld hoe de soldaten zich verveelden en hoe Alexander besloot hun wat vermaak te bieden. Er was een oude voorspelling dat wie de knoop kon ontwarren waarmee een dissel aan een bepaalde wagen was gebonden, koning zou zijn van Azië. Zoals bekend hakte Alexander, die het niet lukte de knoop los te maken en gezichtsverlies dreigde te lijden, de knoop met zijn zwaard door. De anekdote gaat feitelijk over de wijze waarop het Macedonische oppercommando een exit-strategie ontwierp: immers, “Azië” was ongedefinieerd, en Alexander kon op elk moment zeggen dat de profetie in vervulling was gegaan en opdracht geven tot de terugkeer.

Daar was op dat moment, voorjaar 333, aanleiding toe. Memnon van Rhodos, de Griekse huurlingenleider in Perzische dienst, was met een vloot actief in de Egeïsche Zee. Aangezien op elk Grieks eiland mensen woonden die hadden geprofiteerd van de heerschappij van de grote koning of een andere reden hadden de Macedoniërs te haten, boekte hij snel succes. Chios viel. Op Lesbos belegerde hij Mytilene. Hij naderde de Hellespont, waar hij Alexanders aanvoerlijnen simpel kon afsnijden.

De toekomst

Alexander reageerde op karakteristieke wijze: de aanval. Kort na het doorhakken van de Gordiaanse Knoop gelastte hij zijn verenigde leger om op te rukken, naar het oosten. Hoe het verder ging, heb ik eerder verteld: hij passeerde de Taurusbergen door de zogeheten Cilicische Poort, maakte onder verwarrende omstandigheden contact met het leger van Darius III Codomannus, en overwon. U leest hier meer over de slag bij Issos, die begin november 333 plaatsvond.

Ik vervolg deze reeks over Alexander de Grote begin juli met de belegering van de stad Tyrus. Als u niet zo lang wil wachten, kunt het verhaal ook lezen in mijn boek over de geschiedenis van Libanon, dat op donderdag 12 juni verschijnt en die avond zal worden gepresenteerd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. U bent welkom!

#AlexanderDeGrote #AntigonosEénoog #Aspendos #Chios #DariusIIICodomannus #Frygië #GordiaanseKnoop #Gordion #Kybele #Lesbos #MemnonVanRhodos #Mytilene #Nearchos #Pamfylië #Parmenion #Perge #Pessinos #Side #Syllion #Termessos #Turkije

Alexander de Grote in Lycië

De rotsachtige kust van Lycië

In 2003 reisden mijn zakenpartner en ik Alexander de Grote achterna, dwars door Turkije. Ik heb veel mooie herinneringen aan die reis: Efes pilsen (dat overigens wordt gebrouwen in Izmir), de grafheuvels bij Troje, de weidse vlakte van Frygië, de geuren op de kruidenmarkt in Iskenderun. Maar vooral: de rotsige kust van Lycië. Alexander was hier in de eerste weken van 333 v.Chr., nadat hij veel te veel tijd had verspild aan de zinloze belegering van de havenstad Halikarnassos.

Lycië & elders

De daaropvolgende inname van de havens van Lycië was op zich nuttig, want ooit zou het resterende Perzische garnizoen wegvaren uit Halikarnassos, en als dan ook de Lycische havens niet meer in Perzische handen waren, zou het voor de Perzen lastig worden de Egeïsche Zee te bereiken. Onze bronnen besteden daarom veel aandacht aan Alexanders campagne, hoewel dat niet de belangrijkste Macedonische operatie van dat moment was. Dat was de verovering van het westelijk deel van de Koninklijke Weg, die vanaf Sardes landinwaarts liep, naar de Frygische hoofdstad Gordion. Wie die stad beheerste, had een basis om Anatolië te veroveren. Alexanders generaal Parmenion lijkt Gordion zonder slag of stoot te hebben kunnen innemen. Niet vreemd: de Perzen hadden het garnizoen laten vechten aan de Granikos, en dat hadden de meeste soldaten niet overleefd.

De Perzische tegenmaatregelen hadden, nu koning Darius III Codomannus niet beschikte over een leger in Anatolië, geen militair karakter. Het lijkt erop dat hij probeerde verdeeldheid te zaaien onder de Macedoniërs. In Parmenions leger bevond zich Alexandros van Lynkestis, de man die Alexander als eerste als koning had erkend na de moord op Filippos. Daarmee had Alexandros zich het leven gered, want twee van zijn broers zouden – zo dacht men, in het klimaat van paranoia dat de moord omgaf – betrokken zijn geweest bij de aanslag en waren terechtgesteld. Wegens die executies had hij redenen om Alexander te haten en Darius schijnt hem een vermogen in het vooruitzicht gesteld te hebben als hij de Macedonische koning uit de weg zou ruimen. Parmenion kon niet achterhalen of Alexandros gehoor aan die oproep had willen geven, maar stelde hem in verzekerde bewaring. Toen Alexander bijna vier jaar later afrekende met een samenzwering, ging de terechtstelling van Alexandros in een moeite door.

De troepen van Alexander en Parmenion waren niet de enige Macedonische legers in Anatolië. Een van onze bronnen, Diodoros van Sicilië, vermeldt dat ook andere Macedonische korpsen oprukten naar Frygië. Hun activiteit suggereert dat er nog weerstand tegen de Macedoniërs was. De aanpak van verzetshaarden bewijst echter vooral dat Alexander inmiddels van zins was het gebied te behouden.

Faselis

Alexander zelf was dus in Lycië. De kustweg voerde door een spectaculair, ruig landschap zoals de Macedoniërs nog nooit hadden gezien. Alleen het Tempe-ravijn was van een even rauwe schoonheid, maar dat lag ingeklemd tussen twee bergen en niet tussen een berg en de zee. Alexanders hofpropagandist Kallisthenes vermeldt dat er, toen de Macedoniërs het havenstadje Faselis passeerden, iets wonderlijks gebeurde: de zee zou met omslaande golven een soort knieval hebben gemaakt. Welk natuurverschijnsel bedoeld kan zijn, is onduidelijk, maar dat Azië alvast voor Alexander boog was te mooi om aan het thuisfront te onthouden.

[wordt vervolgd]

#AlexanderDeGrote #AlexandrosVanLynkestis #DariusIIICodomannus #DiodorosVanSicilië #Faselis #Frygië #Gordion #Kallisthenes #Lycië #Parmenion #Turkije

Het rijk van de Lydiërs

De Paktolos

De Lydiërs waren een IJzertijdvolk is het westen van wat tegenwoordig Turkije heet. Ik noem ze op deze blog regelmatig, maar heb nooit uitgelegd wie het nu eigenlijk waren. Dat moet maar eens veranderen.

Mira

Het land van de Lydiërs ligt aan weerszijden van de rivier de Hermos, waar ze hun hoofdstad Sardes bouwden op de plaats waar een ander riviertje zich met de Hermos verenigt: de Paktolos, die goudpoeder met zich meevoert. Met vruchtbaar land, water en goud was het succes van Sardes feitelijk al verzekerd. Al in de Bronstijd had hier een machtig koninkrijk gelegen, Mira, dat als hoofdstad Abasa had gehad, ofwel Efese.

Hoewel Mira aan het begin van de twaalfde eeuw v.Chr. – daar zijn de Zeevolken weer – verdwijnt uit de geschreven geschiedenis, is er aanzienlijke continuïteit tussen Mira en Lydië. De Lydische taal, die we kennen uit ongeveer honderd inscripties, is afgeleid van het Luwisch, dat in Mira de schrijftaal was geweest.

Gyges

De eerste Lydische vorst waarover we horen, was koning Gyges, de stichter van de dynastie der Mermnaden. Zijn regering wordt wel gedateerd tussen 680 en 644 v.Chr., en het laatste jaar is zeker omdat het ook wordt genoemd in een Assyrische bron. Het eerste jaar zal wel nattevingerwerk zijn geweest. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos schrijft dat Gyges de macht greep ten koste van een eerdere dynastie, die ruim een half millennium had geregeerd. Als alle jaartallen kloppen, begon die eerdere dynastie ruwweg waar Mira ophoudt, maar dat is vermoedelijk toeval.

Sardes

In feite is de geschiedenis van Lydië vóór de Mermnaden gewoon onbekend, hoewel de Hermosvallei op een bepaald moment deel moet hebben uitgemaakt van het koninkrijk Frygië, dat zich wat oostelijker bevond. Het ging in het eerste kwart van de zevende eeuw v.Chr. ten onder, toen de Kimmeriërs de Frygische hoofdstad Gordion verwoestten. Gyges zal daarvan hebben geprofiteerd, en kan de Kimmeriërs hebben afgeslagen.

Archeologen hebben vastgesteld dat Sardes in het tweede kwart van de zevende eeuw, dus een generatie na Gyges, al een indrukwekkende stad was met mooie huizen, bedekt met dakpannen. Niet zo vreemd natuurlijk, met een goudrivier binnen handbereik en een havenstad als Kolofon in het westen, aan de Egeïsche Zee. Gestaag wist Gyges zijn macht uit te breiden over westelijk Anatolië.

De Mermnaden

Gyges’ succes was tijdelijk. Hoewel de koning van de Lydiërs zich had verbonden met Assyrië, moest hij toezien dat de Kimmeriërs in 644 terugkeerden. Hij werd verslagen en sneuvelde, maar Sardes bleef veilig en het waren de Griekse steden die de ellende te verduren kregen. Het nieuwe koninkrijk was echter sterk genoeg om de gewelddadige dood van de stichter te overleven. Gyges’ zoon Ardys volgde hem op en begroef zijn vader op de vlakte benoorden Sardes, die in het Turks Bin Tepe heet, “de duizend heuvels”.

Bin Tepe

Ardys ging verder waar zijn vader was gebleven. en zette het beleid van zijn vader voort: met veroveringen en verdragen breidde hij de Lydische invloedssfeer uit. In het westen veroverde hij bijvoorbeeld de Griekse stad Priene en sloot hij een verdrag met Milete. Maar het belangrijkste is dat Ardys – zo lijkt het; er is wat discussie – als eerste muntstukken liet slaan, vermoedelijk omdat een vaste coupure het eenvoudig maakte huurlingen te betalen. Bijna elke munt toont een leeuw, wat waarschijnlijk het heraldische symbool was van de Mermnaden.

Rond 625 v.Chr. volgde Sadyattes zijn vader Ardys op, maar hij is nauwelijks meer dan een naan. Zijn zoon en opvolger Alyattes is veel beter bekend. In het westen kon hij Smyrna veroveren, in het oosten nam hij Gordion en hij maakte ook voorgoed een einde aan de dreiging van de Kimmeriërs. De rivier de Halys, ten oosten van het huidige Ankara, was nu de grens van de Lydische invloedssfeer. Hier stuitte zijn leger op 28 mei 585 v.Chr. op de Meden. Omdat er een zonsverduistering was, werd de strijd afgebroken en aanvaardden beide partijen de rivier als afbakening van hun invloedssferen.

Kroisos versus Cyrus

Alyattes liet zijn rijk – zeg maar de westelijke helft van Turkije – na aan zijn zoon Kroisos, die vrijwel alle nog onafhankelijke Griekse steden aan de Egeïsche kust onderwierp. In Efese bouwde hij het beroemde heiligdom van Artemis, of Artimus, zoals de Lydiërs zeiden. Kroisos’ hof was beroemd om de luxe en pracht; tot degenen die er op bezoek zouden zijn geweest, behoren de Griekse fabeldichter Aisopos en de Atheense staatsman Solon.

Lydische munt

Goudrijk als het rijk van de Lydiërs was, was het een natuurlijk doelwit voor de legers van Cyrus, de koning van Perzië. Als we Herodotos mogen geloven, besloot Kroisos de Perzische aanval vóór te zijn en stak hij de Halys over, Cyrus tegemoet. Hij zou zich hebben verbonden met de farao van Egypte, Amasis, en met de Spartanen in Griekenland. Misschien behoorde ook koning Nabonidus van Babylonië tot de anti-Perzische alliantie.

Cyrus versloeg Kroisos ergens ten oosten van de Halys, belegerde zijn tegenstander in Sardes en nam de stad in vóór de Spartanen of Egyptenaren de Lydiërs te hulp konden komen. De Babylonische Naboniduskroniek maakt duidelijk dat Cyrus zijn tegenstander liet executeren, en de Griekse dichter Bakchylides geeft dat indirect ook aan als hij zegt dat Kroisos was weggenomen naar de mythische Hyperboreërs in het uiterste noorden – naar een paradijselijk dodenrijk, met andere woorden. Een deel van Kroisos’ onderdanen lijkt te zijn gedeporteerd naar Nippur in Babylonië, waar kleitabletten een Lydische gemeenschap vermelden.

[Wordt vervolgd]

#Alyattes #AnatolischeTalen #Ardys #Artemis #Bakchylides #BinTepe #CyrusDeGrote #Efese #EgeïscheZee #Frygië #Gordion #Gyges #Hermos #Hyperboreërs #Kimmeriërs #Kolofon #Kroisos #LuwischeTalen #Lydië #Mermnaden #Milete #MiraBronstijdrijk #muntgeld #Naboniduskroniek #Paktolos #Priëne #Sadyattes #Sardes #schrijftaal #slagAanDeHalys #Zeevolken #zonsverduistering