Overview

Across the sunlit landscapes of North Africa, ancient Roman amphitheaters rise like monumental storytellers of a bygone empire. #AncientArchitecture #CulturalHeritage #HistoricalEngineering #NorthAfrica #Timgad

https://archup.net/roman-amphitheaters-of-north-africa-echoes-of-empire-and-architecture/

Numidië

Timgad, een van de voornaamste Romeinse steden in Numidië

De Numidiërs waren de mensen die woonden in het gebied ten westen van Karthago. Er waren twee regio’s, bewoond door de Massyliërs in het noordoosten van het huidige Algerije en de Masaeisyliërs in het noordwesten. Ik weet er vrijwel niets van. Daarom zit ik, tegen de tijd dat u dit leest, in het vliegtuig naar Tunis, van waaruit ik Karthago wil bezoeken om daarna richting Algiers te reizen. Daar hoop ik ten tijde van de verkiezingen te zijn, dus wie weet wat we gaan beleven.

Om de waarheid te zeggen heeft mijn reis iets van een vlucht. Ik heb twee krankzinnig drukke maanden achter de rug. Ik werk aan een boek. Mijn vorige boek is donderdag gepresenteerd. Mijn huis wordt verbouwd – ze zijn er al anderhalf jaar mee bezig – en de rust die ik zoek, wordt me juist daar waar je denkt jezelf te kunnen zijn, het luidruchtigst ontnomen. Afgelopen woensdag, nadat ik ook onverwacht een nieuwe computer had moeten kopen en installeren, bedacht ik dat ik behoefte had aan vakantie; dat heb ik niet vaak en komt schokkend snel nadat ik verfrist terug was gekomen van mijn schrijfzomer in Gemmenich. Kortom, ik ga op reis om, door iets nieuws te leren, de accu op te laden.

Het land

Het Numidische landschap bestaat, zo begrijp ik, uit een kuststrook met daarin de havens van Caesarea (het moderne Cherchell), Tipasa, Icosium (Algiers) en Hippo Regius (Annaba). Daarachter beginnen de hooglanden van Numidië. Wie vanuit de havensteden het land intrekt, steekt eerst een oostelijke uitloper van de Tell Atlas over, bereikt daarna de golvende, steppeachtige vlakte die nu de “Hautes Plaines” wordt genoemd, en steekt vervolgens de Sahara-Atlas over om te eindigen bij de zandwoestijn, de Grand Erg. In het oosten sluiten de twee uitlopers van de Atlas zich in het berglandschap dat Aurès heet. Net ten oosten van de Tunesische grens werd bij Chimtou het beroemde giallo antico gewonnen dat je in alle delen van de oude wereld wel vindt.

Numidische goden, Chimtou

Ik heb begrepen dat het gebied vrij vruchtbaar is. Dat de Numidiërs voornamelijk zwervende herders zouden zijn geweest, is een misverstand gebaseerd op het feit dat hun naam lijkt op het Griekse woord νομάδες, dat verwijst naar herdersstammen. Die waren er zeker. Ze hadden hutten op wielen die ze mapalia noemden. Maar de meeste mensen waren sedentair, zoals Herodotos al correct vermeldt.

De Numidische kusten werden voor het eerst verkend door de Feniciërs, die hier verschillende kolonies stichtten, zoals Iol en Hippo Regius. Hier handelden ze met de mensen in het binnenland.

Numidisch koningsgraf te Médracen, niet ver van Batna

De vorsten van Numidië

De twee genoemde politieke eenheden, de Massyliërs in het oosten en de Masaeisyliërs richting Marokko, zijn gedocumenteerd vanaf de derde eeuw v.Chr. Beide groepen leverden cavalerie, die bijvoorbeeld tijdens de Tweede Punische Oorlog meevocht in het leger van Hannibal (218-202). De Karthaagse bondgenoot Syfax was in die tijd leider van de Masaeisyliërs; zijn rivaal was de Romeinse bondgenoot Massinissa van de Massyliërs. Deze profiteerde van zijn bondgenootschap met Rome en veroverde na de Tweede Punische oorlog de steden SabrathaOea en Lepcis Magna in het huidige Libië.

Numidische ruiter (Musée national des antiquités, Algiers)

Massinissa stierf in 148 v.Chr., kort voordat de Romeinen Karthago veroverden en het huidige Tunesië annexeerden. De Massylische koning werd opgevolgd door zijn zonen Micipsa, Gulussa en Mastanabal en later door Jugurtha (r.118-104). De laatste werd verslagen door de Romeinse generaal Marius, waarna delen van zijn koninkrijk werden toegevoegd aan het Romeinse rijk. In 46 v.Chr. voegde Julius Caesar meer Massyliaans gebied toe aan het Romeinse Rijk. De Masaeisylische Numidiërs verloren hun onafhankelijkheid pas later en werden opgenomen in de provincie Mauretanië.

Romeinse provincie

Het Derde Legioen Augusta, aanvankelijk gevestigd in Tebessa (tegenwoordig Theveste), zou de grens verdedigen. Het werd later overgeplaatst naar Lambaesis (bij Batna). Even verderop lag de nieuwe stad Thamugadi (Timgad). Ik hoor dat dit een schitterende plak is om te bezoeken, werelderfgoed zelfs, dus ik kijk ernaar uit.

Hoewel we niet beschikken over antieke Numidische literatuur, kennen we de namen van verschillende goden. In Cirta (het huidige Constantine) is bijvoorbeeld een heiligdom opgegraven van Baal-Hammon, de heer van de Onderwereld. Ik blogde er al over. Onder de Numidische goden waren ook Aulisua, Iocolon en Motmanius, bekend van inscripties maar wel wat schimmig.

Lambaesis, Romeinse legioenbasis

De Romeinse auteur Cassius Dio verwijst naar religieuze bezweringen en betoveringen, waardoor de Numidiërs regen zouden hebben laten vallen. Soortgelijke bezweringen worden genoemd door Herodotos. Dit was de wereld waarin de christelijke auteur Augustinus leefde (354-430). Hij is geboren in Thagaste en eindigde als bisschop van Hippo Regius. Ik ben erg benieuwd wat we de komende twee weken zullen meemaken.

#Algiers #Annaba #Augustinus #Cherchell #Chimtou #ChristianJongeneel #Cirta #Constantine #GaiusMarius #Gulussa #Hannibal #HerodotosVanHalikarnassos #HippoRegius #Icosium #IIIAugusta #IolCaesarea #Jugurtha #JuliusCaesar #Lambaesis #LepcisMagna #Masaeisyliërs #Massinissa #Massyliërs #Mastanabal #MauretaniaCaesariensis #Medracen #Micipsa #Oea #Sabratha #Syfax #Thagaste #Thamugadi #Timgad #Tipasa

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (1)

De veldtekens van III Augusta (Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel)

De legioenen uit de vroege Keizertijd gaan terug op eenheden uit de late Republiek. Ze zijn vrijwel allemaal geformeerd door Julius Caesar of Octavianus. Het Derde Legioen, dat later de bijnaam Augusta zou krijgen, is een uitzondering. Het is in 43 v.Chr. in het veld gestuurd door consul Gaius Vibius Pansa. De nummers één tot en met vier waren toen, in de laatste jaren van de Republiek, gereserveerd voor de legers van de consuls. Pansa nam dus een eerste en een derde legioen mee toen hij oprukte naar Modena op de Povlakte om te strijden tegen Marcus Antonius. Een tweede en een vierde legioenen gingen mee, gecommandeerd door consul Aulus  Hirtius. Ook in het gezelschap: Octavianus, met een privéleger.

Het drievoudige leger won. Beide consuls kwamen echter om het leven. Octavianus was nu ineens meester van een heel groot leger, marcheerde op Rome en eiste de macht. Zo simpel.

Naar Africa Proconsularis

Het Derde Legioen bleef blij hem. Mogelijk was het aanwezig tijdens de dubbele slag bij Filippi (42), waarin Octavianus, inmiddels samenwerkend met Marcus Antonius, de moordenaars van Caesar versloeg. Later nam het Derde Legioen deel aan de oorlog om Sicilië, waar Octavianus afrekende met de laatste zoon van Pompeius, Sextus. Octavianus’ bondgenoot was het leger van Marcus Aemilius Lepidus, dat uit Tunesië was gekomen en na de overwinning zijn generaal in de steek liet. Octavianus nam dat leger over en stuurde het Derde Legioen naar Tunesië. En daar is het gebleven.

Inscriptie voor Gavius Macer van III Augusta (Lepcis Magna)

Het is niet helemaal duidelijk waar het legioen zich aanvankelijk bevond. Het gebied, dat Africa Proconsularis heette, was vrij rustig en misschien zette Octavianus de soldaten in bij de herbouw van Karthago. Dan zal de eerste basis wel in de buurt van die stad zijn geweest, maar bewijs ontbreekt. In elk geval documenteert een inscriptie uit 14 na Chr. soldaten die een weg aanleggen van Tacape (Gabès in zuidelijk Tunesië) naar hun basis. Die bevond zich wellicht in Theveste, vanuit Tunesië bezien nét over de grens met Algerije.

Tacfarinas

III Augusta bewaakte de 3000 kilometer lange grens van de Atlantische Oceaan tot en met Tripolitana. Dus Marokko, Algerije, Tunesië en half Libië. Hoewel dit een doorgaans rustig deel was van het Romeinse Rijk, kreeg III Augusta het hard te verduren in de jaren 17-24, toen het de strijd moest aanbinden tegen Tacfarinas, die een anti-Romeinse coalitie had gevormd uit Numidische en Mauretaanse stammen. Misschien vormde deze oorlog de aanleiding tot de overplaatsing van het legioen naar Ammaedara, het huidige Haïdra.

III Augusta, gecommandeerd door de gouverneur van Afrika, Marcus Furius Camillus, wist Tacfarinas in 17 in een geregelde veldslag te verslaan, maar deze begon een guerrilla: het soort oorlog waar de Romeinen het minst van begrepen. In 18 versloeg hij zo een onderafdeling van III Augusta. De nieuwe commandant, Lucius Apronius, strafte de legioensoldaten met decimatie, d.w.z. het doden van elke tiende soldaat. In 21 kreeg het Derde versterking van VIIII Hispana, maar de oorlog duurde nog voort. In 24 wist gouverneur Junius Blaesus de rebel te verslaan en mocht het Negende weer vertrekken, maar Tacfarinas keerde onmiddellijk terug. III Augusta was nu echter in staat hem te isoleren en tot zelfmoord te drijven.

Stempel van III Augusta (Annaba)

Senatorieel legioen

In deze tijd was het Derde het enige legioen dat onder bevel stond van een senator, namelijk de proconsul (gouverneur) van Africa Proconsularis. Eén van hen zou Velleius Paterculus geweest kunnen zijn, de auteur van een korte Romeinse Geschiedenis. Dit feitje is gebaseerd op de interpretatie van een inscriptie die echter ook anders te lezen is. Onmogelijk is het echter niet.

Keizer Caligula (r.37-41) vond het riskant om een ​​legioen in handen te laten van een senator, die immers voldoende waardigheid bezat om een gooi naar het keizerschap te doe. Hij koos ervoor zelf de commandant van III Augusta aan te wijzen – het was niet langer een senatorieel ambt. Caligula’s opvolgers Claudius en Nero zetten dit beleid doorgaans voort.

Het Vierkeizerjaar

Tijdens de verwarde laatste jaren van Nero kwam Lucius Clodius Macer in opstand tegen de tirannieke despoot. Hij formeerde in 68 een ander legioen, I Macriana Liberatrix, en steunde Sulpicius Galba, die vanuit Spanje naar Italië kwam en het keizerschap bekleedde. De nieuwe heerser wantrouwde Macer echter en beval een officier genaamd Trebonius Garutianus om de commandant van de twee legioenen te doden.

In januari 69 verloor Galba de controle over de situatie. Hij werd gedood en er brak een burgeroorlog uit tussen Otho en Vitellius, een voormalige gouverneur van Africa die inmiddels aan het hoofd stond van het Rijnleger. III Augusta koos de zijde van Vitellius, maar mengde zich niet in de strijd. Uiteindelijk wist weer een andere pretendent, Vespasianus, de macht te grijpen en een dynastie te stichten. Deze keizer was ook verantwoordelijk voor de overplaatsing van het legioen van Ammaedara terug naar Theveste (75).

Zes jaar later volgde een nieuwe overplaatsing, nu naar Lambaesis in Numidië. Veteranen vestigden zich in de omgeving: in Djemila (Cuicul), Sétif (Setifis) en Timgad (Thammugadi). De Romeinen ontgonnen en koloniseerden de Algerijnse Hautes Plaines werden in hoog tempo.

[Wordt vervolgd.]

#africaProconsularis #algerije #ammaedara #aulusHirtius #caligula #claudius #decimatie #djemila #gabes #gaiusVibiusPansa #galba #haidra #iMacrianaLiberatrix #iiiAugusta #juliusCaesar #juniusBlaesus #lambaesis #legioen #luciusApronius #luciusClodiusMacer #marcusAemiliusLepidus #marcusAntonius #marcusFuriusCamillusAfricanus #marcusVelleiusPaterculus #mauretanie #nero #numidie #otho #romeinsLeger #setif #sextusPompeius #slagBijFilippoi #tacape #tacfarinas #theveste #timgad #treboniusGarutianus #tunesie #vespasianus #vierkeizerjaar #viiiiHispana #vitellius

De ketter van Carthago (1)

De oudste afbeelding van Augustinus (Lateraan)

Waarom lezen mensen na zestien eeuwen nog altijd Augustinus? In mijn geval is het simpel: het zou voor een oudheidkundige bizar zijn een immens corpus aan informatie ongelezen te laten. Voor anderen is het misschien wat problematischer. Je kunt namelijk veel over de bisschop van Hippo zeggen, maar niet dat het een toegankelijke auteur is. Ik heb basisschoolkinderen een vertaling van Homeros’ verhaal over Bellerofon voorgelezen en ze begrepen het; je kunt Suetonius, Herodotos en het Epos van Gilgameš lezen zonder al te veel voorkennis; maar Augustinus is lastiger.

Een vrolijk mensbeeld heeft hij ook niet. De mens heeft zijn onvolmaaktheid te danken aan de zonden van zijn voorouders en is daardoor ook zelf een zondaar: dat is toch iets heel anders dan het Verlichtingsidee dat de mens van nature goed is en zichzelf kan verbeteren. Ik wil dat laatste geloven. Schindler’s List is zo’n boeiende film omdat het toont dat een opportunist een goed mens kan worden, wat een stuk interessanter is dan het obligate “goed mens degenereert tot slecht mens”. Een goed educatief systeem geeft mensen de middelen zichzelf te verbeteren. Noem het voor mijn part Bildung. Maar ondanks mijn sympathie voor die optimistische idealen ben ik niet blind voor het feit dat evenveel mensen niet boven zichzelf uitgroeien, onderpresteren en van goed mens opportunist worden. Augustinus’ mensbeeld mag dan somber zijn, het is niet onrealistisch.

Donatisme

Misschien is dat wat Augustinus boeiend maakt, dat je kunt ziet dat hij ermee heeft geworsteld. Die worsteling ging om meer dan de abstracte vraag of mensen goede of slechte wezens waren. Terwijl Augustinus in Hippo aan het hoofd stond van wat ik gemakshalve een algemene kerk zal noemen, was in dezelfde stad een andere christelijke groep die zichzelf beschouwde als volmaakt zuiver. De wortels van de kerkscheuring lagen een eeuw eerder toen de keizers Constantijn en Licinius hadden aangekondigd dat de kerken gecompenseerd moesten worden voor de financiële verliezen tijdens de christenvervolgingen. In Karthago waren op dat moment twee bisschoppen waarvan er een én het geld kreeg én niet volgens de juiste procedures was gewijd. Zijn rivaal greep de onzuiverheid van zijn concurrent aan om het geld op te eisen.

Sindsdien waren er twee kerken in Afrika: de officiële, door de keizers erkende, waartoe Augustinus behoorde, en de donatistische, die zuiver claimde te zijn. Dat sloot wereldse rijkdom niet uit. Het donatische kerkelijke complex in Timgad is het grootste christelijke monument in Algerije. De donatistische beweging ging, in een tijd waarin Rome zich uit Afrika terugtrok, hand-in-hand met sociaal verzet tegen een als corrupt ervaren overheid, dat overging in het geweld van de Circumcelliones. Mischa Meier schrijft er goed over.

De immer actuele Augustinus

Een fascinerende geschiedenis, waaraan we enerzijds Augustinus’ acceptatie van wereldlijk gezag te wijten hebben: mensen moesten gedwongen kunnen worden hun redding te accepteren. Anderzijds danken we hieraan het beeld dat de kerk moet zijn als de boer die een veld heeft met goede planten en onkruid, en dat op de Jongste Dag wel zal blijken wie tot de hemel zal worden toegelaten. (Dit is vermoedelijk niet wat Jezus met die gelijkenis bedoelde, maar dat is verder niet belangrijk.) De kerk is er voor alle mensen, kent vergeving en streeft weliswaar naar zuiverheid maar accepteert dat we maar mensen zijn.

Zeg wat je wil, maar er zit een realistisch mensbeeld in: de mens kan een engel en een duivel zijn. Augustinus begreep wat mensen zijn. Dat geeft hem voor ons herkenbaar. Los daarvan stelt hij interessante vragen, waarop hij scherpzinnige antwoorden weet. Wat deed God voor de Schepping? Niets, want er was geen tijd voordat de schepping was geschapen. De vraag naar de natuur van de mens is ook zo’n goede. Wij hebben het niet meteen over goed en kwaad, maar ons discours over het reptielenbrein is niet wezenlijk anders.

Kortom, ook als je het met hem oneens bent is Augustinus gewoon interessant en het is dus logisch dat er een roman over verscheen.

[Wordt vervolgd]

#Augustinus #Circumcelliones #donatisme #donatisten #goedEnKwaad #reptielenbrein #roman #Timgad

De Maghreb in de Late Oudheid (2)

Het Byzantijnse fort van Madauros

[Tweede van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb. Het eerste was hier.]

Ik eindigde mijn vorige blogje over de Maghreb in de Late Oudheid met de onderwerping van het Vandaalse koninkrijk door de Byzantijnse generaal Belisarius in het jaar 533. Hij sloot een verdrag met een Berber-koning genaamd Massonas, die lijkt te hebben geheerst vanuit Altava in het noordwesten van het huidige Algerije. De twee partijen werkten in de volgende jaren samen, onder meer tegen andere groepen Berbers. De Byzantijnen bouwden een reeks forten. In Tunesië is te denken aan Sufetula (Sbeitla), Mactaris (Makhtar) en Ammaedara (Haïdra). In Algerije gaat het om Theveste (Tebessa), Madauros (M’daourouch), Lambaesis (Tazoult), Thamugadi (Timgad), Sitifis (Sétif) en Tipasa. Meer naar het westen ontbreken de forten, omdat het gebied in handen was van de bevriende Berbers van Altava.

Demografische neergang

Wie die forten ziet, valt op hoe klein ze zijn. Ze zijn ook grotendeels gebouwd uit gerecycled ouder bouwmateriaal, vaak de enorme stukken natuursteen waarop inscripties hadden gestaan. (De Byzantijnse forten zijn een paradijs voor epigrafen.) Omvang en bouwmateriaal zullen wel samenhangen met de demografische neergang in Late Oudheid. Het meest opvallende aspect daarvan is de pest-epidemie die uitbrak in 541, maar de neergang had al eerder ingezet.

Eén van de gevolgen is de afname van de vraag naar producten uit de Maghreb, zoals olijfolie en wijn en graan. Dat had ter plekke weer economische en sociale gevolgen. De sedentaire boeren rond de steden hadden redenen om over te schakelen op veeteelt en dus nomadisme.

Garmul

De samenwerking tussen de Byzantijnen en Berbers was niet voor eeuwig. Er is wel beweerd dat het Byzantijnse Rijk steeds Griekstaliger werd, waardoor de Berbers (die naast hun eigen taal vooral Latijn spraken) afstand begonnen te voelen, maar ik weet niet zeker of dit waar is.  Feit is dat we lezen over conflicten, zoals dat met een zekere Garmul. De door de Spaanse chroniqueur Johannes van Biclaro gegeven informatie is beknopt:

Generaal Gennadius verpletterde in Africa de Mauri, en overwon in de strijd de levensgevaarlijke koning Garmul, die al een leger van drie eerdere Romeinse aanvoerders (duces) had verslagen, en doodde die koning met het zwaard.noot Johannes van Biclaro, Kroniek, jaar 578.

Die eerdere generaals waren verslagen in 570 en 571, Gennadius’ repressie dateert van 578 en leidde tot de onderwerping van de Mauri, maar er zijn geen aanwijzingen voor hernieuwde Byzantijnse fortenbouw. Vermoedelijk werd het koninkrijk Altava opnieuw een bondgenoot, en wel op voor Constantinopel gunstige voorwaarden.

Het Exarchaat van Karthago

Gennadius bleef in de Maghreb achter als exarch, wat zoiets betekent als “bestuurder van een buitengewest”. Vanuit Karthago regeerde hij over de Byzantijnse bezittingen en controleerde hij de Berber-bondgenoten. Dat waren er meer dan alleen het koninkrijkje rond Altava. In mijn vorige blogje noemde ik een dux en imperator Masties die in de Vandaalse tijd in het noordoosten van Algerije regeerde over Romeinen en Mauri, en misschien heeft zijn staatje op een of andere wijze overleefd. Ook elders is het bestaan van post-Romeinse heersers gedocumenteerd, maar vaak gaat het om de vermelding van één leider met een Berber-naam die dan door de Byzantijnse legers wordt verslagen. Feit is: we hebben weinig informatie.

Zoals ik het zie, verbleven er rond het Byzantijnse Exarchaat diverse groepen Berbers, die op verschillende manieren een nomadisch leven leidden, en die op variërende manieren waren verbonden met (en zich zo nu en dan keerden tegen) de exarch in Karthago. Zo was het al eeuwen, en de voornaamste verschillen waren dat de Latijnsprekende Romeinse overheid inmiddels een Griekssprekende Byzantijnse overheid was, dat de steden door de demografische neergang kleiner waren geworden en dat het handelsvolume was afgenomen. Evengoed functioneerde de samenleving nog altijd en waren er nieuwbouwprojecten, zoals het gebouw in Sfax waarover ik een paar jaar geleden blogde.

Migraties

Ik voeg nog toe dat de Berbergroepen, zoals alle nomadische groepen, fluïde waren. De naam Laguatan, die we rond 400 na Chr. aantreffen in het oosten van het huidige Libië, duikt anderhalve eeuw later veel westelijker op. Er lijkt onder de nomaden een soort beweging te zijn geweest vanuit Tunesië naar de vruchtbare Hautes Plaines van Algerije, vanuit westelijk Libië naar de vrijgekomen gebieden in Tunesië en vanuit oostelijk Libië naar de vrijgekomen gebieden in westelijk Libië.

Anders gezegd: de Arabieren volgden gebaande wegen toen ze naar de Maghreb kwamen. Daarover gaat het volgende blogje.

#Altava #Ammaedara #Belisarius #Berbers #epidemie #ExarchaatVanKarthago #Garmul #Gennadius #JohannesVanBiclaro #JustiniaanseEpidemie #Laguatan #Lambaesis #Mactaris #Madauros #Massonas #Masties #Mauri #nomadisme #Pest #Sétif #Sbeitla #Sfax #Tébessa #Thamugadi #Timgad #Tipasa #Vandalen

De Maghreb in de Late Oudheid (1)

Latijnse ostrakon uit Timgad, waarin iemand met een Berbernaam een transactie dateert aan de hand van een Vandaalse koning

Toen Augustinus in 430 in Hippo Regius overleed, belegerden de Vandalen zijn stad, die ze kort daarna bezetten. Karthago volgde in 439. Onder leiding van Geiserik stichtten de Vandalen een eigen koninkrijk binnen de grenzen van het aloude Romeinse imperium. De tijden waren aan het veranderen.

Eén van de redenen waardoor het zo ver had kunnen komen, is dat het keizerlijk hof in Ravenna en Constantinopel lang weinig belangstelling had gehad voor de Maghreb. De Duitse oudhistoricus Mischa Meier typeert het als een proces van terugtrekking.

De tijden mochten dan veranderen, veel dingen bleven hetzelfde. Er waren steden, men produceerde olijfolie, men bouwde kerken, men schreef Latijn en men werkte samen met de nomaden. Die waren er – en dat al eeuwenlang – in allerlei soorten. Sommigen bewogen over betrekkelijk korte afstanden tussen winter- en zomerweiden, waar ze winter- en zomerdorpen hadden. Toearegs bewogen over enorme afstanden en handelden met de Sao-cultuur. Weer anderen wisselden een bestaan als sedentaire landbouwers af met nomadische veeteelt. Hun relatie met de Romeinse overheid was al even variabel: nu eens erkenden ze het gezag van de keizer en regelmatig dienden ze als grenstroepen, dan weer onttrokken ze zich aan de keizerlijke regering.

Berbers

In dat laatste geval noemden de Romeinen hen “barbaren”, waarvan ons woord “Berbers” is afgeleid. Zelf duidden en duiden ze zich aan met andere namen. Ze spraken en spreken verschillende talen, die noch bij de Indo-Europese taalfamilie behoren (zoals het Latijn), noch bij de Semitische talen (zoals het Fenicisch en het Arabisch). Wat ze deelden, is vooral een levenswijze, die complementair was aan de Romeinse stedelijke levenswijze.

Nu de Romeinse overheid zich terugtrok en de Vandalen de macht overnamen, lezen we voor het eerst over werkelijk autonome groepen Berbers. Volgens Prokopios gebeurde dat pas na de dood van de Vandaalse koning Hunerik (r.477-484), maar vrijwel zeker was dit proces al eerder gaande en verwijst de Byzantijnse geschiedschrijver naar het moment waarop er gewelddadige conflicten kwamen tussen het Vandaalse koninkrijk en de Berbers.

Berber-koningen

Ik aarzel of ik moet spreken van een Berber-staat, of Berber-staatjes, of dat ik het woord “staat” moet vervangen door “stam” of “stamfederatie”. Zoals zo vaak weten we het niet goed. Twee Berber-leiders, een zekere Masties en een zekere Masuna, hebben echter Latijnse inscripties nagelaten. Daarin duiden ze hun onderdanen niet aan als barbaren of Berbers, maar met de oeroude naam Mauri.

De eerste is het grafschrift van Masties, gevonden in de Aurès in het noordoosten van Algerije en ondateerbaar, en identificeert hem met de Romeinse titels dux en imperator. Hij schrijft:

Aan de geesten van de overledenen.
Ik, Masties, dux gedurende zevenenzestig jaar, imperator gedurende tien jaar, ☩ heb nooit verraad gepleegd, noch het vertrouwen geschonden, noch bij de Romeinen, noch bij de Mauri, en ik ben in oorlog en vrede gehoorzaam geweest. God heeft mij vanwege mijn gedrag Zijn genade geschonken.
Ik, Vartaia, heb samen met mijn broers dit monument opgericht, waarvoor ik honderd solidi heb betaald.noot EDCS-15500070.

We weten niet goed wat de Romeinse titels hier betekenen. Dux kan een Romeinse militaire term zijn, maar ook de aanduiding van een Berber-stamhoofd, terwijl imperator kan verwijzen naar vrijwel elke militaire gezagdrager. Het is echter duidelijk dat de man zich niet presenteert als onderdaan van de Vandalen, wat ook wordt bevestigd door een terloopse opmerking van Prokopios, die schrijft dat de Berbers Timgad hadden verwoest om te verhinderen dat de Vandalen ooit hun kant op zouden komen.noot Prokopios, Oorlogen 4.13.26. Dat Masties christen is, spreekt ruim een eeuw na de regering van Constantijn voor elke gezagdrager vanzelf.

Wie in deze inscriptie de Romeinen zijn, is onduidelijk: het kan gaan om onderdanen van Masties of de keizer in Ravenna. De tweede inscriptie, die van Masuna, helpt ons echter bij het vinden van een mogelijke interpretatie. Deze tekst is gevonden in Altava in het noordwesten van Algerije,noot EDCS-25601625. en bewijst dat Masuna rond 508 magistraten kon aanwijzen en zich beschouwde als een Romeinse gezaghebber. Hij identificeert zichzelf als rex gentium Maurorum et Romanorum, “koning van de Mauri en Romeinen”, en dat betekent dat we te maken hebben twee groepen onderdanen. “Romeinen” zal in beide inscripties verwijzen naar geromaniseerde stedelingen. En beide mannen regeerden dus over én Romeinse stedelingen én Mauri.

Jidars

Wat we, ondanks alle onduidelijkheid, kunnen weten is dat er rond 500 na Chr. post-Romeinse machthebbers waren met Berber-namen, die zich onafhankelijk hadden gemaakt van de Vandalen en zich presenteerden als loyaal aan de Romeinen. Ze gebruikten vergelijkbare militaire en bestuurlijke titels, deelden in de christelijke religie, schreven Latijn – kortom, ze bleven binnen de Romeinse wereld.

Dat zulke leiders niet (of niet alleen) met kuddes heen en weer trokken, maar (tevens) sedentair waren, blijkt uit de zogeheten jidars, monumentale grafmonumenten uit de Late Oudheid, die zijn gevonden in het noordwesten van Algerije. Het gaat vrijwel zeker om koninklijke mausolea en ze veronderstellen een sedentaire bevolking.

En tot slot: in 533 arriveerde de Byzantijnse generaal Belisarius in het huidige Tunesië, en onderwierp de Vandalen. Korte tijd later sloot hij een alliantie met een Berber-leider die door Prokopios Massonas wordt genoemd. We weten niet of dit dezelfde is als de zojuist genoemde Masuna, maar het bevestigt dat de Berbers rond Altava in het noordwesten van Algerije een mogendheid waren om rekening mee te houden.

[Dit is het eerste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb en dit blogje wordt zo meteen dus vervolgd.]

PS

Op deze blog zijn ruim 57.000 reacties geplaatst en 99,9% daarvan was ter zake of prettige malligheid. Eergisteren heb ik voor de derde keer in veertien jaar iemand een blok moeten geven. Ten overvloede herinner ik aan onze fascinerende huisregels.

#Algerije #Altava #Aurès #Belisarius #Berbers #Berbertalen #Geiserik #Hunerik #jidar #Massonas #Masties #Masuna #Mauri #MischaMeier #nomadisme #Prokopios #SaoCultuur #Timgad #Toeareg #Tunesië #Vandalen

Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Circumcelliones

En ze verwierf op zeker moment de steun van de circumcelliones, die voor het eerst rond 320 worden vermeld. Het lijkt te zijn gegaan om arme plattelandsbewoners, meestal dagloners zonder veel bestaanszekerheid, die de ambitie hadden opgegeven normaal werk te vinden. Verder lijken onder de circumcelliones keuterboeren te zijn geweest met schulden die ze niet langer konden aflossen. Augustinus schrijft dat ze werden behandeld als beesten, wat wel verklaart waarom ze zich uit de stads- en dorpsgemeenschappen terugtrokken en zich overgaven aan banditisme. Zouden het Galliërs zijn geweest, ze zouden Bagaudae genoemd zijn geweest, en als het in de Middeleeuwen was geweest, dan was er sprake van een jacquerie.

Het lijkt erop dat toen Constantijns zoon Constans (r.337-350) maatregelen nam tegen de donatisten, dezen antwoordden door de circumcelliones te instrueren om terreurdaden te verrichten tegen de officiële kerk. We kennen twee leiders bij hun (Berber)naam: Axido en Fasir. Hun opstand, die rond 340 plaatsvond, liep volledig uit de hand, want ze richtten zich vooral op de landhuizen van de grootgrondbezitters, waar ze de schuldregisters vernietigden en de bewoners – dat ging in een moeite door – dwongen hun slaven vrij te laten. De Romeinse generaal Taurinus onderdrukte deze opstand.

Ik schreef zojuist “lijkt erop” omdat we geen geschriften hebben van de circumcelliones zelf. Niet alleen waren ze merendeels ongeletterd, maar zelfs al zouden ze teksten hebben geschreven, dan nog zouden ze niet zijn gekopieerd toen de keizerlijke kerk eenmaal het pleit had gewonnen.

Het huis van Optatus in Timgad

Zelfmoordaanslagen

Enkele jaren later, tussen 345 en 347, was er een tweede revolte, die door generaal Silvester werd onderdrukt. Hierna lijken (lijken!) de circumcelliones hun modus operandi te hebben gewijzigd, want we vernemen dat ze heel riskante overvallen deden, waarbij ze zouden hebben gehoopt te sneuvelen, zodat ze als martelaren meteen naar de hemel zouden gaan. Hun aanvalskreet zou Deo laudes! zijn geweest, “Prijs God!” Dit moet rond 390 zijn geweest, en de regie zou in handen zijn geweest van de donatistische bisschop Optatus, wiens huis is opgegraven in Timgad. Een laatste geweldsgolf vond plaats rond 411.

Dat die zelfmoordaanslagen geen fictie zijn, wordt bewezen door vijfenzestig grafstenen die zijn gevonden bij de Jebel Nif en-Nser, niet ver van het Algerijnse stadje Ain M’lila: het gaat om circumcelliones die zich in een kloof hebben geworpen, mogelijk toen ze geen slachtoffers konden vinden om te vermoorden. We lezen ook over ongewapende circumcelliones die bewapende konvooien aanvielen. Wij zouden het suicide by cop noemen. Genadeloos als Romeinse gouverneurs waren, lieten ze de aanvallers vrij.

Jebel Nif en-Nser

Twijfel

Zoals gezegd: we weten het allemaal niet zo zeker. Hun eigen opvattingen kennen we eigenlijk niet en een auteur als Augustinus was vooringenomen. Weliswaar herkende hij de sociale oorzaak, maar hij maakte zich zó grote zorgen om het donatisme dat hij bereid was de overheid te vragen desnoods met geweld op te treden. Augustinus voelde sympathie voor de ontrechten, maar niet voor bondgenoten van de donatistische concurrentie.

Nog iets: het Latijnse woord cella kan ook “graanopslag” betekenen, wat prima past bij een plattelandsbeweging. Je zou de nomaden die bij de oogst kwamen helpen, kunnen aanduiden als degenen die zich bij de silo’s ophouden. Maar deze interpretatie van de naam maakt het lastiger – hoewel zeker niet onmogelijk – de circumcelliones te presenteren als donatistische terroristen.

“Eeuwig vrede voor de katholieke kerk”: anti-donatistische polemiek (Nationaal Museum, Algiers)

In elk geval: ze waren gevaarlijk. Reizigers, en zekere geestelijken in dienst van de keizerlijke kerk, vormden bewapende karavanen alvorens op pad te gaan. Dat zegt echt wel iets. Augustinus kan overdrijven als hij zegt dat de kreet Deo laudes gevreesder was dan het brullen van een leeuw, maar zijn angst was wel degelijk reëel.

Kortom: er zijn wat problemen in de bewijsvoering, maar we mogen de circumcelliones beschouwen als plattelandsrebellen die steeds meer veranderden in de gewapende tak van de donatistische kerk.

PS

De circumcelliones spelen een belangrijke rol in de historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas (2020; bespreking).

#Algerije #Augustinus #Bagaudae #banditisme #Circumcelliones #Constans #ConstantijnDeGrote #donatisme #FransWillemVerbaas #Licinius #Numidië #OptatusVanTimgad #terrorisme #Timgad #zelfmoord

Algérie

Explore this photo album by Marco Di Leo on Flickr!

Flickr

RT @[email protected]

Ruins of #Timgad, an ancient Roman city in #Algeria .