De slag bij Nikopolis aan de Donau

De nachtelijke slag bij Nikopolis aan de Donau (Zuil van Trajanus)

De meeste veldslagen uit de Oudheid kennen we dankzij geschreven bronnen. Een enkele keer hebben we daarnaast de beschikking over archeologische vondsten, wat de unieke situatie oplevert dat de normaal gesproken trage tijdschaal van de archeologie ineens toepasbaar wordt om een gebeurtenis van binnen één dag te reconstrueren. De slag bij Nikopolis is niets van dit alles. We kennen dit gevecht het beste van afbeeldingen. Van één afbeelding.

Eerst iets over de situatie. Ten noorden van de Donau lag het koninkrijk Dacië. Het lag binnen de grenzen van het huidige Roemenië, maar dat het ermee zou samenvallen is nationalistische propaganda van Nicolae Ceaușescu, die graag de eenheid van zijn land presenteerde als historisch voorbestemd. Feitelijk woonden binnen de Roemeens grenzen ook Geten, Sarmaten en andere volken. Tijdens de regering van keizer Domitianus (r.81-96) staken de Daciërs vrij onverwacht de Donau over om in het Romeinse Rijk te plunderen. Dat gebeurde vermoedelijk in de winter van 85/86. Het is niet helemaal duidelijk wat de Daciërs bewoog, want er waren verdragen. Misschien was Rome te traag geweest met de cadeaus die elke vazalvorst zo nu en dan verwachtte, maar dat is speculatie.

De oorlog van Domitianus

De gouverneur van Moesia trok ten strijde, maar verloor de veldslag en zijn leven. Nu was een keizerlijke interventie noodzakelijk en Domitianus bereidde een aanval op Dacië voor. Die begon met een provinciale herindeling: Moesia werd gesplitst in Moesia Superior en Moesia Inferior, wat je kunt vertalen als het stroomopwaarts en het stroomafwaarts gelegen gebied langs de Donau. In de zomer van 86 versloeg de keizer de Daciërs; dat leidde tot iets dat lijkt op een staatsgreep en het aantreden van koning Decebalus. Die opende vredesonderhandelingen, werd geschoffeerd, heropende de gevechten en versloeg het Vijfde Legioen Alaudae, dat hiermee uit de geschiedenis verdwijnt.

Een nieuwe Romeinse tegenaanval volgde, met de inzet van de legioenen II Adiutrix, IIII Scythica, V Macedonica en VII Claudia. Aan het hoofd plaatste Domitianus de capabele generaal Tettius Julianus, die de Daciërs versloeg bij Tapae, dat ergens benoorden de Donau ligt, vrijwel zeker bij de pas over de zuidwestelijke Karpaten die bekendstaat als de IJzeren Poort van Transylvania. (Niet de verwarren met de IJzeren Poort in de Donau.) Een opstand aan de Rijn maakte het voor Domitianus onmogelijk om het succes uit te buiten, en de keizer moest Decebalus afkopen. Evengoed was het een Romeinse overwinning en de “trofeeën van Marius” die momenteel de toegang tot het Capitool sieren, herdenken de gebeurtenis.

Een van de “trofeeën van Marius”

De oorlog van Trajanus

Enkele jaren later was het opnieuw raak. Op enkele plunderingen volgde een Romeins offensief, ditmaal met de in 98 aangetreden keizer Trajanus aan het hoofd. De oorlog was voorbereid door de opbouw van een nieuwe vloot en met de aanleg van een deels in de rotsen uitgehouwen weg langs de IJzeren Poort (die in de Donau). Nieuwe legioenen werden opgeroepen: I Adiutrix, I Italica, IIII Flavia Felix en XIII Gemina zijn met zekerheid gedocumenteerd, maar er moeten (onderafdelingen van) nog zes legioenen aanwezig zijn geweest. Trajanus’ favoriete bouwmeester Apollodoros van Damascus schreef voor de gelegenheid een handboek voor de belegeringsoorlog.

In 101 barstte de strijd los. De Romeinen vielen aan vanuit het westen, vanuit het huidige Servië. We hebben daarover alleen een verslag van de Grieks-Romeinse geschiedschrijver Cassius Dio, en daarnaast de Zuil van Trajanus in Rome. We zien een veldslag die opnieuw lijkt te zijn gestreden bij Tapae. Ongetwijfeld was het doel van deze campagne de inname van de Dacische hoofdstad Sarmizegetusa, die inderdaad lijkt te zijn bezet.

De slag bij Nikopolis aan de Donau

De oorlog leek voorbij, maar in de winter van 101/102 bleek het tegendeel, want een Dacisch leger, versterkt met troepen van de Roxolani, stak in het oosten (in de Dobruja) onverwacht de Donau over. Cassius Dio weet nergens van, maar we kunnen het doel reconstrueren: afsnijden van de Romeinse aanvoerlijnen over het Balkangebergte. Brandschattend trok het leger door Moesia Inferior, in de vermoedelijke hoop de bergpassen achter het huidige Veliko Tarnovo te bereiken en te blokkeren. De Zuil van Trajanus toont een gevecht waarin de Romeinen de zware Roxolaanse cavalerie verslaan en vervolgens is er – in scène 38 om precies te zijn – een gevecht met een konvooi plunderaars. De aanwezigheid van de maangodin Luna (linksboven) bewijst dat het gaat om een nachtelijk gevecht. We herkennen achteraan ook een wagenkamp, gevuld met wapens. En dat is alles wat we ervan weten.

Voor de Romeinen was het echter een extreem belangrijke zege. Hun aanvoerlijn over de Balkan was verzekerd en ze konden de oorlog voortzetten. Daarom stichtte Trajanus op de plek waar zijn manschappen de nachtelijke overwinning hadden geboekt, een nieuwe stad, die hij Nikopolis aan de Donau noemde, “overwinningsstad”.

De zelfmoord van de Dacische koning Decebalus op de Zuil van Trajanus

Het was niet de eindzege in de oorlog, die nog voortduurde tot de zelfmoord van koning Decebalus in 106. Toen de gevechten voorbij waren, annexeerden de Romeinen heel Dacië, met z’n aantrekkelijke goudmijnen. Het eigenlijke overwinningsmonument is later gebouwd bij Adamclisi.

#ApollodorosVanDamascus #CassiusDio #Dacië #Decebalus #Domitianus #Donau #Geten #IAdiutrix #IItalica #IIAdiutrix #IIIIFlaviaFelix #IIIIScythica #IJzerenPoort #Luna #Moesia #NicolaeCeaușescu #NikopolisAanDeDonau #Roxolani #Sarmaten #Tapae #TettiusJulianus #Trajanus #VAlaudae #VMacedonica #VIIClaudia #XIIIGemina #ZuilVanTrajanus

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (2)

Lambaesis, basis van III Augusta

Ik noemde in het vorige stukje hoe III Augusta in Tunesië en Algerije was terechtgekomen en een basis had gebouwd in Lambaesis. Uit de tijd van keizer Hadrianus (r.117-138) komt een belangrijke inscriptie: een toespraak van de keizer tot de manschappen. Hij prijst ze, maar maakt ook duidelijk hoe scherp de hiërarchie is tussen soldaten en officieren.

Met een onderbreking die ik nog zal noemen, was en bleef Lambaesis de basis van III Augusta. Soms gingen onderafdelingen naar andere provincies.

  • In 115-117 deed een onderafdeling mee aan Trajanus’ oorlog tegen het Parthische Rijk. Er vielen veel slachtoffers III Augusta werd versterkt met Syrische rekruten. (Hun grafstenen zijn gevonden in Lambaesis.)
  • Tussen 132 en 136 diende een grote onderafdeling in de oorlog tegen de messiaanse pretendent Bar Kochba.
  • Weer dertig jaar later kwamen soldaten van III Augusta in actie in de Parthische oorlog van Lucius Verus.
  • In 175 namen legionairs van III Augusta deel aan de Marcomannencampagne van Marcus Aurelius, die de Afrikaanse soldaten naar Hongarije bracht. Velen van hen keerden nooit meer terug omdat ze werden toegevoegd aan II Adiutrix, dat tijdens deze oorlog zware verliezen had geleden.
  • Keizer Septimius Severus, afkomstig uit Africa Procularis, kende het legioen in 193 de titel Pia Vindex (“Trouwe wreker”) toe. Dit suggereert dat III Augusta een rol speelde in de burgeroorlog na de moord op keizer Publius Helvius Pertinax.
  • In 215-217 zette Caracalla tegen de Parthen een onderafdeling uit Lambaesis in.
Bu Njem

Forten

Septimius Severus gaf rond 200 opdracht tot de bouw van een reeks forten langs de woestijngrens, zoals Ghadames, Gheriat el-Garbia en Bu Njem. Dit is de Limes Tripolitanus. Net als Lambaesis zijn ze bewaard gebleven en hebben ze een architectonische eigenaardigheid: vijfhoekige torens bij de poorten. Ze zijn uniek voor gebouwen van III Augusta.

Opvallend is dat er langs de woestijn erg veel forten zijn en dat die werden bezet door legionairs. Het is denkbaar dat III Augusta meer mannen onder de wapens had dan de 5300 waarop onderzoekers de grootte van een legioen meestal schatten. Ik voor mij weet geen enkele reden te noemen waarom alle legioenen even groot zouden moeten zijn geweest.

Crisis

Het lijkt erop dat III Augusta tussen pakweg 215 en 220 grote verliezen leed tegen een van de proto-Berber-stammen in het binnenland. Het werd weer op sterkte gebracht met manschappen van III Gallica, dat was ontbonden door Heliogabalus. Opnieuw kwamen mensen uit Syrië richting Africa Proconsularis en Numidië.

Een soldaat van III Augusta in Keulen (Römisch-Germanisches Museum)

In 238 gebruikte de gouverneur van Africa Proconsularis III Augusta om de opstand van een zekere Gordianus I en Gordianus II te onderdrukken. Hij was succesvol, maar dat derde Gordianus won de burgeroorlog van dat jaar. Eenmaal alleenheerser ontbond hij het legioen dat verantwoordelijk was voor de dood van zijn vader en grootvader.

Vijftien jaar later herformeerde keizer Valerianus het legioen. Het kreeg de bijnaam Iterum Pia Iterum Vindex (“dubbel trouw, dubbel wreker”). Het voerde nu een lange en moeilijke oorlog tegen de “Vijf volkeren”: een federatie van Berberstammen. De strijd duurde tot ongeveer 260, toen commandant Gaius Macrinus Decianus een overwinningsmonument oprichtte bij Lambaesis.

Late Oudheid

Dat de situatie nog niet voldoende veilig was, kan echter worden afgeleid uit het feit dat de legioenbasis in de volgende jaren werd versterkt. In 289-297 werd de strijd hernieuwd en zag keizer Maximianus zich gedwongen persoonlijk het bevel over de Romeinse strijdkrachten in Africa Proconsularis en Numidië op zich te nemen.

Onmiddellijk na de overwinning verliet III Augusta Lambaesis, en hoewel het in de regio bleef, weten we niet waar. Misschien is het ook wel de verkeerde vraag. Het is heel goed mogelijk dat het legioen verspreid is geweest over diverse forten langs de lange zuidelijke grens van het Romeinse Rijk. Het legioen wordt in elk geval nog steeds genoemd in de late vierde of vroege vijfde eeuw en we weten van een christelijke soldaat die is begraven in Madauros.

Een christelijke legionair uit Madauros

We weten ook dat het platteland van Numidië rond 400 onveilig was door religieuze terroristen, de zogeheten Circumcelliones. Het suggereert dat het Derde Legioen Augusta bij de bewaking van de enorm lange zuidelijke grens van het Romeinse Rijk uiteindelijk heeft gefaald.

#AfricaProconsularis #Algerije #BarKochba #BuNjem #Caracalla #Circumcelliones #GaiusMacrinusDecianus #Ghadames #GheriatElGarbia #GordianusI #GordianusII #GordianusIII #Hadrianus #Heliogabalus #IIAdiutrix #IIIAugusta #IIIGallica #Lambaesis #legioen #LimesTripolitanus #LuciusVerus #Madauros #Marcomannen #MarcusAurelius #Numidië #PubliusHelviusPertinax #RomeinsLeger #SeptimiusSeverus #Trajanus #Tunesië #Valerianus

Een Algerijnse officier in Vechten

Inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een half jaar geleden was ik op reis door Algerije en hoewel ik veel mooie dingen heb gezien, was er ook een mini-teleurstelling: terwijl ik wél de grafsteen vond van Adiutor, iemand uit Nederland die belandde in Algerije, vond ik niets over Antistius, een Romeinse bestuurder uit de tweede eeuw na Chr. die de omgekeerde reis maakte. Er zijn in Algerije minstens twee inscripties (deze EDCS-13100076 en EDCS-16300167) maar ik heb die niet gezien. Een derde inscriptie is gevonden bij de Muur van Hadrianus (EDCS-07801373) en een vierde – hier boven – komt uit Vechten, even onder Utrecht. Die staat bekend als EDCS-11100902 en als u denkt dat ze slecht leesbaar is, heeft u gelijk, maar zie hieronder.

De jonge bestuurder

Quintus Antistius Adventus Postumius Aquilinus is rond 128 geboren in een senatoriële familie uit de Numidische stad Thibilis, halverwege Cirta en Hippo Regius, en profiteerde van het netwerk van Afrikaanse bestuurders dat in de loop van de tweede eeuw steeds meer invloed kreeg in Italië en uiteindelijk een keizer zou leveren, Septimius Severus. Uit de vier inscripties kennen we Antistius’ loopbaan, die hem kort voor 150 moet hebben gebracht naar Rome, waar hij een van de leden was van het college der vigintiviri, de beginnende magistraten, meest senatorenzonen, die ieder jaar werden benoemd. Hij was een van het viertal dat samen verantwoordelijk was voor het onderhoud van de straten in Rome.

Stap twee: een officiersfunctie bij het Eerste Legioen Minervia aan de Rijn, in Bonn, vermoedelijk in 151-152. Een normale carrièrestap, net als de volgende halte: de quaestuur, een financieel ambt dat Antistius uitoefende in Thessaloniki. Hiermee trad hij toe tot de Senaat. Het zou vreemd zijn geweest als het niet zo zou zijn gegaan, want hij kwam uit een senatoriële familie en had een goed patronagenetwerk.

Vervolgens was Antistius verantwoordelijk voor het toezicht op de ridderstand, de tweede laag van de Romeinse elite, en daarna was hij volkstribuun. Het waren geen sinecure-aanstellingen maar hij hoefde er weinig voor te reizen, kon verblijven in de villa die hij in Rome zal hebben gehad en had gelegenheid om tussen de bedrijven door zijn Algerijnse landgoederen te bezoeken. Dat laatste gold ook voor zijn volgende positie: assistent-gouverneur in Africa. Zo rond 155-157 resideerde hij in Karthago, waar hij gezien heeft hoe de Antonijnse Baden werden aangelegd, en hoewel hij nu behoorlijk aan de bak moest, zal hij voor of na zijn ambtstermijn even naar Thibilis zijn gegaan.

Ten oorlog

Hierna werd hij praetor, een juridische functie. Deze valt te dateren in 158. Je bekleedde deze functie op je dertigste of later, waaruit volgt dat Antistius moet zijn geboren in 128 of misschien 127 of 126, maar vermoedelijk niet eerder.

Deze functie was beslissend voor je verdere carrière. Je had ervaring in het leger, je kende de rechtspraak en de financiële sector, je had wat gereisd, je had een eigen netwerk opgebouwd en je was bekend bij de keizer. Nu kwamen de werkelijk belangrijke bestuurstaken en voor Antistius begon een militaire loopbaan. Zijn eerste positie daarin was het commando over het Zesde Legioen Ferrata in Carpacotna (zeg maar Megiddo). Dat oefende hij blijkbaar tot tevredenheid uit, want in 162 was hij commandant van het Tweede Legioen Adiutrix, dat deelnam aan de oorlog die keizer Lucius Verus voerde tegen de Parthen. Hier werd hij onderscheiden, wat betekent dat hij gevechtservaring opdeed, en onmiddellijk daarna kreeg hij een aanstelling als gouverneur van de provincie Arabia. Zijn residentie was Bosra, even ten zuiden van Damascus, en hij moet hebben gereisd naar steden als Petra en Hegra.

Weer een nieuwe functie, dit keer in Rome: curator van de openbare werken. Zeg maar rijksbouwmeester. Het waren onrustige tijden want er woedde een epidemie – mogelijk een ziekte die lijkt op pokken – en aan de Donaugrens waren allerlei stammen actief, die er zelfs in slaagden Aquileia aan de Adriatische Zee te bereiken.

Keizer Lucius Verus reisde opnieuw af naar het front en verleende zijn wapenbroeder uit de Parthische Oorlog buitengewone bevoegdheden voor de bescherming van Italië en het Alpengebied, waarbij hij twee pas-gelichte legioenen, het Tweede en het Derde Legioen Italica, moest trainen. Toen Lucius Verus bezweek aan de epidemie en zijn medekeizer Marcus Aurelius het commando overnam, zal Antistius de nieuwe oppercommandant hebben geadviseerd. Misschien is dit het moment waarop hij een priesterschap kreeg toegekend: hij was fetialis. Die religieuze functie, ooit bedoeld om oorlogsverklaren te regelen, had weinig om het lijf en gold vooral als eerbetoon voor bewezen diensten.

Vechten

Antistius werd vervolgens gouverneur van Germania Inferior (170 na Chr.). Dit betekent dat de keizer hem volledig vertrouwde, want de twee legioenen die hier lagen, het al genoemde Eerste Minervia in Bonn en het Dertigste Ulpia Victrix in Xanten, waren op dit moment niet op volle sterkte: Lucius Verus en Marcus Aurelius hadden onderdelen overgebracht naar de Donau. Antistius kon dan ook niet verhinderen dat een groep Chauken via de Noordzee de fortenreeks langs de Rijn omzeilde en het Vlaamse kustgebied plunderde. Zijn collega Didius Julianus, gouverneur van Belgica, rekende met hen af.

Het zal in deze jaren, tussen 170 en 173, zijn geweest dat Antistius in Vechten, het antieke Fectio, de genoemde inscriptie liet oprichten voor Jupiter. Hier is ze nog een keer, zoals ze momenteel wordt getoond op de expositie “Romeinen langs de Rijn” in het Rijksmuseum van Oudheden.

Nog eens de inscriptie van Antistius Adventus (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een glanzende carrière

Korte tijd later verruilde Antistius Keulen voor Londen, waar hij gouverneur was van Britannia. Over wat hij hierna deed, hebben we geen informatie, maar zijn zoon Lucius trouwde kort voor 180 met prinses Vibia Aurelia Sabina, een dochter van Marcus Aurelius en keizerin Faustina II.

Antistius had een prachtige carrière gemaakt. We kennen er echter meer. Zoals Velius Rufus. Deze inscriptie uit Brühl is curieus maar documenteert een even mooie loopbaan, die zelfs nog wat hoger gaat: Publius Helvius Pertinax, die zij aan zij met Antistius moet hebben gestaan in de oorlogen tegen de Parthen en aan de Donau, bracht het tot keizer. Ik ben er nooit zo voor om antieke verhoudingen met moderne situaties te vergelijken, maar voor één keer: officieren als Antistius, Velius Rufus en Pertinax zijn voor Rome wat de mannen uit Cullum’s Register zijn voor Amerika.

[Dit was het 367e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#AdriatischeZee #AntonijnseEpidemie #FaustinaII #Fectio #IMinervia #IIAdiutrix #IIItalica #IIIItalica #MarcusAurelius #Numidië #QuintusAntistiusAdventus #RomeinsLeger #Thibilis #Vechten #VIFerrata