Het idee van "grote volksverhuizingen" als verklaring voor de "val" van het Romeinse Rijk is niet zonder heel erg goede redenen in onbruik. Dat wil niet zeggen dat er in laatantiek #Thracië nooit migranten waren: de Goten, de Hunnen, de Avaren, de Slavische volken, de Bulgaren trokken allemaal door de regio.

https://mainzerbeobachter.com/2026/02/27/byzantijns-thracie/

Byzantijns Thracië

Het slagveld van Adrianopel

[Dit is het laatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Volksverhuizingen, deel één

Ik heb op deze blog regelmatig aangegeven dat de Grote Volksverhuizingen niet zo groot waren, dat er zelden hele volken bij waren betrokken en dat er eigenlijk ook niet meetbaar meer werd verhuisd dan anders. Op die regel zijn wel wat uitzonderingen, en het diocees Thracië is er daarvan een.

Om te beginnen verzochten in 375 allerlei groepen uit de noordelijke gebieden of ze zich mochten vestigen in het Romeinse Rijk. Het ging om de Goten die bekendstaan als Tervingi, maar er waren ook andere migranten. Zo’n verzoek was niet uniek en keizer Valens zag, zoals al zijn voorgangers in soortgelijke situaties, een gelegenheid om nieuwe boeren en belastingbetalers te werven. Dit keer liepen de zaken uit de hand. Weggelopen slaven en onderdrukte Thracische boeren sloten zich erbij aan – ook geen nieuw verschijnsel – en in 378 sneuvelde de keizer, die probeerde de groep in het gareel te dwingen, in de slag bij Adrianopel. Later auteurs zouden beweren dat de migranten waren opgejaagd door de naderende Hunnen (die op dit moment echter niet de geduchte vijand waren die ze een halve eeuw later zouden zijn) en dat ze in Adrianopel zouden hebben aangestuurd op een conflict (wat maar de vraag is).

Theodosius tussen zijn medekeizers Valentinianus II en Arcadius (meer; Archeologisch Museum, Mérida)

Feit is: een grote groep migranten zonder land stond nu in een imperium zonder leger. Valens’ opvolger Theodosius nam de migranten dus maar in dienst. Onder leiding van Alarik speelde dit leger, dat wel wordt aangeduid als de Visigoten (“wijze Goten”), nog een belangrijke rol bij de verdediging van Syrië en de campagne waarmee Theodosius zijn gezag uitbreidde naar de westelijke provincies. Het leger zou in 410 Rome plunderen en uiteindelijk dienen als strategische reserve voor Gallië.

De Hunnen

Ik noemde de Hunnen. In het eerste derde van de vijfde eeuw dienden ze als Romeinse bondgenoten en kregen ze het recht zich te vestigen aan de Midden-Donau. Zeg maar in Hongarije. Van bondgenoten werden het echter vijanden, die bijvoorbeeld Belgrado en Viminacium plunderden, en over de Via Diagonalis dwars door Thracië oprukten naar Constantinopel. Keizer Theodosius II, die zijn graanleverancier tot elke prijs moest behouden, kocht de Hunnen in 443 af, maar in 447 waren ze terug in Thracië en in 449 stemde de keizer in met nieuwe afkoopsommen. Nu wendde de Hunse leider Attila zich naar het westen, waar hij op de Catalaunische Velden werd verslagen door een coalitie van Visigoten, Franken en anderen.

De schrik zat er goed in en de keizers in Constantinopel versterkten de grens. Achter de reeks forten langs de Beneden-Donau kwam een tweede linie, die liep door het Balkangebergte. Om de kustweg langs de Zwarte Zee te verdedigen, werd bijvoorbeeld een muur gebouwd die zich vijftig kilometer landinwaarts uitstrekte, zodat een omtrekkende beweging niet mogelijk was.

Resten van een Byzantijnse kerk in Nesebar

Keizer Anastasius (r.491-518) zou in 503 een soortgelijke muur bouwen over het schiereiland tussen de Zwarte Zee en de Zee van Marmara, zeventig kilometer ten westen van Constantinopel. Later zou keizer Justinianus (r. 527-565) allerlei steden voorzien van stadsmuren; de geschiedschrijver Prokopios wijdde er niet minder dan vijf boekrollen aan, De bouwwerken. Een flink deel van de vierde boekrol gaat over het diocees Thracië.

Volksverhuizingen, deel twee

Alle versterkingen mochten niet baten toen de Avaren aankwamen. Ik heb vaker over hen geschreven. Ze arriveerden rond 563 vanuit het verre oosten – hiervoor is inmiddels DNA-bewijs – en ze waren extreem succesvol. In 582 namen ze de belangrijke stad Sirmium in, even ten noorden van Belgrado, en ze vestigden een machtige staat in Midden-Europa, die enorme schattingen eiste van de buurvolken. We weten er weinig van, aangezien ze ongeletterd waren en dus niet zelf schreven; archeologisch zijn ze moeilijk te vinden, omdat de bestaande Centraal-Europese volken hun levenswijze konden voortzetten. Goudschatten als de Sânnicolau Mare-schat bewijzen echter dat de keizers in Constantinopel fors betaalden.

Het voornaamste gevolg van deze invasie was dat er geen landweg vanuit Constantinopel en Thracië naar de westelijke gebieden was: Oost- en West-Europa, al gescheiden door de Griekse en Latijnse taal, gingen verder uit elkaar. Later zou ook het christendom in tweeën uiteenvallen.

Het paleis van een Slavische bestuurder in Silistra

De Avaren dreven de Byzantijnen, zoals we de bewoners van de Oost-Romeinse rompstaat gewoonlijk noemen, terug naar de Thracische havensteden, zoals Varna en Nesebar in het oosten en Thessaloniki in het zuiden. De gebieden buiten het keizerlijke gezag zijn niet zo goed bekend, maar we lezen steeds vaker over Slavische soldaten die als infanterie meetrekken met de Avaarse cavalerie. We lezen ook over de eerste Bulgaren. Het gaat in alle gevallen om een gemengde bevolking, waarin de oude Romeinen en verschillende groepen migranten samenkwamen. Hoe groot die groepen migranten waren, is niet te zeggen, maar de etnische kaart werd in de zevende eeuw opnieuw getekend.

Ik ga afronden met een laatste constatering: door de opkomst van de islam, ook in de zevende eeuw, verloor het Byzantijnse Rijk Egypte. Voortaan was Thracië een nóg belangrijkere leverancier, en het keizerlijk beleid was dan ook gericht op de herovering van de verloren gebieden.

#Alarik #AnastasiusI #Attila #Avaren #Balkangebergte #Bulgaren #CatalaunischeVelden #Constantinopel #Goten #GroteVolksverhuizingen #Hunnen #Justinianus #Nesebar #Prokopios #SânnicolauMareSchat #Sirmium #slagBijAdrianopel #Tervingi #TheodosiusI #TheodosiusII #Thracië #Valens #ViaDiagonalis #Visigoten

Ik rond vandaag mijn reeks blogjes over #Thracië af. In de voorlaatste aflevering gaat het over de Crisis van de Derde Eeuw en de kerstening.

https://mainzerbeobachter.com/2026/02/27/laat-antiek-thracie/

Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Sarcofaag van Herennius Etruscus, broer van Claudius II Gothicus (Museum Altemps, Rome)

Maar hoe erg was het feitelijk? Een gesneuvelde keizer is natuurlijk een aanwijzing dat het menens was, maar beschrijvingen van “barbaren” zijn sowieso stereotiep en mensen kunnen hun angst voor onoverzichtelijke problemen makkelijk omzetten in vijandsdenken. Deze of gene minderheid geldt dan als de boeman die de schuld krijgt voor een anders slecht benoembaar probleem. Zoals joden, christenen en astrologen nogal eens de schuld kregen, zo ook buitenlandse vijanden.

Dat er wel degelijk iets aan de hand was, blijkt uit muntschatten. In tijden van crisis begraven mensen hun geld, en de ruim 700 schatten uit Bulgarije zijn ongelijkmatig verdeeld: ruimtelijk bezien zijn er meer in het gebied langs de Donau dan in het zuiden, temporeel bezien is de helft te dateren tussen 235 en 270. Het laatste jaar correspondeert met een overwinning van keizer Claudius II Gothicus. (Zijn bijnaam hoef ik niet uit te leggen.) Er is meer bewijs dat de crisis serieus was: keizer Aurelianus (r.270-275) ontruimde de gebieden benoorden de Donau. Moesia was opnieuw een grensprovincie.

Herstel

De vierde eeuw zag herstel, dat meestal wordt geassocieerd met de regering van keizer Diocletianus (r.284-305), die inzag dat er meer dan één keizer moest zijn om op alle plaatsen tegelijk gezag te kunnen uitoefenen. De door hem ingezette hervormingen werden door zijn opvolgers voortgezet, waarvan Constantijn de Grote (r.306-337) de belangrijkste is. Zo werden de provincies opnieuw ingedeeld, waarbij de Thracische gebieden samenkwamen in één zogeheten diocees, dat ook Thracië heette.

Laatantieke keizer (Archeologisch museum, Veliko Tarnovo)

Het muntstelsel werd vernieuwd – in musea zie je dat goudstukken de zilverstukken overvleugelden – en het leger kreeg betere forten, die we kunnen typeren als kastelen. Waren dat aanvankelijk vooral grensforten, in de loop der tijden werden ook de (inmiddels kleinere) steden voorzien van indrukwekkende stadsmuren. Versterkte politieposten bewaakten de wegen, bruggen, mijnen, ateliers en andere strategisch belangrijke plekken.

Voor Thracië was speciaal belangrijk dat Diocletianus zijn residentie plaatste in de stad Nikomedeia aan de Zee van Marmara. Het graan dat nodig was om de stad te voeden, kwam uit de vallei van de Maritsa. Zijn opvolger Galerius nam Thessaloniki als residentie, en ook die stad leefde van Thracisch graan.

De baden van Sofia

Het christendom

Diocletianus beschouwde manicheeërs en christenen als on-Romeins en vervolgde hen jarenlang, maar Galerius maakte daaraan in 311 een einde. Hij deed dit toen hij een bezoek bracht aan de geneeskrachtige baden van Serdica, het huidige Sofia, waar het badhuis in kwestie is geïdentificeerd. Galerius’ opvolger Licinius besloot te gaan samenwerken met de christenen en de dynastie van Constantijn zette dat beleid na 324 voort.

En ook hij koos een residentie: Byzantion, dat later Constantinopel zou heten. Thracisch graan was opnieuw belangrijk. De Via Diagonalis die ik eerder noemde, werd belangrijker dan ooit: het was de weg naar de keizerlijke residentie. Ze heet tot op de dag van vandaag Тsarigradski pieti, de weg naar Tsarigrad, “keizerstad”. Het is geen toeval dat toen in 343 de christenen over hun christologische geschillen discussieerden, ze dat deden in een stad aan deze weg: de Synode van Serdica. Makkelijk bereikbaar over de weg vanuit Constantinopel en via de Donau vanuit het westen. Een van de aanwezigen was Sint-Servaas, de bisschop van Tongeren die in Maastricht zou worden begraven.

Het herstel van Thracië en Moesia Inferior, ingezet rond 270, kwam na een eeuw echter abrupt ten einde.

[Wordt later vandaag afgerond]

#Aurelianus #barbaren #Carpi #ClaudiusIIGothicus #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #CrisisVanDeDerdeEeuw #Decius #diocees #Diocletianus #Galerius #Goten #graan #Licinius #MaximinusThrax #Moesia #muntschat #Nikomedeia #Sarmaten #Serdica #SintServaas #Sofia #SynodeVanSerdica #Thracië #ViaDiagonalis

In de loop van twee eeuwen, tussen pakweg 150 v.Chr. en 50 na Chr., veroverden de Romeinen het gebied dat wij Bulgarije noemen. De provincies #Thracië en Moesia Superior hadden daarna een vrij normale ontwikkelingsgang.

https://mainzerbeobachter.com/2026/02/27/romeins-thracie/

Romeins Thracië en Moesië

De Via Egnatia in Filippoi

[Dit is het vijfde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

De Romeinse Republiek

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, kregen de Romeinen, in oorlog met de Macedoniërs, in de eerste helft van de tweede eeuw v.Chr. te maken met de Thraciërs. Komend vanaf de Adriatische Zee bouwden ze de Via Egnatia, die langs Thessaloniki naar het oosten voerde, langs de havensteden die de Grieken eeuwen eerder aan de Thracische zuidkust hadden gebouwd. Op de annexatie van Macedonië (in 146 v.Chr.) volgde de annexatie van het koninkrijk Pergamon, en daarmee was in elk geval de beheersing van het zuiden van Thracië voor Rome van enorm strategisch belang.

Het zou te ver voeren om hier alle conflicten te noemen die Rome in en rond Thracië heeft uitgevochten. Het was in elk geval nooit eenvoudig, zoals wel blijkt uit het feit dat de oorlog tegen de Bessers duurde van 119 tot 107 v.Chr. Al die tijd was de Via Egnatia niet helemaal veilig. Ook in de oorlogen tegen koning Mithridates VI Eupator van Pontus, een van de gevaarlijkste tegenstanders waarmee Rome te maken had in de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr., werd gevochten in Bulgarije. Bij een van deze oorlogen moet Spartacus in Romeinse handen zijn gevallen: misschien als krijgsgevangene, misschien als verkochte slaaf.

Romeins cavaleriemasker (Archeologisch museum, Stara Zagora)

Er ging geen decennium voorbij zonder gevechten. In de jaren tachtig van de eerste eeuw was het dus de oorlog tegen Mithridates; in de jaren zeventig bereikten de legioenen de Donau; in de jaren zestig leden ze een nederlaag tegen de Geten. Julius Caesar wilde de regio in de jaren vijftig pacificeren maar koos voor Gallië, en werd vermoord voordat hij in 44 v.Chr. alsnog naar Thracië kon komen – verschillende legioenen waren al vooruitgestuurd.

Na ongeveer 40 v.Chr. was duidelijk dat twee mannen zouden vechten om de erfenis van Julius Caesar: Octavianus, gestationeerd in Italië, en Marcus Antonius, gestationeerd in het oosten. Het was even duidelijk dat de confrontatie zou plaatsvinden op de Balkan, en dus veroverde Octavianus in de jaren dertig Illyricum, zodat hij altijd over het land naar Macedonië, Griekenland en Thracië zou kunnen. Zo naderden de Romeinen Noord-Thracië niet alleen vanaf de Egeïsche Zee, maar ook vanaf de Adriatische Zee. Omdat de Odrysen inmiddels een vriendelijk, pro-Romeins koninkrijk vormden, werden ze niet geannexeerd, maar het gebied langs de Beneden-Donau werd in 12 v.Chr. wel onderworpen: de provincie Moesia. De afstammelingen van de Triballiërs en de Geten leefden nu in het Romeinse Rijk.

Het graf in Karanovo

Het Romeinse Keizerrijk

De annexatie van het Odrysische Rijk volgde ten tijde van keizer Claudius, in het jaar 46 na Chr. Hun gebied zou bekend komen staan als de Romeinse provincie Thracia. De hoofdstad was Perinthos. Het graf van de laatste heerser van een onafhankelijk deel van Thracië, Rhoemetalces III, is geïdentificeerd in een grafheuvel in Karanovo. Voor het eerst sinds de regering van koning Filippos II van Macedonië, vier eeuwen eerder, leefden alle Thraciërs weer in hetzelfde rijk – en opnieuw werden ze bestuurd door een vorst die ergens in het verre westen leefde.

Onomstreden was de Romeinse heerschappij niet. De Romeinen bouwden weliswaar een reeks forten langs de Donau, waaronder het fort Novae voor legioen VIII Augusta, maar keizer Domitianus moest in de jaren 85-89 aanvallen afweren van de Daciërs. Zij leefden in wat nu Roemenië is en de oorlogssituatie dwong de Romeinen tot een provinciale herindeling: Moesia werd gesplitst in Moesia Superior en Moesia Inferior, wat je kan vertalen als het stroomopwaarts en het stroomafwaarts gebied langs de Donau. Het werd in Thracië pas echt rustig toen keizer Trajanus het koninkrijk Dacië binnenviel (101-102) en daarna definitief annexeerde (105-106). Ik schreef al eens over zijn enorme overwinningsmonument bij Adamclisi.

Adamclisi

Pax Romana

Het verhaal van de provincies Thracia en Moesia Inferior is feitelijk dat van alle andere Romeinse provincies. Er kwamen nieuwe wegen, zoals die van Belgrado over Niš, Sofia, Plovdiv, Edirne naar Byzantion (Istanbul) aan de Bosporus. In het archeologisch potjeslatijn heet die wel Via Diagonalis, omdat die als een scheve lijn van noordwest- naar zuidoost-Bulgarije gaat.

De steden groeiden – niet zelden worden verstedelijking en romanisering beschouwd als twee namen voor hetzelfde proces – en dat kwam niet alleen door natuurlijke bevolkingsgroei, maar ook door migratie. (Ik zou niet goed weten hoe de voorouders van de joodse vrouw waarover ik eens blogde, anders dan door migratie in Bulgarije kunnen zijn aangekomen.)

Een speciale groep migranten waren de legionairs die hier land kregen. In de provincie Thracië lagen, behalve de hoofdstad Perinthos, onder meer ook de havensteden Byzantion en Mesembria (Nesebar), en in het binnenland Hadrianopolis (Edirne), Filippopolis (Plovdiv), Serdica (Sofia) en Pautalia (Kyustendil). In Moesia Inferior lagen de havensteden Histria, Tomis (Constanza), Odessos (Varna) en langs de stroom Troesmis, Durostorum, de legioensbasis Novae en de hoofdstad Oescus. Na Trajanus’ overwinning stichtte hij Nikopolis.

De oude Thracische godin Bendis en een Romeins gezin (Archeologisch museum, Sofia)

Mannen uit deze steden deden dienst in de Romeinse hulptroepen en, als ze het burgerrecht hadden gekregen, in de legioenen. Het Thracisch raakte overvleugeld door het Grieks, al zijn er opvallend veel Latijnse inscripties bekend uit het huidige Bulgarije, en bleven aloude grafgebruiken bestaan. En zoals overal maakte de provinciale adel carrière in het Romeinse Rijk: in 235 trad keizer Maximinus Thrax aan, wiens bijnaam aangeeft dat hij uit Thracië stamde.

Zijn korte regering – van 235 tot 238 – markeert het einde van de betrekkelijke rust en het begin van de Crisis van de Derde Eeuw.

[Wordt straks vervolgd]

#Adamclisi #Bessers #Claudius #Dacië #Domitianus #Geten #Karanovo #MarcusAntonius #MaximinusThrax #MithridatesVIEupator #Moesia #Nesebar #NikopolisAanDeDonau #Novae #Octavianus #Odrysen #Perinthos #RhoemetalcesIII #Serdica #Sofia #Spartacus #Thracië #Trajanus #Triballiërs #ViaDiagonalis #ViaEgnatia #VIIIAugusta

De Thraciërs (4)

Seuthes III (Archeologisch museum, Sofia)

[Dit is het vierde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Lysimachos

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, slaagde de Macedonische officier Lysimachos er in de jaren na de dood van Alexander de Grote (323 v.Chr.) niet in om de Odrysische leider Seuthes III te onderwerpen. De Macedoniërs imiterend stichtte ook Seuthes een stad die hij naar zichzelf noemde, Seuthopolis. (De resten ervan bevinden zich op de bodem van een stuwmeer in de Vallei van de Thracische Koningen.) De Panagyurishte-schat, die in Macedonië niet zou hebben misstaan, dateert uit deze jaren en bewijst dat de Thracische elite culturele aansluiting zocht bij de Grieks-Macedonische wereld.

Pas na een decennium lijkt Lysimachos de situatie meester te zijn geweest; Seuthes erkende hem als heerser, maar bleef zelf aan en lijkt nog rond 295 in leven te zijn geweest. Seuthes’ graf is teruggevonden in de Vallei van de Thracische Koningen en is interessant omdat het bronzen hoofd van Seuthes III ritueel is begraven in de toegang. Het lichaamloze hoofd doet denken aan de mythe dat het lichaamloze hoofd van Orfeus bleef zingen: een soort minachting voor de dood.

Kruik uit de Panagyurishte-schat (Historisch museum, Sofia)

Lysimachos’ pogingen zijn macht uit te breiden tot voorbij de Donau, liepen op niets uit. De Geten namen hem gevangen en dwongen hem om enkele veroverde gebieden af te staan. Enkele jaren later verloor Lysimachos het leven in een veldslag tegen een andere opvolger van Alexander, Seleukos I Nikator, de stichter van het Seleukidische Rijk. Omdat juist in deze tijd ook de Kelten – of, iets preciezer: de Galaten – een inval deden, was de situatie volkomen chaotisch.

Intermezzo

De Galaten werden in 277 v.Chr. verslagen door de Macedonische koning Antigonos II Gonatas. Bronnenschaarste maakt het lastig de verdere geschiedenis te beschrijven. We lezen over een Seleukidische inval in 252, en het lijkt erop dat bij die gelegenheid Seuthopolis is belegerd en verwoest. Het heeft er de schijn van dat een door Kelten gedomineerde roofstaat, aangeduid als Tylis, een tijd lang de bewoners van Thracië heeft weten af te persen. Plaatsnamen eindigend op –dava, “versterking”, documenteren Keltische nederzettingen.

De Grieks-Romeinse auteur Polybios weet dat de Thraciërs uiteindelijk een einde maakte aan dit schrikbewind, maar hij identificeert ze niet preciezer dan als “de Thraciërs”.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 4.46.4.

Keltische sieraden (Historisch Museum, Sofia)

Tegen het einde van de derde eeuw, toen vrijwel alle grote mogendheden elkaar bestreden en niemand de gelegenheid had om de Thraciërs te steunen, probeerde de Macedonische koning Filippos V zijn macht uit te breiden over de gebieden die Filippos II anderhalve eeuw had veroverd. Hij had enig succes, maar verloor de gewonnen gebieden weer toen de Romeinen, die inmiddels de Tweede Punische Oorlog hadden gewonnen, hun aandacht vestigden op de Balkan. Tien jaar na deze Tweede Macedonische Oorlog (200-197 v.Chr.) slaagde Filippos er desondanks in grote delen van Thracië te onderwerpen.

De Thracische volken herwonnen hun onafhankelijkheid weer toen de Romeinen in 168 v.Chr. Macedonië opknipten in vier republieken. Hoewel: echt onafhankelijk waren de Thraciërs niet: we lezen over gijzelaars die verblijven in Rome. De diverse Thracische groepen waren dus feitelijk vazallen.

[Wordt overmorgen vervolgd]

#AntigonosIIGonatas #FilipposV #Galaten #Geten #Lysimachos #Odrysen #Orfeus #PanagyurishteSchat #Polybios #SeleukidischeRijk #SeleukosINikator #SeuthesIII #Seuthopolis #Thracië #ValleiVanDeThracischeKoningen

De Thraciërs (3)

Thracische Pegasos (Archeologisch museum, Razgrad)

[Dit is het derde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

De Perzische tijd

In mijn vorige blogje noemde ik de Perzische aanwezigheid in Thracië. Die begon toen koning Darius I de Grote de Bosporus overstak, een gebeurtenis die meestal wordt gedateerd rond 516 v.Chr. Zijn leger rukte op naar de Donau, waar de Geten weerstand boden maar werden onderworpen.noot Herodotos, Historiën 4.93. Daarna staken de Perzen de rivier over voor een campagne tegen de Skythen, waar we helaas weinig van begrijpen. Wat we wel begrijpen is dat een deel van de Thraciërs vanaf nu deel uitmaakte van het Perzische Rijk. Ze staan afgebeeld op de Apadana-reliëfs uit Persepolis en worden genoemd in diverse teksten.

De heuvel van Eïon, bij een riviermonding aan de Egeïsche noordkust, was de residentie van de bestuurder van de Perzische bezittingen in Europa. Deze versterking is in gebruik gebleven tot 476/475, toen de Atheners haar innamen. De Perzische aanwezigheid in Thracië duurde dus ongeveer veertig jaar, maar er is weinig over bekend, althans aan mij. Ik lees dat lokale vorsten daarna de macht overnamen, wat vooral blijkt uit de munten waarmee ze hun autonomie onderstreepten. Zoals ik al opmerkte, was het Odrysische koninkrijk, gelegen in het zuidoosten, in de vijfde eeuw het meest opvallend. Onze voornaamste bron, Herodotos, lijkt vooral dit gebied te beschrijven,noot Herodotos, Historiën 5.3-8.  al wekt hij de indruk ook de Geten te hebben bezocht. De Odrysen hadden goede relaties met de Atheners en de Krim.

Een Thracische vaas met afbeeldingen van wilde dieren (Metropolitan Museum, New York)

Staatsvorming

Na het midden van de vijfde eeuw krijgen we zicht op de geschiedenis van Thracië. We kennen de namen van de koningen van de Odrysen: eerst een Teres, dan een Sitalkes en vervolgens, na diens gewelddadige dood in een oorlog tegen de Triballiërs, zijn neef Seuthes I (r.424-410). Daarop volgden andere heersers, zoals Seuthes II, bij wie de Griekse huurlingenleider Xenofon de winter van 401/400 doorbracht. Dit was geen stamsamenleving meer, dit was een staat, een koninkrijk. De residentie van de koningen zal zijn geweest in het gebied dat nu bekendstaat als de Vallei van de Thracische Koningen, waar zo’n 1500 grafheuvels zijn geïdentificeerd. De meeste zijn nog niet onderzocht.

Thracische rhyton uit de Borovo-schat (Archeologisch Museum, Ruse)

Die vallei ligt aan de zuidelijke kant van het Balkangebergte. Ook aan de noordelijke zijde ontstonden vroege staten, al zijn die slechter bekend, en kan het gaan om gebieden die door de Odrysen werden beheerst. Dat laatste wordt gesuggereerd door een inscriptie op een drinkbeker uit de Borovo-schat, die is gevonden in het gebied van de Geten aan de Donau: de beker is een geschenk van de Odrysische vorst Kotys I (r.383-359) aan een Getische leider. Minimaal waren de contacten hartelijk, mogelijk was er een gezagsverhouding.

De Letnitsa-schat, feitelijk het beslag van een paard, is wat verder stroomopwaarts gevonden en heeft een wat traditionelere beeldentaal. Ze toont dat de edelsmeedkunst ook hier op een hoog niveau stond, wat suggereert dat er een vorst was die de smid in dienst kon nemen.

Paardenbeslag (Letnitsa-schat, Regionaal Historisch museum, Lovech)

De Macedonische overheersing

Na ruim een eeuw, waarin de Odrysische dynastie haar macht had kunnen uitbreiden over grote delen van Thracië, was er ineens een dramatische ommekeer in de geschiedenis van de regio. In het westen lag Macedonië, dat tot dan toe te verdeeld was geweest om een grote politieke rol te spelen. Dat veranderde echter met de troonsbestijging van koning Filippos II (r.359-336), die een agressieve politiek voerde ten opzichte van zijn op dat moment verdeelde oosterburen.

We kunnen drie oorlogen onderscheiden: de eerste van 357 tot 351, een tweede van 342 tot 340, met daar tussenin een korte campagne in 346 om te verhinderen dat Athene voet aan de grond kreeg. De stichting van Filippoi en Filippopolis in het gebied van de Bessers, het huidige Plovdiv, maakte duidelijk dat de Macedoniërs waren gekomen om te blijven.

Thracische helm (Archeologisch Museum, Sofia)

Filippos onderwierp ook de gebieden ten noorden van de Balkan en bereikte de Donau, waar zijn zoon en opvolger Alexander de Grote enkele jaren later, in 335, overheen trok. Als zijn tegenstanders worden Triballiërs en Geten genoemd. Alle vier grote Thracische groepen waren nu aan de Macedoniërs onderworpen, en we horen regelmatig van Thracische cavalerie tijdens Alexanders oostelijke veldtocht. Een groep Thraciërs werd achtergelaten als garnizoen in het verre Indusland.

Na de dood van Alexander had de Macedoniër Lysimachos over Thracië moeten heersen, maar inmiddels waren op allerlei plaatsen opstanden uitgebroken: India was al voor Macedonië verloren gegaan tijdens de regering van Alexander, de gedemobiliseerde soldaten in Sogdië (zeg maar Oezbekistan) wilden terug naar Europa, de Griekse stadstaten rebelleerden en ook de Odrysen schudden het juk af. Lysimachos slaagde er niet in de Odrysische leider Seuthes III te overwinnen.

[Wordt vanmiddag vervolgd]

#AlexanderDeGrote #Athene #Bessers #BorovoSchat #DariusIDeGrote #Filippoi #FilipposII #Geten #HerodotosVanHalikarnassos #KotysI #LetnitsaSchat #Lysimachos #Odrysen #Persepolis #Plovdiv #SeuthesI #SeuthesII #SeuthesIII #Sitalkes #TeresI #Thracië #Triballiërs #ValleiVanDeThracischeKoningen #Xenofon

De Thraciërs (2)

De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)

[Dit is het tweede van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Sociale stratificatie

De in het vorige blogje genoemde handel en de exploitatie van goudmijnen zorgden voor rijkdom. En rijkdom schiep sociale stratificatie: koning, adel, krijgers, boeren. Het is geen toeval dat de Odrysen, die het dichtst bij het Perzische Rijk en de Griekse stadstaten woonden, in de vijfde eeuw v.Chr. als eersten een eigen koninkrijk bouwden. Zij hadden de beste mogelijkheden om handel te drijven. Later volgden ook de andere gebieden.

Maar de maatschappelijke verschillen zijn al eerder gedocumenteerd. Toen de Perzen tegen het einde van de zesde eeuw de regio onderwierpen, was er al een archeologisch herkenbare elite die pronkte met Griekse en Perzische voorwerpen. (Ik blogde al eens over de Rogozen-schat, gevonden bij de Triballiërs in het noordwesten, waar een kruikje bij zit waarvan de decoratie lijkt te zijn geïnspireerd door de Perzische leeuw-stier-reliëfs.) Niet dat de Thraciërs zelf geen kunst maakten. In de vorstelijke residenties was emplooi voor edelsmeden. Hun producten zijn aangetroffen in tal van graftombes (tumuli in jargon) en zijn beeldschoon.

Een opvallend detail is dat als het koningschap eenmaal is ontstaan, de vorst afstand neemt tot zijn onderdanen: hij leefde apart, in een citadel. De adel woonde er in de buurt, in het dorp woonden boeren die druiven, gerst, rogge en tarwe verbouwden; en de herders zwierven daarbuiten. Deze ruimtelijke indeling was in de oude wereld uiteraard heel gangbaar.

Koningsmasker van goud uit Svetitsa (Archeologisch museum, Sofia)

Godsdienst

De Thraciërs waren grotendeels ongeletterd, maar zoals ik al schreef hebben Griekse auteurs over hen geschreven. Omdat ze een Indo-Europese taal spraken, mogen we ook de historische taalkunde in stelling brengen, en de conclusies daarvan zijn bevestigd door de archeologie.

Het lijkt erop dat bij de Thraciërs de koning een soort middelaar is geweest tussen de goden en de mensen. Daarom had hij allerlei priesterlijke taken. Hij stamde ook af van de goden – Herodotos identificeert de koninklijke stamvader als Hermesnoot Herodotos, Historiën 5.8. – en was daarom onverslaanbaar in oorlogstijd. Dat was althans de ideologie, die we denken te herkennen in de decoratie van het edelsmeedwerk.

Dezelfde Herodotos meldt dat de Thraciërs alleen de goden Artemis, Dionysos en Ares vereren.noot Herodotos, Historiën 5.8. Dit zijn Griekse namen. Van de twee eerste is bekend dat ze corresponderen met de natuurgodin Bendis en een (inderdaad Dionysos-achtige) zoon van de oppergod genaamd Zagreus. Ik heb niet kunnen achterhalen welke oorlogsgod schuil gaat achter Herodotos’ Ares, maar het ontbreekt niet aan Thracische reliëfs van ruiters. Daarover zo meteen meer.

Romeinse afbeelding van de Thracische Orfeus (Archeologisch museum, Stara Zagora)

Orfiek

Een van Zagreus’ leerlingen was Orfeus, die – net als de koning – bemiddelde tussen mensen en goden. Aan hem schreven de Thraciërs al hun wijsheid toe, die de vorm had van allerlei bezweringen, wapendansen en rituelen, waarmee de deelnemers zouden kunnen delen in de onsterfelijkheid van de goden. Een mooi voorbeeld is de man die begraven is met de cocon van een rups. Bij die rituelen zou het draaien om een cyclisch proces van leven, sterven en herleven, wat in de kunst tot uiting zou worden gebracht door herhaalde motieven (meanders, spiralen…) en ook een steeds herhaalde afwisseling van kleuren: rood voor het sterven, zwart voor het graf en wit voor de hernieuwing.

En goud! Goud representeerde al sinds de Bronstijd de zon, de bron van alle leven. Archeologen maken – volgens mij terecht – heel veel van de associatie tussen zonneschijn en goudglans, maar ik noteer wel dat Herodotos geen zonnegod vermeldt dat alleen de hellenistische – dus: vrij late – auteur Alexandros Polyhistor beweert dat de Thraciërs Dionysos/Zagreus gelijkstelden aan de zonnegod.

Thracische Ruiter (Letnitsa-schat, Regionaal Historisch museum, Lovech)

De Thracische Ruiter

Een van de opvallendste afbeeldingen uit de Thracische kunst staat bekend als de Thracische Ruiter. Er moeten er honderden zijn, misschien wel duizenden. Steeds zien we een bewapende ruiter, die nu eens op jacht is en bijvoorbeeld een everzwijn achtervolgt, dan weer een slang bij een boom aanvalt, of terugkeert van het front met het hoofd van een verslagen tegenstander in z’n bagage. Zo nu en dan draagt hij een hoorn des overvloeds, wat dan wellicht het symbool is van de onderwereld. Reliëfs als deze zijn ook bekend uit Roemenië, en daaruit kennen we de naam van de Thracische Ruiter: Ἥρως, “Heros”. Dat is overigens ook het Griekse woord voor held, dus het kan ook een titel zijn, of een als eigennaam gebruikte titel.

In de diverse gebieden lijkt de Thracische Ruiter met diverse goden of mythologische figuren te zijn geassocieerd: de Griekse genezende godheid Asklepios, de orakelgod Apollo, Dionysos/Zagreus, en wellicht ook Ares. Die is immers (volgens Herodotos althans) belangrijk geweest, past goed bij de bewapende ruiter en is niet ergens te plaatsen. Afbeeldingen zijn er tot ver in de derde eeuw na Chr. en wellicht is er een verband met de dubbele “ruiters van de Donau” waarover ik eerder blogde.

En misschien is de Thracische Ruiter ook wel een weergave van de oppergod. Herodotos noemt Zalmoxis, waarvan hij zegt dat die ook wel Gebeleïzis heet. Die laatste naam wordt ook anders gespeld, maar het gaat zeker om dezelfde Indo-Europese naam als die waarvan Zeus en Jupiter zijn afgeleid: de donderende hemelgod die aan het hoofd van het pantheon stond. Dat Zalmoxis in de hemel verbleef, blijkt uit (alweer) Herodotos, die vertelt dat de Geten

om de vier jaar een man uitloten die aan Zalmoxis al hun wensen en verlangens van dat tijdstip kenbaar moet maken. Dat gaat als volgt in zijn werk: zij wijzen een aantal mannen aan die ieder drie speren vasthouden. Dan wordt door een groep anderen de persoon die de boodschap aan Zalmoxis moet overbrengen aan handen en voeten beetgepakt en in de lucht gegooid zodat hij op de speerpunten terechtkomt. Komt hij bij die val om, dan betekent dit volgens hen dat de god hun welgezind is.noot Herodotos, Historiën 4.94; vert. Hein van Dolen.

Of dit werkelijk zo is gegaan, waag ik te betwijfelen. Het past me net iets te goed bij Herodotos’ tendens om de Thracische barbarij wat aan te dikken. Maar het bevestigt wel dat Zalmoxis in de hemel was.

[Wordt morgen vervolgd]

#AlexandrosPolyhistor #Ares #Artemis #barbaren #Bendis #Dionysos #goud #grafheuvel #Hermes #HerodotosVanHalikarnassos #IndoEuropeseTalen #koningschap #LetnitsaSchat #Odrysen #Orfiek #RogozenSchat #ruitersVanDeDonau #Thracië #ThracischeRuiter #Triballiërs #Zagreus #Zalmoxis #zon

De Thraciërs (1)

Thracisch alssnoer uit de IJzertijd (Historisch Museum, Sofia)

De Thraciërs wisten zelf niet dat ze bestonden. “Thraciërs” was oorspronkelijk de naam die de Grieken gaven aan de bewoners van het gebied ten noorden van de Egeïsche Zee. Toen er later Griekse steden ontstonden aan de westkust van de Zwarte Zee, duidden de bewoners hun buren in het achterland eveneens aan als Thraciërs. Uiteindelijk ging het om een regio die iets groter was dan het huidige Bulgarije. Zelf hebben de mensen die daar woonden, zich nauwelijks herkend als één volk. De Griekse onderzoeker Herodotos kent de namen van een stuk of tien groepen die hij beschouwt als Thracisch, latere auteurs kennen nog meer namen.

Of die werkelijk corresponderen met de zelfaanduidingen, is maar de vraag. Het is niet plausibel dat er in historische tijden een groep bestond met de legendarische, aan Homeros ontleende naam Kikonen, terwijl ook Melinofagoi, “giersteters”, niet klinkt als een authentieke Thracische naam. Sinds de thracologie een echte wetenschap is – laten we zeggen sinds de jaren zeventig – worden meestal vier groepen aangewezen: twee ten noorden van het Balkangebergte, dat als een horizontale lijn van oost naar west door Bulgarije loopt, en twee in het zuiden. Het zijn:

  • in het noordoosten de Geten, op beide oevers van de Donau, dus ook in Roemenië;
  • in het noordwesten de Triballiërs, vanaf de Geten bezien stroomopwaarts aan de Donau, deels in Servië;
  • de Bessers in het zuidwesten, in het Rhodopegebergte, in de richting van Griekenland;
  • de Odrysen op de vlakte van de Maritsa (de antieke Hebros) in het zuidoosten, ook in Turkije.

De Thracische cultuur

Hoewel de Thraciërs dus verdeeld waren, is het nou ook weer niet zo dat er helemaal niets was dat ze verbond. Om te beginnen spraken ze dezelfde Indo-Europese taal. Of Indo-Europese talen, meervoud. Het taalkundig bewijs is erg mager. Maar toch: dankzij enkele korte inscripties, een grote hoeveelheid persoons- en plaatsnamen en zo’n tachtig notities in antieke woordenboeken is voldoende bekend om er zeker van te zijn dat het Thracisch behoorde tot de Indo-Europese familie. Zo kennen we woorden als bria, “versterking”, broutos, “bier”, midne, “huis”, en para, “voorde”. Het is te weinig om de plek van het Thracisch in de grote Indo-Europese stamboom te bepalen, maar voldoende om te bepalen dat de taal daarin hoort.

De Thraciërs deelden ook dezelfde mythen en godsdienst (de “Orfiek”) en hadden een overeenkomstige levenswijze. Ze zouden nogal krijgszuchtig zijn geweest – althans volgens de Griekse auteurs, voor wie de Thraciërs niet zelden golden als “de” barbaar par excellence. Die vooringenomenheid leidde tot vertekening. Herodotos vertelt bijvoorbeeld dat de Thracische groep die hij Trausers noemt, huilden bij de geboorte van een baby, omdat ze wisten hoeveel verdriet er is in een mensenleven, en dat ze lachten bij de dood, omdat de ellende eindelijk voorbij was. noot Herodotos, Historiën 5.4. Dit is evident omkering van de Griekse norm en dus het “scheppen” van de barbaar. De nadruk die de Griekse auteurs leggen op tatoeages en kleding van dierenhuiden (bijv. leren broeken en mutsen van vossenbont) documenteert dezelfde attitude: de Thraciër was een woesteling.

Tegelijk zijn er voldoende archeologische aanwijzingen voor meer vreedzame betrekkingen. Veel Thraciërs leefden als herders. Akkerbouwers leefden in dorpen die lange tijd geen muren of palissades hadden. In de loop der eeuwen groeide de handel met de Griekse havensteden in het zuiden en oosten: als exportproducten worden allerlei soorten metaal, pelzen en slaven genoemd. Natuurlijk was er ook handel met andere buurvolken: met de Macedoniërs en de Illyriërs in het westen, met de Skythen in het noordoosten en met het Perzische Rijk. Dat Perzische teksten de Thraciërs aanduiden als één volk, suggereert overigens dat niet alleen de Grieken overeenkomsten zagen tussen de diverse bevolkingsgroepen.

Perzische afbeelding van een Thraciër (Persepolis)

Volk zonder geschiedenis?

Kenden we hun eigen verhalen maar! De Thraciërs zijn echter “people without history”, wat wil zeggen dat er onvoldoende eigen geschreven bronnen zijn. Uiteraard hebben ze mondeling wel verhalen doorgegeven, maar die zijn voorgoed verloren. We moeten het doen met archeologische vondsten, die voor de Bronstijd en IJzertijd zelfs het enige bewijsmateriaal vormen. En hoewel archeologische vondsten nogal wat interpretatie vergen, vertellen ze wel een verhaal.

Daarnaast zijn er, zoals gezegd, de Griekse teksten. Die zijn er vanaf het moment waarop de Grieken zich op de kusten vestigden: eerst in het zuiden, aan de Egeïsche Zee, in de zevende en zesde eeuw v.Chr. ook in het oosten, aan de Zwarte Zee. Afgezien van enkele opmerkingen bij Homeros, die bijvoorbeeld de Thracische koning Rhesos in de Ilias noemt als bondgenoot van Troje, vormen vermeldingen bij vroege dichters het eerste tekstuele bewijs, en pas halverwege de vijfde eeuw v.Chr. krijgen we met twee redelijk lange passages in Herodotos’ Historiën enig bewijsmateriaal.noot Herodotos, Historiën 4.93-94 en 5.3-8.

[Wordt zo meteen vervolgd]

#Balkangebergte #barbaren #Bessers #Geten #HerodotosVanHalikarnassos #Homeros #IndoEuropeseTalen #Odrysen #Orfiek #peopleWithoutHistory #tatoeage #Thracië #Triballiërs