Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Sarcofaag van Herennius Etruscus, broer van Claudius II Gothicus (Museum Altemps, Rome)

Maar hoe erg was het feitelijk? Een gesneuvelde keizer is natuurlijk een aanwijzing dat het menens was, maar beschrijvingen van “barbaren” zijn sowieso stereotiep en mensen kunnen hun angst voor onoverzichtelijke problemen makkelijk omzetten in vijandsdenken. Deze of gene minderheid geldt dan als de boeman die de schuld krijgt voor een anders slecht benoembaar probleem. Zoals joden, christenen en astrologen nogal eens de schuld kregen, zo ook buitenlandse vijanden.

Dat er wel degelijk iets aan de hand was, blijkt uit muntschatten. In tijden van crisis begraven mensen hun geld, en de ruim 700 schatten uit Bulgarije zijn ongelijkmatig verdeeld: ruimtelijk bezien zijn er meer in het gebied langs de Donau dan in het zuiden, temporeel bezien is de helft te dateren tussen 235 en 270. Het laatste jaar correspondeert met een overwinning van keizer Claudius II Gothicus. (Zijn bijnaam hoef ik niet uit te leggen.) Er is meer bewijs dat de crisis serieus was: keizer Aurelianus (r.270-275) ontruimde de gebieden benoorden de Donau. Moesia was opnieuw een grensprovincie.

Herstel

De vierde eeuw zag herstel, dat meestal wordt geassocieerd met de regering van keizer Diocletianus (r.284-305), die inzag dat er meer dan één keizer moest zijn om op alle plaatsen tegelijk gezag te kunnen uitoefenen. De door hem ingezette hervormingen werden door zijn opvolgers voortgezet, waarvan Constantijn de Grote (r.306-337) de belangrijkste is. Zo werden de provincies opnieuw ingedeeld, waarbij de Thracische gebieden samenkwamen in één zogeheten diocees, dat ook Thracië heette.

Laatantieke keizer (Archeologisch museum, Veliko Tarnovo)

Het muntstelsel werd vernieuwd – in musea zie je dat goudstukken de zilverstukken overvleugelden – en het leger kreeg betere forten, die we kunnen typeren als kastelen. Waren dat aanvankelijk vooral grensforten, in de loop der tijden werden ook de (inmiddels kleinere) steden voorzien van indrukwekkende stadsmuren. Versterkte politieposten bewaakten de wegen, bruggen, mijnen, ateliers en andere strategisch belangrijke plekken.

Voor Thracië was speciaal belangrijk dat Diocletianus zijn residentie plaatste in de stad Nikomedeia aan de Zee van Marmara. Het graan dat nodig was om de stad te voeden, kwam uit de vallei van de Maritsa. Zijn opvolger Galerius nam Thessaloniki als residentie, en ook die stad leefde van Thracisch graan.

De baden van Sofia

Het christendom

Diocletianus beschouwde manicheeërs en christenen als on-Romeins en vervolgde hen jarenlang, maar Galerius maakte daaraan in 311 een einde. Hij deed dit toen hij een bezoek bracht aan de geneeskrachtige baden van Serdica, het huidige Sofia, waar het badhuis in kwestie is geïdentificeerd. Galerius’ opvolger Licinius besloot te gaan samenwerken met de christenen en de dynastie van Constantijn zette dat beleid na 324 voort.

En ook hij koos een residentie: Byzantion, dat later Constantinopel zou heten. Thracisch graan was opnieuw belangrijk. De Via Diagonalis die ik eerder noemde, werd belangrijker dan ooit: het was de weg naar de keizerlijke residentie. Ze heet tot op de dag van vandaag Тsarigradski pieti, de weg naar Tsarigrad, “keizerstad”. Het is geen toeval dat toen in 343 de christenen over hun christologische geschillen discussieerden, ze dat deden in een stad aan deze weg: de Synode van Serdica. Makkelijk bereikbaar over de weg vanuit Constantinopel en via de Donau vanuit het westen. Een van de aanwezigen was Sint-Servaas, de bisschop van Tongeren die in Maastricht zou worden begraven.

Het herstel van Thracië en Moesia Inferior, ingezet rond 270, kwam na een eeuw echter abrupt ten einde.

[Wordt later vandaag afgerond]

#Aurelianus #barbaren #Carpi #ClaudiusIIGothicus #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #CrisisVanDeDerdeEeuw #Decius #diocees #Diocletianus #Galerius #Goten #graan #Licinius #MaximinusThrax #Moesia #muntschat #Nikomedeia #Sarmaten #Serdica #SintServaas #Sofia #SynodeVanSerdica #Thracië #ViaDiagonalis

Nikolaas van Myra, zielzorger

De dood van Nikolaas van Myra (Antivouniotissa-museum, Korfu)

Het is vandaag 1689 of 1688 jaar geleden dat in het Lycische havenstadje Myra de bisschop overleed. Wat deze Nikolaas van Myra  overkwam tijdens zijn hemelvaart, is ronduit spectaculair, maar ik heb het al eens verteld. Vandaag wil ik het hebben over de christelijke gemeenschap die nu op zoek moest naar een nieuwe leider.

Verdeeld en vervolgd

Dat zal een kleine gemeenschap zijn geweest. In de derde eeuw, voordat keizer Constantijn de Grote de christenen tot eenheid dwong, was Christus op allerlei manieren vereerd geweest. Voor de meeste Romeinen – en dus ook voor de bewoners van Myra – was hij een van de vele goden die niet behoorden bij de officiële cultus, maar die je erbij kon nemen als dat je zo uitkwam.

Het staat verder vast dat er in de derde eeuw gelovigen waren die meenden dat als je Christus vereerde, je niet ook andere goden kon vereren. Deze exclusivisten worden in de vakliteratuur wel aangeduid als “proto-orthodox”; de minder radicale vereerders van Christus heten wel “demi-chrétiens”, wat veronderstelt dat alleen de proto-orthodoxen échte gelovigen waren. Dat is nodeloos normatief. Waar het om draait is dat er allerlei vormen van christendom bestonden en dat we niet kunnen weten of de proto-orthodoxe groep die later door de Romeinse overheid zou worden begunstigd, in de derde eeuw al de belangrijkste was. De eigen teksten van de andere groepen zijn immers niet overgeleverd.

Myra zou echter een vreemde havenstad zijn geweest als er niet diverse christelijke groepen waren geweest. Hier legden de Egyptische graanschepen aan – de graanpakhuizen zijn opgegraven – en het is ondenkbaar dat er geen Egyptische ideeën meekwamen: ideeën over een transcendente God die niet de Schepper was, afwijzing van lichamelijkheid, de ambitie godgelijk te worden, een ongemakkelijk gevoel bij de kruisiging van Christus… kortom, opvattingen die ook wel gnostisch zijn genoemd. Tegelijk lag Myra in Anatolië, waar het zogeheten montanisme bestond, een vorm van christendom die het accent legde op het martelaarschap. Voeg een groep toe die sympathiseerde met de joden in de (in 2009 opgegraven) synagoge van Myra, en we hebben, zonder dat we het bewijsmateriaal hebben laten buikspreken, al een stuk of wat soorten christendom.

Ruzies

De in 303 door keizer Diocletianus begonnen vervolging moet haar sporen hebben nagelaten. Er zullen doden zijn gevallen; menigeen zal hebben geofferd aan de oude goden. De verdeelde groepen werden kleiner, als ze al overleefden. In 311 maakte Diocletianus’ opvolger Galerius een einde aan de vervolging, en we kunnen ons de ressentimenten voorstellen tussen christenen die principieel waren geweest en degenen die eieren voor hun geld hadden gekozen. Documentatie voor Myra zelf ontbreekt, maar we weten uit andere delen van het Romeinse Rijk dat de herintegratie van afvalligen (lapsi) een probleem vormde.

Daar kwam het beleid van keizer Licinius nog bij, die na de dood van Galerius besloot de christenen te compenseren voor de vervolging (313). Ik heb al eens verteld hoe dat in Karthago leidde tot een conflict tussen twee bisschoppen die allebei meenden de echte bisschop te zijn en in aanmerking te komen voor het geld. Zoiets speelde niet in elke stad en er is geen aanleiding om ook voor Myra aan een kerkscheuring te denken, maar andere conflicten kunnen er wel zijn geweest. Degene die het geld moest verdelen, moest bijvoorbeeld kiezen tussen herstel van de kerkelijke bezittingen en ondersteuning van families. Je zult maar weduwe zijn geweest, zonder veel bestaanszekerheid, terwijl de bisschop een dure kopiist in dienst nam om een nieuw exemplaar van de Bijbel te maken.

De rol van Nikolaas van Myra

Tot zover de wereld waarin Nikolaas bisschop was. We mogen dan sinds kort een beredeneerd vermoeden hebben over zijn sterfjaar, we weten niet wanneer hij bisschop werd. Als hij lang bisschop is geweest, heeft hij deze problemen meteen na het einde van de vervolging moeten aanpakken; als hij later is gewijd, zal hij de nasleep ervan hebben meegemaakt. Dat zal hem heel wat hoofdbrekens hebben gekost. Hoe kon hij, behorend bij een van de christelijke groepen in Myra, mensen van de andere groepen bereiken en overtuigen?

Het door Constantijn de Grote belegde Concilie van Nikaia schiep duidelijkheid. De proto-orthodoxie werd nu erkend en werd de door de staat gesteunde opvatting. Minimaal vanaf dit moment zal Nikolaas deze opvattingen hebben gedeeld; als hij ervan zou zijn afgeweken, zou hij nooit als orthodoxe heilige zijn erkend. Hij stond na Nikaia ook sterker in de discussie met gnostici en montanisten.

Onze bronnen vermelden geen tegenstellingen binnen Nikolaas’ parochie. Evenmin geven ze aan dat de groep klein was, hoewel de feitelijke groei van het christendom pas net was begonnen. Het ontbreken van deze informatie is logisch. De bronnen zijn meest laat geschreven, toen de triomf van de orthodoxie al compleet was. Nikolaas’ rol als zielzorger interesseerde niemand meer. Maar voor de bisschoppen van zijn generatie moeten de aloude christelijke verdeeldheid en de recente wonden van de vervolging hebben behoord bij de dagelijkse pastorale zorg.

Wat we wel weten is dat de gelovigen bisschop Nikolaas, zoals te doen gebruikelijk, even buiten de stad begroeven. Een klein monumentje zal de plek hebben gemarkeerd. Daar is later de grafkerk gebouwd die tegenwoordig centraal staat in een toeristische mallemolen.

#bisschop #ConstantijnDeGrote #demiChrétiens #Diocletianus #EersteConcilieVanNikaia #exclusivistischeChristenen #Galerius #gnosis #lapsi #Licinius #Lycië #montanisme #Myra #NikolaasVanMyra

Het einde van Valerianus

Valerianus (Archeologisch museum, Izmir)

Een christen zou zijn vijanden lief moeten hebben, maar een christen is ook maar een mens. Neem Lactantius. Kort nadat keizer Galerius in 311 op zijn doodsbed de christenvervolging had beëindigd en nadat diens opvolger Licinius in 313 de christenen compensatie had beloofd voor de door de vervolging toegebrachte schade, publiceerde Lactantius De dood van de vervolgers, waarin hij in geuren en kleuren beschreef hoe de vervolgers aan hun levenseinde waren gekomen. Galerius’ doodsbed zou één lange martelgang zijn geweest, maar Lactantius’ verslag zegt minder over wat er feitelijk gebeurde dan over wat de auteur de vervolger gunde (namelijk hetzelfde lot als jodenvervolger Antiochos IV Epifanesnoot2 Makkabeeën 9.5-9.).

En dan was er keizer Valerianus, die in 253 aan de macht was gekomen in een rijk dat op dat moment in crisis verkeerde. De inflatie gierde de bocht uit. Er waren diverse opstandelingen. De mijnen waren uitgeput. Een gruwelijke epidemie – vermoedelijk iets dat leek op ebola – had al tienduizenden slachtoffers gemaakt. Barbaarse stammen, zoals de Franken en de Goten, braken door. In het oosten was een nieuwe dynastie opgestaan, de Sassaniden uit Perzië, en die was een stuk agressiever dan de eerdere Arsakiden uit Parthen; koning Shapur had Antiochië al geplunderd. De Romeinse wereld leek gedoemd.

Christenvervolging (of zoiets)

Wat had Valerianus gedaan? In plaats van kiezen voor de christelijke god, wat hij volgens Lactantius had moeten doen, had hij de christenen vervolgd. Dat moest wel verkeerd gaan.

De hedendaagse historicus wijst erop dat het met die vervolging, waarmee de keizer hoopte de relatie met de traditionele Romeinse goden te herstellen, eigenlijk wel is meegevallen. Gewone gelovigen bleven in elk geval buiten schot; alleen senatoren kwamen in de kruisharen, en dan alleen nog senatoren die oordeelden dat je Christus uitsluitend mocht vereren door tegelijk andere goden af te zweren, wat destijds (nog) niet de enige vorm van christendom was. We weten niet zeker hoe ernstig de vervolging was, al zijn in de provincies ook niet-senatoren om het leven gebracht.

Hoe dit alles ook zij: voor Lactantius was Valerianus een van de vervolgers. Zo iemand moest dus akelig aan zijn einde komen.

De ondergang van Valerianus

En jawel. In 260 raakten het Romeinse en het Perzische leger slaags in de omgeving van Edessa (het huidige Sanli Urfa). Shapur versloeg Valerianus en nam hem tijdens onderhandelingen gevangen. Dat klinkt als een schending van de diplomatieke gedragscode, maar vanuit Shapurs perspectief was Valerianus de opvolger van keizer Philippus, die zich aan Shapur had onderworpen – en dus was Valerianus een opstandige vazal, geen zelfstandig heersende keizer. Dit is afgebeeld op het beroemde reliëf in Naqš-e Rustam: Philippus onderwerpt zich aan een te paard gezeten Shapur, die Valerianus bij de hand neemt.

Naqš-e Rustam: terwijl keizer Philippus Arabs zich onderwerpt, neemt de Sassanidische koning Shapur keizer Valerianus gevangen.

Lactantius weet wat de krijgsgevangen keizer overkwam.

Telkens wanneer de Perzische koning Shapur zijn wagen of paard wilde bestijgen, beval hij de Romein zich voorover te buigen en hem zijn rug te bieden. Dan zette hij zijn voet op zijn rug en zei met een schampere lach tegen hem dat dit de werkelijke verhoudingen weergaf.noot Lactantius, De dood van de vervolgers 5.3; vert. G.J.D. Aalders.

En daar bleef het niet bij. De vernedering ging zelfs na Valerianus’ dood verder. Nadat in gevangenschap …

… een eind was gekomen aan zijn leven, werd Valerianus gevild en zijn afgestroopte huid rood geverfd om in de tempel van de goden der barbaren geplaatst te worden ter herinnering aan hun schitterende overwinning, en om aan Romeinse gezanten getoond te worden als waarschuwing een niet te groot vertrouwen te hebben in hun eigen strijdkrachten.noot Lactantius, De dood van de vervolgers 5.6; vert. G.J.D. Aalders.

En zo eindigde Valerianus, althans volgens Lactantius, als een soort opgezet dier. Het zegt vermoedelijk vooral veel over wat de christelijke schrijver, getraumatiseerd door de ingrijpende vervolging door Diocletianus en Galerius, keizer Valerianus gunde.

Tot slot

Dat het verhaal over de opgezette keizer wáár is, is niet helemaal uitgesloten, want opstandelingen werden in de Perzische wereld bij hun executie verminkt. Van de andere kant: een realistische vorst behandelde een krijgsgevangen vorst doorgaans respectvol, omdat zo iemand nog eens teruggestuurd kon worden om een burgeroorlog uit te lokken in het buurland.

De Romeinse brug bij Shushtar

Het uiteindelijke lot van Valerianus is onbekend. We weten daarentegen meer over het lot van zijn soldaten, die werden afgevoerd naar Shustar, waar ze een brug bouwden naar Romeins model, en naar Bishapur, waar ze voor Shapur een nieuwe residentie bouwden.

#CrisisVanDeDerdeEeuw #Edessa #Galerius #Lactantius #Licinius #NaqšERustam #PhilippusArabs #Sassaniden #ShapurI #Valerianus

De Europese canon (1-5)

Tijdens keizer Septimius Severus, wiens ereboog u hier ziet, bereikte het Romeinse Rijk zijn grootste omvang

Een tijdje geleden stelde ik een Europese historische canon voor van tweeënveertig vensters en nodigde ik u uit toevoegingen te doen en verbeteringen te suggereren. Tussen vandaag en de Europese verkiezingen van 6 juni zal ik in elf blogjes de uitkomst aan u presenteren: steeds vijf vensters en daarnaast een stukje waarin ik de keuzes verantwoord. Bedenk wel: een canon een didactisch hulpmiddel, geen in steen gehouwen waarheid. Een canon heeft meer te doen met wetenschapscommunicatie dan met wetenschap. Wie liever een canon van de geschiedwetenschap leest, vindt die hier.

Ter zake nu.

Het Romeinse Rijk

Periode: Tot de zesde eeuw / tot 1453

In het krachtige en welvarende Romeinse Rijk, dat rond 202 na Chr. zijn grootste omvang bereikte, woonde ongeveer een derde van de wereldbevolking. Hoe vitaal de toenmalige cultuur was blijkt wel uit het feit dat het imperium bleef bestaan tot 1453 (later meer) terwijl de voornaamste Romeinse talen – het Grieks, het Latijn en het Aramees – nog springlevend zijn.

De voornaamste erfenis, en de reden waarom de Romeinen deel uitmaken van de Europese canon, is echter een andere: bescheidenheid. De Romeinen hadden er geen enkele moeite mee te erkennen dat ze hadden geleerd van andere beschavingen. Ze erkenden het wezenlijk andere. Die bescheidenheid gaven ze door aan het middeleeuwse christendom, dat erkende te staan op de schouders van reuzen, aan de Renaissance en aan het latere Europa. Met een woord van Rémi Brague is bescheidenheid Europa’s “Romeinse weg”.

De kerstening, gesymboliseerd door de doop (Ravenna)

De kerstening

Periode: 96-1000

Het christendom ontstond als joodse sekte, raakte van de andere joden afgesplitst, deed Grieks-Romeinse filosofische bagage op, werd van tijd tot tijd en van stad tot stad vervolgd, tot de keizers Licinius en Constantijn het begin vierde eeuw erkenden als toegestane godsdienst. Tegen het einde van die eeuw was de Romeinse elite, die wist uit welke hoek de wind waaide, overgegaan tot het christendom en langzaam verspreidde het geloof zich.

In de vijfde eeuw begon missionering buiten het Romeinse Rijk (Saint Patrick, Ierland), de post-Romeinse elite werkte samen met de kerk (Clovis, Gallië) en later namen de vorsten in de noordelijke en oostelijke periferie het geloof aan (Harald I van Denemarken rond 965, Vladimir I van Kyjiv 988, Stefanus I van Hongarije 1000).

Goudschat van de Avaren (Nationaal Museum, Boedapest)

De Avaren

Periode: 560-803

Alternatief: de Hunnen (433-469)

Al in de IJzertijd bestond er een geleidelijke migratie van nomadische veetelers vanuit het droge Manchurije en Mongolië over de Altai naar de vochtigere steppe van het huidige Oekraïne. De migrerende groepen zijn bekend onder allerlei namen: Kimmeriërs, Skythen, Sarmaten. Steeds als het klimaat verslechterde, kwamen migranten westwaarts. De golf die in de late vijfde eeuw kwam opzetten diende zich aan als de Hunnen en later als de Avaren.

De meeste van deze groepen desintegreerden al snel, maar het rijk van de Avaren bleef een kwart millennium bestaan. Hun aanwezigheid blokkeerde de landweg tussen het oostelijk en westelijk deel van de Laat-Romeinse wereld. West-Europa raakte gescheiden van het Byzantijnse Rijk.

Inscriptie over waterwerken in Córdoba (Archeologisch museum, Córdoba)

Het emiraat van Córdoba

Periode: 711-1039

De Arabische veroveringen begonnen rond 630 en al begin achtste eeuw viel het post-Romeinse Rijk van Toledo. Niet veel later staken de Arabieren de Pyreneeën over, waar ze een ander post-Romeins rijk, dat van de Merovingen, destabiliseerden. De Merovingische generaal Karel Martel versloeg een Arabisch leger bij Poitiers (732), wat zijn familie het prestige gaf om de macht benoorden de Pyreneeën over te nemen. Zo ontstond de dynastie van de Karolingen, met een ideologie dat zij het christelijke Europa belichaamde, kampend tegen de Saracenen.

Een Arabische burgeroorlog maakte niet veel later een einde aan de expansie en het Iberische Schiereiland scheidde zich af van het Kalifaat. Dit emiraat van Córdoba zou eeuwenlang een van de voornaamste contactpunten zijn tussen de Arabische en West-Europese cultuur.

Een kopiist aan het werk

De Karolingische Renaissance

Periode: Vanaf 795

In 795 dicteerde Karel de Grote de circulaire die bekend is komen staan als de Brief over het cultiveren der letteren. Hiermee organiseerde hij het onderwijs in zijn rijk. In dezelfde tijd begonnen klerken in abdijen op grote schaal antieke teksten te kopiëren. Zo stelden ze het Griekse en Romeinse literaire erfgoed, voor zover nog aanwezig, voor latere generaties veilig.

Het doel van dit cultureel reveille was het opvoeden van de bevolking in christelijke deugden, maar ook teksten van heidense schrijvers werden gekopieerd. Zonder de Karolingische Renaissance zouden wij de Romeinse wereld nauwelijks kunnen kennen.

De Europese canon…

… vervolgt met de verantwoording van de Europese canon, en wordt vervolgd met een blogje over de Volle Middeleeuwen. U blijft op de hoogte van deze reeks (en van alle blogjes) via het WhatsAppkanaal.

1-56-1011-1516-2021-2526-3031-3536-4041-4546-50 #Avaren #Clovis #ConstantijnDeGrote #emiraatVanCórdoba #EuropeseCanon #HaraldIVanDenemarken #Hunnen #IerseMonniken #KalifaatVanBagdad #KarelDeGrote #KarelMartel #KarolingischeRenaissance #kerstening #Kimmeriërs #Licinius #Merovingen #Oekraïne #RémiBrague #RijkVanToledo #Sarmaten #SintPatrick #Skythen #slagBijPoitiers #StefanusIVanHongarije #VladimirIVanKyjiv

Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Circumcelliones

En ze verwierf op zeker moment de steun van de circumcelliones, die voor het eerst rond 320 worden vermeld. Het lijkt te zijn gegaan om arme plattelandsbewoners, meestal dagloners zonder veel bestaanszekerheid, die de ambitie hadden opgegeven normaal werk te vinden. Verder lijken onder de circumcelliones keuterboeren te zijn geweest met schulden die ze niet langer konden aflossen. Augustinus schrijft dat ze werden behandeld als beesten, wat wel verklaart waarom ze zich uit de stads- en dorpsgemeenschappen terugtrokken en zich overgaven aan banditisme. Zouden het Galliërs zijn geweest, ze zouden Bagaudae genoemd zijn geweest, en als het in de Middeleeuwen was geweest, dan was er sprake van een jacquerie.

Het lijkt erop dat toen Constantijns zoon Constans (r.337-350) maatregelen nam tegen de donatisten, dezen antwoordden door de circumcelliones te instrueren om terreurdaden te verrichten tegen de officiële kerk. We kennen twee leiders bij hun (Berber)naam: Axido en Fasir. Hun opstand, die rond 340 plaatsvond, liep volledig uit de hand, want ze richtten zich vooral op de landhuizen van de grootgrondbezitters, waar ze de schuldregisters vernietigden en de bewoners – dat ging in een moeite door – dwongen hun slaven vrij te laten. De Romeinse generaal Taurinus onderdrukte deze opstand.

Ik schreef zojuist “lijkt erop” omdat we geen geschriften hebben van de circumcelliones zelf. Niet alleen waren ze merendeels ongeletterd, maar zelfs al zouden ze teksten hebben geschreven, dan nog zouden ze niet zijn gekopieerd toen de keizerlijke kerk eenmaal het pleit had gewonnen.

Het huis van Optatus in Timgad

Zelfmoordaanslagen

Enkele jaren later, tussen 345 en 347, was er een tweede revolte, die door generaal Silvester werd onderdrukt. Hierna lijken (lijken!) de circumcelliones hun modus operandi te hebben gewijzigd, want we vernemen dat ze heel riskante overvallen deden, waarbij ze zouden hebben gehoopt te sneuvelen, zodat ze als martelaren meteen naar de hemel zouden gaan. Hun aanvalskreet zou Deo laudes! zijn geweest, “Prijs God!” Dit moet rond 390 zijn geweest, en de regie zou in handen zijn geweest van de donatistische bisschop Optatus, wiens huis is opgegraven in Timgad. Een laatste geweldsgolf vond plaats rond 411.

Dat die zelfmoordaanslagen geen fictie zijn, wordt bewezen door vijfenzestig grafstenen die zijn gevonden bij de Jebel Nif en-Nser, niet ver van het Algerijnse stadje Ain M’lila: het gaat om circumcelliones die zich in een kloof hebben geworpen, mogelijk toen ze geen slachtoffers konden vinden om te vermoorden. We lezen ook over ongewapende circumcelliones die bewapende konvooien aanvielen. Wij zouden het suicide by cop noemen. Genadeloos als Romeinse gouverneurs waren, lieten ze de aanvallers vrij.

Jebel Nif en-Nser

Twijfel

Zoals gezegd: we weten het allemaal niet zo zeker. Hun eigen opvattingen kennen we eigenlijk niet en een auteur als Augustinus was vooringenomen. Weliswaar herkende hij de sociale oorzaak, maar hij maakte zich zó grote zorgen om het donatisme dat hij bereid was de overheid te vragen desnoods met geweld op te treden. Augustinus voelde sympathie voor de ontrechten, maar niet voor bondgenoten van de donatistische concurrentie.

Nog iets: het Latijnse woord cella kan ook “graanopslag” betekenen, wat prima past bij een plattelandsbeweging. Je zou de nomaden die bij de oogst kwamen helpen, kunnen aanduiden als degenen die zich bij de silo’s ophouden. Maar deze interpretatie van de naam maakt het lastiger – hoewel zeker niet onmogelijk – de circumcelliones te presenteren als donatistische terroristen.

“Eeuwig vrede voor de katholieke kerk”: anti-donatistische polemiek (Nationaal Museum, Algiers)

In elk geval: ze waren gevaarlijk. Reizigers, en zekere geestelijken in dienst van de keizerlijke kerk, vormden bewapende karavanen alvorens op pad te gaan. Dat zegt echt wel iets. Augustinus kan overdrijven als hij zegt dat de kreet Deo laudes gevreesder was dan het brullen van een leeuw, maar zijn angst was wel degelijk reëel.

Kortom: er zijn wat problemen in de bewijsvoering, maar we mogen de circumcelliones beschouwen als plattelandsrebellen die steeds meer veranderden in de gewapende tak van de donatistische kerk.

PS

De circumcelliones spelen een belangrijke rol in de historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas (2020; bespreking).

#Algerije #Augustinus #Bagaudae #banditisme #Circumcelliones #Constans #ConstantijnDeGrote #donatisme #FransWillemVerbaas #Licinius #Numidië #OptatusVanTimgad #terrorisme #Timgad #zelfmoord

C10 | De droom van Licinius

Licinius (Museum St.-Lazarus, Larnaka)

[Tiende van zeventien blogjes over Constantijn de Grote (r.306-337). Het eerste was hier.]

In mijn vorige blogje legde ik uit waarom Lactantius’ beschrijving van Constantijns overwinning bij de Milvische Brug – met een droom en een overwinning-brengend teken – niet te lezen is als bewijs voor zijn christelijke overtuiging. Er is echter nog een ander probleem. Ongeacht de betekenis van wat er op de schilden geschilderd is geweest, is de voorafgaande droom verzonnen. Ik heb daarover al eens eerder geblogd, maar het kan geen kwaad het in deze reeks nog eens te vertellen. Het blijkt uit wat Lactantius nog meer vertelt.

Na zijn beschrijving van de slag bij de Milvische Brug meldt hij dat Constantijn en Licinius elkaar in februari 313 in Milaan ontmoetten om de bruiloft te vieren tussen Licinius en Constantijns halfzuster Constantia. Profiterend van het feit dat Licinius in het westen was, rukte diens rivaal Maximinus Daia op naar Bithynië, het gebied rond Lactantius’ woonplaats Nikomedeia en naar het daar tegenover gelegen Byzantium.

Licinius versus Daia

Keizer Licinius keerde snel terug vanuit Milaan. Lactantius vertelt dat het leger van Daia groter was dan dat van Licinius: de aanvaller zou wel 70.000 goedbewapende soldaten bij zich hebben gehad, terwijl Licinius beschikte over amper 30.000 man. Dit is de eerste van enkele door Lactantius zorgvuldig geschapen parallellen tussen enerzijds de strijd tussen Constantijn en Maxentius en anderzijds die tussen Licinius en Daia. De tweede overeenkomst is dat waar Maxentius de oude goden via de Sibyllijnse Boeken raadpleegde, Daia steun vraagt van de god Jupiter. De volgende parallel is de hulp die Constantijn en Licinius krijgen van God, een vierde is dat alles op de dag van de troonsbestijging van de verliezende partij plaatsvindt en de vijfde overeenkomst is de vlucht van de verliezende vorsten.

Hier is het verhaal van Lactantius, zoals door Vincent Hunink vertaald in Het visioen van Constantijn (2018).

De nacht daarop verscheen aan Licinius in zijn slaap een engel van God. Die maande hem snel op te staan en te bidden tot de @hoogste God, samen met heel zijn leger; zou hij dat doen, dan was de overwinning aan hem. Na die woorden had hij de indruk dat hij opstond, terwijl de engel die hem had gemaand nog bij hem was en aangaf hoe men moest bidden en in welke woorden.

[er volgt een gebed zonder specifiek christelijke strekking]

De keizer besloot tot een veldslag op 1 mei, de achtste jaardag van Daia’s keizerbenoeming. Zo zou hij uitgerekend op die jaardag verslagen worden, evenals met Maxentius was gebeurd in Rome. Daia wilde eerder actie. Daags tevoren stelde hij ’s ochtends zijn linie op, zodat hij zijn jaardag, de volgende dag, als overwinnaar kon vieren.

Er komt bericht in het kamp dat Daia in beweging is gekomen. De soldaten grijpen hun wapens en gaan hem tegemoet. Tussen beide legers lag een kale, onvruchtbare vlakte, Ergenus genaamd. Beide linies kregen elkaar in het zicht. Dan leggen de soldaten van Licinius hun schilden neer. Ze doen hun helmen af, strekken de handen ten hemel, naar het voorbeeld van hun leidinggevenden, en spreken het gebed uit ten behoeve van de keizer. De ten dode gewijde linie hoort een gegons van bidders. Driemaal spreken zij hun gebed uit, waarna ze vol moed de helmen weer op hun hoofd zetten en de schilden opnemen.noot Lactantius, De dood van de vervolgers 46.

Het Edict van Milaan

De afloop van Lactantius’ verhaal is voorspelbaar: Licinius’ vrome soldaten verslaan de manschappen van Daia, die op de vlucht slaat. Vervolgens bezoekt de overwinnaar Nikomedeia, waar hij op 13 juni 313 verklaart dat de christenen niet alleen vrij zijn hun religie te belijden, maar ook gecompenseerd zullen worden voor de tijdens de vervolging geleden schade. Hoewel deze verklaring dus betrekking heeft op Nikomedeia, is ze bekend komen te staan als het Edict van Milaan, omdat de inhoud in die stad besproken met Constantijn besproken zou zijn geweest. Lactantius rondt zijn verhaal af met de laatste dagen van Daia, die naar het oosten vlucht en zelfmoord wil plegen, maar (tot leedvermaak van de verteller) langdurig pijn lijdt omdat het gif niet naar behoren werkt.

Lactantius de fantast

Als alleen de droom van Constantijn, die bevel krijgt een teken op de schilden van zijn mannen te laten aanbrengen, en de droom van Licinius, die van een engel verneemt hoe zijn soldaten moeten bidden, zouden zijn overgeleverd, was dat genoeg om te concluderen dat er sprake was van topiek: een type-scene ofwel standaardscène in een tekst. Het antieke publiek verwachtte zulke scènes en een oudheidkundige weet dat hij een droom voor een veldslag niet letterlijk mag nemen. Vooral niet als het er twee zijn. En zeker niet als er tussen de twee veldslagen niet minder dan vijf parallellen zijn.

Wat ik maar zeggen wil: het lijkt erop dat Lactantius weinig informatie had over de westelijke veldslag en zijn beschrijving zó construeerde dat de gevechten op elkaar leken. En hij voegde wat dromen toe. Over degenen die desondanks denken dat Constantijn een droom heeft gehad die hem tot het christendom bracht, schreef de Vlaamse filosoof Danny Praet dan ook: het zou fijn zijn als mensen een bron helemáál zouden lezen. Ze zouden dan immers hebben herkend dat twee dromende keizers teveel is om geloofwaardig te zijn.

[Wordt vervolgd.]

#ConstantijnDeGrote #DannyPraet #droom #EdictVanMilaan #Lactantius #Licinius #MaximinusDaia #typeScene

1700 jaar Nikaia (5): de besluiten

Nikaia loste niet alle problemen op; er waren meer concilies nodig. In het Rila-klooster zijn ze allemaal afgebeeld.

Het is maar al te begrijpelijk dat de bisschoppen die aanwezig waren op het Concilie van Nikaia meenden dat de Heilige Geest hen in de juiste richting had geleid. Men was het vooraf oneens geweest over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over de autonomie van de bisschoppen, over de paasdatum en over nog andere thema’s. De bisschoppen communiceerden in het Grieks, maar we moeten niet onderschatten dat de aanhangers van de twee grote scholen van Bijbeluitleg, de Alexandrijnse en Antiocheense, niet zelden dachten in het Egyptisch (Koptisch) en het Syrisch (Aramees).

Persoonlijke ergernissen speelden een rol. Wellicht waren er mensen die zich stoorden aan de rol van de keizer. We beschikken over een door hem bij een andere gelegenheid gehouden toespraak waaruit blijkt dat hij de theologische finesses niet geheel beheerste. (De auteurs van onze bronnen, die Constantijn positief presenteren, maken overigens geen melding van irritaties over zijn rol.) Ondanks alle moeilijkheden eindigde de vergadering met consensus. De keizer had met de ruziënde bisschoppen een enorm risico genomen, maar kon tevreden beginnen aan het regeringsjubileum, de vicennalia, dat hij kort daarna zou vieren. Zoals gezegd heeft de Kerk de ingreep door het wereldlijk gezag geaccepteerd omdat de Heilige Geest zo evident aanwezig was geweest.

De drie grote kwesties

Wat werd er nu eigenlijk besloten? Om te beginnen was er de veroordeling van de opvattingen van Areios. De bisschoppen stemden in met de door Constantijn (of beter: een van zijn adviseurs) voorgestelde formulering dat Christus “één in wezen was met de Vader en uit het wezen van de Vader”. Dit was een compromis, waar voor het moment iedereen zijn eigen uitleg aan kon geven. Het werd vastgelegd door een in Jeruzalem gangbare geloofsbelijdenis uit te breiden met wat zinnetjes die aanhangers van Areios niet over de lippen zouden kunnen krijgen.

Verbranding van Areios’ boeken (negende-eeuws manuscript uit Vercelli)

In de praktijk was de kwestie echter doorgeagendeerd en in de tweede helft van de vierde eeuw was er nogal wat discussie over de vraag of de Vader en de Zoon wezensgelijk of wezensgelijkend waren. Daar zijn nog enkele andere concilies aan gewijd: dat van Constantinopel in 381, dat van Efese in 431 en tot slot dat van Chalkedon in 451. De kwestie is eigenlijk nooit helemaal opgelost. Er bestaan nog steeds nestorianen, wier teksten vooral in het Grieks en Aramees zijn gesteld, en monofysieten, wier literatuur vooral in het Koptisch en Armeens is geschreven.

Bij de tweede grote kwestie, de paasdatum, was de vraag of het feest gevierd moest worden op de kalenderdag (volgens de joodse kalender) of de weekdag (zondag). Dit laatste standpunt overheerste en de besluitenlijst stelt expliciet dat het concilie hier de Romeinse traditie volgde. Bisschop Sylvester mocht dan afwezig zijn geweest, Rome had wel invloed. Het probleem bleef overigens bestaan. Weliswaar was er een heldere definitie, maar er was geen consensus over de berekening van de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Niet iedereen gebruikte namelijk de negentienjarige Cyclus van Meton.

De derde kwestie was geen kwestie: het feit dat het concilie was samengekomen was al een ontkenning van het feit dat bisschoppen als Meletios van Lykopolis volledig autonoom waren. Dat dit een hamerstuk was, wilde niet zeggen dat er niets te regelen overbleef. In Nikaia werd ook de structuur van de kerk vastgelegd. Wat ons brengt bij zaken die verder ter tafel kwamen.

Andere besluiten

We weten van twintig andere tijdens het Concilie van Nikaia genomen beslissingen. Misschien stelde Constantijn ze aan de orde naar aanleiding van de klachten die vóór de vergadering waren geordend in de al genoemde libelli. Weliswaar had hij die laten verbranden, maar niemand zegt dat de keizerlijke kanselarij ook de onderliggende correspondentie heeft vernietigd.

Om te beginnen: de geestelijkheid. De aanwezigen uniformeerden de regels voor de bisschopskeuze en stelden een hiërarchie vast. Drie bisschoppen kregen extra rechten, namelijk die van Alexandrië, Antiochië en Rome. In deze volgorde, die in Latijnse manuscripten overigens andersom is. Later zouden deze drie bisschoppen titels krijgen als “patriarch”, terwijl de aanspreekvorm papa, “paus”, steeds meer voor deze leiders gereserveerd zou worden. Bij latere concilies kregen ook de bisschoppen van Constantinopel en Jeruzalem de rang van patriarch.

Er kwamen regels voor de geestelijkheid. Misdadigers en mannen die zichzelf vrijwillig hadden gecastreerd, waren uitgesloten van het priesterschap. Geestelijken mochten geld uitlenen als dat in het voordeel was van debiteuren, maar mochten zelf geen winst maken op die kredietverstrekking. Omdat ook geestelijken weleens vergissingen konden maken, en omdat ook vergaderingen van geestelijken die een dwalende collega gispten zich konden vergissen, kwamen er beroepsprocedures. Alleen over de seksuele betrekkingen van de geestelijkheid bleek consensus moeilijk. Dit mocht voortaan lokaal geregeld worden.

Bisschoppen die tijdens de vervolging door keizer Diocletianus afvallig waren geweest – lees: die met terugwerkende kracht niet hadden voldaan aan eisen die pas in Nikaia werden geformuleerd – werden uit hun ambt ontzet. Dit lijkt een handreiking te zijn geweest aan de donatisten, maar ze maakte geen einde aan deze kerkscheuring.

Ondanks het streven naar harmonie, eenheid en vrede, had het concilie ook nog wat rekeningen te vereffenen. Het werd bisschoppen verboden om mensen die in andere bisdommen een sanctie hadden gekregen, in dienst te nemen. Niet alleen was dit een verdere aantasting van de bisschoppelijke autonomie, het was bedoeld om mannen als de veroordeelde Areios het leven zo zuur mogelijk te maken. Areios’ aanhangers moesten penitentie doen.

Ook Constantijn stond niet boven ressentiment. Hij had in 324 een burgeroorlog gewonnen en zijn tegenstander Licinius, die in 312/313 de toenadering tot de christenen had geïnitieerd, werd met terugwerkende kracht als afvallige beschouwd. Zijn soldaten moesten eveneens penitentie doen.

Afrondende maatregelen

Mogelijk heeft Constantijn bisschop Makarios van Jeruzalem opdracht gegeven te zoeken op welke plaatsen in zijn stad Jezus was gekruisigd, begraven en opgestaan. Dit staat nergens in onze bronnen, maar het staat wel vast dat keizerin-moeder Helena een jaar later de Grafbasiliek heeft laten bouwen. In Betlehem verrees de Geboortekerk en in Rome liet Constantijn kerken bouwen boven de (veronderstelde) graven van Petrus en Paulus. Een van de keizerlijke paleizen, het Lateraan, deed Constantijn cadeau aan de bisschop van Rome.

Het concilie eindigde met de verslaglegging. Alle bisschoppen moesten de documenten tekenen. Daarna werden de beslissingen met de wereld gedeeld. We weten van een door het Concilie naar Egypte verstuurde brief over de drie grote kwesties en van twee keizerlijke brieven. De ene was gericht aan Alexandrië, waar Areios vandaan kwam, en de andere was een circulaire over de paasdatum die naar elk bisdom werd verstuurd.

Bij hun vertrek kregen de bisschoppen nog geschenken mee. Maar niet iedereen was zo gelukkig. Twintig bisschoppen hadden moeite met de beslissingen. Onder dreiging van ballingschap tekenden zestien van hen alsnog de notulen, maar de resterende vier moesten hun stad verlaten. Daar kwamen er later nog twee bij. Het Concilie van Nikaia had eenheid gebracht, maar zelfs met een gemanipuleerde gastenlijst waren sancties nodig.

[morgen meer]

#Areios #ballingschap #bisschop #christenvervolging #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #CyclusVanMeton #Diocletianus #donatisme #donatisten #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Licinius #MakariosVanJeruzalem #MeletiosVanLykopolis #paasdatum #SintJanVanLateranen #SylvesterI #Synodikon

🪔 #OnThisDay in 316 AD #Licinius was defeated at Cibalae (today Croatia) by Constantine I. It was the first in the series of battles between co-emperors and rivals which has ultimately led to the ultimate defeat - and murder - of Licinius at the Battle of Chrysopolis in AD 324. On the photo - solidus of Licinius from the Bode Museum in Berlin. 📸 Me