Montanisme (2)

Het Laatste Oordeel (Catacomben van Domitilla, Rome)

In het vorige blogje vertelde ik over het optreden van Montanus, een profeet die leefde rond het midden van de tweede eeuw. Op gezag van ene Apollinaris van Hierapolis vertelt Eusebios van Caesarea iets over Montanus’ opvattingen. De kerkhistoricus heeft geen goed woord over voor die zogeheten Nieuwe Profetie.

Montanus stond echtscheiding toe en legde vastenregels op. Hij riep de dorpjes Pepouza en Tymion in Frygië uit tot [Nieuw] Jeruzalem, om zo aanhangers te lokken. Verder stelde hij mensen aan die cadeaus aannamen en tevens ontwierp hij een systeem om geschenken te ontvangen alsof het bijdragen waren voor zijn kerk. Hij betaalde zelfs mensen om zijn dwaalleer te verkondigen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.18.2.

Schandelijk natuurlijk, dat je je personeel betaalt!

Tot de montanisten behoorde ook iemand die een circulaire over de Nieuwe Profetie publiceerde en daarvoor in de gevangenis belandde. Over een andere montanist vernemen we dat hij wegens roof werd veroordeeld, maar zich wist vrij te kopen door collectegeld van een van de christelijke gemeenschappen in Efese.

De volgende generatie

Het liep niet goed af met Montanus. Apollinaris erkent niet heel goed van de details op de hoogte te zijn, maar noteert dat Montanus en Maximilla zich zouden hebben verhangen, “net als de verrader Judas”. Apollinaris’ aarzeling zou erop kunnen duiden dat Montanus en Maximilla ter dood zijn gebracht, wat in andere christelijke kringen kan zijn uitgelegd als zelfmoord. Immers, in de mondelinge overlevering kan het verschil tussen “ophangen” en “zich ophangen” verdwijnen, zeker als er een verontwaardigde parallel met Judas valt te scheppen.

Op gezag van Apollinaris, die erkent dat het volgende slechts wordt verteld, vervolgt Eusebios:

In brede kringen vertelt men dat een zekere Theodotos één van de eerste verkondigers was van die zogenaamde Nieuwe Profetie. Men zegt dat hij ooit in vervoering raakte en zich, vertrouwend op een verleidende geest, liet opheffen en werd opgenomen in de hemelen. Later werd hij neergeworpen en kwam ook hij op een akelige manier om het leven.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.11.14.

Het is niet helemaal duidelijk waarom Apollinaris/Eusebios dit vermeldt, maar hij noemt onmiddellijk daarna uitspraken die zouden zijn geopenbaard door de geest van Maximilla.

Ik word uit de kudde schapen verjaagd als ware ik een wolf. Ik ben echter geen wolf, maar ik ben het Woord, de Geest en de Macht.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.11.17.

Misschien is het verband tussen deze twee stukjes informatie dat Theodotos deze woorden optekende.

Van Montanus naar Eirenaios

Eusebios’ beschrijving van het montanisme houdt hier op. Hij vervolgt met het optreden van Eirenaios van Lyon, een bisschop die zich in het laatste kwart van de tweede eeuw toelegde op het definiëren van de christelijke leer. Hij is een sleutelfiguur voor de proto-orthodoxie, die zich bij hem afbakent van andere vormen van christendom, zoals gnosis en montanisme. Eusebios heeft niet méér informatie over de montanisten, of onderdrukt die informatie omdat ze gênant was. Het waren namelijk niet de geringsten die er sympathie voor voelden: bisschop Hippolytus van Rome, bijvoorbeeld, en ook de belangrijke auteur Tertullianus.

Laatstgenoemde vertelt dat een bisschop in Rome (vermoedelijk Hippolytus) de profetische gaven van Montanus, Priscilla en Maximilla had erkend maar dat later een zekere Praxeas deze (of een latere) bisschop van Rome vals had geïnformeerd en had verleid zijn erkenning van het montanisme weer in te trekken.noot Tertullianus, Tegen Praxeas 1.4.  Uit deze weergave volgt dat Tertullianus en een van Romes bisschoppen sympathiseerden met de Nieuwe Profetie.

Latere bronnen

Er zijn nog latere bronnen, die aan de montanisten allerlei nare eigenschappen toeschrijven, zoals incest. Montanus zelf zou eigenlijk priester zijn van Kybele. We bevinden ons hier in de sfeer van de antieke polemiek; over de religieuze vernieuwingen van keizer Heliogabalus vertelde men soortgelijke zaken. De toon was echter al eerder gezet: het is bijvoorbeeld ronduit misleidend als Apollinaris zegt dat Montanus echtscheiding propageerde, terwijl het feitelijk ging om vrouwen die hun echtgenoot verlieten.

Ik wil nog eens naar dat latere materiaal gaan kijken, want ik heb nog nergens ontdekt waar sprake is van een maat op het lijden die vervuld moet worden. Martelaarschap? Ja. Eindtijdverwachtingen? Wie een “nieuw Jeruzalem” sticht, lijkt daar rekening mee te houden. Maar dat de wederkomst van Christus wordt bespoedigd als gelovigen de maat van het lijden sneller vulden en daartoe het martelaarschap opzochten, daarvoor heb ik (nog) geen aanwijzingen gevonden. De reageerpanelen staan voor u open.

Hoezo dwaalleer?

Ik lees dat het montanisme zich vanuit Anatolië verspreidde naar Italië en Africa. Maar waarschijnlijk is er iets anders aan de hand. Want zo vreemd zijn de ideeën nou ook weer niet die Eusebios op gezag van Apollinaris doorgeeft.

  • Glossolalie ofwel klankentaal staat vermeld in het Nieuwe Testament.
  • De Didache documenteert het optreden van profeten/apostelen.
  • Vrouwen hadden in het christendom lange tijd belangrijke taken.
  • Paulus had een visioen van een tenhemelopneming.
  • De Eindtijdverwachting behoort tot de kern van de christelijke leer.

Hoe nieuw was die Nieuwe Profetie dus? Is het niet feitelijk een voortzetting van een oorspronkelijk, charismatisch christendom? Kan het zijn dat de vernieuwing juist zat bij mannen als Eirenaios van Lyon, die een kerk begonnen te organiseren, bepaalden dat er één leer moest zijn en die ook vastlegden? Was de feitelijke vraag in de late tweede eeuw niet wat bepalend was voor het geloof: de openbaring (al dan niet in de vorm van klankentaal) of een kerkelijk kader? Ik weet het allemaal niet, al zie ik dat deze vragen ook door anderen zijn opgeworpen. In elk geval: er valt nog veel te ontdekken, te verbazen, te genieten.

#ApollinarisVanHierapolis #Efese #Eindtijd #EirenaiosVanLyon #EusebiosVanCaesarea #Frygië #glossolalie #gnosis #Heliogabalus #HippolytusVanRome #martelaarschap #montanisme #Montanus #Tertullianus

Glossolalie

Armeense miniatuur van Pinksteren (Noravank)

Hoe groot de afstand is die ons scheidt van de oude wereld, merken we onder meer als we kijken naar het vroegste christendom. In de Eerste Brief aan de Korintiërs laat de apostel Paulus ons zien wie er zoal deel uitmaakten van een gemeente:

In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest het overdragen van kennis; de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen. En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is. Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil.noot 1 Korintiërs 12.7-11; NBV21.

Paulus gaat er dus van uit dat zijn lezers, net als hijzelf, erkenden dat sommigen ten behoeve van de gemeente wonderen konden verrichten, konden profeteren of “klanktaal” konden spreken. Dit laatste wil zeggen dat mensen in trance klanken uitstootten die werden uitgelegd als openbaring. De jargonterm is glossolalie, “in tongen spreken”. Het klassieke voorbeeld is de pythia in Delfi, die in een soort extase verkeerde en bepaalde kreten slaakte, die door tempelfunctionarissen in dichtvorm werden gegoten en golden als goddelijk advies. Elders speelden rituele dansen een rol, waarbij mensen in trance visioenen kregen. Dat lijkt een vorm van sjamanisme.

Een gangbare praktijk

Paulus noemt glossolalie vakernoot 1 Thessalonicenzen 5.19. en wist in Efese enkele mensen in extase te brengen.noot Handelingen 19.6.  Ook het verhaal over de neerdaling van de Heilige Geest in de Handelingen van de Apostelen lijkt naar glossolalie te verwijzen.noot Handelingen 2.4. Ik schrijf “lijkt”, want degenen die dan de geest krijgen, stoten geen vreemde klanken uit, maar zijn voor iedereen begrijpelijk. Pinksteren, dat wil zeggen het joodse Wekenfeest (Sjavoeot), is immers, zoals ik al eens vertelde, een omkering van de Babylonische spraakverwarring.

De meest uitgebreide beschrijving vinden we in, opnieuw, de Eerste Brief aan de Korintiërs: het complete veertiende hoofdstuk is aan glossolalie gewijd. Paulus maakt daarin diverse dingen duidelijk, namelijk dat de betrokkenen vreemde, ongecontroleerde klanken uitstootten, die de indruk wekten van een soort heilige razernij.noot 1 Korintiërs 14.23, 14.27. Paulus is bang dat het verkeerd zal worden uitgelegd, wat opmerkelijk is, omdat zulke razernij ook bij andere culten voorkwam (Adonis, Dionysos…). Om de misverstanden niet nodeloos op te roepen adviseert Paulus (Paulus zijnde Paulus) dat het beter was als vrouwen zich van glossolalie onthieldennoot 1 Korintiërs 14.34. en dat een professional uitlegde wat de kreten betekenden.noot 1 Korintiërs 14.27-28. Dit is dus net zoals in Delfi.

Anders dan in Delfi, waar glossolalie diende om advies te geven, kon christelijke glossolalie een gebed zijn of een dankzegging.noot 1 Korintiërs 14.14-17. Het was daarom ook niet gericht op het menselijke publiek, maar tot God. Daarom mocht iemand die in extase raakte, ook niet worden gehinderd.noot 1 Korintiërs 14.39.

Toen en nu

Kortom, deze vorm van vroege christelijke eredienst lijkt hooguit op de Pinkstergemeenten in onze tijd, maar niet op een katholieke of protestantse viering. De verschillen tussen toen en nu zijn dus groot en vragen om een verklaring.

In de late tweede eeuw begonnen christelijke groepen zich te organiseren. Er waren altijd informele leiders geweest, maar nu kwam er wat systeem in de benoeming. Er was een groep, de aanhangers van de zogeheten proto-orthodoxie, die de leer langzaam maar zeker begon vast te leggen: wie Christus vereerde, kon niet ook andere goden aanbidden, en de verering moest gebeuren op een bepaalde manier. De leer werd gefundeerd in de gewijde literatuur, en ook over de omvang van de canon kwamen afspraken. Wat in deze tijd feitelijk gebeurde, was dat de oorspronkelijke, charismatische kerk werd vervangen door een geïnstitutionaliseerde kerk, die bestaat tot op de huidige dag, en weinig ruimte laat voor glossolalie.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#Delfi #EersteBriefAanDeKorintiërs #Efese #glossolalie #Korinthe #Paulus #Pinksteren #protoOrthodoxie #pythia #sjamanisme #Sjavoeot #Wekenfeest

Het mausoleum van Belevi

Sculptuur uit het mausoleum van Belevi

De geschiedenis van de opvolgers van Alexander de Grote, de zogeheten Diadochen, is eigenlijk iets te complex. Zijn voornaamste officieren raakten eerst slaags over de vraag als regenten moesten optreden voor Alexanders zwakbegaafde broer, en belandden vervolgens in een reeks oorlogen, waarin de koninklijke dynastie steeds meer op de achtergrond raakte en vervolgens de rijkseenheid verloren ging. De oorlogen gingen net zo lang door tot al het door Alexander op de Perzen veroverde edelmetaal was uitgegeven aan soldij.

De beslissende slag was daarom die bij Ipsos, in 301 v.Chr., want daarna was er geen geld meer. Voor enige tijd lagen de grenzen vast: een machtig rijk in Egypte voor Ptolemaios I Soter, een immens Aziatisch rijk voor Seleukos I Nikator, in het aloude Macedonië een rijk voor Demetrios de Stedendwinger en in Thracië en Klein-Azië een rijk voor Lysimachos. In de meeste geschiedenisboeken staat het allemaal nog beknopter, want voor vrijwel alle doelen die je als auteur wil bereiken, kun je makkelijk twee decennia overslaan en doorgaan naar het eindresultaat.

Het mausoleum van Belevi

Maar het gaat me vandaag even om die Lysimachos. In de bronnen is hij geen opvallend figuur, hoewel hij een van Alexanders adjudanten is geweest en na diens dood satraap werd in het rijke en strategisch belangrijke Thracië – zeg maar Bulgarije. Na de slag bij Ipsos voegde hij daar dus Klein-Azië aan toe, en verplaatste hij zijn residentie naar Efese, waar hij deed wat elke antieke machthebber deed: een eigen bouwprogramma uitvoeren. Daarbij hoorde ook zijn mausoleum, dat veertien kilometer van zijn residentie verrees op een plek die tegenwoordig Belevi heet.

Lysimachos (Museo archeologico nazionale, Napels)

Het mausoleum is geïnspireerd door het Mausoleum van Halikarnassos. De basis met daarin de grafkamer was een vierkant van zo’n dertig bij dertig meter, en was ongeveer tien meter hoog. De wanden waren bedekt met marmerplaten. Daar bovenop verhief een galerij, die was voorzien van achtentwintig pilaren. Helemaal bovenaan stond vermoedelijk een piramideachtig dak, dat was bekroond met Lysimachos’ standbeeld.

Lysimachos’ einde

Hij is er nooit begraven. Na bijna twee decennia betrekkelijke rust braken er nieuwe oorlogen uit. De inmiddels tachtigjarige Lysimachos probeerde zijn macht uit te breiden in Griekenland, wat hem nogal wat vijanden opleverde. Het kruitvat was klaargezet. In januari 281 overleed Ptolemaios I, die altijd een stabiliserende factor was geweest. Tegelijk was er een dynastieke crisis in de familie van Lysimachos, die zijn zoon en beoogde opvolger Agathokles liet doden. Dit was de lont in het kruitvat.

De schamele resten van het mausoleum van Belevi

Agathokles was getrouwd geweest met Lysandra, de zus van Ptolemaios’ opvolger Ptolemaios II Filadelfos. Na de executie van haar echtgenoot vluchtte zij naar Seleukos, die hier een aanleiding in zag om de oorlog te verklaren aan Lysimachos, die zich ineens bedreigd zag door partijen in Europa, Egypte én Azië. Seleukos rukte meteen op: niet alleen kon hij, als hij Lysimachos versloeg, diens rijk toevoegen aan zijn eigen bezittingen, maar via de Ptolemaïsche prinses maakte hij ook aanspraak op de troon in Egypte. De gedachte dat hij het Alexanderrijk zou herenigen, moet door zijn hoofd hebben gespeeld.

En hij had succes. In februari 281 stonden Seleukos’ legers op de Kyrosvlakte, even ten oosten van het huidige Izmir, tegenover de troepen van Lysimachos, die niet alleen de slag maar ook zijn leven verloor en nooit werd begraven in zijn eigen mausoleum. Ik weet niet waar hij wel is begraven. Seleukos reisde verder richting Europa, stak de Hellespont over en werd, toen hij voet op Europese bodem zette, vermoord. Een van zijn metgezellen, Filetairos, verzorgde diens uitvaart en werd door Seleukos’ opvolger Antiochos I Soter (r.281-261) erkend als heerser van Pergamon.

Griffioen (Archeologisch museum, Selçuk)

En dus

En zo stond het mausoleum van Belevi dus leeg. Maar niet voor lang. Antiochos I werd opgevolgd door Antiochos II Theos (r.261-246), die een flink deel van zijn regering doorbracht in het huidige Turkije. Daar is hij overleden en hoewel we het niet zeker weten – wanneer weten oudheidkundigen ooit iets zeker? – lijkt hij te zijn bijgezet in Belevi.

Het is tegenwoordig een nogal troosteloze puinhoop, maar de sculptuur in het museum van Izmir mag er wezen: het gaat om de strijd tussen mensen en kentauren, en ook zijn daar wat griffioenen te zien. Twee andere griffioenen en de sarcofaag, die ik vergeten ben te fotograferen, staan in het museum van Selçuk.

#AlexanderDeGrote #AntiochosISoter #AntiochosIITheos #Belevi #DemetriosDeStedendwinger #Diadochen #Efese #FiletairosVanPergamon #Kyrosvlakte #Lysimachos #MausoleumVanHalikarnassos #PtolemaiosISoter #PtolemaiosIIFiladelfos #SeleukosINikator #slagBijIpsos

Het Parthenmonument uit Efese

De apotheose-scène in het Parthenmonument (Ephesos-Museum, Wenen)

Berggasse 19. De Stephansdom. Het gebouw van de Wiener Secession. The Third Man. Het Kunsthistorisch Museum. Het Hundertwasserhaus. Het Mathematisches Seminar der k. und k. Universität. Eigenlijk alles wat k. und k. is. De Venus van Willendorf. De Staatsopera. Er zijn vele redenen om naar Wenen te gaan en ik hoop er binnenkort iemands verjaardag te kunnen vieren.

En dan hoop ik ook het Ephesos-Museum te kunnen bezoeken, waar de vondsten zijn te zien van de Oostenrijks-Hongaarse archeologische campagnes die vanaf 1896 plaatsvonden in Efese, de hoofdstad van de Romeinse provincie Asia. Omdat de Ottomaanse archeoloog Osman Hamdi in 1907 de sultan overtuigde de export van oudheden te verbieden, zijn er geen recentere vondsten te zien, hoewel in Efese nog altijd Oostenrijks onderzoek plaatsvindt.

Parthenmonument (Ephesos-Museum, Wenen)

Maar wat vóór 1907 in Wenen was aangekomen, is absoluut fantastisch, en dan bedoel ik met name het Parthenmonument. Het gaat om een verzameling reliëfs die zijn aangetroffen op diverse plaatsen in de stad, vooral bij de beroemde bibliotheek van Tiberius Julius Celsus Polemaeanus. Vermoedelijk behoren de reliëfs bij de monumentale opbouw rond een altaar dat in de Late Oudheid om onbekende redenen is gesloopt.

Omdat de stukken niet op de oorspronkelijke plek zijn gevonden, zijn de reconstructie, de datering en de interpretatie omstreden. We herkennen echter onder meer hoe Hadrianus in 138 zijn opvolger Antoninus Pius adopteerde en hoe die op zijn beurt Marcus Aurelius en Lucius Verus adopteerde. Verder zijn er scènes uit een oorlog, personificaties van steden, iets dat lijkt op de vergoddelijking van een keizer (helaas zonder hoofd) en een godenverzameling. Het is fenomenaal knappe sculptuur.

Maar wat is het? De naam “Parthenmonument” gaat er van uit dat de oorlogsscènes betrekking hebben op de Parthische Oorlog van Lucius Verus waarover ik zojuist blogde, en dat het monument is opgericht ter ere van zijn vergoddelijking. Het probleem is dat de vijanden in de oorlogsscènes niet alleen maar Parthen zijn. Als het hoofd van de vergoddelijkte vorst nou aanwezig was geweest, hadden we meer zekerheid gehad. Een tweede interpretatie houdt het erop dat alle afbeeldingen generiek zijn en dat het monument rond 145 is vervaardigd.

De maangod van Harran

Omdat ik net een blogje schreef over de Parthische Oorlog van Lucius Verus, houd ik het vandaag even op de eerste interpretatie. De aanwezigheid van iemand die lijkt op de maangod van Harran is een aanwijzing. Als u niet overtuigd bent, heeft u in dit blogje in elk geval foto’s van het monument en weet u wat u in Wenen moet gaan bekijken. Ik zal in januari eens zien of ik meer kan ontdekken.

***

Dit was het 503e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Tot 23 november is in het Rheinisches Landesmuseum in Trier een expositie over Marcus Aurelius.

#AntoninusPius #Efese #EphesosMuseum #Hadrianus #LuciusVerus #MarcusAurelius #OsmanHamdi #Parthenmonument #TiberiusJuliusCelsusPolemaeanus #Wenen

Lucius Verus versus de Parthen

Lucius Verus (Torloniacollectie, Rome)

In 115 ontketende de Romeinse keizer Trajanus (r.98-117) een enorme oorlog tegen het Parthische Rijk. Hij liep de bufferstaat Armenië onder de voet en gelastte zijn legioenen om langs de Tigris en de Eufraat op te rukken naar de Perzische Golf. Een boottochtje vormde het triomfantelijke hoogtepunt van de operatie. Maar meteen daarna waren er opstanden en Trajanus’ opvolger Hadrianus (r.117-138) ontruimde de gebieden. Evengoed zat de schrik er goed in bij de Parthen: decennia lang bleef het rustig. De opbloeiende handel van een stad als Palmyra documenteert de zegeningen van de vrede.

Crisis

Tijdens Hadrianus’ opvolger Antoninus Pius (r.138-161) bleef het aan de Eufraatgrens rustig en de Romeinen verwachtten dan ook geen onoverkomelijke moeilijkheden toen Marcus Aurelius en zijn broer Lucius Verus aantraden. De nieuwe keizers werden totaal overrompeld door het offensief van de Parthische koning Vologases IV, die niet alleen het Romeinse Rijk binnenviel maar ook de gouverneur van Cappadocië versloeg. Een van de legioenen (VIIII Hispana of XXII Deiotorana) werd vernietigd. De Parthen versloegen ook de gouverneur van Syrië, installeerden in Armenië een vazalkoning en vervingen in het bufferstaatje Edessa de pro-Romeinse koning Manu door een eigen vorst.

Terzijde: ik schreef weliswaar dat de Romeinen geen onoverkomelijke moeilijkheden verwachtten, maar het is aannemelijk dat ze wel iets hebben zien aankomen. Het bewijsstuk is de inscriptie die bekendstaat als EDCS-12401969: ze vermeldt iemand die door Antoninus Pius aan het hoofd van versterkingen naar Syrië is gestuurd. Van de andere kant: het duurde even voordat de Romeinen hun eigen troepenmacht gereed hadden. Een verlaging van het zilvergehalte van de Romeinse munten bewijst dat men onverwacht snel extra geld in omloop moest brengen om de oorlog te financieren.

Lucius Verus reisde pas na een jaar af naar het oosten om persoonlijk leiding te geven aan de oorlog. Het was menens. Keizerlijke aanwezigheid aan het front was al een kwart eeuw niet meer voorgekomen. De laatste keer was Hadrianus’ oorlog tegen Bar Kochba geweest.

The Empire Strikes Back

Verus, die nog geen frontervaring had, bleef overigens op de achtergrond en liet de concrete leiding van de operaties over aan generaals die al wel eens hadden gevochten. Begin 163 rukten de legioenen op naar Armenië, waar ze Artaxata innamen en een nieuwe koning installeerden in een van een Romeins garnizoen voorziene nieuwe hoofdstad. Een emissie van goudstukken waarop de Romeinse keizers de eretitel Armeniacus voeren, bewijst hoe blij ze waren dat ze de schande hadden uitgewist.

Lucius Verus Armeniacus (Valkhof, Nijmegen)

Een tweede operatie vond in 164 plaats aan de Eufraat, waar generaal Avidius Cassius de stad Edessa innam en de pro-Romeinse koning Manu weer op de troon plaatste. De Parthische koning Vologases had dus twee recent aangestelde bondgenoten verloren, en lijkt door anderen in de steek te zijn gelaten. Avidius Cassius profiteerde ervan door op te rukken langs de Eufraat, het verzwakte Parthische leger te verslaan bij Doura Europos en het huidige Raqqa in te nemen. In het volgende jaar stootte hij door naar de Parthische hoofdsteden Seleukeia en Ktesifon, gelegen aan de Tigris. Seleukeia brandde hij plat en in Ktesifon maakte hij het koninklijk paleis met de grond gelijk. De Parthen waren verslagen en de twee Romeinse keizers vierden het door eretitels als Parthicus Maximus aan te nemen.

In het volgende jaar, 166, opereerden de legioenen in het gebied dat de Romeinen Atropatene noemden en wij Azerbaijan. Deze operatie werd echter afgebroken. Onze voornaamste bron, een uittreksel uit het geschiedwerk van de Grieks-Romeinse auteur Cassius Dio, meldt dat Avidius Cassius terugkeerde met grote verliezen aan mensenlevens.noot Cassius Dio, Romeinse geschiedenis . Misschien kwam dat door de uitbraak van een epidemie, waarover ik nog zal bloggen, maar het leger kan ook een nederlaag hebben geleden. Het uittreksel is te kort en te verward om meer te weten.

Een vredesverdrag volgde: in Armenië werd de status quo hersteld, de Parthen erkenden het Romeinse gezag in Edessa en in Doura Europos, en Lucius Verus bezat de tact om in die laatste stad geen troepen uit Italië te stationeren maar hulptroepen uit Palmyra. Evengoed was Romes invloed nu uitgebreid over de Eufraat en werden voor de overwinning overal in de Romeinse wereld monumenten opgericht. Het Parthenmonument in Efese en de ereboog in het Libische Tripoli zijn maar twee voorbeelden.

De ereboog in Tripoli

***

Tot 23 november is in het Rheinisches Landesmuseum in Trier een expositie over Marcus Aurelius.

#AntonijnseEpidemie #Artaxata #Atropatene #AvidiusCassius #Azerbaijan #CassiusDio #DouraEuropos #Efese #epidemie #Eufraat #Irak #Ktesifon #LuciusVerus #ManuVanEdessa #MarcusAurelius #Palmyra #Parthenmonument #ParthischeRijk #SeleukeiaAanDeTigris #Syrië #TripoliLibië_ #VologasesIV

Apollos

Een Egyptenaar (Staatliches Museum Ägyptischer Kunst, München)

Ik stipte gisteren aan dat het een raadsel is hoe het christendom in Egypte is aangekomen. Een van de allergrootste kenners van de materie, Adolf von Harnack, typeerde ons vrijwel volledige gebrek aan informatie als de ergste lacune in onze kennis van het vroege christendom. De kwestie is belangrijk omdat Egypte in de tweede eeuw een ware fabriek van nieuwe ideeën was. Grappig genoeg weten we wél dat er al heel vroeg volgelingen van Jezus leefden in Alexandrië: we kennen er een bij naam, hij heette Apollos en dat is een naam die vooral in Egypte is gedocumenteerd.

Apollos van Alexandrië

De auteur van de Handelingen van de apostelen vertelt:

Intussen arriveerde er in Efese een uit Alexandrië afkomstige Jood, die Apollos heette. Hij was een ontwikkeld man, die goed onderlegd was in de Schriften. Hij had [in zijn vaderland] onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht. In de synagoge begon hij nu vrijmoedig het woord te voeren.noot Handelingen 18.24-26a; NBV21.

We kennen deze Apollos ook uit de door Paulus geschreven Eerste Brief aan de Korintiërs en weten daarom dat Apollos rond 50 aankwam in Efese. Dus hier ontmoeten we een Egyptische Jood die niet alleen de relevante literatuur kende, maar ook het zelfvertrouwen had om op pad te gaan om in de synagogen van Klein-Azië onderricht te gaan geven.

Waar hij zijn kennis had opgedaan, is onduidelijk; de in het citaat hierboven tussen […] geplaatste woorden “in zijn vaderland” staan niet in alle handschriften. Maar we hebben hier wel een christen uit Alexandrië, heel erg vroeg. Overigens waren er op dat moment ook al christenen in Antiochië, dus zó vreemd is het nou ook weer niet.

Handelingen

We lezen in de Handelingen verder dat Paulus’ Efesische leerlingen bedenkingen hadden bij Apollos’ verkondiging, en hem terzijde namen om hem bij te praten.noot Handelingen 18.26b. Vervolgens reisde Apollos door naar Korinthe, waar hij opnieuw kennis maakte met een door Paulus gestichte gemeente.

Hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Jezus de messias is.noot Handelingen 18.28.

Terwijl Apollos dus in Korinthe was, arriveerde Paulus in Efese, waar hij Apollos’ leerlingen opnieuw doopte, omdat die van Apollos de doop hadden ontvangen zoals Johannes die had toegediend. Dat was vooral een manier om ritueel rein aan een nieuw leven te beginnen, en ze hadden niet meegekregen dat ze (althans volgens Paulus) ook nog moesten geloven in de Heilige Geest en in Jezus. Je zou dit laatste de Paulinische verschuiving kunnen noemen: het gaat hem niet om het geloof van Jezus, maar om het geloof in Jezus.

1 Korintiërs

Uit het bovenstaande valt af te leiden dat Apollos mensen doopte en geloofde dat Jezus de messias was, maar dat hij met Paulus van mening verschilde over de vraag wat dit laatste betekende. De auteur van Handelingen noemt verder geen conflicten of ruzies. Dat die er wel waren, blijkt uit Paulus’ eigen woorden.

Door Chloë’s huisgenoten is mij verteld dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de een zegt: “Ik ben van Paulus,” een ander: “Ik van Apollos,” een derde: “Ik van Kefas,” en een vierde: “Ik van Christus.” Is Christus dan verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of is het in de naam van Paulus dat u bent gedoopt?noot 1 Korintiërs 1.11-13.

Even verderop bakent Paulus zijn eigen positie af:

De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: “Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.”noot 1 Korintiërs 1.18-19, met citaat uit Jesaja 29.14.

In de vertaling valt een woordspeling weg: het werkwoord “vernietigen” (apollynai in de Septuaginta) lijkt als twee druppels op de naam Apollos. Paulus lijkt geërgerd te zijn. Dat blijkt ook uit de metaforen die hij even verderop gebruikt, waarin hij zich presenteert als belangrijker dan Apollos.

Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven…noot 1 Korintiërs 3.6.

Ik heb als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort…noot 1 Korintiërs 3.10.

Paulus zijnde Paulus vallen deze verwijten eigenlijk wel mee. Over Petrus oordeelt hij veel giftiger.noot “Zijn gedrag was verwerpelijk”: Galaten 2.12. Paulus lijkt niet te hebben willen toestaan dat een meningsverschil de eenheid verstoorde. Zo keek ook de auteur van de Brief aan Titus er tegenaan, die aan de geadresseerde vraagt om Apollos te voorzien van reisbenodigdheden.noot Titus 3.13. Apollos was en bleef dus aanvaard in de Paulinische gemeenschappen, maar er is wel iets aan de hand.

Egyptisch christendom?

Wat was het verschilpunt? Handelingen noemt de doop, de Heilige Geest en het geloof in Jezus, maar 1 Korintiërs noemt die zaken niet. Ik speculeer dat het ging om “de boodschap over het kruis” die een dwaasheid was “voor wie verloren gaan” en die “de kracht van God” was voor degenen die op de Jongste Dag zouden worden gered. Dit is vertrouwd Paulus-materiaal: volgens hem verzoende de kruisdood de zondige mensheid met God.noot Romeinen 5.6-11; Galaten 1.4, 3.13.

Het is goed mogelijk dat Apollos, die immers niet Paulus was, hier anders over dacht. Misschien was in zijn visie Jezus wel een wijsheidsleraar, ongeveer zoals ook Josephus hem typeert, en is Paulus’ opmerking dat “de wijsheid van de wijzen zal worden vernietigd” meer dan een woordspeling. Paulus plaatst dan de wereldse wijsheid van Apollos tegenover zijn eigen, paradoxale dwaasheid. Ik noem dit punt omdat in het latere Egyptische christendom de door Jezus gepredikte wijsheid/inzicht/kennis centraal staat. Dat wordt weleens aangeduid als gnostisch en in navolging van latere orthodoxe auteurs als Eusebios gelden de gnostici als valse christenen. Zo hebben ze dat zelf niet gezien.

Enfin. Ik was aan het speculeren over een niet-Paulinische joodse christen. Er is echter geen bewijs, zelfs geen aanwijzing, dat Apollos een proto-gnosticus was. Het laatste woord moet echt dat zijn van Von Harnack: hoe het christendom in Egypte is gekomen, is de ergste lacune in onze kennis van de geschiedenis van het nieuwe geloof. Maar we weten dus wél dat het er al is geweest vóór 50.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#AdolfVonHarnack #Alexandrië #Apollos #BriefAanTitus #EersteBriefAanDeKorintiërs #Efese #HandelingenVanDeApostelen #JohannesDeDoper #Korinthe #NieuweTestament #Paulus

De Zevenslapers van Efese

De Zevenslapers van Efese

In de winter van 249/250 gelastte de Romeinse keizer Decius al zijn onderdanen om te offeren aan hun voorouderlijke goden. Daar was alle reden toe, want er woedde een akelige, op ebola lijkende epidemie, en verder waren er de problemen die worden samengevat als de Crisis van de Derde Eeuw. Voor sommige groepen pakte Decius’ loyaliteitseis vervelend uit, want neopythagoreeërs, hermetici en neoplatonisten maakten bezwaar tegen het offeren. Op naam van de pythagorese filosoof Apollonios van Tyana is een briefje overgeleverd waarin hij expliciet zegt dat de grootste eer die men aan de goden kan bewijzen, eruit bestaat niet aan ze te offeren. Duidelijke taal.

Voor de vereerders van Christus was het makkelijker. De meesten hadden de nieuwe god toegevoegd aan hun pantheon. Van keizer Severus Alexander (r.222-235) is bekend dat hij dagelijks offerde aan Abraham, Christus, Orfeus en de zojuist genoemde Apollonios van Tyana. Voor sommige vereerders van Christus stonden echter principieel afwijzend tegenover Decius’ eis, en betaalden met hun bloed. Dionysius van Parijs (Saint-Denis) is een voorbeeld. Andere christenen maakten zich uit de voeten, zoals de bisschop van Karthago, Cyprianus.

De Zevenslapers

In Efese vluchtten zeven mannen naar een grot om daar te schuilen tot de dagen voorbij waren waarin hun stadsgenoten aan het offeren waren. Ze vielen in slaap, maar toen ze werden gewekt door iemand die de grot als stal wilde gaan gebruiken, waren bijna twee eeuwen verstreken: dat zou in 447 zijn geweest, tijdens de regering van keizer Theodosius II. Dat de wakker geworden mannen werkelijk vele decennia hadden geslapen, werd onweerlegbaar bewezen toen ze boodschappen wilden doen met verouderde munten. De grot wordt nog altijd aangewezen, maar ik heb die zelf alleen van een afstand kunnen fotograferen.

De grot van de Zevenslapers

Dit mooie verhaal werd driekwart eeuw later, dus aan het begin van de zesde eeuw, voor het eerst opgeschreven door de Syrische auteur Jacobus van Serugh. Op dat moment was er al een aan de Zevenslapers gewijde kerk. De dubbele bodem van de legende betreft natuurlijk de opstanding van de doden.

Verspreiding

Misschien was het wel omdat een belangrijk theologisch leerstuk aanschouwelijk werd gemaakt, misschien was het wel gewoon omdat mensen hielden van wonderbaarlijke verhalen, maar in elk geval verspreidde de legende van de Zevenslapers zich bliksemsnel. Na een halve eeuw was er al een versie in het Centraal-Aziatische Sogdisch, rond 575 vertaalde de Gallische bisschop Gregorius van Tours de legende in het Latijn (lees maar). Van westelijk China tot de Atlantische Oceaan: na een halve eeuw kende de hele antieke wereld de legende.

Via het Sogdisch kennen we ook Perzische, Kirgizische en Tataarse versies; via het Latijn kwamen Angelsaksische en Ierse versies tot stand; de Syrische tekst moet ten grondslag liggen aan de Armeense, Koptische en Ethiopische versies. De Byzantijnse versies kunnen teruggaan op een origineel dat een fractie ouder zou kunnen zijn dan de tekst van Jacobus van Serugh.

Tot slot noem ik de Arabische versies. De joden van Najran, in het zuiden van het huidige Saoedi-Arabië, kenden de legende, al meenden zij dat ze ging over drie van hun geloofsgenoten. Het verhaal is daarna opgenomen in de Koran en deze variant dateert dus van voor 632. Hierin lezen we dat sommige mensen het hebben over zeven slapers, over drie slapers, over vier slapers, over vijf slapers plus een hond, of zeven plus hond. God weet het natuurlijk precies, stelt de Koran de luisteraar gerust, maar voor ons is interessant dat er vóór 632 al zo’n wildgroei aan tradities was dat het vragen opriep.

De zevenslapers (Bachkovo-klooster)

Parallel

Nu we het toch hebben over de vroege islam: daar vinden we een andere verhaal dat zich razendsnel verspreidde, al is het een stuk minder breed gedocumenteerd. Dat betreft een roepingsverhaal over de profeet Mohammed dat ouder is dan de standaardbiografie van Ibn Ishaq, en dat mondeling moet zijn doorgegeven naar het westen. Met aanpassingen vinden we dit verhaal in de in 731 voltooide Kerkgeschiedenis van Beda de Eerbiedwaardige, die het toepast op de Angelsaksische dichter Caedmon. U leest er hier meer over.

Wat ik met dit blogje maar zeggen wil: verhalen konden zich razendsnel verspreiden.

#Angelsaksen #BedaVanJarrow #Caedmon #Decius #Efese #GregoriusVanTours #JacobusVanSerugh #legende #Najran #SeverusAlexander #SintCyprianus #SintDionysiusVanParijs #TheodosiusII #Zevenslapers

Efese

Een atleet uit Efese (Ephesos-Museum, Wenen)

Een van de meest overdonderende opgravingen die ik ken, is die van Efese, in het westen van het huidige Turkije. Volgens een legende die misschien een element van waarheid bevat, leidde ooit een Athener genaamd Androklos een groep Griekse kolonisten overzee naar de plek die dus Efese zou zijn. Ooit. Heel precies wist men het niet, maar het was gebeurd na de (legendarische) komst van de Doriërs en vóór Homeros de Ilias schreef. De Grieken plaatsten die gebeurtenissen, waarvan de historiciteit onduidelijk is, rond 1200 en rond 800 v.Chr. op de kalender. Als er een historische kern is in het verhaal over Androklos, bevindt die zich in de “Dark Ages”.

Efese is echter veel ouder. In teksten, gevonden in de Hittitische hoofdstad Hattusa, is sprake van Abasa. Die stad, de hoofdstad van het koninkrijk Mira, moet al rond 1600 v.Chr. hebben bestaan. Ze is teruggevonden op de Ayasoluk, de heuvel waarop tegenwoordig de kerk staat van de heilige Johannes.

Mykeens aardewerk (Archeologisch Museum, Selçuk)

Evengoed zijn de eerste eeuwen van de geschiedenis van Efese weinig duidelijk. We weten wel dat de Kimmeriërs de Griekse stad in de zevende eeuw v.Chr. brandschatten; later maakte Efese deel uit van het Lydische koninkrijk van Kroisos, die de beroemde tempel van de Efesische Artemis herbouwde. Na het midden van de zesde eeuw v.Chr. behoorde de stad tot het Perzische Rijk. Er zijn echter nauwelijks archeologische resten uit deze periode.

De Hellenistische tijd

Onze bronnen vermelden in de vijfde en vierde eeuw Efese zo nu en dan, maar de stad werd pas echt belangrijk toen een van de opvolgers van Alexander de Grote, Lysimachos, besloot Efese te maken tot zijn residentie. Hij wilde er begraven worden in het niet veel verderop gelegen Belevi-mausoleum. Na de slag op de Kyrosvlakte (281 v.Chr.), waarin Lysimachos om het leven kwam, werd de stad onderdeel het Seleukidische Rijk en – iets later – van het koninkrijk Pergamon. De Hellenistische Fontein die toeristen nog altijd kunnen zien, dateert uit deze tijd.

Het theater

De Romeinse tijd

Nadat de Romeinen het Pergameense koninkrijk in 133 v.Chr. hadden geannexeerd, maakten ze Efese tot residentie van de gouverneur van de nieuwe provincie, die ze Asia noemden. Vrijwel alles wat toeristen heden ten dage kunnen zien – en dat is heel erg veel – dateert uit de Romeinse periode. Neem het theater: hoewel het is aangelegd in de hellenistische tijd, hebben de Efesiërs het herbouwd ten tijde van de keizers Claudius (r.41-54), Nero (r. 54-68) en Trajanus (r.98-117). Een ander voorbeeld is de Agora: opnieuw een bouwwerk uit de hellenistische tijd dat in de Romeinse periode is herbouwd.

Andere monumenten uit de Romeinse tijd zijn de Poort van Mazaeus en Mithridates (de belangrijkste toegang tot de Agora), de fontein van keizer Domitianus, de Fontein van Trajanus, de Boog van keizer Hadrianus, de wereldberoemde Bibliotheek van Tiberius Julius Celsus Polemaeanus, en het zogeheten Parthenmonument. Voor dat laatste moet u overigens naar Wenen, want het is overgebracht naar het Ephesos-Museum. Ook de fenomenale terraswoningen en enkele tempels voor de keizercultus, dateren uit de Romeinse tijd. Uit de vroege vijfde eeuw na Chr. dateert de Arcadiusweg.

De bibliotheek van Celsus

Late Oudheid

Efese was een belangrijk centrum voor het vroege christendom. De apostel Paulus onderwees er in de synagoge en raakte in de problemen toen er geruchten gingen dat hij kritiek had op de cultus van Artemis – voor wie de stad, zoals gezegd, een beroemde tempel had, een van de zeven wereldwonderen. In 431 was Efese de plaats waar een concilie plaatsvond, dat besloot dat Maria de moeder was van Christus als God (en dus niet van Christus als mens). De ruïne van de kerk waar de vergadering plaatsvond, is nog steeds te bezoeken.

Het verval van Efese begon toen de haven verzandde. In de Byzantijnse tijd werd de stad verlaten, hoewel er nog altijd een fort was en verschillende kerken in gebruik bleven. De legende van de Zevenslapers van Efese dateert uit de vroege zesde eeuw.

De terraswoningen

Het wetenschappelijk onderzoek begon in de laatste jaren van de negentiende eeuw. Oostenrijkse archeologen, aanwezig sinds 1895, hebben grote delen van de oude stad blootgelegd. De prettig rustige zalen van het Ephesos-Museum in Wenen, gevestigd in het voormalige paleis van de Habsburgers, zijn voor ons Europeanen de toegankelijkste kennismaking met Efese, maar een bezoek aan de eigenlijke ruïnestad en het museum in het nabijgelegen Selçuk zijn natuurlijk nog beter.

#androklos #artemisVanEfese #asia #belevi #concilieVanEfese #darkAges #efese #ephesosMuseum #kyrosvlakte #lysimachos #miraBronstijdrijk #parthenmonument #paulus #pergamon #seleukidischeRijk #tiberiusJuliusCelsusPolemaeanus #turkije #wenen #wereldwonder #zevenWereldwonderen #zevenslapers

Alexander de Grote in Sardes

Sardes

De afgelopen tijd heb ik het een en ander verteld over de troonsbestijging en het eerste regeringsjaar van Alexander de Grote. Ik heb het ook gehad over zijn eerste overwinning op de Perzen, in de slag aan de Granikos. Eigenlijk was dat een hinderlijk oponthoud geweest tijdens de opmars naar het zuiden, waar de eigenlijke doelen van de Macedonische operatie lagen: Griekse steden als Efese en Milete. In Perzische handen waren dat gevaarlijke vlootbases, waarvandaan Griekenland en Macedonië konden worden aangevallen. Maar de bevolking had al aangegeven liever zelfstandig te zijn – of beter gezegd: een deel van de bevolking had, toen het Macedonische leger van Parmenion in de buurt was, de Macedoniërs verwelkomd. Of dit deel van de bevolking representatief was voor de andere bewoners, valt niet langer te achterhalen.

Snel naar het zuiden

De Granikoscampagne duurde alles bij elkaar twee weken. Nadien konden de Macedoniërs verder oprukken. Van het verslagen Perzische leger viel geen tegenstand meer te verwachten. Er dreigde pas gevaar in steden die werden beschermd door de vijandelijke vloot, maar die kon niet uitvaren vóór eind juni de oogst was binnengehaald. En zo konden Alexanders mannen in de laatste weken van de lente van 334 v.Chr. moeiteloos langs de kustweg naar het zuiden marcheren. De zwaarste bagage werd met schepen vervoerd en de soldaten moeten het vreemde gevoel hebben gehad dat ze op vakantie waren.

Het was nu zaak de havensteden te veroveren: Smyrna, Efese, Milete en Halikarnassos. Zo kon worden voorkomen dat de Perzen er gebruik van maakten als ze met hun vloot naar het noorden zouden komen om de aanvoerlijn over de Hellespont af te snijden of de Macedonische kust aan te vallen. De verovering van deze steden was in feite een defensieve maatregel.

Sardes

Een ander aanvalsdoel was Sardes, het belangrijkste Perzische bestuurscentrum in dit deel van het wereldrijk. De belegering beloofde lang en moeizaam te worden, want ook al hadden de Perzen niet langer een landmacht om de belegeraars te verdrijven, de citadel gold als onneembaar. Ze lag op een enorme, aan alle zijden door steile hellingen omgeven rots (zie foto hierboven) en was opgebouwd uit terrassen, zodat aanvallers driemaal een muur moesten beklimmen. Een belegering hield in dat de Macedoniërs vele weken zouden moeten worden bevoorraad, terwijl de Perzische vloot de kustwegen zou aanvallen en de aanvoerlijnen afsnijden.

Gelukkig voor Alexander hadden de Perzen de oogst nog niet kunnen binnenhalen, zodat ook zij problemen zouden hebben met de voedselvoorziening en daarom weinig hoop koesterden op een goede afloop. Toen Alexander de stad naderde, bood de Perzische commandant Mithrenes de overgave aan; hij zou een eervolle positie aan het Macedonische hof krijgen. Een broer van Parmenion werd aangewezen als nieuwe commandant in Sardes en zou de Perzische titel van satraap voeren: Alexander veranderde het systeem van besturen niet maar verving de bestuurders.

De capitulatie van Sardes leverde tijdwinst op, die het mogelijk maakte dat de onvermijdelijke confrontatie met de Perzische vloot zuidelijker zou plaatsvinden. Bovendien viel een enorme schat in Macedonische handen. Alexander kon maanden soldij betalen en zette dankbaar een flink bedrag opzij voor de bouw van een nieuwe tempel.

Tempel van Artemis, Sardes

Bestuurlijke maatregelen

Ondertussen wees Alexander enkele Griekse bondgenoten aan om garnizoensdienst te doen. De reden is simpel. Hij gaf in alle Griekse steden in Klein-Azië de macht aan de democraten. Een voor de hand liggende maatregel, want de oligarchen die tot dan toe de lakens hadden uitgedeeld waren te zeer verbonden met het Perzische staatsbestel. De machthebbers in de stadstaten in Griekenland zagen de democratiseringsgolf echter met afgrijzen aan en vroegen zich af of Alexander zich nog iets aantrok van de eerdere afspraken (in het verdrag van de Korinthische Bond), dat de diverse partijen zich niet zouden bemoeien met elkaars interne aangelegenheden. De Macedoniër deed in Azië niet anders dan staatsregelingen veranderen en joeg daarmee de Grieken in Europa, die hem sinds de verwoesting van Thebe toch al haatten, nog verder tegen zich in het harnas. Het verwijderen van de Griekse contingenten uit de Macedonische strijdmacht lag daarom in de rede.

[Wordt vervolgd. Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.]

#AlexanderDeGrote #Efese #KorinthischeBond #Milete #Mithrenes #Parmenion #Sardes #satrapie #Smyrna

Hoe Alexander de Grote koning werd (1) - Mainzer Beobachter

In 336 v.Chr. werd Alexander de Grote onverwacht koning. De situatie was verward en zou Alexanders regering helpen vormen.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (3) Smyrna

Cornelis de Bruijn, Smyrna

Dit is het derde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Smyrna

Toen Cornelis de Bruijn in de zomer van 1678 vanuit Italië arriveerde in de belangrijke handelshaven Smyrna, werd hij onmiddellijk opgenomen in de kringen van de Europese diplomaten. De Hollandse consul bood hem onderdak en diens Engelse collega nam hem mee voor een bezoek aan Selçuk en de ruïnes van het oude Efese.

Dit was een warmer welkom dan de jongeman redelijkerwijs had kunnen verwachten. Het consulaat van Smyrna, een van de belangrijkste posten in de Hollandse diplomatie, werd bezet door een edelman die normaliter geen enkele zwerver zou ontvangen. De Bruijn was geen bekende kunstenaar en ook kon hij zijn gastheren (nog) niet vermaken met verhalen over landen die zij niet hadden bezocht. De gastvrijheid van de consul is des te opmerkelijker als we bedenken dat hij er zeker van was dat zijn gast had geprobeerd Johan de Witt te vermoorden. Ik noemde het al.

Constantinopel

De Bruijn verbleef ongeveer een half jaar in Smyrna. In december reisde hij over land naar Constantinopel, waar hij anderhalf jaar zou blijven. Wat hij er gedaan kan hebben, is niet helemaal duidelijk. Het zal in elk geval moeilijk zijn geweest om de kost te verdienen als schilder, want de stijl van De Bruijn appelleerde nauwelijks aan de Ottomaanse smaak.

Cornelis de Bruijn, Constantinopel

Zijn beschrijving van de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk in Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië is nog minder informatief dan die van Rome. Omdat hij zijn lezers desondanks iets wil vertellen, biedt hij fragmenten van wat hij in verschillende andere boeken heeft gelezen. Destijds was dit geen ongebruikelijke praktijk (en ook vandaag kopiëren reisgidsen elkaar), maar je vraagt ​​je af waarom De Bruijn weinig vertelt over zijn persoonlijke ervaringen. Het staat vast dat hij ziek is geweest, maar dat duurde geen anderhalf jaar. De beschrijving van een terugkerende generaal is overigens aardig genoeg.

Een mogelijke verklaring voor zijn zwijgen is dat hij nog niet had besloten een boek te schrijven en geen aantekeningen maakte. Een andere verklaring is dat hij inlichtingen aan het verzamelen was. Uit de aard der zaak is dit niet te bewijzen, maar de Hollandse ambassadeur bij de Verheven Porte was ervan overtuigd dat de reizende kunstschilder politieke contacten had.

Ottomaanse dames

Naar de Levant

In elk geval: in juli 1680 zeilde De Bruijn terug naar Smyrna. Hij onderbrak zijn reis om de plek te bezoeken die men destijds hield voor het oude Troje, feitelijk Alexandrië in de Troas, en ging aan land in Mytilene op het eiland Lesbos. De herfst en winter bracht hij door in Smyrna, waar hij plannen maakte voor een bezoek aan het Heilige Land, waar hij Pasen wilde vieren.

De Bruijn vertrok toen in februari 1681 de zee bevaarbaar werd. In zijn gezelschap bevond zich zijn landgenoot Rogier van Cleef, die later nog beroemd zou worden als waterbouwkundig ingenieur van paleis Het Loo bij Apeldoorn. Willem III wilde dat zijn fonteinen hoger zouden spuiten dan die van Lodewijk XIV in Versailles, en Van Cleef slaagde hierin. Maar dat was nog ver in de toekomst toen de twee Hollanders Rhodos bereikten, waar ze drie weken doorbrachten.

Ze vervolgden hun reis en zeilden naar Tyrus. De zeestromingen maakten het moeilijk om rechtstreeks naar het zuiden te varen, dus maakte het schip een omweg naar Damietta, aan een van de oostelijke mondingen van de Nijl. Helaas maakte tegenwind het onmogelijk om nog voor Pasen in Palestina te zijn. Omdat hij niet wist wat hij moest doen, besloot De Bruijn in Egypte te blijven.

Wordt vervolgd.

#AlexandriëInDeTroas #Constantinopel #CornelisDeBruijn #Damietta #Efese #Egypte #HetLoo #Izmir #JohanDeWitt #Lesbos #LodewijkXIV #Mytilene #OttomaanseRijk #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #Rhodos #RogierVanCleef #Smyrna #StadhouderKoningWillemIII #Troje #Turkije #Tyrus #Versailles

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter