De Thraciërs (4)

Seuthes III (Archeologisch museum, Sofia)

[Dit is het vierde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Lysimachos

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, slaagde de Macedonische officier Lysimachos er in de jaren na de dood van Alexander de Grote (323 v.Chr.) niet in om de Odrysische leider Seuthes III te onderwerpen. De Macedoniërs imiterend stichtte ook Seuthes een stad die hij naar zichzelf noemde, Seuthopolis. (De resten ervan bevinden zich op de bodem van een stuwmeer in de Vallei van de Thracische Koningen.) De Panagyurishte-schat, die in Macedonië niet zou hebben misstaan, dateert uit deze jaren en bewijst dat de Thracische elite culturele aansluiting zocht bij de Grieks-Macedonische wereld.

Pas na een decennium lijkt Lysimachos de situatie meester te zijn geweest; Seuthes erkende hem als heerser, maar bleef zelf aan en lijkt nog rond 295 in leven te zijn geweest. Seuthes’ graf is teruggevonden in de Vallei van de Thracische Koningen en is interessant omdat het bronzen hoofd van Seuthes III ritueel is begraven in de toegang. Het lichaamloze hoofd doet denken aan de mythe dat het lichaamloze hoofd van Orfeus bleef zingen: een soort minachting voor de dood.

Kruik uit de Panagyurishte-schat (Historisch museum, Sofia)

Lysimachos’ pogingen zijn macht uit te breiden tot voorbij de Donau, liepen op niets uit. De Geten namen hem gevangen en dwongen hem om enkele veroverde gebieden af te staan. Enkele jaren later verloor Lysimachos het leven in een veldslag tegen een andere opvolger van Alexander, Seleukos I Nikator, de stichter van het Seleukidische Rijk. Omdat juist in deze tijd ook de Kelten – of, iets preciezer: de Galaten – een inval deden, was de situatie volkomen chaotisch.

Intermezzo

De Galaten werden in 277 v.Chr. verslagen door de Macedonische koning Antigonos II Gonatas. Bronnenschaarste maakt het lastig de verdere geschiedenis te beschrijven. We lezen over een Seleukidische inval in 252, en het lijkt erop dat bij die gelegenheid Seuthopolis is belegerd en verwoest. Het heeft er de schijn van dat een door Kelten gedomineerde roofstaat, aangeduid als Tylis, een tijd lang de bewoners van Thracië heeft weten af te persen. Plaatsnamen eindigend op –dava, “versterking”, documenteren Keltische nederzettingen.

De Grieks-Romeinse auteur Polybios weet dat de Thraciërs uiteindelijk een einde maakte aan dit schrikbewind, maar hij identificeert ze niet preciezer dan als “de Thraciërs”.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 4.46.4.

Keltische sieraden (Historisch Museum, Sofia)

Tegen het einde van de derde eeuw, toen vrijwel alle grote mogendheden elkaar bestreden en niemand de gelegenheid had om de Thraciërs te steunen, probeerde de Macedonische koning Filippos V zijn macht uit te breiden over de gebieden die Filippos II anderhalve eeuw had veroverd. Hij had enig succes, maar verloor de gewonnen gebieden weer toen de Romeinen, die inmiddels de Tweede Punische Oorlog hadden gewonnen, hun aandacht vestigden op de Balkan. Tien jaar na deze Tweede Macedonische Oorlog (200-197 v.Chr.) slaagde Filippos er desondanks in grote delen van Thracië te onderwerpen.

De Thracische volken herwonnen hun onafhankelijkheid weer toen de Romeinen in 168 v.Chr. Macedonië opknipten in vier republieken. Hoewel: echt onafhankelijk waren de Thraciërs niet: we lezen over gijzelaars die verblijven in Rome. De diverse Thracische groepen waren dus feitelijk vazallen.

[Wordt overmorgen vervolgd]

#AntigonosIIGonatas #FilipposV #Galaten #Geten #Lysimachos #Odrysen #Orfeus #PanagyurishteSchat #Polybios #SeleukidischeRijk #SeleukosINikator #SeuthesIII #Seuthopolis #Thracië #ValleiVanDeThracischeKoningen

De val van Cartagena (2)

Cartagena nu en toen

De stad Cartagena, waarover ik zojuist al blogde, was gebouwd op een schiereiland dat een grote baai in tweeën deelde. De zuidelijke helft staat nog altijd in verbinding met de zee en wordt nog altijd als haven gebruikt. Hier legde Scipio’s vloot aan. De noordelijke helft van de baai was een soort lagune, gevoed met zoet water vanuit een riviertje en van de zee gescheiden door het schiereiland met de eigenlijke stad. Toen het riviertje in de Nieuwe Tijd opdroogde, is deze lagune verzand; er ligt een moderne stadswijk die Ensanche heet, “de uitbreiding”.

Scipio sloeg zijn kamp op tegenover de plek ten oosten van het schiereiland, waar de stad met het land was verbonden. Hier ligt een hoge heuvel, de Cerro de los Moros, voorzien van een fort uit de Nieuwe Tijd. De volgende dag liet hij zijn mannen oprukken in de richting van de muren, die zijn opgegraven.

Cerro de los Moros

De Karthaagse verdedigers probeerden de Romeinen in het open veld tegen te houden, maar werden teruggedreven tot bij de stadspoort. Die is er niet meer, maar een deel van de Punische muur, gelegen tussen twee hoge heuvels die in de Oudheid met tempels waren bekroond, is er nog wel. Vervolgens plaatsten Scipio’s mannen stormladders tegen de muur, maar toen deze aanval geen succes had, liet Scipio zijn mannen terugtrekken.

Karthaagse stadsmuur

De aanval had namelijk zijn doel gediend: de Karthaagse soldaten weg lokken naar de oostelijke stadspoort. De rest van de stadsmuren was nu slecht verdedigd.

Inmiddels was het eb geworden. Een groep van zo’n 500 soldaten waadde nu door de lagune en bereikte de noordelijke stadsmuur. Had Neptunus niet beloofd de Romeinen te helpen? De Griekse geschiedschrijver Polybios, een vertrouweling van Scipio die de situatie ter plekke kende, noteerde:

De mannen die via de lagune de muur naderden en de borstweringen onbemand aantroffen, zetten niet alleen hun ladders ongehinderd overeind, maar klommen ook zonder strijd omhoog en bezetten de muur. De verdedigers moesten immers hun aandacht op andere punten richten, speciaal degenen die bij de landengte en de poort stonden.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.14; vert. Kassies.

Tegelijk voer de vloot de haven binnen en viel vanuit het zuiden de stad aan. Dit bewijst dat er verraad in het spel was, want midden in de baai lag een vrijwel onzichtbaar rif; alleen als Scipio beschikte over inside information, kon de vloot met succes de baai binnenvaren. De ondiepte is tegenwoordig een klein eilandje, zichtbaar middenin de foto hieronder, verbonden met het vasteland door een pier (links). Toen beide aanvallen succes hadden, gelastte Scipio zijn eigen mannen om de oostelijke poort opnieuw te bestormen.

De haven van Cartagena

Terreur

Toen Scipio schatte dat er voldoende Romeinen de stad waren binnengekomen, stuurde hij de meesten van hen, zoals dat bij de Romeinen de gewoonte is, op de inwoners van de stad af met het bevel iedereen die ze tegenkwamen te doden en niemand te sparen, maar niet te gaan plunderen voordat het signaal daartoe werd gegeven.

De Romeinen doen dit naar mijn mening om de mensen schrik aan te jagen. Bij de inname van een stad door de Romeinen kan men dan ook dikwijls niet alleen de lijken van gedode mensen zien, maar ook in tweeën gehakte honden en andere zwaar verminkte dieren. Door het grote aantal inwoners kwam dit soort dingen bij deze gelegenheid op grote schaal voor.

Zelf rukte Scipio met ongeveer duizend man op naar de burcht. Bij zijn nadering maakte [de Karthaagse commandant] Mago eerst aanstalten zich te verdedigen, maar toen hij eenmaal begreep dat de stad al volledig in handen van de vijand was, stuurde hij afgevaardigden om te spreken over een vrije aftocht voor hemzelf en gaf de burcht over. Pas daarna werd het signaal gegeven, waarop men het moorden staakte en begon aan de plundering.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.15; vert. Kassies.

Gecalculeerde terreur. Zoals ik al opmerkte, wil je de inname van een stad door een Romeins leger niet meemaken. De buit was enorm: de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius noemt 120 grote katapulten, 231 kleinere, drieëntwintig grote blijden, tweeënvijftig kleinere, goud, zilver, graan, slaven, drieënzestig schepen, brons, ijzer, zeilen… De voornaamste winst was echter diplomatiek: de drie Karthaagse commandanten zagen hun Iberische bondgenoten opnieuw deserteren, en dit keer voorgoed.

Baecula

In 209 of 208 viel Scipio, met een veel groter leger dan het jaar ervoor, Andalusië binnen, waar zijn vader en zijn oom twee jaar eerder waren gesneuveld. Aan de bovenloop van de Guadalquivir, zo’n honderd kilometer ten oosten van Córdoba, stuitte hij op Hasdrubal Barka, de broer van Hannibal, die numeriek superieur was en een sterke positie op een heuvel had ingenomen bij Baecula (het huidige Bailén), om daar te wachten op de twee andere legers.

Scipio redeneerde dat elk uur dat hij wachtte, door de Karthager zou worden benut om zijn stellingen te verbeteren, tot het moment kwam dat de andere generaals arriveerden. Hij liet meteen aanvallen en de Romeinse bestorming verliep succesvol. Dat blijkt niet alleen uit de bronnen, maar ook uit het opgegraven slagveld, waarover ik al eens blogde. Het hielp natuurlijk wel dat Hasdrubals olifanten schichtig werden en zich keerden tegen hun eigen troepen. De Karthager zelf wist te ontkomen en voegde zich bij de twee andere generaals. Ze spraken af dat Hasdrubal de Pyreneeën en Alpen zou overtrekken om Hannibal bij te staan in Italië, en dat de twee andere generaals zouden proberen de nu onvermijdelijk geworden Romeinse overname van Andalusië zoveel mogelijk zouden vertragen.

#Baecula #Cartagena #CarthagoNova #HasdrubalBarka #Polybios #ScipioAfricanus #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

Toerist in Cartagena

Op weg naar Cartagena: de lagune bij Santa Pola

Ik wilde al heel lang naar Cartagena, of Carthago Nova, zoals de Romeinen het noemden, of Qart Hadašt, op z’n Karthaags. Het was de hoofdstad van de Karthaagse bezittingen in Iberië en onlangs identificeerden archeologen de resten van het paleis van de bestuurders. Hier woonde Hasdrubal de Schone, hier groeide Hannibal Barka op. Ik zal nog bloggen over de spectaculaire manier waarop de Romeinen de stad veroverden.

De stad bestond in de Oudheid uit een schiereiland waarop vijf heuvels waren te herkennen. De Griekse geschiedschrijver Polybios noteert dat “op de westelijke heuvel een paleis oprijst, door Hasdrubal gebouwd in grootse stijl, omdat hij streefde naar het aanzien van alleenheerser”.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.10. Van dat paleis is niets meer te herkennen, want het is voor een groot deel in de rotsen ingehouwen en er liggen Romeinse resten over de heuvel heen. Daarover zo meteen meer.

Mazarrón 2

Onderwaterarcheologie

De bus waarmee wij vanuit Alicante kwamen, arriveerde rond het middaguur, zodat we in Cartagena weinig tijd hadden. Morgen is het immers maandag en dan is veel gesloten, en vandaag is het zondag en hebben nogal wat instellingen geen opening na de siësta. We gingen snel naar het Museum voor Onderwaterarcheologie, waar enkele Fenicische wrakken liggen. Om precies te zijn ligt de helft van alle Fenicische wrakken hier, en dat heeft een reden. Het onderzeese reliëf heeft even ten noordoosten van Cartagena namelijk enkele toppen die nu eens de vorm hebben van een heel laag eiland, dan weer de vorm van een onzichtbare ondiepte: “een val”, zoals het museum het scheepskerkhof aanduidt.

En dus ligt hier het Fenicische wrak dat bekendstaat als Mazarrón 2, inclusief de lading loodbaren en alle andere handelswaren en gebruiksvoorwerpen. Het schip dateert uit de zevende eeuw v.Chr. Mazarrón 1 ligt even verderop, is iets jonger, en is veel minder goed bewaard. Het derde wrak, Bajo de la Campana, is het onderwerp van de tijdelijke expositie, “Feniciërs, handelaren ter zee”.

Hippos

Heel bijzonder vond ik een beeldje van een Fenicisch scheepstype dat bekendstaat als hippos, “paard”, en dat was vervaardigd van de onderkaak van een paard. De expositie stond echter in een te kleine ruimte en bovendien was er geen gebruik gemaakt van ontspiegeld glas, dus het viel al met al wat tegen, ook al was de uitleg zeker goed.

Dat geldt ook voor de vaste opstelling, waarvan Mazarrón 2 het hoogtepunt is. In diverse vitrines lagen handelsproducten en andere voorwerpen, variërend van de Bronstijd tot de Nieuwe Tijd. Er was uitleg van de ontwikkeling in het scheepsontwerp, geïllustreerd met doorsnedes van een Fenicisch, een Grieks, een Romeins en een middeleeuws schip. Maar het beste is de uitleg van wat onderwaterarcheologie eigenlijk is en wat de professionaliteitseisen zijn. Niemand kan het museum verlaten met het idee dat onderwaterarcheologie een hobby is en slechts een zee aan informatie ontsluit.

En dat is belangrijk. Als een museum toont hoe archeologie een wetenschap is, stelt de overheid geld beschikbaar, ook als het wat minder bezoekers trekt. En als dat eens mis gaat, komen betrokken burgers, die begrijpen wat op het spel staat, voor de wetenschap in het geweer.

De paleisheuvel

Paleis

Terug naar het door Hasdrubal op de westelijke heuvel in grootse stijl gebouwde paleis. Er is heel weinig van over omdat de Romeinen hier later het een en ander bouwden. Dat is keurig geconserveerd aan de zuidelijke voet van de heuvel, waar het Forum; op de heuvel zelf is het archeologisch park Cerro del Molinete aangelegd. Daar is nogal wat protest tegen geweest, want in die heuvel zaten dus, onzichtbaar maar wel aanwezig, de resten van het Karthaagse paleis.

Die zijn ingemeten en ook al was er weinig van te zien, het was mogelijk het paleis te reconstrueren. Het was enorm, bestond uit enkele terrassen en had de vorm van een driehoek met de afmetingen van ongeveer 137 bij 176 bij 245 meter. Dat is een pythagorese driehoek en die vorm is voldoende om het paleis van Hasdrubal, sowieso al het enig bekende Fenicische of Karthaagse paleis, te maken tot een werkelijk uniek monument.

Karthaagse cisterne

Tot in de jaren negentig waren enkele Karthaagse resten te herkennen aan de westkant van de heuvel, maar de gemeente heeft de grond verkocht om er appartementen te laten bouwen. Erop geattendeerd dat dit in strijd was met de Spaanse erfgoedwetgeving, verklaarde de gemeente dat Polybios’ vermelding van het paleis te onduidelijk was, hoewel er toch echt slechts één “westelijke heuvel” is. Ook oordeelde de gemeente dat de tekst van Polybios weinig gezag had omdat ze slechts bekend is uit middeleeuwse kopieën. Met andere woorden: de gemeente had alleen slechte argumenten.

Journalisten prikten er dan ook gelijk doorheen. Dat krijg je, als je als archeoloog zorgt dat mensen kunnen ontdekken hoe de archeologische wetenschap werkt. Dan komen burgers je te hulp als de overheid het eens een keer laat afweten, en dan leggen zij de politiek uit dat ook niet zichtbare resten belangrijk zijn, en dat Karthago even belangrijk is als Rome. Hoewel het archeologische park, met vooral aandacht voor Rome, is aangelegd, is de bouw aan de westkant nog niet begonnen. Wie weet wat nog te redden valt van het erfgoed van Karthaags Cartagena.

Romeinse fresco van de muze Terpsichore

Tot slot

We bezochten ook het stuk Punische stadsmuur, maar de tijd ontbrak voor een bezoek aan de tempel voor Augustus en het gemeentelijk archeologisch museum. Ze zijn morgen gesloten, dus het zal er ook niet van komen. Het Romeinse theater sla ik sowieso over, want ik heb al zo veel schouwburgen gezien dat eentje minder me niet kan schelen. Het amfitheater – rond, niet elliptisch – wordt momenteel gerestaureerd. We hopen morgen wel naar het Alcazaba la Concepción en de kathedraal te gaan, en te genieten van de mooie Art Nouveau-huizen die we vandaag al zagen.

O ja. Dit is een narcistisch winterfeuilleton. Ik voeg nog toe dat ik ooit foto’s cadeau deed aan het Museum voor Onderwaterarcheologie en dat het leuk was die in een van de filmpjes terug te zien. Morgen nog wat meer Cartagena en overmorgen: Almería.

#BajoDeLaCampana #Cartagena #erfgoed #HasdrubalDeSchone #Mazarrón #Polybios

Bronkritiek

Kleio, de beschermgodin van de historische wetenschappen (Archeologisch Museum, Cherchell)

Oudheidkundigen, en dan vooral de wat meer op teksten gerichten onder hen, maken onderscheid tussen bronkritiek en tekstkritiek. Over het laatste heb ik al vaker geschreven: het is de bepaling van wat eeuwen geleden iemand op papyrus of perkament heeft gezet. De kritiek betreft de overlevering in de meestal middeleeuwse handschriften, meervoud, waarvan we de tekst niet zomaar kunnen aanvaarden maar eerst moeten toetsen. Daarbij passen filologen de Lachmannmethode toe. In de praktijk betreft het vooral Griekse en Romeinse teksten. Egyptische en spijkerschriftteksten zijn namelijk meestal op slechts een kleitablet of één papyrus zijn overgeleverd, zodat er weinig valt te vergelijken.

Bronkritiek

Bronkritiek is de vooral voor oudhistorici belangrijke volgende stap: is de informatie in een bron te herleiden tot een eerdere auteur? Dit is belangrijk, want die eerdere auteur stond dichter bij de beschreven gebeurtenissen en heeft vermoedelijk scherper zicht. Als de evangeliën van Marcus en Lukas elkaar tegenspreken, gaat de voorkeur uit naar Marcus, omdat hij de bron is van Lukas; Lukas geldt dan als “elimineerbaar”.

Dit is ingewikkelder dan het lijkt. De Romeinse historicus Livius benut een Griekse voorganger, Polybios, voor zijn beschrijving van Hannibals tocht over de Alpen; beide teksten staan hier in Engelse vertaling naast elkaar. Je zou denken dat Polybios de betrouwbaardere bron is, maar Livius heeft minimaal één andere bron gebruikt en waar Polybios’ verhaal lastig op de landkaart valt te plotten, lukt dat met Livius juist wel. Het is onbekend wat dit betekent. Misschien documenteert Polybios de onbetrouwbaarheid van een ooggetuige in onbekend gebied en heeft Livius’ andere bron zijn verslag ten onrechte gemodelleerd op een vertrouwde route, misschien ging Livius uit ontevredenheid met de rommelige Polybios op zoek naar iets beters en corrigeerde hij een fout. We weten het niet. In elk geval kun je recentere toevoegingen niet zonder meer elimineren.

Bronvermeldingen

Een volgend probleem bij de bronkritiek is dat het niet makkelijk is oudere bronnen te identificeren. Maar weinig auteurs geven aan wat ze citeren. Een voorbeeld is de Byzantijnse historicus Zosimos, die vertelt Olympiodoros te hebben gebruikt (5.27.1). Andere geschiedschrijvers hadden diverse teksten op hun schrijftafel liggen, namen de informatie daaruit zonder meer over als daarover consensus bestond en noteerden alleen afwijkingen. Dit was de methode van Titus Livius en Arrianus. Weer anderen geven juist weinig aan, zoals Cassius Dio. Om deze reden is bronkritiek bij Cassius Dio moeilijk en bij Zosimos makkelijk.

Soms helpt het om een beeld te hebben van hoe een eerdere auteur schreef. In de identificeerbare citaten blijkt Nearchos, de admiraal van Alexander de Grote, veel aandacht te hebben voor de geluiden die de soldaten konden horen. Als Arrianus later zonder bronvermelding een akoestisch effect beschrijft tijdens een expeditie waar Nearchos bij aanwezig was, is denkbaar dat we Arrianus’ bron toch kunnen identificeren. Denkbaar: ik zou er geen weddenschappen op afsluiten.

Onlogische informatie

Een andere aanwijzing is onlogische informatie. Rond 551 na Chr. schreef Jordanes een Geschiedenis van de Goten waarin hij op gezag van Cassiodorus (wiens verloren geschiedwerk was gepubliceerd in 533) vertelt dat deze Germaanse stam ooit vanuit Scandinavië naar Pommeren was getrokken, daarvandaan richting Oekraïne was gegaan om uiteindelijk via Roemenië het Romeinse Rijk binnen te komen. Er is allerlei literaire kritiek mogelijk: is dit geen verhaal om te tonen dat de Goten steeds beschaafder waren geworden door van de randen van de aarde naar het centrum te komen, dient die opgaande lijn niet om te legitimeren dat de Ostrogoten de macht hadden gekregen in Italië?

De tendens van het geschiedwerk van Jordanes en Cassiodorus is dus duidelijk maar om hun punt te maken, was het onnodig een herkomst te verzinnen in het hoge noorden. Een oorsprong in Oekraïne, het thuisland van de spreekwoordelijk barbaarse Skythen, volstond. De literaire overbodigheid van de noordelijke herkomst suggereert dat deze informatie behoorde tot datgene wat de Goten meenden te weten over hun verleden. Of het wáár is, is een andere vraag; we weten alleen dat het idee van een Scandinavische herkomst in omloop was voordat Cassiodorus de pen ter hand nam.

Dat blijkt trouwens ook uit de woordkeuze. Jordanes vermeldt ergens (op gezag van een andere bron, Orosius) haliurunnae, de heksen die volgens de Goten de voormoeders van de Hunnen waren geweest. Hoewel de etymologie omstreden is, is wel duidelijk dat dit een Germaans woord is. Jordanes/Orosius citeren dus een oudere, Gotische traditie. En nogmaals: dit wil niet zeggen dat de informatie betrouwbaar is, alleen dat de auteurs dit niet hebben verzonnen.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

#antiekeGeschiedschrijving #Arrianus #bronkritiek #Cassiodorus #CassiusDio #eliminatie #Jordanes #Nearchos #ooggetuige #Orosius #Polybios #TitusLivius #Zosimos

De Maghreb in de Middeleeuwen

Maquette van Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)

Ik heb weleens de indruk dat oudheidkundigen die zich bezighouden met de Lage Landen in de Romeinse tijd, de seizoensmigratie onderschatten. Voor de Maghreb geldt het omgekeerde: er bestaat een neiging om de mobiliteit van de bevolking te overschatten. Heel veel Berbers waren sedentair – en dat al eeuwenlang. De Griekse onderzoeker Herodotos vermeldt het in de vijfde eeuw v.Chr.noot Herodotos, Historiën 4.187.

Het beeld van een grotendeels nomadische bevolking zal in de hand zijn gewerkt doordat een andere Griekse geschiedschrijver, Polybios, de Numidische koning Massinissa presenteert als De Grote Civilisator. Dat “Numidiërs” bedrieglijk veel lijkt op νομάδες zal ook een rol hebben gespeeld. En tot slot: toen de Fransen zich eenmaal van Algerije meester hadden gemaakt, kan het hun wel goed zijn uitgekomen de nadruk te leggen op nomadisme. Dat gold in Europa als minder beschaafd en dus konden de Fransen denken dat ze de bewoners van de Maghreb voor hun eigen bestwil hadden onderworpen. Ik heb eerlijk gezegd geen idee of het echt zo is gegaan, maar zou het me kunnen voorstellen.

Wat ik wel en niet snap

Wat ik wel weet: de regio die de Arabieren rond 710 in hun macht hadden, kende nomaden, dorpsbewoners en stedelingen, was meertalig en was bewoond door minimaal twee soorten christenen, door joden en door de eerste moslims. De regio zou, zoals ik in een eerder blogje al schreef, vrij snel verder islamiseren. Verder waren de Berbers verdeeld in twee hoofdgroepen, de Baranis en de Butr, waarvan ik nooit heb kunnen achterhalen wat daar nou precies achter schuil gaat. Er waren Arabieren, afkomstig uit diverse gebieden. Rond het midden van de achtste eeuw speelden deze tegenstellingen een rol bij de burgeroorlog op het Iberische Schiereiland waarover ik al eerder blogde. De definitie van Arabier en Berber sla ik gemakshalve over.

Het stoort me een beetje dat ik de complexiteit niet goed doorgrond, want voor mij is de geschiedenis van de middeleeuws Maghreb nu iets dat ik beschrijf vanuit het perspectief van de heersende dynastieën. Daarbij vormen “de” Berbers dan een ongedefinieerd substraat van mensen die nog niet gearabiseerd en geïslamiseerd waren, maar verder geen eigen rol van betekenis speelden. Zo was het natuurlijk niet.

Een blad uit de “blauwe Koran” (Raqqada, Kairouan)

Eenheid en versplintering, deel één

Zoals ik het dynastieke deel begrijp, behoorde de Maghreb eerst tot het Umayyadische kalifaat van Damascus en ging het na het jaar 750 over in handen van de Abbasiden, die de residentie verplaatsten naar Bagdad. De situatie in de Maghreb schijnt gedurende een halve eeuw instabiel te zijn geweest, met allerlei lokale machthebbers die redelijk zelfstandig konden zijn zolang het kalifaat zwak stond, maar ook weer in het gareel konden worden gedwongen.

Ifriqiya, zoals Tunesië destijds heette, is rond 800 gepacificeerd door Ibrahim ibn al-Aghlab, die als emir werd erkend door kalief Harun ar-Rashid, wat betekende dat Ibrahim zich kon laten opvolgen door zijn afstammelingen, de Aghlabiden waarover ik al eerder blogde. Anders gezegd: een lokale dynastie verving het roulerend gouverneurschap. In het noordwesten van het huidige Algerije was verder een Emiraat van Tlemcen, dat me doet denken aan een voortzetting van het Berber-rijk Altava, maar rond 800 waren die emirs alweer vervangen door de dynastie van de Rostamiden, die ergens nog wat Perzisch bloed hadden. En helemaal in het westen, in het huidige Marokko, heersten de Idrisiden, een sji’itische dynastie met banden met het Emiraat van Córdoba. Deze groepen – en andere – hadden er weinig moeite mee de kalief in Bagdad te erkennen als de heerser der gelovigen, maar gingen in de loop van de negende eeuw steeds meer hun eigen weg.

Muntschat uit Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)

Eenheid en versplintering, deel twee

Dat veranderde in de jaren na 900, toen een nieuwe, sji’itische dynastie de macht in Ifriqiya overnam: de Fatimiden. De heersers claimden het kalifaat en onderwierpen heel noordelijk Afrika. Hun hoofdstad was eerst Raqqada (naast Kairouan) en later het door hen gestichte Caïro. Van de Aghlabiden en de Rostamiden werd niets meer vernomen, de Idrisiden betaalden schatting.

En vervolgens gebeurde hetzelfde als in de negende eeuw: omdat de kalief ver weg was, konden de lokale heersers zich steeds zelfstandiger gaan gedragen. In Ifriqiya namen de Ziriden de macht over en in het huidige Algerije werden de Hammadiden steeds onafhankelijker. Hun hoofdstad was Qal’at Bani Hammad, momenteel werelderfgoed. In Marokko heersten eerst de Maghrawaden en daarna de Almoraviden. Over die laatste dynastie blogde ik al eens, omdat ze El-Andalus onderwierpen: op het Iberische Schiereiland, buiten de wereld van de islam, kon een dynastie laten zien dat ze streed voor de goede zaak.

Elfde-eeuws houtsnijwerk (Raqqada)

Eenheid en versplintering, deel drie

De Almoraviden werden rond 1147 in Marokko en Andalusië weer afgelost door de Almohaden, die de gehele Maghreb in handen kregen. En zoals het al eerder was gegaan, ging het opnieuw: het centrale gezag verloor de controle en lokale dynastieën namen de macht over. Meer specifiek: de Hafsiden in Ifriqiya en de Ziyaniden in Algerije, tot de verzwakte Almohaden in Marokko werden afgelost door de Meriniden.

Ibn Khaldun

Uiteindelijk vielen al deze gebieden in handen van weer een nieuwe groep heersers: de Ottomanen. Maar tot die tijd valt een patroon te ontwaren: er is een machtige dynastie die de regio beheerst, die delegeert de macht aan lokale heersers en vervolgens worden die zelfstandig, tot een nieuwe machtige dynastie opstaat. Er zit iets cyclisch in.

Pas toen ik dit blogje schreef, realiseerde ik me: dit is de wereld waarover de geleerde Ibn Khaldun (1332-1406) schrijft dat geen dynastie het langer uithoudt dan een paar generaties, omdat de groepssolidariteit (ʿasabiyyah) die hielp om het gezag te vestigen, al snel zou afnemen. Fascinerend.

#Abbasiden #Aghlabiden #Almohaden #Almoraviden #Altava #Baranis #Butr #Cairo #emiraatVanCórdoba #Fatimiden #Hafsiden #Hammadiden #HarunArRashid #HerodotosVanHalikarnassos #IbnKhaldun #IbrahimIbnAlAghlab #Idrisiden #Ifriqiya #Kairouan #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanDamascus #Massinissa #Meriniden #nomadisme #Numidië #Polybios #QalAtBaniHammad #Raqqada #Rostamiden #seizoensmigratie #Tlemcen #Umayyaden #Ziriden #Ziyaniden

Médracen (Madghacen)

Het Numidische koningsgraf van Médracen

Als we de Griekse geschiedschrijver Polybios mogen geloven, was Numidië lange tijd een volkomen achterlijk gebied, tot koning Massinissa (r.202-148 v.Chr.) opstond en het gebied in hoog tempo moderniseerde. Helemaal onwaar is het niet. Op de koninklijke domeinen werd de graanteelt geïntensifieerd en Numidië begon wijn te exporteren. Massinissa’s hoofdstad Cirta, het huidige Constantine, trok Italische en Griekse migranten aan, en kort na Massinissa’s dood werden de boeken uit de bibliotheken van het in 146 v.Chr. verwoeste Karthago overgebracht naar Cirta. In Polybios’ dagen was de stad inderdaad op weg een centrum van de hellenistische cultuur te worden.

Modernisering

Van de Franse oudheidkundige Stéphane Gsell is de observatie dat Numidië in de loop van de tweede eeuw v.Chr. een grotere vooruitgang boekte dan de door de Romeinen beheerste provincie Africa (zeg maar Tunesië). Daar is weinig aan toe te voegen.

Tegelijk is Polybios’ claim dat Numidiës modernisering – om die term even te gebruiken – begon ten tijde van Massinissa, wel wat overdreven. Je kunt alleen wijn exporteren als je al weet hoe je wijnstokken moet behandelen. Dat hadden de Numidiërs al geleerd van de Fenicische kolonisten op de noordkust. Er waren al grote nederzettingen, die nog steeds herkenbaar zijn aan het feit dat de namen beginnen met een /t/, zoals Tipasa, Tazoult, Thagaste, Tiddis, Tebessa, Thubursicum Numidarum en Thamugadi.

Vermeldenswaard is ook de militaire kracht van Numidië. Na de Eerste Punische Oorlog, die voor Karthago was geëindigd in een catastrofe, kwamen de Karthaagse huurlingen in opstand en het zag er heel slecht uit voor de net door de Romeinen verslagen mogendheid. Het was alleen maar de interventie van de Numidische vorst Naravas die Karthago behoedde voor de ondergang.

Médracen (Madghacen)

Gaan we nog iets verder terug, dan is er het mausoleum waarvan u plaatjes ziet bij dit blogje. De plek heet in de Franse literatuur Madghacen en in andere talen Médracen.noot De Franse vorm komt doordat de Franse taal een huig-r heeft, zodat je makelijk van de R van Médracen komt naar Madghacen. Het is eigenlijk een enorme bazina, zoals de traditionele, ronde graven heten die we kennen uit heel Noord-Afrika en het noorden van het Arabische Schiereiland (bijv. Al-‘Ula). In zo’n rond graf ligt de overledene middenin en Médracen is geen uitzondering: er is een grafkamer.

Een bazina (Tiddis)

Een traditionele bouwvorm dus, maar wel van royale proporties: de doorsnede is negenenvijftig meter en de hoogte bedraagt bijna negentien meter. Het mausoleum is omringd door zestig pilasters met Dorische kapitelen. Die steunen een opvallend ver naar voren uitstekende kroonlijst.

Dorische pilasters

Omdat die kapitelen Griekse inspiratie veronderstellen, en omdat Polybios zich had geconcentreerd op Massinissa, werd het mausoleum aanvankelijk gedateerd in de tweede eeuw. Misschien was het wel het graf van koning Massinissa zelf, of anders toch van een van zijn opvolgers. Doordat het hout in de gang naar de grafkamer zich leende voor een koolstofdatering, weten we inmiddels dat het mausoleum dateert uit de late vierde eeuw v.Chr. De bouwheer is echter onbekend.

Koningsgraf

Het is echt heel indrukwekkend om te zien. Helemaal compleet is het echter niet. Bovenop heeft vermoedelijk een standbeeld gestaan, maar dat is weg. De loden klampen die ooit de enorme blokken natuursteen hebben verbonden, zijn in recenter tijden verwijderd, maar we weten dus dat de bouwers aan dit metaal konden komen en het konden bewerken. Ook het koper en tin, gebruikt bij de vervaardiging van hun bronzen werktuigen, moeten zijn geïmporteerd.

Het Numidische koningsgraf van Médracen

Honderden mensen moeten hebben meegewerkt aan dit project en de conclusie is simpel: wie toegang heeft tot deze metalen en zulke grote groepen mensen voor zich kan laten werken, mag met recht een koning heten. Koning Ptolemaios in Egypte zou zich niet hebben geschaamd als hij een soortgelijk mausoleum had kunnen bouwen. Dit werpt toch wel een ander licht op het Numidië vóór Massinissa.

Tot slot: in de lokale Berbertaal heet de plek Médracen, wat zoiets betekent als “de graven”. Er zijn inderdaad enkele bazina’s in de omgeving. Voor wie er heen wil: neem een taxi vanuit Constantine naar Batna, wat vermoedelijk uw bestemming is als u Lambaesis en Timgad wil bezoeken.

#bazina #Berbertalen #brons #Cirta #Constantine #lood #Madghacen #Massinissa #Medracen #Naravas #Numidië #Polybios #StéphaneGsell #wijn

Titus Livius (6): bronnen

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Kunsthistorisch museum, Boedapest)

[Zesde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

Livius pochte dat hij alle relevante Griekse en Romeinse geschiedenisboeken had gelezen en eigenlijk is er geen reden om daaraan te twijfelen. Dat wil niet zeggen dat gegarandeerd waar is wat hij schrijft. Niet omdat hij niet waarheidlievend zou zijn. Hij is erop gespitst de waarheid te vertellen en onderbreekt zijn verhaal regelmatig voor opmerkingen die een kritische houding verraden:

Van de vijanden kwamen 2500 man om en velen bezweken later aan hun verwondingen. Door [sommige eerdere geschiedschrijvers] wordt een veelvoud van verliezen aan weerszijden overgeleverd. Ikzelf houd om te beginnen niet van ongegronde overdrijving – een veel voorkomende neiging van geschiedschrijvers – en bovendien beschouw ik Fabius, een tijdgenoot van deze oorlog, als de beste bron.noot Livius 22.7.4; vert. Hetty van Rooijen.

Dit verhaal is meer geschikt voor een theatervoorstelling, waar wonderbaarlijke gebeurtenissen in trek zijn, dan om er geloof aan te hechten, en het is de moeite niet waard het te bevestigen of te weerleggen.noot Livius 5.21.8.

Moderne auteurs klagen over de topografische fouten van Livius, maar hij deed zijn best. Uit de aard der zaak is een juiste verbetering niet te herkennen en een verschlimmbesserung wel (voorbeeld), zodat het beeld van Livius als topograaf een tikje te zwart is. Dat correcte informatie hem interesseerde, blijkt bijvoorbeeld uit de terloopse vermelding dat hij in Liternum (bij Napels) een monument inspecteerde dat was gewijd aan Publius Cornelius Scipio Africanus.noot Livius 38.56.3. Het probleem is niet Livius’ gebrek aan kritische houding, maar de kwaliteit van zijn bronnen.

Geschiedvorsing en geschiedschrijving

Er zijn in wezen twee soorten auteurs die zich bezighouden met het verleden:

  • de geschiedvorser die archieven bestudeert en een kritische monografie schrijft over een klein onderwerp,
  • de geschiedschrijver, die zijn lezers door middel van een synthese bijpraat over een belangrijk thema.

Titus Livius behoort tot de laatste categorie. Zijn doel was een tot goed Romeins gedrag inspirerende synthese van het hele Romeinse verleden, en daarbij moest hij vertrouwen op eerdere bronnen. Als hij wilde slagen in zijn opzet, was er gewoon geen tijd om te controleren wat in zijn bronnen stond. Als die met elkaar in overeenstemming waren, presenteerde hij het als feit, en hij gaf aan als een auteur van de consensus afweek. Het is de methode die ook een Arrianus zou volgen. Gegeven de omvang van Livius’ project, was het onmogelijk het beter te doen.

Livius en Polybios

Hoewel Livius’ aanpak voor zijn gestelde doel goed was, is ze dat niet voor wat wij willen weten. Dat maakt de vraag relevant hoe hij zijn bronnen behandelde. Gelukkig kunnen we die vraag beantwoorden, omdat we de boeken 21-33 van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad kunnen vergelijken met een andere bron, de boeken 3-18 van de Wereldgeschiedenis van de Griekse auteur Polybios van Megalopolis (c.200-c.118). Livius  prijst zijn oudere collega als “een auteur die geenszins moet worden veracht” en “een betrouwbare autoriteit voor de gehele Romeinse geschiedenis”.noot Livius 30.45.5 en 33.10.10. Soms herkennen we letterlijke overeenkomsten.

Het is aantrekkelijk te denken dat Livius in eigen woorden navertelt wat hij bij Polybios had gelezen; zo bezien zou Livius’ geschiedwerk in wezen een compilatie zijn van oudere bronnen. Als je echter in detail gaat vergelijken, zoals ik heb gedaan voor het verhaal van Hannibals tocht over de Alpen, ontdek je dat Polybios en Livius dezelfde bron navertellen. Dat verklaart niet alleen de letterlijke overeenkomsten, maar verklaart bovendien waarom Livius informatie biedt die niet aan Polybios kan zijn ontleend maar wel correct is.

Livius en de Annalisten

We weten dat Livius ook andere schrijvers benutte. In de eerste pentade maakte hij gebruik van Quintus Fabius Pictor (rond 200 v.Chr.) en Lucius Calpurnius Piso Frugi (rond 150 v.Chr.). Zij waren de eerste geschiedschrijvers van Rome geweest en behoorden tot de Annales-traditie, waarin de stof jaar voor jaar werd gepresenteerd. Livius gebruikte ook jongere annalisten: de optimaat Quintus Valerius Antias (rond 80 v.Chr.) en de popularis Gaius Licinius Macer (rond 70 v.Chr.).

Ook verwijst Livius naar Quintus Aelius Tubero (rond 50 v.Chr.), maar zeer terughoudend, en het lijkt erop dat Livius deze auteur is gaan wantrouwen en er uiteindelijk geen waarde meer aan hechtte. Ik noemde Tubero vorig jaar al eens op deze blog als de aanklager van Quintus Ligarius.

In de tweede pentade kon Livius ook Quintus Claudius Quadrigarius gebruiken. Als hij de oorlog tegen Hannibal beschrijft, zijn Lucius Coelius Antipater (rond 110 v.Chr.) en Polybios de belangrijkste bronnen, terwijl Livius nog steeds Valerius Antias gebruikt voor de beschrijvingen van de gebeurtenissen in de stad. In de boeken 31-45 zijn Polybios, Antias en Quadrigarius de bronnen van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad. Al die eerdere bronnen zijn verloren gegaan – en dat zegt veel over de hoge waardering die men in de Oudheid had voor Livius.

Vertaalfouten

Livius’ verslag is dus zo goed als zijn bronnen: waar ze overeenstemden, presenteerde hij dat als feit, terwijl hij aangaf wat afweek. Dat sluit vanzelfsprekend blunders niet uit. Livius’ Grieks was niet fantastisch en soms begrijpt hij Polybios verkeerd. In een beschrijving van een belegering waarin mineurs en contramineurs in een tunnel slaags raken, vermeldt Polybios dat sommige soldaten vierkante schilden droegen, de zogeheten thyreous. Livius begreep dat als thyras, en vertaalde het als zodanig. Zodat er nu staat dat de soldaten met deuren door de tunnels liepen…noot Polybios 21.28.11 en Livius 38.7.10.

[wordt morgen afgerond]

#annalistiek #antiekeGeschiedschrijving #Arrianus #GaiusLiciniusMacer #KlassiekeGeschiedschrijvers #LuciusCalpurniusPisoFrugi #LuciusCoeliusAntipater #Polybios #QuintusAeliusTubero #QuintusClaudiusQuadrigarius #QuintusFabiusPictor #QuintusValeriusAntias #TitusLivius

Was Hannibal bij Rochefort?

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, heb ik de coronacrisis gebruikt om twee boeken over Karthago te schrijven. Het tweede – chronologisch het eerste – verschijnt in maart, heet De vergeten oorlog en gaat over de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.). Het eerste boek – chronologisch het tweede – heet Hannibal in de Alpen en gaat over de onmogelijkheid vast te stellen waar de Karthaagse generaal met z’n olifanten de Alpen is overgestoken. Het verschijnt min of meer nu.

Voor het goede begrip: de vraag waar Hannibal de Alpen overstak, is irrelevant. Het heeft desondanks niet aan wetenschappers ontbroken die beweerden de locatie van Hannibals Kraftakt te kennen. Meestal hadden ze al vastgesteld welke pas het moest wezen, en bogen ze daarna de weinige data zo dat die bij hun hypothese paste. Men redeneerde dus naar een conclusie toe. Aangezien de data niet alleen schaars zijn maar ook ambigu, passen ze bij elke hypothese en is er dus nul bewijs voor wat dan ook. Dit is gewoon slechte wetenschap.

In juli reisde ik met mijn zakenpartner door de Franse Alpen om nog een keer de diverse locaties te bekijken. Gekleed in een Tunesisch gewaad maakte ik zeven filmpjes, die er dankzij Kees Huijser ook nog een leuk uitzien. Eén ervan presenteerde ik al. Daarin leg ik uit dat we niet weten waar Hannibal de Rhône overstak, wat jammer is, omdat een noordelijke oversteekplek een sterk argument zou zijn tegen de hypothese dat hij altijd langs de Durance heeft willen trekken.

Vandaag een tweede filmpje, opgenomen bij Rochefort. Onze auteurs, Polybios en Livius, noemen allebei de stam der Allobrogen. Maar waar woonde die in 218 v.Chr.? Als we het heel zeker wisten konden we misschien concluderen dat Hannibals mannen langs de Isère en Arc naar de Mt Cenis zijn gegaan, Maar we hebben zoveel zekerheid niet.

U bestelt Hannibal in de Alpen hier.

[Wordt vervolgd]

#Allobrogen #boek #Durance #filmpje #Frankrijk #Hannibal #HannibalInDeAlpen #Isère #Polybios #Rochefort #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

De grootste oorlog uit de Oudheid (3)

De Egadische Eilanden

[Dit is de derde aflevering van een reeks over de Eerste Punische Oorlog (264-241). In het eerste deel beschreef ik hoe de Romeinen en Karthagers in conflict raakten en dat de Romeinen een vloot waren gaan bouwen In het tweede deel beschreef ik hoe de Romeinen overstaken naar Afrika en hoe consul Regulus daar door de Karthagers werd verslagen.]

Het was een geweldige blamage dat Regulus krijgsgevangen was genomen, maar de operatie in Afrika was niet volledig mislukt. Enkele Numidische stammen ten westen van Karthago hadden zich aan de Romeinse zijde geschaard, wat betekende dat de Romeinen de volgende vijf jaar niet bang hoefden zijn voor grootschalige Karthaagse initiatieven. Bovendien verscheen de Romeinse vloot net op tijd om het expeditieleger te evacueren.

Scheepsrampen

De 364 schepen keerden behouden terug naar Sicilië en de Romeinen maakten zich op voor nieuwe operaties, toen een orkaan opstak en op tachtig na alle topzware oorlogsbodems vernietigde. “De kust lag bedekt met wrakstukken en lijken,” schrijft Polybios, die toevoegt dat “niet is overgeleverd dat ooit een grotere ramp op zee heeft plaatsgevonden.” Het zou betekenen dat meer dan 100.000 opvarenden om het leven kwamen, meer dan een tiende van alle weerbare mannen uit Italië. Dat is moeilijk voorstelbaar, maar het wordt bevestigd door de officiële, door Titus Livius overgeleverde censuscijfers (die zelfs een nog grotere terugval suggereren) en er is weinig aanleiding te twijfelen aan de genoemde scheepsaantallen.

Rome was echter nog in staat legers te lichten, terwijl de Karthagers hun troepen vooral nodig hadden in de strijd tegen de Numidiërs, zodat Palermo in Romeinse handen kwam. Hierna raakte de oorlog echter in een impasse. Zonder vlootoverwicht konden de Romeinen de laatste Karthaagse havens op Sicilië, Lilybaeum (het huidige Marsala) en Drepana (Trapani), niet innemen. Ook de terugval in mankracht begon zich te doen voelen.

Bokswedstrijd

Gedurende vele jaren sleepte de oorlog zich voort. Beide partijen hielden zich bezig met kaapvaart en het plunderen van elkaars kusten. Op een gegeven moment kwam ook daaraan een einde, doordat zowel de Karthagers als de Romeinen de economische middelen niet langer hadden om oorlogsschepen uit te rusten. Jarenlang zetten de legioenen hun belegering van de havens voort, terwijl de Karthaagse leider Hamilkar Barka de Romeinen lastigviel met guerrilla-aanvallen vanuit het gebergte ten westen van Palermo, zonder dat hij erin slaagde de belegerde steden te ontzetten. Polybios vergelijkt het met een wedstrijd tussen twee voortreffelijke boksers, waarvan een verslaggever ook niet elke klap hoeft te beschrijven, en ontslaat zichzelf daarmee van de verplichting uitgebreid in te gaan op deze oorlog: “Het verhaal zou zo saai worden dat de lezer er geen profijt van heeft.”

De oorlog sleepte zich zo voort tot 241, toen de Romeinen zich voldoende hadden hersteld van de ramp die zich een halve generatie eerder had voltrokken.

Het einde van de Eerste Punische Oorlog

Ze bouwden weer een vloot en zeilden daarmee naar het westen van Sicilië, waar ze rond het begin van de lente de laatste Karthaagse schepen in het zicht van de Lilybaion en Drepana versloegen. De vondst van bronzen scheepsrammen in de wateren bij Trapani – ik blogde er al over – vormt onverwachte bevestiging van Polybios’ verhaal over de zeeslag bij de Egadische Eilanden.

Nu de Karthaagse vloot – of beter: wat daarvan resteerde – was vernietigd, was de val van de twee steden onafwendbaar geworden en de Karthagers stemden in met een vredesverdrag, waarin ze Sicilië aan de Romeinen afstonden. Zo kwam er een einde aan een oorlog die volgens Polybios vierentwintig jaren zonder onderbreking had geduurd en daardoor de langste, meest intensieve en grootste oorlog was geweest uit de geschiedenis.

Op dat oordeel valt weinig af te dingen en het bewijst dat Polybios een eerlijk historicus is die de waarde van zijn eigen geschiedwerk weet te relativeren. Zijn verhaal over de Eerste Punische oorlog is namelijk slechts de inleiding tot zijn beschrijving van Romes groei tot hypermacht, het onderwerp waarnaar hij zelf onderzoek had gedaan. De Tweede Punische oorlog, die zoveel beroemder is dan zijn voorganger, was volgens een van zijn voornaamste chroniqueurs in feite van minder belang dan wat eraan was voorafgegaan.

#EerstePunischeOorlog #EgadischeEilanden #HamilkarBarka #hypermacht #Lilybaion #Polybios #Sicilië