Het vierkinderenrecht

Reconstructie van het beeld van keizer Augustus uit Primaporta (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

De huwelijkswetgeving lag keizer Augustus na aan het hart. We weten niet waarom precies, maar zijn hele regering lang heeft hij geprobeerd de relaties tussen man en vrouw te reguleren. Uit het jaar 18 v.Chr. dateert de Lex Julia de maritandis ordinibus, die bepaalde wie met wie konden trouwen. Vermoedelijk uit hetzelfde jaar dateert de Lex Julia de adulteriis coercendis, ofwel een wet tegen overspel. Wellicht hingen deze wetten samen met de afkondiging van een “nieuwe era” in het daaropvolgende jaar.  We lezen verder over wetgeving de pudicitia, betreffende de openbare zeden.

Hoe belangrijk dit thema was voor Augustus, blijkt wel uit het feit dat hij niet alleen het burgerlijk recht maar ook het strafrecht inzette. Bovendien bleef hij erop terugkomen: alsof drie wetten nog niet genoeg waren, herhaalde hij de wetgeving het in 9 na Chr., al liet hij het indienen toen over aan de twee consuls. Deze wet staat bekend als de Lex Papia et Poppaea, die de maatregelen uit de eerstgenoemde wet aanvulde en aanscherpte.

Het doel van zowel de Lex Julia de maritandis ordinibus als de Lex Papia et Poppaea was om mensen te laten trouwen. Liefst ook met de juiste mensen: senatoren en hun kinderen konden niet al te ver beneden hun stand trouwen, en zeker niet met vrijgelatenen. Dat aspect was vermoedelijk voor de standsbewuste Romeinen het belangrijkste, maar ik ben in dit blogje meer geïnteresseerd in de wettelijke prikkels om te trouwen. Ongetrouwde mensen mochten bijvoorbeeld bepaalde voorstellingen niet bijwonen. Ook legden deze wetten straffen op bij celibaat en kinderloosheid. Wie zijn of haar partner verloor en niet snel hertrouwde, kreeg te maken met beperkingen in het erfrecht.

Vierkinderenrecht

Het bestraffen van kinderloosheid was harteloos. Het trof immers ook mensen die dolgraag kinderen wilden maar ze niet krijgen konden. Zulke mensen ook nog eens straffen was oneerlijk en daarom schafte de Lex Papia et Poppaea de straffen af en verving ze door beloningen voor wie wel kinderen had: het ius III vel IIII liberorum, “het recht van de drie of vier kinderen”. Een man met vier kinderen kreeg voorrang als hij zich kandidaat stelde voor een ambt en de moeder van vier kinderen mocht haar eigen bezittingen zonder voogd beheren. Behoorden de ouders tot de senatoriële stand, dan kreeg zo iemand deze privileges als ze drie kinderen hadden.

Tot zover het principe: extra rechten bij vier kinderen, en voor the happy few al bij drie. En toen kwamen de complicaties. De Romeinse rechtsgeleerde Julius Paulus, die u moet plaatsen aan het begin van de derde eeuw na Chr. biedt een overzicht.noot Paulus, Sententiae 4.9. Als een kind later overleed, telde het niet mee. Een echtpaar kon het vierkinderenrecht dus weer verliezen. In feite werd het principe hier dus aangescherpt: “een kind” werd “een levend kind”. Dat een echtpaar een miskraam niet mocht laten meetellen lag hierna voor de hand. Als een vrouw beviel van een monstruosus, dus een kind met een wonderlijk uiterlijk, telde het niet mee. Opnieuw een aanscherping: het gaat dus niet meer om “een kind” maar om “een normaal kind”.

Versoepeling versus verscherping

Er zijn ook een paar bepalingen waar een zekere soepelheid uit blijkt. Dezelfde Paulus noemt bijvoorbeeld dat de kinderen uit verschillende huwelijken afkomstig mogen zijn.noot Paulus, Sententiae 16.3.4. (Het kon dus zijn dat de ene partner een recht had dat de andere niet bezat.) Maar over het algemeen lijkt de jurisprudentie de bepalingen vooral te hebben aangescherpt.

Deze interpretatierichting, in de richting van steeds grotere scherpte, heeft een verklaring. Daarover binnenkort meer.

#Augustus #huwelijkswetgeving #interpretatierichting #JuliusPaulus #LexJuliaDeAdulteriisCoercendis #LexJuliaDeMaritandisOrdinibus #LexPapiaEtPoppaea #RomeinsRecht #Senaat #vierkinderenrecht

Vragen rond de jaarwisseling (1)

Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

Fresco van een duiker (Paestum)

Is de beroemde schildering van de duiker uit Paestum, gemaakt rond 475 v.Chr., Grieks, Etruskisch of Graeco-Etruskisch?

Je kunt zeggen dat een scheppend kunstenaar autonoom is en uit de diverse tradities neemt wat hij nodig heeft, maar dat roept de vraag op welke tradities dat zijn. En of we die tradities eigenlijk wel kennen, want we kennen uit de Griekse wereld weinig dat hier op lijkt. Ik legde de vraag voor aan Ruurd Halbertsma, die voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie maakte over Paestum. Hij schreef:

De bekende ‘Tombe van de duiker’ blijft een Fremdkörper in de archeologie van Zuid-Italië. Het is tot nog toe de enige gedecoreerde graftombe uit de Griekse periode van Poseidonia/Paestum die we kennen. De twee lange wanden tonen vier ligbedden (klinai), waarop zes symposiasten zijn neergevleid, bezig met muziek, zang en liefkozingen. Een van de korte zijden laat de aankomst (of vertrek?) van de twee andere gasten zien, op de andere korte zijde is een jongen bezig met het uitschenken van de wijn. Op het deksel van de tombe is een naakte jongen afgebeeld, die vanaf een soort duiktoren een duik neemt in het water. Over de interpretatie is al veel inkt gevloeid. Het meest plausibel lijkt mij dat hier de geneugten van de jeugd worden gevierd. De duik als symbool van de overgang van leven naar dood wordt in de literatuur ook vaak genoemd, maar wordt op geen enkele manier gesteund door bijvoorbeeld literaire parallellen met een dergelijke beeldspraak als inhoud.

De beste parallel voor de afbeelding is te vinden in de necropool van Tarquinia, in de Tombe van de Jacht en Visserij, ca. 520-510 v.Chr. Tussen al het jagen en vissen duikt een jongen vanaf een rotspunt de zee in, ook in de Etruskische wandschilderkunst een unicum. Nu hadden de Grieken uit Poseidonia wel contacten met de Etrusken, maar dat waren de Campaanse Etrusken, die aan de overkant van de rivier de Sele woonden. Hun hoofdstad, die onder het huidige Pontecagnano ligt, werd door de Romeinen in de Derde Samnitische Oorlog verwoest. Of het beeld/imago van de duiker in Poseidonia beïnvloed is door een kunstuiting helemaal ten noorden van de Tiber lijkt mij onwaarschijnlijk. Er werd door Grieken én door Etrusken voor het plezier gezwommen en gedoken, zoals jongetjes rondom de Middellandse Zee dat nog steeds doen, zoveel is zeker. En dat plezier zien we terug in de graven, naast de jacht, de muziek, de zang, de wijn en de seks. Kortom, laten we de ‘Tombe van de duiker’ maar gewoon Grieks blijven noemen!

De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

Waren er overeenkomsten tussen Tamuda (in Marokko) als grensgebied en de limesstreek in Nederland?

Zoals zo vaak is het drievoudige antwoord: “ja” en “nee” en “we weten het niet”. Ja, want alle grensgebieden kennen dezelfde problematiek:

  • je moet niet ten onrechte welwillende bezoekers buitensluiten
  • je moet niet ten onrechte vijandelijke bezoekers toelaten.

Voor de Romeinse wereld geldt hierbij als bijzonderheid seizoenmigratie en nomadisme, thema’s die voor de Nederlandse limes wat onderschat en voor de Maghreb wat overschat lijken te zijn. Tot zo ver het “ja”.

Nee, want de limes langs de Rijn is langs een grote transportader door het vruchtbare vlakke land, terwijl in de Maghreb de vruchtbare gebieden in het voorland liggen, en er bergen zijn.

Tot slot “we weten het niet”. We weten niet of de Romeinen één visie hadden op strategie, die aan alle grenzen dezelfde was, of dat de rijksverdediging steeds werd aangepast aan de omstandigheden. Voor zover ik weet zijn er argumenten voor beide standpunten.

Codex Justinianus met Accursische glossen en in miniletters aanvullend commentaar (Limburgs Museum, Venlo)

In de Oudheid waren er allerlei, meest ongeschreven rechtssystemen in ons land. Later zijn stedelijk, gewestelijk en nationaal recht ontstaan. Sinds wanneer is er sprake van nationale rechtssystemen en lijkt de ontwikkeling in ons land op die in bijvoorbeeld Duitsland?

Voor zover mij bekend bestonden in het Romeinse Rijk inderdaad vooral ongeschreven rechtssystemen met daarnaast een geschreven traditie, waarvan we niet weten in welke mate die ook het leven reguleerde van gewone Bataven of Nerviërs. Dat geschreven rechtsstelsel is gecodificeerd in Beiroet en later, ten tijde van Justinianus, nog een tweede keer in Constantinopel. Deze Byzantijnse codificatie is rond 1200 in West-Europa ingevoerd en zou, samen met de standaardglossen van Accorso di Bagnolo de standaard zijn voor voor de nationale rechtssystemen.

Let wel: rond 1200 waren er nog geen nationale staten.noot Ik vertik het om dat nieuwe anglicisme “natie-staat” te gebruiken. In de zestiende eeuw streefden de overheden naar eenheid (bijv. de Pragmatieke Sanctie van 1549), maar het verzet van de gewesten tegen deze centralisatiepolitiek was fel. Ik denk dat we in West-Europa pas kunnen spreken van nationale rechtssystemen vanaf pakweg 1800.

Nederland en België waren rond 1830 wel zo’n beetje klaar, maar Duitsland werd pas in 1870 een eenheid, en ik meen te weten dat er pas in 1900 één rechtsstelsel was. In elk geval kon je in het Duitse Rijk tot 1899 een vonnis vragen volgens Romeinse regels.

Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

Wat weten we eigenlijk over Germaanse en Frankische naamgeving voor personen?

Daarover blogde ik hier. (De vragensteller had vervolgvragen die ik niet zo 1-2-3 kan beantwoorden, sorry.)

Allegorie op de wetenschap (Berliijn)

Waarom bestuderen we de Oudheid? … Waarom heb jij voor de Oudheid gekozen?

Waarom ik dit vak heb gekozen? Stom toeval. Ik had het verkeerde vakkenpakket om nog tropenarts te worden, en toen ik eenmaal was verlost van de militaire dienst, was de inschrijving voor Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam al gesloten. Die van Geschiedenis aan de Vrije Universiteit was nog open.

Waartoe dient de wetenschappelijke bestudering? Eén reden is dat dingen in de Oudheid zijn ontstaan die nog steeds het geval zijn, zoals het idee dat je niet én joods én christelijk kunt zijn, en maximaal één godsdienst kunt hebben: dat gaat terug op de implementatie van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. Als je eenmaal weet dat iets onder specifieke omstandigheden is ontstaan, kun je je er ook van distantiëren. Het staat u vrij tegelijk moslim en katholiek te zijn, daar gaat Domitianus niet langer over. In die zin is oudheidkunde een bevrijdend, emancipatoir vak.

Veel van die “ontstaan-claims” zijn overigens niet sociaalwetenschappelijk en overtuigend te bewijzen. En bovendien is het ontstaan van iets minder belangrijk dan het hedendaagse functioneren. Dus dit is geen heel sterke rechtvaardiging van de bestudering van het tijdperk.

Een tweede, hiermee verwante rechtvaardiging is dat we zo nu en dan antieke ideeën kunnen reconstrueren en spiegelen met de onze. Wat een Aristoteles beweerde over vrouwen, zou in onze tijd ondenkbaar zijn, en roept de vraag op waarom wij zo anders denken.

En dan is er nog het aspect waarop Rens Bod zo vaak attendeert: de modellen waarmee geesteswetenschappers hun onderzoek doen, beschrijven de werkelijkheid niet alleen maar vormen die ook. Ze hebben zélf agency. Ik adviseer iedereen om De vergeten wetenschappen te lezen. Oudheidkundig voorbeeld: de reconstructie van de Indo-Europese taalfamilie schiep het nationalisme in een voor ons herkenbare vorm.

Tot zover de officiële redenen, waarmee de subsidiëring valt te rechtvaardigen. De voornaamste reden is echter een andere: het contact met het verleden is gewoon leuk. Net zoals het bijwonen van het North Sea Jazz festival, een vakantie in Limburg, een bezoek aan Museum Arnhem of het lezen van een roman, behoeft een liefde voor de Oudheid voor het niet-gesubsidieerde deel der mensheid geen rechtvaardiging.

[Morgen meer]

PS

Ik deel altijd petities als oudheidkundige instellingen worden bedreigd, wat zo elke twee à drie maanden gebeurt. Soms pakt het gelukkig goed uit: de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft aardwetenschappen (met een belangrijk isotopenlaboratorium) niet beëindigd.

#AccorsoDiBagnolo #agency #DerdeSamnitischeOorlog #Domitianus #FiscusJudaicus #Lucaniërs #nomadisme #Paestum #Redbad #RensBod #RomeinsRecht #schilderkunst #seizoensmigratie #speelfilm #Tamuda #vragenRondDeJaarwisseling

Romeins Recht (3): Justinianus

Modern standbeeld voor Ulpianus (Tyrus)

In het eerste stukje legde ik uit dat het Romeins Recht uiteenlopende bronnen had en in het tweede stukje toonde ik hoe rechtsgeleerden steeds meer zochten naar systematiek. Rond het midden van de derde eeuw na Chr., toen het Romeinse Rijk door een crisis ging, kwam er een tijdelijk einde aan deze rechtspraktijk. Wat dit in feite betekende, is moeilijk te achterhalen, maar het is opvallend hoe weinig documentatie we hebben uit deze periode. Vermoedelijk dateren de eerste codices, privéverzamelingen voor deze of gene provincie, uit deze tijd. Het was pas keizer Constantijn die zich weer om het Romeins Recht bekommerde en enkele rechtsgeleerden aanwees wier adviezen voortaan rechtskracht hadden. Dit staat bekend als de Citeerwet maar feitelijk was het een constitutie of, zo u wil, een decreet.

De vierde en vijfde eeuw

De tweede helft van de vierde eeuw is wel getypeerd als een renaissance en inderdaad werden allerlei oude teksten gekopieerd. Dat gold ook voor rechtsgeleerde teksten: ze werden, soms als samenvatting en altijd met aanpassingen (bijvoorbeeld aan het vernieuwde muntstelsel), opnieuw gepubliceerd. Sommige compendia hebben we over, zoals de Sententiae (“adviezen”) van Julius Paulus van Emesa en de Epitome (“samenvatting”) van Ulpianus van Tyrus. Deze laatste was overigens juridisch adviseur geweest van de keizers Caracalla (r.211-217) en Severus Alexander (r.222-235). We hebben zijn werk dus over in een vierde-eeuwse vorm. Ongetwijfeld zijn die benut in de rechtsscholen, zoals de beroemde instelling in Beiroet, dat zich tot op de huidige dag presenteert als nutrix legum, “de voedster van de wetten”.

In de derde eeuw en vroege vierde eeuw was er nogal wat wildgroei geweest. De leraren van de rechtenfaculteit in Beiroet namen het voortouw bij de herordening van het corpus aan wetten, constituties, decreten en andere regels. Een zekere Cyrillus schreef een systematische uitleg van alle juridische definities en zijn opvolgers adviseerden de keizer in Constantinopel. Er waren ook invloeden vanuit het joden- en christendom, zoals te vinden in de Collatio Legum Mosaicarum et Romanarum, waarin de wetten van Mozes naast het Romeinse recht worden geplaatst.

Keizer Theodosius II (r. 408-450) begreep hun verlangen naar één, systematisch geordend stelsel en gaf opdracht tot een codex van alle keizerlijke constituties sinds de regering van Constantijn de Grote. Deze Codex Theodosianus, gepubliceerd in 438, is zeer invloedrijk geweest. Na de desintegratie van het Romeinse bestuur in West-Europa waren er speciale edities voor de opvolgerstaten in Gallië (het Breviarium Alaricianum en de Lex Romana Burgundionum), op het Iberische Schiereiland (de Lex Romana Wisigothorum en het ambitieuze Forum Iudicum) en Italië (Edictum Theodorici).

Justinianus

Het Romeinse Recht zal echter voor altijd verbonden zijn met keizer Justinianus, die in 527 aan de macht kwam en onmiddellijk opdracht gaf tot codificatie van het volledige rechtssysteem. Het Corpus Iuris vormt het hoogtepunt van een juridische traditie die een ruim millennium eerder was begonnen met de Wetten van de Twaalf Tafelen.

Een team van tien rechtsgeleerden onder leiding van Tribonianus moest “selecteren wat nuttig was” in de handboeken, monografieën en commentaren uit de tweede en derde eeuw, alsmede de recentere compendia. “Herhalingen en tegenstrijdigheden moesten worden vermeden”, “alles wat onvolledig, onnodig of verouderd was, moest worden gewist” en de teksten moesten indien nodig worden geactualiseerd.

Het Corpus Iuris bestaat uit vier delen. Het omvangrijkste deel staat bekend als de Digestae. In vijftig boeken, onderverdeeld in titels, hoofdstukken en paragrafen, wordt elk denkbaar onderwerp behandeld. Omdat Justinianus dit uitdrukkelijk had geëist, moesten de namen van de oorspronkelijke rechtsgeleerden worden genoteerd. Een moderne verwijzing naar “Ulp., D. 50.15.1. pr.” betekent dat een opinie van Ulpianus wordt bedoeld, te vinden in het vijftigste boek van de Digesten, titel vijftien, hoofdstuk één, in de proloog. In de betreffende passage valt te lezen dat verschillende steden in Syrië de rang van colonia combineerden met Italiaanse rechten, en dat Ulpianus’  geboorteplaats Tyrus er één van was, omdat het de nobelste stad van allemaal was, heel oud, zeer betrouwbaar in de naleving van verdragen en uiterst loyaal aan Rome. Dat deze lofzang behouden is gebleven, suggereert dat Tribonianus’ team niet alles heeft gewist wat niet nodig was.

Tegelijk met de Digesten verscheen het handboek Institutiones, dat gebaseerd was op het al genoemde handboek van Gaius. Op twee nieuwe publicaties volgde de Codex Justinianus, een uitgebreidere versie van de Codex Theodosianus met keizerlijke constituties. Constituties die na de publicatie van deze drie teksten zijn verschrenen, zijn opgenomen in de Novellae. Die zijn gepubliceerd in het Grieks.

Romeins Recht als historische bron

Samen staan deze vier teksten – Institutiones, Codex, Digestae, Novellae – bekend als het Corpus Iuris. Voor een historicus vormt het hierin beschreven Romeins Recht een ware goudmijn. Hier hebben we een grote hoeveelheid wetgeving, relevant voor de Late Oudheid, maar gebaseerd op oudere regelgeving, die we vaak kunnen reconstrueren.

Bovendien bieden de Digesten inzicht in kwesties die juridisch advies vereisten, zodat we veel vernemen over de dingen die er voor de Romeinen werkelijk toe deden. Af en toe herken je de persoonlijkheid van een juridisch expert. Het zegt veel over het gevoel voor humor van Julius Paulus dat hij, in zijn commentaar op een wet die overspel bestrafte met verbanning naar een eiland, adviseerde de veroordeelden te sturen naar twee verschillende eilanden.

Tot slot: een van de grote vragen is hoe de Digesten in slechts drie jaar tot stand hebben kunnen komen. De verklaring is vrijwel zeker dat er een oudere collectie is geweest in de rechtsschool van Beiroet. We moeten het materiaal daarom met enige voorzichtigheid benutten. De originele teksten zijn geschreven in Italië, de eerste collectie was relevant voor Beiroet en Justinianus voerde deze opnieuw voor de Romeinse wereld van de zesde eeuw. Ik zou de informatie uit de Digesten dus niet zomaar extrapoleren naar pakweg Romeins Nijmegen of Tongeren.

[Met dank aan Sidney Smeets]

#beiroet #breviariumAlaricianum #caracalla #codexJustinianus #codexTheodosianus #collatioLegumMosaicarumEtRomanarum #constantijnDeGrote #corpusIuris #edictumTheodorici #forumIudicum #juliusPaulus #justinianus #lexRomanaBurgundionum #lexRomanaWisigothorum #libanon #romeinsRecht #severusAlexander #theodosiusIi #tribonianus #tyrus #ulpianus

Stedelijke rechten

Agrippa, de stichter van Nijmegen (Altes Museum, Berlijn)

Ik had er eigenlijk niet over willen bloggen, maar het onderwerp dook in vier dagen drie keer op: wat is de oudste stad van Nederland? Die vraag leeft nogal in Maastricht (dat ooit toeristen lokte met de slagzin “Maastricht staat op zijn Romeinse verleden”), in Nijmegen (dat elk decennium een ander stichtingsjaar heeft en in Tongeren (waar alle bewijs bestaat uit een inscriptie die niemand ooit heeft gezien).

De eeuwige negentiende eeuw

Als ik het goed zie, is het in feite een negentiende-eeuws discussie. Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, is er te weinig informatie over de oude wereld en spelen de vooronderstellingen van de oudheidkundige een belangrijke rol bij de interpretatie van de schaarse data. Dat is de aard van het vak, maar als je niet oppast neem je de vooronderstellingen van je voorgangers over. En dat lijkt hier te zijn gebeurd: in de negentiende eeuw ging men ervan uit dat er zoiets was geweest als Romeins stadsrecht, zoals dat in de Middeleeuwen ook had bestaan.

Ten dele is dat waar. De Romeinen verleenden weleens aan een gemeente de rang van colonia, wat wilde zeggen dat zo’n stad een miniatuur-Rome werd. Alle burgers kregen het Romeinse burgerrecht en de stad kreeg een Capitool-tempel om de voornaamste Romeinse goden gepast te vereren. In steden als Keulen en Xanten is aan de burgers dus een rechtenpakket toegekend. Dat lijkt inderdaad wat op de middeleeuwse stedelijke privileges.

Municipia en naamsveranderingen

Er zijn echter nog twee verschijnselen. Om te beginnen gaan in de loop van de Keizertijd steeds meer gemeentes zichzelf aanduiden als municipium. Daarnaast is er een gewoonte dat steden de naam van de vorst aannemen: Nijmegen gaat zich aanduiden als Ulpia Noviomagus (naar keizer Marcus Ulpius Trajanus) en Voorburg wordt Forum Hadriani (naar keizer Hadrianus).

Deze gegevens zijn (voor zover ik kan nagaan: in de jaren twintig van de vorige eeuw) samengebracht in een soort theorie-van-alles. Volgens die theorie zou het Romeinse staatsbestel drie rangen van gemeentes hebben gekend.

  • Er waren civitates, wat zowel “stad” als “stam” kan betekenen; de Griekse stadstaten (poleis) hadden vergelijkbare rechten;
  • civitates en poleis konden de municipium-status verwerven, wat inhield dat de burgers een lager soort burgerrecht kregen (het Latijnse burgerrecht);
  • en tot slot konden ze colonia worden.

Daarnaast konden gemeentes gelden als bondgenoot of worden vrijgesteld van belastingen, zodat er een enorme verscheidenheid was aan rechtenpakketten. Verdeel en heers.

De problemen

Tot zover de reconstructie. Er waren complicaties. Er was bijvoorbeeld de vraag of een naamaanpassing – zoals Nijmegen dat zich Ulpia Noviomagus ging noemen – eigenlijk wel duidde op een statusverandering. Het twintigste-eeuwse Nijmegen heeft die vraag met ja beantwoord. De stad kreeg dus een Trajanusplein met een beeld van keizer Trajanus, omdat men ervan uitging dat de naamsverandering duidde op de verlening van stadsrechten. Maar dat is dus allerminst zeker.

Een tweede complicatie is dat er slechts één verlening van een municipiumstatus expliciet is gedocumenteerd. Dat betreft Praeneste en speelt ten tijde van keizer Tiberius. Zoals we zo meteen zullen zien, bewijst die het tegengestelde van wat men denkt.

Wanneer oudheidkundigen zeggen dat een stad een municipium werd, is dat dus niet gebaseerd op een akte of zo. Hoewel we tienduizenden inscripties kennen, is er niet één document waaruit blijkt dat deze of gene bestuurder municipale rechten verleent aan deze of gene gemeente. We hebben te maken met circumstantial evidence:

  • Enerzijds inscripties waaruit blijkt dat de stad zich municipium is gaan noemen.
  • Anderzijds inscripties die erop duiden dat een stad de naam van een keizer heeft aangenomen (zoals in Nijmegen).

In beide gevallen is de aanname dat de juridische status veranderde precies dat: een aanname. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een naamsverandering méér is geweest dan de gebruikelijke Romeinse hielenlikkerij. Uit Sabora in Andalusië hebben we de correspondentie over: de gemeente vraagt om zich naar keizer Vespasianus te mogen noemen, deze staat dit toe en herinnert eraan dat financiële overeenkomsten niet nietig worden nu de tenaamstelling niet langer klopt.

Nog een kanttekening: blijkens de inscripties uit de Maghreb gaan municipia zich daar na verloop van tijd res publica noemen. Je zou, als de theorie-van-alles klopt, verwachten dat ook dit een statusverandering inhoudt, maar ik ben niet op de hoogte van iemand die zoiets heeft geclaimd. Ik heb echter niet alle relevante literatuur kunnen lezen.

Nog een probleem: wat is een municipium eigenlijk?

Er is nog een beslissend bezwaar: we hebben de definitie van een municipium gewoon over. Het is een stad die voorvaderlijke rechten heeft. Dat is natuurlijk het enige wat de Romeinse overheid niet kan verlenen. Kijken we naar Praeneste, dan zien we dat de aan die stad verleende municipium-status geen promotie is van civitas naar municipium, maar het terugdraaien van een colonia-status. De stedelingen hadden het Romeinse burgerrecht gekregen maar vonden hun oude rechten aangenamer, waarop keizer Tiberius besloot dat als de goede mensen van Praeneste het geschenk liever niet hadden, hij het hun niet zou opdringen.

Ik sla de standaardisering van de gemeentewetten, de status van bondgenoot en de belastingvrijstellingen (civitas libera) even over. Ook heb ik het niet over de laatste reddingsboei van de fans van het municipium-idee, het bestaan van “virtuele municipia”: typisch een hulphypothese die niet zou zijn verzonnen als het niet was om een weerlegd idee te handhaven. En dat dus in strijd met het Scheermes van Ockham. Waar het om gaat is dat het hele idee van een municipium-status een fata morgana is.

Samenvattend

Vier conclusies zijn relevant.

  • Het aannemen van een keizerlijke naam betekent niets.
  • Het is denkbaar dat het Latijnse jargon veranderde en dat de term civitas, die riekte naar een stamsamenleving, in de loop van de tweede eeuw werd ingeruild voor municipium en (nog later) (hier en daar) in res publica. Vergelijk het met het Nederlandse woord “departement”, dat steeds meer plaatsmaakt voor “ministerie”.
  • De status van colonia is wél een reëel gegeven.
  • Postuleer geen complexe juridische structuren zolang Romeinse stroopsmeerderij alles verklaart.
  • Kortom: zolang er geen bewijs is dat Nijmegen, Tongeren of Voorburg de rang van colonia hebben gekregen, lijkt er geen aanleiding te zijn om aan te nemen dat hun status is veranderd.

    Wat waren Nijmegen, Tongeren en Voorburg dan wel?

    Nijmegen, Voorburg of Tongeren waren echter – en dit is belangrijk – wél de voornaamste nederzettingen binnen de gemeente. Hier kwam de gouverneur op bezoek om recht te spreken. Rijke mensen bouwden hier hun stadsvilla’s. Hier stonden de voornaamste tempels. Kooplieden kwamen naar deze nederzettingen omdat ze hun waren konden slijten. Als het bewijsmateriaal uit Italië mag worden geëxtrapoleerd naar de Lage Landen, was er een cyclus van markten, elke weekdag ergens anders. (Marktrechten, ook wel verondersteld als argument om Nijmegen van stadsrechten te voorzien, waren voor zover ik weet niets bijzonders.)

    Trajanus moet Agrippa zijn

    Tot slot: het stichtingsjaar van Nijmegen. De militaire basis bij Nijmegen lijkt in 19 v.Chr. te zijn ontstaan. Op dat moment moet er een civitas van de Bataven zijn geweest. Nijmegen had in 1982 zijn 2000-jarig bestaan kunnen vieren. De gouverneur die in 19 v.Chr. verantwoordelijk was voor het Rijnland en aan wie Nijmegen zijn bestaan heeft te danken, was Agrippa. Het standbeeld voor Trajanus eert iemand die voor Nijmegen niet bijzonder veel heeft gedaan.

    Kunnen we in het volgende decennium dan wéér een ander stichtingsjaar verzinnen voor Nijmegen? Dat denk ik niet. De datering van de militaire basis, gebaseerd op munten, is redelijk hard, terwijl onze kennis van het Romeins bestuursrecht in de loop van de twintigste eeuw is gegroeid. Maar misschien is ergens een specialist in Romeins bestuursrecht die kan uitleggen waarom al het bovenstaande onzin is.

    Literatuur

    Fergus Millar, The Roman Emperor (1977)

    PS

    Tongeren beweert al een halve eeuw of zo dat er een inscriptie is die de stad vermeldt als municipium. Dat bewijst, zoals gezegd, niets, maar belangrijker: zelfs de mevrouw die de officiële publicatie deed, heeft de inscriptie niet gezien. Wél is bekend dat de steen is gevonden op het terrein van een medewerker van het Gallo-Romaans Museum die beeldhouwen had als hobby, en die de vondst nooit heeft aangemeld bij de archeologische autoriteiten. De harde conclusie is dat hij de archeologische regelgeving, waar hij als museummedewerker van op de hoogte was, heeft overtreden. De vriendelijke conclusie is dat het gaat om een uit de hand gelopen grap.

    #civitasLibera #colonia #FergusMillar #gemeentewet #Maastricht #municipium #Nijmegen #Praeneste #RomeinsRecht #RomeinseStadsrechten #ScheermesVanOckham #stadsrechten #Tongeren #UlpiaNoviomagus #Voorburg

    Het Romeinse hooggerechtshof: de Basilica Julia

    De Basilica Julia

    Een blogje over Rome, waarom ook niet, ik schrijf er tenslotte nooit over. We gaan naar het Forum Romanum, naar de Basilica Julia: in de keizertijd de plaats waar het hooggerechtshof samenkwam. Eerder stond hier het huis van Publius Cornelius Scipio, de generaal die de Tweede Punische Oorlog had beëindigd door Iberië te veroveren en daarna bij Zama de Karthaagse generaal Hannibal te verslaan. Scipio’s dochter Cornelia was in 175 getrouwd met Tiberius Sempronius Gracchus, de voornaamste senator (princeps) uit het tweede kwart van de tweede eeuw v.Chr., rijk geworden met de pacificatie van wat wij Castilië zouden noemen. Hun kinderen waren de revolutionaire volkstribunen Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. Volgens de geschiedschrijver Titus Livius kocht Sempronius Senior, toen hij in 169 censor was, het huis van zijn schoonvader:

    Tiberius Sempronius Gracchus kocht van het hem van staatswege toegewezen fonds het huis op van Publius Cornelius Scipio Africanus. Dat stond achter de Oude Winkelgalerij, vlakbij het beeld van Vortumnus, bij de  slagerijen en de winkels. Sempronius liet daar de basilica bouwen die later Sempronia werd genoemd. noot Livius, Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad 44.16.10-11.

    Archeologen hebben onder de Basilica Julia inderdaad de resten gevonden van de basiliek van Sempronius en een ouder republikeins huis, dat dan wel dat zal zijn geweest van de man die de Karthagers versloeg.

    Basilica Julia

    In 54 v.Chr. begon Julius Caesar met de constructie van een nieuw gerechtshof. Ongetwijfeld heeft hij een verband willen leggen met het feit dat zijn legers inmiddels in Brittannië de randen van de aarde hadden bereikt: genadiglijk liet de veldheer de stedelijke bevolking delen in de buit.

    Om ruimte te scheppen verlegden zijn ingenieurs enkele aangrenzende straten en ging de Oude Winkelgalerij tegen de vlakte, zodat op het naar alle zijden vergrote terrein een vijfschepige basiliek kon worden opgericht. Het was een van de grootste gebouwen in de stad en ook al nam de dictator het gebouw acht jaar later in gebruik, er moest nog aan worden gewerkt tot 29 v.Chr., toen keizer Augustus de basiliek opnieuw inwijdde. Hij verrichtte ook de derde inwijding, nadat het bouwwerk in 12 n.Chr. door brand was verwoest en gerestaureerd.

    Een boog in het midden van de façade vormde de hoofdingang. Momenteel is deze te herkennen aan een pijler van wit marmer. Keizer Septimius Severus liet aan weerszijden standbeelden plaatsen, vervaardigd door de Griekse beeldhouwers Polykleitos en Timarchos (hun namen zijn nog te lezen op de sokkels). Laatstgenoemde is weinig meer dan een naam, over Polykleitos weten we des te meer: hij was actief tussen 450 en 410 v.Chr. en geldt als een van de belangrijkste beeldhouwers uit de Oudheid.

    De zijschepen van de Basilica Julia bestonden uit twee rijen bogen, en daarboven was een balkon. Keizerbiograaf Suetonius schrijft daarover:

    In zijn verkwistingen overtrof Caligula alles wat men vóór hem had weten te bedenken. […] Hij ging zelfs zover dat hij dagen achtereen een enorm bedrag aan geldstukken van het dak van de Basilica Julia wierp. noot Suetonius, Caligula 37.1; vert. Daan den Hengst.

    Vanaf het dakterras kon men door ramen kijken in het middenschip, dat boven de zijschepen uitstak, en dan zag men onderin de rechtszaal een vloer die was ingelegd met Numidisch geel en Frygisch paarsgeaderd marmer, afgewisseld met Lucullisch zwart-rood marmer. De huidige witte vloer is aangelegd door restaurateurs.

    Rechtspraak

    In deze bonte hal beoordeelde het Hof van Honderd (dat overigens 180 leden had) zaken op het terrein van het eigendoms- en erfrecht. Het ging vaak om geschillen waarbij rijke mensen betrokken waren. Immers, alleen voor hen stond werkelijk iets op het spel en bovendien konden alleen zij de proceskosten opbrengen. Voor minvermogenden gold de constatering van de dichter Martialis:

    Als advocaat en rechter
    hun centen komen halen,
    dan is dat meestal slechter
    dan zelf je schuld betalen.noot Martialis, Epigram 2.13; vert. Frans van Dooren.

    Wie procedeert om een koe legt er een op toe, zouden wij zeggen. Verantwoordelijk voor de rechtspraak was de praetor, die een oordeel gaf over de ontvankelijkheid van een zaak en vervolgens een juryvoorzitter aanwees. Dat was iemand van een jaar of negentien die behoorde tot de decemviri stlitibus iudicandis, een rechtscollege dat zich bezighield met het vaststellen van iemands burgerlijke staat. Het lidmaatschap daarvan was een normale eerste stap voor een rijke jongeman die carrière wilde maken.

    Met kamerschermen werd de centrale hal van de Basilica Julia in compartimenten verdeeld, zodat de vier kamers van de rechtbank gelijktijdig konden werken. Alleen voor buitengewoon belangrijke zaken waren alle juryleden aanwezig. Plinius de Jongere geeft in een van zijn brieven een beschrijving. Hij behartigde als advocaat de belangen van een dame die was onterfd, tien dagen nadat haar vader met een jong meisje was hertrouwd:

    Er zaten 180 rechters, want zoveel staan er op de lijst voor de vier kamers, een schare advocaten voor beide partijen en tallozen op de bankjes, bovendien een dichte haag omstanders rondom de enorme breedte van het tribunaal, in ontelbare rijen. Dan stond ook de tribune nog volgepakt en zelfs op de bovengalerijen van de basilica leunden aan de ene kant de vrouwen, aan de andere de mannen over de balustrade, gespitst om iets te horen, wat moeilijk was, of, wat makkelijk was, iets te zien. Groot was de spanning bij alle vaders, groot bij alle dochters, groot ook bij alle stiefmoeders.noot Plinius de Jongere, Brief 6.33.3; vert. Ton Peters.

    Nu ik dit blogje voorbereid, schiet me te binnen dat ik de uitslag van de zaak niet ken.

    De advocaten kregen tijdens een rechtszaak spreektijd toegewezen in de vorm van eenheden op de waterklok. Meestal kregen ze er vier of vijf, maar Martialis kent een advocaat die daaraan niet genoeg heeft:

    De rechter gaf je wat je luid verzocht:
    wel zevenmaten van de waterklok.
    Je toespraak blijkt een eindeloos gewrocht.
    Soms stop je om te drinken uit je mok.
    Ik bid je, les je dorst met ander vocht
    en neem een slok van ’t water uit de klok!noot Martialis, Epigram 6.35.

    Tijdens langdradige redevoeringen deden de mensen op de publieke tribune blijkbaar spelletjes, want er zijn verschillende spellen in het plaveisel gekrast: een molenspel en een dambord bijvoorbeeld. Op de trap aan de Forumzijde zijn de bakjes te zien van een backgammonachtig spel dat tegenwoordig in grote delen van Afrika nog wordt gespeeld en daar onder meer als oware bekendstaat.

    #Augustus #BasilicaJulia #Caligula #ForumRomanum #GaiusSemproniusGracchus #JuliusCaesar #Martialis #oware #PliniusDeJongere #PolykleitosVanSikyon #praetor #Rome #RomeinsRecht #SeptimiusSeverus #Suetonius #TiberiusSemproniusGracchus #TitusLivius #waterklok

    Het Rijk van Toulouse (1)

    In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)

    Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).

    Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.

    Anders gezegd: tegenover het rond 1990 al verouderde beeld dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan door aanvallen van Germanen en andere barbaren, waarna de Visigoten de macht hadden overgenomen in Spanje, kwam een nieuw beeld, dat de nadruk legde op de assimilatie van nieuwkomers. De etiketten die wij geven aan tijdvakken zijn zelden vrij van politieke connotaties (bijv. Sumerische Renaissance of Byzantijnse Rijk), maar we kunnen ze niet altijd meer vervangen, en zolang we ons bewust zijn van de connotaties, is het ook niet zo urgent. Maar de naam “Rijk van Toledo” is toch wel te verkiezen boven Hispania visigoda.

    Het Rijk van Toulouse

    Wat was eraan vooraf gegaan? Ik heb het al eens beschreven: in augustus 378 versloeg een leger van “barbaren”, gecommandeerd door Fritigern (r.376-380), het Romeinse leger van keizer Valens bij Adrianopel. Daarna zwierf dat leger over de Balkan, nu eens in dienst van de keizer, dan weer met een eigen agenda. Uiteindelijk kwam dit leger aan in Aquitanië, waar de soldaten land kregen. Het is gebruikelijk deze groep “Visigotisch” te noemen, hoewel er behalve Goten ook mensen bij waren met andere etnische achtergronden, en hoewel die naam pas later opduikt.

    De hoofdstad van koning Theodorik I (r.418-451) was Toulouse en zijn volgelingen kregen landerijen. Het Romeinse kadaster kende diverse categorieën, variërend van luxe paleisvilla’s tot simpele hoeven, en de nieuwkomers kregen 2/3 van de landgoederen uit de beste categorie. Het hiervoor gebruikte eufemisme was hospitalitas. We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden: grootgrondbezitters bezaten meestal diverse boerderijen, inclusief 100% van de iets minder goede landgoederen. Ze zullen bovendien hebben bedacht dat de nieuwkomers gevechtservaring hadden. Die barbaren konden nog eens nuttig zijn, zullen de superrijken hebben gedacht, als er eens een boerenopstand dreigde.

    Sarcofaag uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée Saint-Raymond, Toulouse)

    De culturele tegenstellingen tussen de Gallo-Romeinse bevolking en de immigranten waren minder groot dan wel aangenomen is geweest. De Belgische historicus Henri Pirenne wees er al in 1922 op dat de zwerftocht van de Visigoten archeologisch niet valt te documenteren. De mantelspelden en gespen die men weleens aanduidt als Germaans, kunnen door iedereen zijn gedragen, en als Franse musea het hebben over wisigothique, is dat een tijdperk en geen etnische duiding. De nieuwkomers beheersten het Latijn. Ze waren ook christelijk. Misschien dat een bisschop mopperde dat die vermaledijde Germanen vervloekte arianen waren, en uit de veelal christelijke bronnen zou je afleiden dat dit een urgente kwestie was, maar dit is vooral bias.noot Overigens is interessant dat Rechiar, de leider van een andere “Germaanse” groep, de Sueben, al vóór 448 het Credo van Nikaia onderschreef.

    Sidonius Apollinaris

    Een van de belangrijkste bronnen voor het leven in het Rijk van Toulouse is de brievencollectie van Sidonius Apollinaris. Hij lijkt wel wat op Synesios van Kyrene: voorname afkomst, geverseerd in de letteren en uiteindelijk, na een civiele loopbaan, benoemd tot bisschop. Dat laatste betekent niet dat zulke mannen een geestelijke roeping hadden; het was een manier om verantwoordelijkheid voor de samenleving te nemen en het aanzien te behouden waarop men recht meende te hebben.

    In Sidonius’ vroegste brieven vinden we nogal wat overdreven, stereotiepe opmerkingen over wilde barbaren. Later, als hij zijn bisschopsstad Clermont-Ferrand heeft verloren aan koning Eurik van Toulouse (r.466-484) en als hij enige tijd gedetineerd is geweest, blijkt hij echter een andere kijk te hebben op de vermeende woestelingen. Sidonius erkent dat Eurik en zijn hovelingen de feitelijke erfgenamen zijn van het keizerrijk. Deze koning, en zijn voorganger Theodorik II, hadden veel gedaan om zich als Romeins magistraat te presenteren, zoals het afkondigen van wetten in de (verloren) Codex Theodoricianus en de (als palimpsest gedeeltelijk bewaarde) Codex Euricianus.

    Even iets over die codificaties. Terwijl eerdere onderzoekers opperden dat deze wetgeving alleen gold voor de Romeinen in de door Theodorik II en Eurik beheerste gebieden, heeft Collins aannemelijk weten te maken dat de regels golden voor alle ingezetenen. Daarmee bewaarden deze codificaties de algemeenheid van het Romeins Recht die in Europa pas terugkeerde met het Allgemeines Landesrecht in Pruisen (1794) en de Code Napoleon (1804).

    Lepel uit Visigotisch Aquitanië met Latijnse inscriptie (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

    Terug naar Sidonius. Misschien is hij het meest overtuigend als hij zijn eigen culturele standaard als norm neemt en schrijft dat de Visigoten zo goed Latijn spraken en zelfs bereid waren zich te scholen in de letteren.noot Sidonius Apollinaris, Brief 5.17.2 en Brief 8.2.2. Het is tekenend dat de bisschop een gedicht aan Eurik wijdt dat alleen begrijpelijk is als deze heel goed Latijn kon.noot Sidonius Apollinaris, Brief 8.9.

    De Codex Theodoricianus en Codex Euricianus waren geschreven in het Latijn, niet in het Gotisch, wat betekent dat minimaal een deel van de Visigoten de bestuurstaal goed beheerste. Dit wil niet zeggen dat men die taal ook in het dagelijks verkeer benutte, maar het is opmerkelijk dat Sidonius nergens melding maakt van tolken en allerlei mensen met Germaanse namen aanschrijft in het Latijn.

    [wordt vervolgd]

    #arianisme #bisschop #ClermontFerrand #CodexEuricianus #CodexTheodoricianus #Eurik #Fritigern #Gallië #hospitalitas #Latijn #palimpsest #RijkVanToulouse #RogerCollins #RomeinsRecht #SidoniusApollinaris #SynesiosVanKyrene #TheodorikI #TheodorikII #Toulouse #Visigoten

    Echtscheiding in Romeins Judea

    Ik ben geen voorstander van niet-authentiek beeldmateriaal, maar ik heb bij het blogje van vandaag niks beters dan Abraham die Hagar verstoot.

    Het is een waarheid als een koe: waar twee culturen contact maken, nemen ze zaken van elkaar over. Dat geldt dus ook voor de Joodse cultuur, waar ik op zondag altijd over blog, en de Grieks-Romeinse cultuur, die momenteel aandacht krijgt in de Week van de Klassieken. Van Romeins-Joods cultuurcontact zijn allerlei voorbeelden en een speculatief voorbeeld schoot me vorige week te binnen: echtscheiding.

    Joodse echtscheidingen

    Een van de hardste gegevens over de leer van Jezus van Nazaret is zijn afwijzing van scheiding. Die is heel breed gedocumenteerd: Marcus 10.2-9 is een voorbeeld, de Bergrede bevat een ander.noot Matteüs 5.32. Het verbod is ook te vinden bij de apostel Paulus.noot Romeinen 7.2-6. We hebben dus documentatie uit minimaal drie bronnen: Marcus, Q en Paulus. Het zal bovendien niet in een Joodse context zijn verzonnen, aangezien het een breuk vormt met het gangbare jodendom. Echtscheiding was immers toegestaan, zij het met regels. De procedure rond de echtscheidingsbrief staat beschreven in Deuteronomium.noot Deuteronomium 24.1-4 en 21.14, 22.29.. De uitwerking van die regels staat in het Mishna-traktaat Gittin.

    Jezus’ afwijzing van echtscheiding hing niet in het luchtledige. Ook de sekte van de Dode-Zee-rollen had er moeite mee, met als argument dat wie veel vrouwen heeft, ook zijn joodse geloof zou verliezen. Dat had koning Salomo immers bewezen.

    Romeinse echtscheidingen

    Maar wellicht is er een tweede reden waarom Jezus tegen echtscheiding was. Ik verzin die, maar het is niet onmogelijk dat er in zijn tijd een toename was van het aantal echtscheidingen, omdat dit onder het Romeinse recht heel eenvoudig was. In de Romeinse wereld kon een scheiding tot stand komen zonder formaliteiten, eenvoudigweg doordat de twee partners stopten met gemeenschappelijk leven. Dat kon met wederzijdse goedkeuring gebeuren, of doordat een van de twee partners wegging.

    Ik kan het niet bewijzen, maar het zou me niet verbazen als iemand nog eens aantoonde dat er met de komst van Rome in de Joodse wereld meer echtscheidingen waren. Waar twee culturen contact maken, nemen ze zaken van elkaar over: dat is een waarheid als een koe. En het is ook een waarheid als een koe dat als de leden van twee culturen elkaar kennen, ze elkaars gebruiken kunnen afwijzen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #Bergrede #BriefAanDeRomeinen #Deuteronomium #DodeZeeRollen #echtscheiding #koningSalomo #Mishna #Paulus #QBron #RomeinsRecht

    Nieuwe Testament - Mainzer Beobachter

    In 2019 ben ik begonnen met een (bijna) wekelijks blogje over het Nieuwe Testament. Dat lees ik zonder al te veel aandacht te besteden aan latere christelijke uitleg, maar met de nadruk op de joodse context. Die reeks kan nog jaren duren. Hier is een overzicht van de stukjes. Matteüs Marcus Lukas Johannes Handelingen Romeinen … Meer lezen over Nieuwe Testament

    Mainzer Beobachter

    Venus van het Riool

    De basis van de kapel van Venus Cloacina

    Op het Forum Romanum ligt de rare ronde schijf die u hierboven ziet. De diameter bedraagt zo’n tweeëneenhalve meter. Mocht u deze stenen zoeken: ze bevinden zich vlak voor de winkels in de Basilica Aemilia. Dit is het fundament van wat ooit de kapel was van Venus Cloacina, ofwel Venus van het Riool. Deze curieuze naam hangt samen met de plek van het heiligdommetje: boven het afwateringskanaal onder het Forum, de cloaca maxima.

    Tegenwoordig resteert dus alleen de ronde marmeren basis, maar er is een muntafbeelding van deze heilige plaats. Die is echter moeilijk te interpreteren. In elk geval stonden er twee standbeelden van vrouwen die een plengoffer lijken te brengen; één dame lijkt een bloem vast te hebben in een opgeheven hand.

    Verliefde magistraat

    De Romeinen wisten niet precies waarom ze Venus Cloacina vereerden, maar hadden respect voor de plaats omdat er ooit een gruwelijke moord was gepleegd. In het midden van de vijfde eeuw v.Chr. was Rome twee jaar bestuurd door het zogeheten College der Tienmannen, dat tot taak had het Romeins Recht te codificeren. Het voornaamste lid, Appius Claudius Crassus, begon zich echter steeds tirannieker te gedragen. Dat zou tot daaraan toe zijn geweest, maar hij werd verliefd, een kwaal die volgens de Romeinen vrijwel zonder uitzondering leidde tot iemands onafwendbare ondergang. Het meisje waarop hij zijn zinnen had gezet, Verginia, was de dochter van de dappere officier Lucius Verginius.

    De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius schrijft dat alle pogingen die Claudius “in de verdwazing van zijn verliefdheid” ondernam om het meisje te versieren “afketsten op het harnas van haar kuisheid”.noot Livius 3.44.4. Daarom nam hij zijn toevlucht tot een list. Een handlanger zou haar bij de rechtbank aanklagen, beweren haar vader te zijn en haar terugeisen. (Processen over iemands afkomst en burgerlijke staat waren in de Oudheid aan de orde van de dag; er was immers geen bevolkingsregister.) De dienstdoende magistraat, Claudius zelf, zou de eiser in het gelijk stellen, en de nieuwe vader zou het meisje uithuwelijken aan een fatsoenlijke echtgenoot, en we hoeven ons niet lang af te vragen wie dat dan wel zou zijn.

    Volgens plan werd Verginia aangeklaagd, Claudius wees het meisje toe aan de eiser, gelastte een gerechtsdienaar het meisje te arresteren en verzocht de omstanders te vertrekken:

    De menigte ging uit eigen beweging uiteen en liet het meisje daar alleen staan, een prooi van het onrecht. Toen sprak Verginius, omdat hij nergens meer een uitweg zag: “Allereerst verzoek ik u, Appius, een vader zijn verdriet te vergeven, als ik misschien wat hard tegen u ben uitgevaren. Sta mij vervolgens toe hier in het bijzijn van mijn dochter de voedster te vragen hoe de zaak in elkaar zit. Als ik ten onrechte haar vader word genoemd, kan ik met minder hartzeer vanhier weggaan.”

    Zijn verzoek werd ingewilligd en hij nam het meisje en haar voedster apart bij de winkels naast het heiligdom van Cloacina – nu heten die de Nieuwe Winkels. Daar griste hij een mes uit de handen van een slager en zei: ‘Op deze manier, de enige waarop ik het kán, dochter van mij, kom ik op voor je vrijheid!’ Daarop doorstak hij de borst van het meisje.noot Livius 3.48.4-5.

    Hierdoor werd de Romeinen duidelijk wat de tirannie der Tienmannen inhield. Ze kwamen in opstand en herstelden de republikeinse staatsinstellingen.

    Of het verhaal, dat zich laat lezen als een toneelstuk, waar is, is de vraag, maar Livius zou daarop hebben geantwoord dat die vraag irrelevant was: sommige van zijn verhalen blonken immers eerder uit door poëtische schoonheid dan dat ze berustten op feiten. Livius wijst aan het eind van zijn verhaal ook op een positief gevolg van dit akelige voorval: de nieuwe consuls, Lucius Valerius en Marcus Horatius, vaardigden een wet uit die erop neerkwam dat er geen magistratuur kon bestaan waartegen geen beroep mogelijk was. Dit was een van de belangrijkste bepalingen uit het Romeinse recht en is nog altijd een uitgangspunt van moderne rechtsstelsels.

    #CloacaMaxima #ForumRomanum #Rome #RomeinsRecht #TitusLivius #Venus #Verginia

    Mijn poging om de wondere wereld van het #RomeinsRecht samen te vatten: het belang, de complexe wortels, de ontwikkeling, de uiteindelijke geslaagde poging één systematisch geheel te scheppen.

    https://mainzerbeobachter.com/2023/10/05/romeins-recht-1-republiek/

    Romeins Recht (1): Republiek - Mainzer Beobachter

    Een van de belangrijkste verzameling teksten uit de Oudheid is de collectie Romeins Recht van Justinianus. Hoe is die ontstaan?

    Mainzer Beobachter
    Karneades in Rome (2) - Sargasso

    In de derde eeuw v.Chr. kregen de Academie van Plato en de Peripatetische school van Aristoteles gezelschap van nieuwe filosofische stromingen, zoals het Cynisme, de Cyreense School, het Epicurisme, de Stoa en de Skepsis. Het was onvermijdelijk dat er ook combinaties zouden komen. Karneades in Rome Sceptisch en pragmatisch als hij was, stelde Karneades dat […]

    Sargasso