Emir Abd el-Kader

L’émir Abd-el-Kader, protégeant les chrétiens à Damas en 1860 (Jan-Baptist Huysmans)

In mijn boek over Libanon – inmiddels herdrukt – behandel ik ook de crisis rond het jaar 1860, toen de maronieten en druzen tegen elkaar ten strijde trokken. Diverse partijen raakten betrokken, waaronder soldaten uit het Ottomaanse leger, die partij kozen voor de druzen en op diverse plaatsen christenen doodden. In Damascus vielen 12.000 doden, waaronder de Nederlandse consul en de Massabki-broers, die door de maronieten tot op de huidige dag worden vereerd. De sultan greep bliksemsnel in en zond een generaal, die de rebelse soldaten standrechtelijk liet executeren en de druzische leiders veroordeelde tot de galg. Evengoed intervenieerde een Frans leger, dat feitelijk dus weinig te doen had.

Terwijl ik deze trieste gebeurtenis beschreef, stuitte ik op een emir Abd el-Kader, die in Damascus de vervolgde christenen had opgenomen in zijn paleis en had beschermd. Die naam kende ik, maar uit een heel andere context. In 2019 was ik in Sétif in Algerije, waar een Jardin d’ Emir Abd el-Kader was, die tjokvol Latijnse inscripties stond, die ik destijds fotografeerde en – tot mijn eigen verbazing – resulteerden in mijn eerste, enige en welbeschouwd hilarische wetenschappelijke publicatie. Ik vroeg me af of het ging om dezelfde man. De naam, “dienaar van de almachtige”, is niet zeldzaam, maar de Arabische rang van emir is dat in een Ottomaanse context wel, en de man uit Sétif en de man uit Damascus leefden allebei rond 1860. Hij was inderdaad dezelfde.

De tuin van emir Abd el-Kader in Sétif.

Ten oorlog

Abd el-Kader ibn Muhyi al-Din werd in 1808 geboren in een religieuze familie. Hij studeerde in Oran (in het noordwesten van Algerije) en publiceerde al jong over de relatie tussen de islam en de nieuwe tijd: actuele vragen, aangezien Egypte in deze jaren onder Muhamad Ali allerlei Franse ideeën overnam en snel moderniseerde. In 1825 bezocht Abd el-Kader Mekka en Egypte, om enkele maanden voor de Franse aanval op Algiers terug te keren. Toen de Fransen die stad hadden ingenomen en hun gezag uitbreidden richting Oran, kozen de Arabische en Berber-bewoners van dat gebied hem tot oorlogsleider, emir.

Abd el-Kader organiseerde enkele expedities tegen de Fransen, maar het was niet alleen door het succes daarvan dat de rust zich herstelde. De Franse gouverneur van de havenstad Oran, Louis Alexis Desmichels, begreep dat onderhandelingen de beste manier waren om de regio te pacificeren. Het hielp dat de Franse regering nog niet goed wist wat het met de veroverde gebieden aan moest. Desmichels erkende Abd el-Kader als de gezaghebber in het achterland. Niet alleen schiep dit verdrag rust, het hielp ook om het succes van de succesvolle Arabische leider te beperken tot Oran.

Toen de Franse regering later besloot de teugels aan te halen, werd Desmichels vervangen door een generaal die het departement onder rechtstreekse controle moest brengen. De Arabieren en Berbers versloegen hem in de slag bij Macta (1835) en Abd el-Kader dwong respect af door de menselijke behandeling van zijn krijgsgevangenen. Een nieuwe Franse commandant had een jaar later meer succes in de slag aan de Sikkak, maar inmiddels was de Franse publieke opinie tegen de dure oorlog. In 1837 sloten de twee partijen het verdrag van Tafna, waarin Abd el-Kader feitelijk een eigen staat kreeg toegezegd in het binnenland. De Fransen beheersten de havensteden, en ze erkenden in Abd el-Kader een tegenstander met wie ze zaken konden doen.

Een eigen staat

Het verdrag bood beide partijen rust. De Fransen konden hun greep versterken op de kuststrook, waarvan ze inmiddels hadden besloten dat ze die nooit meer zouden verlaten, terwijl Abd el-Kader een nieuwe, functionerende staat kon opbouwen op de Hautes Plaines. De hoofdstad was Tagdemt. Hij weigerde de wereldse titel van sultan en zocht in plaats daarvan voor een op de islam gebaseerd gezag. De magistraten waren vaak religieuze leiders; belastingontduiking kwam te gelden als “misdrijf tegen de moslimgemeenschap”; de munt had zelfs een islamitische naam: de muhammadiyya. Dit sloot overigens samenwerking met joden en christenen allerminst uit. “Alle religie berust op twee principes,” meende de emir, “namelijk eerbied voor God en barmhartigheid voor al zijn schepsels.”

Ondertussen weerde hij zuidelijke stammen af, precies zoals de Fransen hadden gehoopt door hem te erkennen als leider van wat vanuit hun perspectief een bufferstaat was. Gaandeweg strekte Abd el-Kaders staat zich ook uit naar het oosten, in de richting van Sétif en Constantine.

Abd el-Kader in Damascus (1862)

Ballingschap

Zoals eigenlijk wel te verwachten viel, hielden de Fransen zich niet aan de afspraak. In 1839 brak oorlog uit, waarin Abd el-Kader zich aanvankelijk succesvol wist te weren. Na vijf jaar koos de sultan van Marokko echter partij voor de Fransen, en dat dwong de emir ertoe zich over te geven (1847). Hoewel was afgesproken dat hij zich in Alexandrië of Akko zou vestigen, deporteerden de Fransen hem naar het kasteel van Amboise.

De onmenselijke verblijfsomstandigheden, waaraan sommige van zijn medegevangenen overleden, veroorzaakten een schandaal. Tot degenen die opheldering eisten, behoorden Victor Hugo en prins Napoleon Bonaparte. Toen laatstgenoemde in 1848 tot president werd gekozen, gelastte hij onmiddellijk de vrijlating van de emir, die ook een aanzienlijk jaargeld kreeg toegezegd onder de voorwaarde dat hij nooit meer naar de departementen Oran, Algiers of Constantine zou terugkeren.

En zo belandde Abd el-Kader in het Ottomaanse Rijk. Hij schreef er enkele politieke traktaten en een boek over Arabische paarden, werd vrijmetselaar én soefi (islamitische mysticus). De emir werkte mee aan de wetenschappelijke uitgave van de geschriften van de middeleeuwse Andalusische mysticus Ibn Arabi. En Abd el-Kader was in Damascus toen daar in 1860 de hel losbarstte. Hij zond zijn zonen uit om de vervolgden naar zijn paleis te brengen, dreigde op de menigte te laten schieten als ze het asiel zou bestormen, en wist zo velen het leven te redden.

Latere jaren

Voor deze interventie kreeg de emir van alle kanten erkenning. Napoleon Bonaparte, inmiddels keizer, verhoogde zijn jaargeld en maakte hem tot officier in het Legioen van Eer. De sultan, de koning van Griekenland en de paus verleenden hem onderscheidingen, en de Amerikaanse president Abraham Lincoln achtte een tweetal dueleerpistolen een passend geschenk. Vijf jaar later ontving Napoleon III de emir in Parijs, waar de bevolking de eregast met enorm enthousiasme begroette.

Abd el-Kader in Parijs (1865)

Van vijand tot vriend van Frankrijk: je kunt de Franse houding lezen als een waardige manier om met een verslagen tegenstander om te gaan. En je kunt Abd el-Kader zien als een Uncle Tom die, uiteindelijk vooral serviel, de imperialistisch politiek mogelijk maakte. En je kunt hem zien als iemand die leefde tussen twee werelden en met wisselend succes zijn eigen wereld verdedigde.

Hij overleed in 1883, vierenzeventig jaar oud, en werd begraven in Damascus. Later, in 1965, is zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Algerije – de politieke motivatie moge, drie jaar na de Algerijnse onafhankelijkheid, voldoende duidelijk zijn. Oliver Stone heeft aangekondigd een film over de emir te maken; zijn leven leent zich er zeker voor, maar de ervaring met Alexander doet me hopen dat de Abd el-Kader-film er nooit komt. Hoe die tuin in Sétif er is gekomen, heb ik nog niet ontdekt.

#Algerije #Algiers #Constantine #Damascus #Frankrijk #IbnArabi #LouisAlexisDesmichels #MuhamadAli #NapoleonIII #OliverStone #Oran #OttomaanseRijk #Sétif #VictorHugo

F3 | Fakhr-ad-Din in Italië

Fakhr-ad-Din

[Derde blogje in een vijfdelige reeks over Fakhr-ad-Din Ma’n (1572-1635), de Druzische krijgsheer die een tijd woonde in Italië en de Levant zou hebben kunnen moderniseren. Het eerste blogje was hier.]

Fakhr-ad-Din in Florence

Een van onze voornaamste bronnen is het Leven van Fakhr-ad-Din van een geleerde dichter genaamd Achmad al-Khalidi van Safed. Hij baseert zich voor de gebeurtenissen in Toscane op een ooggetuigenverslag dat door de emir lijkt te zijn geautoriseerd. Khalidi vermeldt de hierboven genoemde ergernissen, en meer. Een Druzische krijgsheer ging te paard, niet opgesloten in een rijdende kist. De koets die de Toscaanse hovelingen hadden voorgereden, bleef dus ongebruikt.

Het Druzische gezelschap woonde aanvankelijk in de Palazzo Vecchio in Florence. Het paleis zal hun zijn bevallen. Weinig inkijk, wel een besloten binnenplaats. Fakhr-ad-Din zou het later in Beiroet laten nabouwen op een plek achterin de huidige Jardin de Pardon.

Portret van Cosimo II, de gastheer van Fakhr-ad-Din

Ondertussen observeerde de emir dat het groothertogdom goed georganiseerd was. Alles leek gereguleerd in wetboeken. Er bestond in Italië iets dat drukpers heette en ook hadden ze er banken. Het trof hem dat de Toscaanse heerser zijn eigen dynastieke opvolging kon regelen, terwijl in de Ottomaanse wereld altijd instemming was vereist van de sultan. Fakhr-ad-Din stelde ook vast dat de vorst meedeed aan het carnaval, wat iets heel anders was dan de afstandelijke waardigheid die een emir moest uitstralen.

Ondertussen zocht Fakhr-ad-Din steun. Militaire steun. Hij hamerde op de zwakte van het Ottomaanse Rijk en bleef zijn eigen zwakte bagatelliseren. Groothertog Cosimo zond dus een verkenningsmissie naar Sidon, die bevestigde dat waarnemend emir Yunus de teugels stevig in handen had. De Ottomaanse troepen lieten hem met rust. Dat was echter omdat Yunus voor Constantinopel acceptabel was, niet omdat hij zo sterk stond. Maar dat schaadde de plannen voor een kruistocht niet.

Palermo en Napels

Desondanks kwam die er niet. Dus besloot Fakhr-ad-Din zijn geluk elders te beproeven. Het lijkt erop dat hij langzaam heeft moeten ontdekken dat de westelijke christenheid niet de eenheid was die hij dacht dat het was. Jeruzalem viel moeiteloos te veroveren, meende hij nog steeds, maar hij voegde nu toe “als de Europese machten eensgezind waren”. Een stil verwijt. De paus had nog steeds niet opgeroepen tot een kruistocht. Hij had bovendien ontdekt dat Toscane alleen te zwak was. De Spaanse gewesten in Italië leken sterker. Bovendien lagen Palermo en Napels in de frontlijn met het Ottomaanse Rijk. In die steden zou men de urgentie beter begrijpen dan in Florence. En dus nam hij in de zomer van 1615 afscheid van de Medici en voer hij naar Messina.

Hij was nog maar net vertrokken toen in Toscane een brief aankwam uit Constantinopel. Grootvizier Nasuh Pasha, de aartsvijand van Fakhr-ad-Din, was ervan beschuldigd staatsgeheimen te hebben gelekt naar de Perzen en was gearresteerd. Een Ali Pasha – we weten niet welke – liet Fakhr-ad-Din weten dat hij hem graag zag terugkeren. Helaas was de Druzische krijgsheer inmiddels op Sicilië. Het hof in Constantinopel zou nooit vergeten dat hij was overgelopen naar een machtige vijand.

Het voormalige Druzische kasteel bij de bronnen van de Jordaan

Erger nog: terwijl Fakhr-ad-Din in Spaans Italië verbleef, brokkelde de positie van zijn broer Yunus in Libanon af. Sji’itische groepen hadden bijvoorbeeld het Druzische kasteel bij de bronnen van de Jordaan gesloopt en bedreigden Safed in het noorden van wat nu Israël is. De Sayfa-familie, waarmee Fakhr-ad-Din aan het begin van zijn carrière had afgerekend, was bezig met een come-back.

Dus keerde Fakhr-ad-Din in de zomer van 1618 terug. Hij was op het nippertje ontsnapt aan de verdrinkingsdood toen een storm zijn schip bijna had doen kapseizen; mastloos en stuurloos strandde het bij Akko. De emir wist dat zijn vijanden zijn territoria bedreigden en dat hij, doordat een cruciale brief te laat was aangekomen, persona non grata was gebleven in Constantinopel. Hoewel de nieuwe grootvizier Ahmet Pasha hem goed gezind was, was het doodsvonnis van Fakhr-ad-Din feitelijk getekend. Het zou echter nog jaren duren voordat de beul het voltrok.

[Wordt om 12:00 vervolgd]

#AchmadAlKhalidi #AhmetPasha #Akko #AliPasha #bank #Beiroet #CosimoIIDeMedici #druzen #FakhrAdDin #Florence #Italië #JardinDePardon #Libanon #Messina #Napels #NasuhPasha #OttomaanseRijk #PalazzoVecchio #Palermo #SayfaFamilie #Toscane #YunusMaN

Algiers 1830

Ik heb eerder geschreven over de Barbarijse Staten en verteld dat hun reputatie als piraten eigenlijk onverdiend was. Ze deden wél aan kaapvaart, dus het in oorlogstijd beroven van vijandelijke koopvaardijschepen. Dat was lange tijd volkomen normaal; in een ander blogje schreef ik over de joodse kapers die tijdens de Spaanse Successieoorlog namens de Staten-Generaal de Caraïbische wateren onveilig maakten voor Spaanse schepen. Kaapvaart begon als er oorlog uitbrak, was gereguleerd met kapersbrieven en hield op zo gauw er een vredesverdrag was – en zo simpel was het.

Voor de Barbarijse leiders – de Ottomaanse pasja van Tripoli, de Ottomaanse bey van Tunis en de Ottomaanse dey van Algiers – was kaapvaart een verdienmodel, mogelijk doordat er altijd wel ergens een Europese oorlog was waarin men partij kon kiezen. Men beroofde schepen en zette de bemanning in als slaven, net zo lang tot die werden vrijgekocht. Een en ander paste bij het islamitische ideaal dat het geloof moest worden verspreid, maar deze religieuze motivatie was allang ondergeschikt aan de commerciële. Kaapvaart was voor de Barbarijse Staten overigens niet de belangrijkste economische activiteit. Soms leed men er zelfs verlies op, want goedkoop waren de kaapschepen niet, en handel was altijd profijtelijker. Algiers, met de agrarische rijkdom van de Hautes Plaines, leverde bijvoorbeeld graan aan Frankrijk, zodat de twee landen elkaar al in de achttiende eeuw goed kenden.

De slavenmarkt van Tunis

Veranderde spelregels

Alles veranderde in 1815, tijdens het Congres van Wenen. In zijn afgelopen zomer verschenen boek De laatste dagen van Barbarije vertelt de Utrechtse historicus Erik de Lange hoe in Wenen niet alleen een nieuw Europa werd geschapen, maar vooral een nieuw systeem ontstond om internationaal samen te werken tegen bedreigingen van de veiligheid. Zoals men samenwerkte om Napoleon, terug van Elba, weg te werken richting Sint-Helena, zo werkte men voortaan samen om piraterij te bestrijden. Zoals de piraten uit de Barbarijse Staten. En als u nu opmerkt “dat waren toch kapers?”, dan heeft u het probleem begrepen dat De Lange beschrijft. Het Congres van Wenen veranderde de spelregels.

Daarbij speelden diverse factoren. Eén daarvan was dat gewiekste diplomaten de bestrijding van de kaapvaart kaderden als onderdeel van de strijd tegen de slavernij. Een andere factor was dat na het Congres van Wenen nieuwe landen waren ontstaan, die meenden in vrede te leven met de Barbarijse Staten, terwijl men daar meende dat er nog sprake was van een oorlogssituatie. Wat de een beschouwde als kaapvaart, beschouwde de ander als geweld in vredestijd en dus piraterij. En er waren, zo meende men in de Maghreb, ook nog wat achterstallige betalingen, die de oorlogsvermoeide Europese landen niet wilden voldoen. En dus kwam het tot oorlog.

Het paleis van de rais van Algiers

De Lange noemt diverse operaties, zoals het bombardement dat de gecombineerde Nederlandse en Britse vloot in 1816 uitvoerde op Algiers. Hij beschrijft ook hoe handig Hussein Dey van Algiers er enkele jaren later in slaagde een Nederlands-Spaans verdrag kapot te spelen.

Algiers 1830

Ook besteedt De Lange veel aandacht voor de Franse aanval op Algiers in 1830. Ik noemde vorige week al dat de plannen al klaar lagen sinds 1808, maar koning Karel X implementeerde ze, zich opwerpend als beschermer van de hele Europese koopvaardij en bestrijder van de slavernij. Daarbij profiteerde hij ervan dat de diverse Ottomaanse vloten, en dus ook die van de Barbarijse Staten, ten onder waren gegaan ten tijde van de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog. Het eindresultaat was de annexatie van Algerije – geen kolonie maar een overzees gebiedsdeel van Frankrijk, maar weer wel een raar overzees gebiedsdeel omdat 90% van de inwoners was ontrecht.

De bey van Tunis en de pasha van Tripoli kregen eveneens te maken met de Franse kanoneerbootpolitiek. Voor eerstgnoemde was dat extra zuur, want die presenteerde zich al langer als Europese bondgenoot. Er waren allerlei Europeanen in zijn stad, zoals Jean-Emile Humbert, de Nederlandse kolonel die Karthago identificeerde. De bey zou overigens pro-Europees blijven in de zin dat Tunis als een van de eerste landen ter wereld de slavernij voorgoed buiten de wet stelde.

Het Rode Kasteel van Tripoli

Wie tegenwoordig door de regio reist, kent de gebouwen wel waar de gebeurtenissen uit De Langes boek zich hebben afgespeeld: het “rode kasteel” van de pasja van Tripoli, de slavenmarkt en de residenties van de bey van Tunis, de paleizen van de dey en de rais van Algiers. Ze zijn er allemaal nog. Wat er ook nog is, is het idee dat kaapvaardij in strijd is met het internationaal recht.

#Algerije #Algiers #BarbarijseKapers #BarbarijseStaten #BeyVanTunis #CongresVanWenen #ErikDeLange #Frankrijk #HusseinDey #JeanEmileHumbert #kaapvaart #KarelX #Libië #NapoleonBonaparte #OttomaanseRijk #TripoliLibië_ #Tunesië #Tunis

Geliefd boek: Die Erweiterung

Deze roof raakt iedere Roemeen” schreef Mira Feticu in het NRC van 1 februari jongstleden. Het gaat hier natuurlijk om de kunstroof uit het Drents Museum in Assen, waarbij de gouden helm van Coțofenești en drie armbanden van hetzelfde metaal werden buitgemaakt. Feticu legde uit hoeveel meer die helm voor de Roemenen betekent dan louter nationaal erfgoed. Hij is het symbool, de personificatie van hun nationale identiteit. En die nationale identiteit betekent meer voor een Balkanland dan wij ons hier in Nederland, of in West-Europa überhaupt, kunnen voorstellen.

Robert Menasse, Die Erweiterung

In 2022 kwam Die Erweiterung van Robert Menasse uit. De Nederlandse uitgave van deze roman heet De uitbreiding. Het Duitse “Erweiterung” is echter een veel dubbelzinniger woord: het betekent niet alleen uitbreiding, maar ook verwijdering. Verwijding en verwijdering.

Robert Menasse is de werkelijkheid drie jaar voor geweest. Ook hier is sprake van een gestolen helm met een grote symbolische betekenis. De roman begint in het Kunsthistorisch Museum in Wenen, waar een boomlange werkstudent suppoost is in “de roestkamer”, zoals de belangrijkste historische wapenverzameling van Europa door het personeel onder elkaar wordt genoemd. Een van de stukken in de roestkamer is de helm van Skanderbeg. Skanderbeg, zijn eigenlijke naam was Gjergje Kastriotti, is de nationale volksheld van Albanië. Hij verenigde in de vijftiende eeuw de verschillende Albaanse stammen in de strijd tegen de Osmanen en was daarmee de grondlegger van het koninkrijk Albanië.

De helm van Skanderbeg (©Wikimedia Commons | Gebruiker Jebulon)

Rond 2018 wil de republiek Albanië dolgraag bij de Europese Unie. Het is dan al vier jaar kandidaat-lidstaat. Het land zet vol in op het invoeren van de Europese staatsrechtelijke standaarden. Op het gebied van Justitie zijn bijvoorbeeld al grote stappen gemaakt: de willekeur en het smeergeld zijn in de hogere regionen zo goed als verdwenen. Albanië, kortom, doet ongelofelijk zijn best. De Europese Unie staat echter niet te trappelen om de kleine broeder in haar gelederen op te nemen. Frankrijk en Nederland spreken zelfs een veto uit. Maar ze nemen dat schielijk terug als ze beseffen dat Albanië weliswaar een klein landje met een grote moslimbevolking is, maar dat het vol zit met koper, nikkel, chroom, bauxiet, olie en aardgas. Daardoor komt Polen, dat zich door het veto van de twee landen niet uit hoefde te spreken, naar voren als grootste tegenstander van de toetreding van Albanië. Het katholieke Polen van de Pis-partij wenst geen moslimland in Europa.

***

In de Albaanse hoofdstad Tirana wordt intussen druk overlegd. Hoe kan Albanië toch een voet tussen de deur van de Europa krijgen? Fate Vasa, Albaans dichter en adviseur van de president, komt met het idee om de Europese Unie symbolisch te confronteren met een al even symbolisch Groot-Albanië. Er wonen immers Albanezen in Kosovo, Montenegro en Servië, in Noord-Macedonië en in Griekenland. En wat representeert dat Groot-Albanië beter dan de helm van Skanderbeg? Vate adviseert om de helm bij het Kunsthistorisch Museum in Wenen terug te eisen. Er staan verkiezingen voor de deur en de helm van Skanderbeg zal bij heel wat kiezers aanslaan, wat mooi meegenomen is.

Als de oppositie achter dit plan komt is ze in alle staten: als het de minister-president inderdaad lukt om de helm uit Wenen los te krijgen hoeft de oppositie bij wijze van spreken niet eens met de verkiezingen mee te doen. De symboliek van de helm is eenvoudigweg te groot. Wat te doen? Besloten wordt de helm dan maar te stelen, zodat de minister-president er niet mee aan de haal kan gaan.

***

De geschiedenis van de helmdiefstal zal door het hele boek meanderen. Maar nu eerst iets over het verschil tussen beschrijven en vertellen. Blz. 387-388. Gino Trashi, de boulevardpers-fotograaf met de toepasselijke naam, wil met zijn foto’s een verhaal vertellen.

Er hatte einmal einen Artikel von Ismail Kadare gelesen, seinem Lieblingsautor, dem grössten albanischen Schriftsteller, es ging um die Unterschied zwischen Beschreiben und Erzählen. Beschreiben, so Kadare, erhebe den grössten Anspruch an Objectivität, Authentizität und Erkenntnis und leiste doch nichts davon. Es sei bloss ein tautologischer Akt, der das, was der Leser onehin schon wisse und kenne, vorführe. Man könne ein Wald, aber auch ein Radiergummi, nur zum Beispiel, mit extremer Genauigkeit und sachlichem Blick auf zehn oder gerade fünfzehn Seiten beschreiben – es gebe Autoren, die das können und er für kühn und besonderes gekonnt halten – aber am Ende wisse der Leser nur, was ihm nie ein Rätsel gewesen sei: Das ist ein Wald, oder das ist ein Radiergummi. Und wenn der Autor etwas beschreibe, was der Leser noch nicht kenne, zum Beispiel die Regentänze der Hopi-Indianer oder die Gesetze der Blutrache in den Noordalbanischer Bergen, dann treffe gleichwohl das selbe Verdikt darauf zu: Die Beschreibing bestätige den Leser nur darin, was er schon wisse, nämlich dass ihm das Beschriebene völlig fremd sei. Wie langweilig! […] Der Erzähler aber zeige nicht der Oberfläche, sondern setze das Wesen ins Bild, halte nicht nur die Moment fest, sondern lasse ihn fliessen, vom Grund zur Wirkung. Erst der Anspruch des Beschreibens habe das Unbeschreibliche zur Welt gebracht, wärend wir alles erzählen können, letzlich auch das Unbeschreibliche.

Menasse is een rasverteller. “Vom Grund zur Wirkung” vloeien de verhalen uit zijn pen. Ze vlechten zich door elkaar, kronkelen door Europa, door het politieke theater en door de tijd. En door Albanië, uiteraard. Ik ga niet proberen het boek verder te beschrijven. Dat wordt een slap aftreksel dat Die Erweiterung geen recht doet. Het verhaal hieronder, dat de Albaanse en de Europese geschiedenis samenbrengt, wil ik je echter niet onthouden. Blz. 277/278. Het geeft een inkijk in de Kanun, het Albaanse gewoonterecht, dat in afgelegen delen van Albanië nog altijd geldt. De Kanun gaat niet alleen over eer en bloedwraak, maar ook over gastvrijheid. Die is heilig. Het verhaal speelt in 1944, in de afgelegen bergen van Noord-Albanië. Een Albaanse nazi, ene Essad Bej Demoli, heeft met Duitse medewerking een divisie opgericht: SS divisie Skanderbeg.

Demoli brüllte. Der Jude! Hier versteckt. Wir wissen. Der Jude. Wo steckt er. Heraus mit ihm. Ansonsten.

Adnit Raxhaku hatte keine Angst um sein Leben. Diese Soldaten waren Albaner. Auch wenn sie Deutsche Uniformen trugen. Er erkannte sie an die bunte Strümpfen aus dicker Wolle, und an die traditionelle Albanischen Filzhauben, die manche statt der Deutschen Feldmützen trugen … Und er wusste: Man würde ihn, weil er eine jüdische Flüchtling versteckt hatte und also dem Kanun gehorchte, nicht töten, kein Albaner würde dass tun, nicht hier, wissend, dass Verwandte des Ermordeten, bis zum letzten Clans, nicht ruhen und rasten würden, bis der Mörder seinerseits getötet war, der Mörder würde keine ruhige Minute mehr in seinem Leben haben, müsste ewig auf der Flucht sein oder sich versteckt aufhalten. Ein Albaner, der hier einen Albaner tötet, wäre selbst tot, früher oder später, Deutsche Uniform hin oder her. Das gebietet der Kanun.

In dieser situation, als der Bauer Adnit Baxhaku stramm vor dem geblendeten, schreienden Essad bej Demoli stand, prallten zwei Gesetze der Kanun aufeinander: das Gesetz der Blutrache und das Gesetz der Gastfreundschaft. Er war sicher, dass er für das Versteck des Juden nicht hingerichtet werden würde. Aber er wusste zugleich, dass er, wenn er den Juden auslieferte, was er nicht verhindern konnte, sozial gestorben wäre. Denn er hat die Besa gebrochen, das Ehrenwort […]

Also sagte er: Ich hole ihn. Ging ins Haus, wo sein Sohn mit dem junge Jude, der etwa das gleiche Alter wie er hatte, etwas mehr und etwas weniger als siebszehn Jahre, besammen sass, Hand in Hand, und sagte zu seinem Sohn: Du gehst mit ihnen. Und du sagst kein Wort. Der Sohn, er hiess Agan, begriff, stand auf und nickte. Der Vater umarmte ihn, küsste ihn auf den Mund, führte ihn hinaus und sagte: Das ist er.

So hatte er seinen Gast beschützt, wie der Kanun es befahl.

So wurde der Deutschprager Jude Egon Lenz gerettet.

Egons kleindochter Yberle zal nog een rol in Die Erweiterung spelen. De helm van Skanderbeg duikt aan het eind van het boek weer op, in de SS Skanderbeg – anno 2020 geen SS- divisie, maar het Albaanse cruiseschip waarop een informele conferentie plaatsvindt over de toetreding van Albanië tot de Europese Unie. Het einde is onthutsend en ontluisterend. Zoals eigenlijk het hele verhaal onthutsend en ontluisterend is. Menasse geeft een messcherpe analyse van het menselijk tekort zoals dat zich op allerlei niveaus manifesteert.

Ik heb het ademloos gelezen.

Op mijn uitnodiging aan de vaste lezers van deze blog om geliefde boeken te delen, ging Saskia Sluiter, de auteur van De Staalwoestijn, voor de zesde keer in. Ze schreef eerder over Robert Menasses boek Die Hauptstadt. Dank je wel Saskia!

#Albanië #Dacië #geliefdBoek #goudenHelmVanCoțofenești #IsmailKadare #MiraFeticu #OttomaanseRijk #RobertMenasse #Roemenië #Skanderbeg

Opinie | Je moet weten: deze roof raakt iedere Roemeen

Kunstroof: Het museum in Assen leek geen oog te hebben voor het grotere verhaal van de Daciërs, schrijft Mira Feticu.

NRC

Cornelis de Bruijn (6) Terugkeer

Cornelis de Bruijn, Libanonceders

Dit is het zesde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Libanon

Cornelis de Bruijn verliet Jeruzalem op 16 november 1681 en bleef even hangen in Ramla om daar – vandaag 343 jaar geleden – Kerstmis te vieren. Nieuwjaar en Drie Koningen volgden en op 8 januari 1682 was hij weer in Jaffa, waar hij onmiddellijk aan boord van een schip ging. De volgende dag arriveerde hij in Tripoli.

Cornelis de Bruijn, Tripoli

Daar verbleef De Bruijn vier maanden in het huis van de Hollandse consul, maar hij maakte wel enkele rondreizen. Een daarvan bracht hem naar de Libanon, waar hij de beroemde cederbomen bewonderde. Op een tweede reis bezocht hij Akko, Nazaret, het Meer van Genesaret en de berg Tabor. Op de weg terug bezocht hij opnieuw Tyrus en deed hij Sidon aan alvorens terug te keren naar Tripoli.

Syrië

Daarvandaan vervolgde zijn weg naar Aleppo, waar hij van mei 1682 tot april 1683 woonde in de karavanserai. In zijn verslag vertelt hij over de Romeinse munten die hij op de markt kocht. Hij geeft er een uitvoerige beschrijving van.

Cornelis de Bruijn, Aleppo

Vanuit Aleppo wilde De Bruijn verder reizen naar de onlangs geïdentificeerde ruïnes van Palmyra. Vijf jaar eerder waren de overblijfselen van de oude stad bezocht door een groep Engelsen, en nu wilde de Nederlandse kunstenaar de plek ook zien. Helaas weigerde een lokale bedoeïenenstam mee te werken. Na een klein jaar verliet De Bruijn Aleppo, enigszins teleurgesteld.

Toch hoeft de lezer van Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië niet te delen in deze teleurstelling. Acht jaar na De Bruijns poging hadden dominee William Halifax en een Nederlander genaamd Gerard Hofsted van Essen
meer succes. In zijn boek bood De Bruijn zijn lezers een samenvatting van wat Halifax had geschreven, met enkele kleine toevoegingen. Ook voegde hij een gravure toe, die een kopie was van een groot schilderij dat Hofsted van Essen had  gemaakt. Het schilderij is nu in het Allard Pierson-museum. Ik blogde er al eens over.

De gravure van Cornelis de BruijnGerard Hofsted van Essen, Palmyra (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Terug naar Italië

De Bruijn verliet Syrië vanuit Alexandretta (het huidige Iskenderun), bezocht Cyprus en reisde in de eerste helft van juni van Antalya naar Smyrna. De binnenlandse route was ongebruikelijk. Het was bekend dat deze gevaarlijk was. Het grootste gevaar bleek echter niet een overval, maar een grote slang, die De Bruijn uitschakelde met zijn pistool.

Veilig en wel arriveerde hij in Smyrna, waar hij nog zestien maanden zou blijven. Pas nu ontdekte hij dat de Hollandse consul en de ambassadeur in Constantinopel tijdens zijn eerdere bezoek hadden geloofd dat De Bruijn de potentiële moordenaar van Johan de Witt was. Toen de kunstenaar Smyrna uiteindelijk verliet, op 25 oktober 1684, was hij al meer dan tien jaar van huis.

Op 10 november arriveerde hij in Venetië, waar hij tot 1692 zou verblijven in het atelier van een Beierse schilder wiens echte naam Johann Carl Loth was, hoewel elke Italiaan hem Carlotto (1632-1698) noemde. De Bruijn ging werken in zijn atelier.

Venetië

Over de Venetiaanse jaren van De Bruijn is vrijwel niets bekend. Het is mogelijk dat onderzoek in Italiaanse archieven nog eens iets zal opleveren. In elk geval heeft hij Johann Michael Rottmayr (1656-1730) ontmoet, die op dat moment ook in dienst was van Loth.

Het martelaarschap van Petrus van Verona (kopie)

Natuurlijk moet De Bruijn hebben gehoord hoe Willem III in 1688 een nogal dubieuze uitnodiging had aanvaard om koning van Engeland te worden, het reguliere leger had verslagen, Londen had veroverd, koning was geworden en had aangekondigd dat hij, zoals hij in de Republiek gewend was, de macht zou delen met het parlement. Het verhaal van de Glorious Revolution moet De Bruijns belangstelling hebben gehad, want Willem was aan de macht gekomen na een moord waarvan de kunstenaar nog steeds werd verdacht.

Het is mogelijk dat De Bruijn heeft bijgedragen aan het enige werk uit het atelier van Loth dat in deze jaren kan worden gedateerd, een kopie van Titiaans Dood van Petrus van Verona. Het origineel bevond zich vroeger in San Zanipolo in Venetië, maar is nu verloren gegaan.

In 1692 werd Loth naar Wenen geroepen om hofschilder van keizer Leopold I te worden. Hij zou die positie tot zijn dood bekleden en worden opgevolgd door Rottmayr. Misschien wilde De Bruijn met zijn collega’s mee, maar omdat hij niet katholiek was, ging dat niet. In plaats daarvan keerde hij terug naar huis. Het Rijnland was niet langer een oorlogsgebied en hij kon Frankfurt en Keulen bezoeken. In Keulen vierder hij Kerstmis, Nieuwjaar en Drie Koningen (die in Keulen begraven zouden liggen). Ook het beroemde Keulse carnaval maakte hij mee.

Daarna reisde hij verder. Op 14 maart 1693 arriveerde hij in Amsterdam; vijf dagen later was hij in Den Haag.

Wordt vervolgd.

#Akko #Aleppo #AllardPiersonmuseum #Antalya #ceder #CornelisDeBruijn #Cyprus #GerardHofstedVanEssen #GloriousRevolution #Iskenderun #Italië #Izmir #Jaffa #Jeruzalem #JohannCarlLoth #LeopoldIKeizer_ #Nazaret #OttomaanseRijk #Palmyra #Ramla #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #RepubliekDerZevenVerenigdeNederlanden #Sidon #Smyrna #StadhouderKoningWillemIII #Syrië #Tabor #TripoliLibanon_ #Tyrus #Venetië #WilliamHalifax

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (5) Jeruzalem

Cornelis de Bruijn, het Heilig Graf

Dit is het vijfde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Het heilige Land

Cornelis de Bruijn wilde naar Jeruzalem, dat lag op twee dagen van de haven van Jaffa. Maar toen hij halverwege was, in Ramla, gaven de Ottomaanse gezagsdragers hem bevel te blijven waar hij was. Een epidemie in Jeruzalem maakte verder reizen onverantwoord. Pas na bijna drie maanden kon De Bruijn verder reizen en op 17 oktober 1681 bereikte hij de heilige stad. Onderweg passeerde hij het vervallen kerkje voor Sint-Joris in Lydda, waar ik vorig jaar over blogde.

De autoriteiten stonden geen privébezoek toe aan de heilige plaatsen. Ze hadden de franciscanen, die al sinds de Kruistochten de Europese christenen vertegenwoordigden, aangewezen als coördinatoren. De monniken organiseerden rondleidingen, die voor de zekerheid werden beschermd door bewapende Ottomaanse escortes. Pelgrimage was zo veilig en verantwoord, maar bezoekers kregen zo alleen te zien wat hun was toegestaan.

De Bruijn sloot zich dus aan bij de georganiseerde wandelingen door de stad en nam deel aan excursies naar Bethanië en Bethlehem. Het waren allemaal heel normale uitjes. Zijn verslag bevat weinig verrassingen, maar bevat wel interessante, unieke illustraties. Het is bovendien onderhoudend door de nuchtere toon.

De tekenaar aan het werk

Toch slaagde Cornelis de Bruijn erin om op eigen gelegenheid naar de Olijfberg te gaan, waar hij een uniek panorama tekende van Jeruzalem. Dit was verboden, maar hij was er met een franciscaner monnik, die hem een ​​signaal gaf als er mensen aankwamen. De kunstenaar kon dan zijn tekenmateriaal verstoppen in een picknickmand. Na vier dagen was de schets compleet.

De Bruijn maakte ook tekeningen in de Grafbasiliek. Het betekende drie dagen en nachten min of meer onafgebroken werk. (Hij vond de sanitaire voorzieningen in de kerk maar niets.) De tekeningen waren opnieuw belangrijk voor westerse geleerden: hij leverde mooie afbeeldingen van de buitenkant van de kerk, van de ronde hal waarin zich het aediculum op het graf bevindt, en uiteraard van het graf zelf. Ook vandaag zijn deze tekeningen waardevol, omdat de basiliek in 1808 door brand werd verwoest. Zonder de tekeningen van Cornelis de Bruijn zou de middeleeuwse bouwfase niet te reconstrueren zijn.

De Bruijn was geïnteresseerd in de plaatsen die hij bezocht, kon ook ontroerd zijn, maar was niet heel religieus. Je vraagt ​​je af wat hij dacht toen hij de schedel van Johannes de Doper aanraakte in de basiliek van het Heilig Graf, omdat hij wist dat de schedel van deze zelfde joodse prediker ook in de Sint-Jan van Lateranen in Rome werd vereerd. (En in de Umayyadenmoskee in Damascus en in het klooster van Sveti Ivan te Sozopol, voegen wij toe.)

Wordt vervolgd.

#Bethanië #Betlehem #CornelisDeBruijn #Franciscanen #Grafbasiliek #Jaffa #Jeruzalem #JohannesDeDoper #Lydda #Olijfberg #OttomaanseRijk #Ramla #SintJanVanLateranen #SintJoris

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (4) Egypte

Cornelis de Bruijn, Alexandrië

Dit is het vierde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Egypte

Kunstenaars maakten een grand tour naar Italië: dat was niet bijzonder. Kooplieden voeren weleens naar les échelles du Levant: Smyrna, Constantinopel of de havens van wat nu Libanon heet. En er waren pelgrims in het Heilige Land. Maar slechts weinig mensen uit de Lage Landen kenden Egypte.

Hoewel Cornelis de Bruijn niet de eerste Hollander was die Ottomaans Egypte bezocht, besefte hij hoe bijzonder zijn verblijf was. Vanaf dit punt wordt Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië gedetailleerder en biedt De Bruijn informatie die nieuw en nuttig was voor de geleerden van zijn tijd (en onze eigen tijd). En de geleerden hadden het geluk dat De Bruijn een professioneel tekenaar was: hoewel de gravures uit zijn boek niet de allermooiste zijn, bevatten ze veel informatie en waren ze beter dan alles wat eind zeventiende eeuw in Europa bekend was.

Na veertien dagen in Damietta vertrok De Bruijn naar Caïro, waar hij ziek werd. Toch kon hij zijn huis verlaten en probeerde hij een mummie te kopen, maar de schilder en de verkoper konden geen overeenstemming bereiken over de prijs. In de laatste week van mei 1681 maakte hij twee korte excursies. Eerst bezocht hij de Koptische kerk van Matareya (waar Jozef, Maria en Jezus zouden hebben verbleven) en daarna nam hij deel aan een excursie naar de piramides van Giza, georganiseerd door de consul van Venetië. De meeste leden van het reisgezelschap gingen picknicken, maar De Bruijn ging verder.

De Grote Piramide

Hij ging de Grote Piramide binnen. Het was niet makkelijk. Hij moest “als een slang” kruipen door het kunstmatige gat kruipen dat de ingang vormde. In zijn boek waarschuwt hij dikkerds om het niet te proberen.

De Bruijn, De Grote Galerij

Eenmaal binnen kon hij enkele tekeningen maken en metingen uitvoeren. Hij probeerde echt met nuttige informatie naar huis terug te keren. En met succes! Zijn tekening van de Grote Galerij was de allereerste afbeelding van het interieur van een piramide. Vanaf nu kon niemand meer beweren dat de piramides graanschuren waren, een oude theorie die in Europa nog altijd gangbaar was.

Nadat hij door de smalle ingang was teruggekeerd en (tot vermaak van de andere toeristen) nogal vies was, klom de onvermoeibare De Bruijn naar de top van de Grote Piramide. Toen hij weer beneden was, stelde de Venetiaans consul voor terug te keren naar Caïro, maar een bezoek aan de Sfinx was uiteraard niet te versmaden, zelfs al was het monument destijds grotendeels bedekt met woestijnzand.

Cornelis de Bruijn, Piramiden en Sfinx van Giza

Kerststal

De Bruijns gravure is interessant, omdat deze iets vertelt over de manier waarop zijn boek tot stand is gekomen. De mannen en de ezel voor de sfinx lijken in de eerste plaats op een kerststal, en zijn waarschijnlijk een toevoeging van de graveur die de etser van het boek maakte, Jan Luyken.

Een ander opvallend detail is dat de piramides van De Bruijn, vergeleken met de echte monumenten, veel te spits zijn. Dit valt gemakkelijk te verklaren. In de Middeleeuwen en de Renaissance hadden kunstenaars het land van de Nijl niet kunnen bezoeken en ze geloofden daarom dat de piramides leken op een piramide die ze wel kenden: de Piramide van Cestius in Rome. Zo tonen de mozaïeken in de San Marco in Venetië, die het verhaal van Jozef illustreren, puntige graanschuren.

De piramide van Cestius en de piramiden in de San Marco

Cornelis de Bruijn, die in Rome de Piramide van Cestius had gezien en de mozaïeken van de San Marco kende, moet bij het voorbereiden van zijn boek zijn gaan twijfelen aan de tekeningen die hij haastig in Gizeh had gemaakt.

In juni maakte De Bruijn een derde excursie. Varend langs de westelijke tak van de Nijl bereikte hij Alexandrië, waar hij nieuwe tekeningen maakte. Een daarvan is de Obelisk die nu staat in het Central Park in New York. Na deze reis keerde hij terug naar Caïro en Damietta, en op 14 juli 1681 verliet hij Egypte, waar hij drie en een halve maand was geweest. Het bezoek had hem veranderd. Hij had nu de ambitie om tekeningen te maken voor geleerden.

Wordt vervolgd.

#Alexandrië #ÉchellesDuLevant #Cairo #CornelisDeBruijn #Damietta #Giza #grandTour #GrotePiramide #Kopten #Matareya #mummie #OttomaanseRijk #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #SfinxVanGiza

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (3) Smyrna

Cornelis de Bruijn, Smyrna

Dit is het derde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Smyrna

Toen Cornelis de Bruijn in de zomer van 1678 vanuit Italië arriveerde in de belangrijke handelshaven Smyrna, werd hij onmiddellijk opgenomen in de kringen van de Europese diplomaten. De Hollandse consul bood hem onderdak en diens Engelse collega nam hem mee voor een bezoek aan Selçuk en de ruïnes van het oude Efese.

Dit was een warmer welkom dan de jongeman redelijkerwijs had kunnen verwachten. Het consulaat van Smyrna, een van de belangrijkste posten in de Hollandse diplomatie, werd bezet door een edelman die normaliter geen enkele zwerver zou ontvangen. De Bruijn was geen bekende kunstenaar en ook kon hij zijn gastheren (nog) niet vermaken met verhalen over landen die zij niet hadden bezocht. De gastvrijheid van de consul is des te opmerkelijker als we bedenken dat hij er zeker van was dat zijn gast had geprobeerd Johan de Witt te vermoorden. Ik noemde het al.

Constantinopel

De Bruijn verbleef ongeveer een half jaar in Smyrna. In december reisde hij over land naar Constantinopel, waar hij anderhalf jaar zou blijven. Wat hij er gedaan kan hebben, is niet helemaal duidelijk. Het zal in elk geval moeilijk zijn geweest om de kost te verdienen als schilder, want de stijl van De Bruijn appelleerde nauwelijks aan de Ottomaanse smaak.

Cornelis de Bruijn, Constantinopel

Zijn beschrijving van de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk in Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië is nog minder informatief dan die van Rome. Omdat hij zijn lezers desondanks iets wil vertellen, biedt hij fragmenten van wat hij in verschillende andere boeken heeft gelezen. Destijds was dit geen ongebruikelijke praktijk (en ook vandaag kopiëren reisgidsen elkaar), maar je vraagt ​​je af waarom De Bruijn weinig vertelt over zijn persoonlijke ervaringen. Het staat vast dat hij ziek is geweest, maar dat duurde geen anderhalf jaar. De beschrijving van een terugkerende generaal is overigens aardig genoeg.

Een mogelijke verklaring voor zijn zwijgen is dat hij nog niet had besloten een boek te schrijven en geen aantekeningen maakte. Een andere verklaring is dat hij inlichtingen aan het verzamelen was. Uit de aard der zaak is dit niet te bewijzen, maar de Hollandse ambassadeur bij de Verheven Porte was ervan overtuigd dat de reizende kunstschilder politieke contacten had.

Ottomaanse dames

Naar de Levant

In elk geval: in juli 1680 zeilde De Bruijn terug naar Smyrna. Hij onderbrak zijn reis om de plek te bezoeken die men destijds hield voor het oude Troje, feitelijk Alexandrië in de Troas, en ging aan land in Mytilene op het eiland Lesbos. De herfst en winter bracht hij door in Smyrna, waar hij plannen maakte voor een bezoek aan het Heilige Land, waar hij Pasen wilde vieren.

De Bruijn vertrok toen in februari 1681 de zee bevaarbaar werd. In zijn gezelschap bevond zich zijn landgenoot Rogier van Cleef, die later nog beroemd zou worden als waterbouwkundig ingenieur van paleis Het Loo bij Apeldoorn. Willem III wilde dat zijn fonteinen hoger zouden spuiten dan die van Lodewijk XIV in Versailles, en Van Cleef slaagde hierin. Maar dat was nog ver in de toekomst toen de twee Hollanders Rhodos bereikten, waar ze drie weken doorbrachten.

Ze vervolgden hun reis en zeilden naar Tyrus. De zeestromingen maakten het moeilijk om rechtstreeks naar het zuiden te varen, dus maakte het schip een omweg naar Damietta, aan een van de oostelijke mondingen van de Nijl. Helaas maakte tegenwind het onmogelijk om nog voor Pasen in Palestina te zijn. Omdat hij niet wist wat hij moest doen, besloot De Bruijn in Egypte te blijven.

Wordt vervolgd.

#AlexandriëInDeTroas #Constantinopel #CornelisDeBruijn #Damietta #Efese #Egypte #HetLoo #Izmir #JohanDeWitt #Lesbos #LodewijkXIV #Mytilene #OttomaanseRijk #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #Rhodos #RogierVanCleef #Smyrna #StadhouderKoningWillemIII #Troje #Turkije #Tyrus #Versailles

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Druzen en Maronieten (1)

De Maronieten ten strijde

De Fransman Gérard de Nerval (1808-1855), die eigenlijk Gérard Labrunie heette, was een veelzijdig man: dichter, republikein bloemlezer, toneelschrijver, vandaal, journalist, reiziger. In 1843 bezocht hij het Ottomaanse Rijk, waarover hij een geromantiseerd verslag schreef: Voyage en Orient (1851). Het is bepaald niet vrij van vooroordelen, zoals wel blijkt uit het volgende verslag van een conflict tussen de twee belangrijkste bevolkingsgroepen van het huidige Libanon: de Druzen en de Maronieten.

Doorgaans konden die het redelijk met elkaar vinden. Nog kort daarvoor had de lokale leider Bashir Shihab II, een bestuurder die meer luisterde naar Muhamad Ali in Egypte dan naar de sultan in Constantinopel, geregeerd over beide groepen. De Britten en Oostenrijkers hadden echter de sultan gesteund in zijn pogingen het Ottomaanse gezag te herstellen, en Bashir was in 1840/1841 in ballingschap gegaan. Het was dus onrustig toen De Nerval door Libanon trok.

Het gezag over de Druzen had nu moeten liggen bij de garnizoenscommandant van de provincie Sidon, die resideerde in Beiroet. In de eerste vijf jaren van het herstelde Ottomaanse gezag waren er echter niet minder dan acht kandidaten, zodat het nog een wonder is dat ze de Druzen gedeeltelijk wisten te ontwapenen. De Maronieten woonden in de bergen in de provincie Tripoli, waar Omar Pasha (een Oostenrijker in Ottomaanse dienst) zulke maatregelen niet had genomen. Het door De Nerval beschreven incident had kunnen ontploffen, maar de leiders aan beide zijden hielden het hoofd koel en het liep met een sisser af.

***

Geruchten

Die avond was iedereen vol van een verontrustend bericht: paniekerige monniken kwamen vanuit naburige kloosters naar de kust en spraken over grote groepen Druzische strijders die uit hun eigen gebied [de provincie Sidon] waren gekomen naar de gemengde dorpen, die de pasha in Beiroet juist kort daarvoor had ontwapend. In de Kesrouan, in de provincie Tripoli, hadden de Maronieten echter toestemming om hun wapens te behouden; dus vonden de Druzen dat ze hun weerloze broeders [in de gemengde dorpen] te hulp moesten komen. Om dit te doen, moesten ze de Nahr al-Kalb oversteken, die de grens vormt tussen de twee gebieden. Dit betekende een ernstig conflict.

De gewapende en ongeduldige [Maronitische] bergbewoners verdrongen zich over het dorp en de velden. Ruiters reden snel naar de naburige gebieden en schreeuwden de traditionele oproepen tot oorlog: “Snel, volg de roep van God; snel, naar de strijd!”

De Maronitische prins nam me apart. “Ik weet niet wat er aan de hand is; de berichten kunnen overdreven zijn, maar in elk geval moeten we ons klaarmaken om onze buren te helpen. De hulp van de pasha komt meestal te laat. Het is misschien veiliger voor jou om naar het klooster in Aintoura te gaan, of om over zee terug te gaan naar Beiroet.”

“Nee,” smeekte ik, ”laat me met je meegaan.”

De Maronieten gaan op pad

Na vier uur lopen stopten we bij het klooster van Mar Hanna, waar verschillende mensen uit de bergen zich bij ons voegden. De monniken serveerden de lunch. Volgens hen was het beter te wachten omdat er nog steeds geen teken was dat de Druzen het district werkelijk waren binnengevallen.

De nieuwkomers waren echter een andere mening toegedaan en we besloten verder te gaan. We lieten onze paarden achter om een kortere weg door het woud te nemen, en hoorden toen de alarmerende geluiden – het was bijna avond – van geweerschoten, die echoden op de rotsen.

Ik ging naar boven om me bij de prins te voegen, die erg geïrriteerd was. Toen hij zag dat een paar Maronieten met brandende dennentakken op wat huizen afliepen, beval hij ze terug te gaan. De mannen om hem heen schreeuwden: “De Druzen hebben christelijke eigendommen verbrand; nu zijn we sterk, we moeten hetzelfde met hen doen.”

Een Druzische leider

Ondertussen werd in de huizen maar één oude man gevonden, iemand met een witte tulband [een hoogwaardigheidbekleder]. Hij werd meegenomen en ik herkende hem meteen: het was de man die me zo vriendelijk had uitgenodigd om bij hem thuis te komen rusten tijdens mijn bezoek aan Beit Mery. Hij werd gebracht naar de christelijke dorpssjeik, die een beetje in verlegenheid was door alle tumult. Samen met de prins probeerde hij de onrust te bedaren. De Druzische ouderling bleef kalm en zei tegen de prins:

“Vrede zij met je. Wat doe je op ons land?”

“Waar zijn je broeders?” vroeg de prins. “Zijn ze weggerend toen ze ons zagen aankomen?”

De oude man antwoordde: “Je weet heel goed dat dat niet onze gewoonte is. Maar omdat ze zagen dat er onvoldoende mannen waren tegenover al jullie mensen, brachten ze de vrouwen en kinderen in veiligheid. Wat mijzelf betreft, ik wilde blijven.”

“Er is ons verteld dat jullie de Druzen uit de Chouf hebben geroepen. Ze zouden in groten getale zijn gekomen.”

“Je werd misleid. Je hebt naar slechte mensen geluisterd, buitenlanders die het prachtig vinden als jullie ons zouden doden, zodat onze broeders jullie op hun beurt komen doden om ons te wreken!”

Oud zeer

De oude man was tijdens dit gesprek blijven staan. De sjeik in wiens huis we allemaal verbleven leek geïnteresseerd in zijn woorden en zei tegen hem: “Waarom doe je alsof je onze gevangene bent?  We waren tot voor kort vrienden; waarom kom je niet bij ons zitten?”

“Omdat jullie zijn in mijn huis,” antwoordde de oude man.

“Kom, laten we dat allemaal vergeten,” zei de christelijke sjeik. “Kom zitten op deze bank, dan laat ik koffie en een waterpijp brengen.”

“Weet je niet dat Druzen nooit iets aannemen van een Turk of van een van z’n vrienden, omdat het de buit kan zijn van onrechtvaardige belastingen?” antwoordde de oude man.

“Ik ben geen vriend van de Turken!”

“Hebben ze jou niet tot sjeik benoemd, terwijl ik sjeik was in de tijd van [de Egyptische gouverneur] Ibrahim? Toen leefden jouw volk en het mijne in vrede. Ben jij niet degene die ging klagen bij de pasha vanwege een kleine ruzie, een verbrand huis, een onbeduidend incident dat goede buren gemakkelijk zonder buitenstaanders hadden kunnen oplossen?”

Herinneringen

De sjeik schudde zijn hoofd zonder te antwoorden, en de prins onderbrak de discussie en verliet het huis, hand in hand met de Druzische man. “Je zou koffie met mij kunnen drinken,” zei hij, “ik heb nooit iets aangenomen van de Turken.” En hij beval zijn bediende in de schaduw van de bomen om koffie te schenken.

“Ik was een vriend van je vader,” zei de oude man. ”In die tijd leefden Druzen en Maronieten in vrede.”

Ze praatten lang over de tijd dat de mensen van beide religies verenigd waren geweest, vroeger, tijdens de heerschappij van de familie Shihab, toen ze nog niet waren overgeleverd aan de onvoorspelbare uitkomst van gewapende conflicten.

Ze kwamen overeen dat de prins al zijn mensen mee terug naar huis zou nemen en dat de Druzen terug naar hun dorp konden komen zonder een beroep te doen op de hulp van buitenstaanders. Verder spraken ze af dat de schade die ze die dag hadden geleden, zou worden beschouwd als vergelding voor het christelijke huis dat vroeger eens verbrand was.

De Nervals analyse

In feite hebben deze mensen het diepste begrip voor elkaar. Ze vergeten nooit de banden die hen vroeger verenigden. Ze worden echter opgehitst door missionarissen en monniken, die handelen namens Europese belangen. Als de monniken oorlog prediken, moeten de mannen de wapens wel opnemen. Als de Engelse missionarissen toespraken houden en steekpenningen betalen, moeten ze fel uit de ogen kijken. Diep van binnen voelen ze echter twijfel en wanhoop. Iedereen is zich bewust van de wensen en doelen van de diverse Europese machten, die een kans krijgen door het gebrek aan vooruitziendheid van de Turken.

Door gevechten uit te lokken in gemengde dorpen denken de Europese machten de noodzaak aan te tonen van een volledige scheiding tussen de twee bevolkingsgroepen, die ooit verenigd waren en een gemeenschappelijke zaak hadden. Er zouden in de toekomst dan slechts twee bevolkingsgroepen zijn, de ene onder Oostenrijkse bescherming en de andere onder de bescherming van Engeland.

***

De Nerval heeft goed gezien dat het Ottomaanse Rijk zwak stond, maar het zou anders lopen. Eind 1843 wist de Oostenrijkse diplomaat Metternich een regeling te treffen die voor beide partijen en de sultan bevredigend was. Rond 1860 kwam het echter tot grootschalig bloedvergieten, wat leidde tot een Europese interventie – maar niet door Oostenrijk of Engeland. Het was Frankrijk dat, om de Maronieten te beschermen, een protectoraat schiep.

***

PS

U hebt begrepen dat ik deze dagen extra blog over Libanon omdat het land, dat al rijk is aan problemen, er een oorlog bij krijgt. Mijn blogjes zullen de situatie daar niet verbeteren, maar u kunt dat wel. Als u wat kunt missen, doneer dan voor de zorg van de vluchtelingen: dit is een project van iemand die ik persoonlijk ken en vertrouw.

#BashirShihabII #druzen #GérardDeNerval #KlemensVonMetternich #Libanon #maronieten #MuhamadAli #NahrAlKalb #OmarPasha #OttomaanseRijk #TripoliLibanon_

Gérard de Nerval - Wikipedia