Egypte ontdekken

Het was niet Napoleon die, toen hij een team geleerden meenam naar het front, Egypte ontdekte. Al eerder waren er Griekse reizigers geweest, zoals Herodotos van Halikarnassos, die een priester interviewde over de bronnen van de Nijl. Er was de Romeinse officier Ammianus Marcellinus, die een correcte vertaling wist te geven van de hiëroglyfen. Er was kalief Al-Ma’mun, die de Grote Piramide opende en daar een mummie vandaan haalde. En er zijn altijd Egyptenaren geweest die naar de aloude monumenten keken, zich afvroegen wat dat waren en zo grondslagen legden voor wat nu egyptologie heet.

Egypte als ontdekking

Het is dan ook terecht dat de huidige expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, gewijd aan het ontdekken van Egypte, begint met Arabische visies op het antieke Egypte. Al-Masudi komt langs, die u op deze blog eerder bent tegengekomen. Pas na de Arabische ontdekkers stelt het museum de West-Europeanen aan de bezoekers voor: eerst kunstenaars als Cornelis de Bruijn, later ook wetenschappers.

Cornelis de Bruijn, Piramiden en Sfinx van Giza

Die laatsten vormen een rode draad door de tentoonstelling, waarin veel filmpjes zijn te zien van onderzoekers die hun werk uitleggen: onderzoek naar de volksverhalen waarmee de geïslamiseerde bevolking de faraonische monumenten duidde, opgravingen, röntgenonderzoek naar een krokodillenmummie, de chemische analyse van goud, museale ethiek.

Ik ben blij met deze uitleg. Een kwart van de vragen die het publiek stelt, komt namelijk neer op “hoe weet je wat je zegt te weten?” Als een geesteswetenschappelijke instelling een publicitaire storm te verwerken krijgt, zoals de laatste tijd regelmatig gebeurt, is daaraan strijk en zet ruimte geboden doordat is verzuimd het wetenschappelijk proces en zijn methoden proactief uit te leggen.

Antiquarisme

Behalve aandacht voor de ontdekkers is een deel van de Leidse expositie gewijd aan wat nu eigenlijk is ontdekt. In feite wordt de museumbezoeker hier dus zelf ontdekker. Helaas is dit deel wat fantasieloos. Het gaat om de traditionele thema’s die zijn te vinden in vrijwel elk museum met een egyptologische collectie. Dagelijks leven in het oude Egypte (in Leiden nu uitgelegd aan de hand van de opgraving van het dorp Shokan). Religie in het oude Egypte (uitgelegd aan de hand van een voorspelbare verzameling bronzen godenbeeldjes). De dood in het oude Egypte (uitgelegd met grafkisten).

Grafkisten (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

De meeste van de getoonde voorwerpen behoren niet tot de vaste Leidse opstelling; ze komen uit het rijke depot. Voor een fanatieke oudheidliefhebber is hier dus veel nieuws te zien, en aangezien ik een fanatieke oudheidliefhebber ben, heb ik hier een aangenaam anderhalf uur doorgebracht. Vooral fijn is dat voorwerpen die bij elkaar horen maar verdeeld zijn geraakt over de collecties Leiden en het Louvre in Parijs, nu samen komen. Maar het gekozen thema’s bieden dus meer van hetzelfde.

Om precies te zijn: ze bieden meer traditioneel antiquarisme. Daarmee bedoel ik dat egyptologische collecties nogal eens aspecten van het leven documenteren, maar er geen sociaalwetenschappelijk verhaal van brouwen, terwijl archeologen toch beweren dat ze een sociale wetenschap beoefenen. Dit komt beter uit de verf in de musea uit het voormalige Oostblok, die minder kunsthistorisch georganiseerd zijn en de oude culturen plaatsen in de opvolging van maatschappijtypen. Zij benadrukken bijvoorbeeld handel en de internationale context in plaats van de weinig verrassende grafcultuur.

Sterke punten

Ik zou zelf dus andere thema’s hebben gekozen, maar denk ook dat de conservatoren de doelen die zij stelden, hebben gehaald. De expositie heeft bovendien een paar heel sterke kanten. Om te beginnen zijn, zoals ik al opmerkte, stukken samengebracht die samen horen en zelden samen zijn. Dat kan een grafensemble zijn of een verzameling gouden sieraden. Het ruimhartige internationale leenbeleid van de musea werpt vruchten af.

Armbanden van generaal Djehuty (doorgaans in het Louvre)

Een tweede sterk punt, dat ik ook al aanstipte, is uitleg van wat oudheidkundigen nou eigenlijk doen. Daar had weliswaar uitleg bij gemoeten van het proces van hypothesevorming en -toetsing, maar het is een stap in de goede richting. Oudheidkundigen doen echter meer dan ontdekken en onderzoeken: ze verzamelen ook, en het is goed dat het museum aandacht besteedt aan verzamelgeschiedenis. Superslim gekozen was de verwijzing naar de mummies die ooit hingen in het Leidse Theatrum Anatomicum. Dat is immers slechts 500 meter verderop te zien in het Boerhaavemuseum.

Menselijke resten ophangen: zo nonchalant gaan musea nu niet meer om met zulke delicate voorwerpen. Ze ontbreken dan ook op de Leidse expositie, en daar ben ik blij mee. Niet alleen getuigt die keuze van respect – “het gebod tot naastenliefde strekt zich uit tot het verleden, tot de tot geschiedenis gewordenen”,  zoals de Nederlandse historicus Arie van Deursen weleens zei – maar je boekt bovendien meer kenniswinst door in plaats van een mummie een röntgenfoto te tonen.

En dan is er de museale inclusiviteit. Ik heb daar een uitgesproken mening over, namelijk dat een tentoonstelling zich kan beperken tot specifieke doelgroepen, maar dat het gebouw toegankelijk moet zijn voor iedereen. Een museum heeft dus een invalidentoilet en ontsluit hogere verdiepingen voor rolstoelers, en het jaagt astmatici en hyperacusispatiënten niet weg met rook- en geluidseffecten. Dat zit in Leiden goed.

Een grafensemble (deels Leiden, deels Parijs)

Ik voor mij ben ook blij dat de Engelstalige uitleg beperkt is gebleven, zodat er meer ruimte is voor Nederlandstalige diepgang. Te vaak blijft museale uitleg, doordat ruimte wordt benut om inclusief te zijn voor Engelstaligen, op het onbenullige af oppervlakkig. Niet iedereen zal het eens zijn met mijn prioritering van goede Nederlandstalige informatie boven algemene informatie in de taal van buitenlandse bezoekers, maar ik was nu in mijn nopjes. Al erken ik dat degene die zou zeggen dat de uitleg ook wel in het Arabisch had gemogen, een houtsnijdend argument heeft.

Tot slot

Aan het einde leggen verschillende geleerden in een geluidloos filmpje nog even uit wat het belang is van het oude Egypte. Arabiste Petra Sijpesteijn, werkzaam in Leiden, verwoordt het mijns inziens het best: omdat je de wereld leert zien vanuit een ander perspectief.

Het is krek zo. Dat is waarvoor we geesteswetenschappen hebben en waarom er musea zijn voor oudheidkundige en etnografische collecties: om te herkennen dat ons eigen perspectief ook maar een mening is, dat andere visies bestaan en – vooral – dat er redenen zijn waarom anderen denken zoals zij denken en waarom wij denken zoals wij denken. Door het constateren van cultureel verschil en overeenkomst, begrijpen we onszelf beter. De bestudering van de cultuur van de oude wereld, hartstikke voorbij en leerzaam doordat ze hartstikke voorbij is, is welbeschouwd een narcistische bezigheid, maar ik weiger zelfkennis belachelijk te vinden.

PS

De expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden duurt nog tot medio maart. Meer informatie hier. Er zijn, zoals gezegd, geen menselijke resten te zien, en die ontbreken ook in de vaste opstelling in de Egyptische afdeling. Dat maakt het ook voor kinderen toegankelijk. Voor hen is er momenteel ook een niet enge tentoonstelling over antieke monsters.

[Eerder verschenen op VersTwee.]

#AlMaMun #AlMasudi #AmmianusMarcellinus #antiquarisme #ArieVanDeursen #CornelisDeBruijn #HerodotosVanHalikarnassos #inclusiviteit #NapoleonBonaparte #PetraSijpesteijn #RijksmuseumVanOudheden #Shokan

Prinses Marianne in Palestina

Prinses Marianne was een dochter van de Nederlandse koning Willem I en zijn echtgenote Wilhelmina. Rond haar twintigste trouwde ze met Albrecht van Pruisen, maar het huwelijk liep op de klippen en ze ontweek haar echtgenoot door vaak op reis te gaan. In juli 1849, kort na de dood van haar broer Willem II, vertrok ze weer eens, ditmaal naar Sicilië, Egypte en het Heilig Land. Reisgenoten hebben dagboeken bijgehouden en brieven geschreven, die door Kees van der Leer en Marieke Spliethoff zijn gebruikt om een mooi, pas uitgekomen boekje te maken, Op reis met prinses Marianne. Ik pik er wat krenten uit.

De negentiende-eeuwse en antieke Levant

Maar eerst wat context. Vanaf 1831 was de Levant bezet geweest door troepen van Muhamad Ali, de naar onafhankelijkheid strevende bestuurder van Ottomaans Egypte. De bezetter had het gebied in revolutionair tempo gemoderniseerd, wat had geleid tot grote onrust. In 1840 was weliswaar een einde gekomen aan het Egyptisch gezag, maar de onvrede was gebleven; ik citeerde Gérard de Nerval al eens. Traditionele leiders, die het vertrouwen van de bevolking hadden, waren verdwenen, en konden niet langer bemiddelen. Dit zou in 1860 leiden tot een geweldsuitbarsting zoals het Midden-Oosten al heel lang niet had gezien.

Van der Leer en Spliethoff beschrijven een reis in deze gespannen tijd. Ze baseren zich vooral op de brieven van dominee Gerhard Heinrich van Senden, die zich vóór de reis al jaren had beziggehouden met de topografie van het Heilig Land. Hij had er diverse toespraken over gehouden en een meerdelige Bijbel-Atlas over gepubliceerd. Die geven een prachtig beeld van de geleerdheid van de vroege negentiende eeuw: hij kon nog niet profiteren van de inzichten die we danken aan de ontcijfering van de hiërogliefen, archeologie bestond nog niet, en een reis was niet voor iedereen weggelegd. Van Senden moet een gat in de lucht hebben gesprongen toen hij vernam dat de prinses hem meenam. We danken er een nieuwe publicatie aan: Het Heilige Land, of mededelingen uit eene reis naar het oosten, gedaan in de jaren 1849 en 1850.

Het Heilig Land

Wat bezochten prinses Marianne en de haren zoal? Op reis met prinses Marianne beschrijft het dus aan de hand van die brieven en illustreert het met mooie, goed gekozen negentiende-eeuwse afbeeldingen. Zoals voor veel reizigers was Egypte de eerste bestemming. Alexandrië en de piramiden kwamen aan bod. Een tocht door de woestijn à la Mozes naar het Beloofde Land zat er niet in; per schip kwam de prinses aan in Jaffa, en daarvandaan reisde men naar Jeruzalem. De stad schijnt te zijn uitgelopen voor de Nederlandse gasten.

Jeruzalem vormde de basis voor diverse uitstapjes: Bethlehem natuurlijk en Hebron; later Jericho, de Dode Zee en de Jordaan. Daarna naar het noorden, naar Nazaret, het meer van Galilea, Akko, Tyrus, Sidon, de bronnen van de Jordaan en Damascus. Van der Leer en Spliethoff citeren verschillende delen uit de correspondentie van Van Senden, die Damascus prachtig vond. Ik voor mij had hierover iets meer willen lezen, want de christelijke gemeenschap in Damascus is in 1860 uitgemoord, inclusief de Nederlandse consul met wie prinses Marianne en dominee Van Senden contact moeten hebben gehad.

Via Baalbek reisde het gezelschap naar Beiroet, met een verblijf op 23/24 april 1850 in “Zaglet”. Dat zal het Grieks-katholieke stadje Zahlé wel zijn, en ik hoop nog eens meer te ontdekken over dat bezoek, want het was de feestdag van Sint-Joris en de reizigers passeerden Karak Nuh, waar de afstammelingen van Noach – dat zijn we natuurlijk allemaal – het graf van de patriarch toonden. (Mark Twain deed er enkele jaren later mooi verslag van.) Vanuit Zahlé reisde men over de Libanon naar Beiroet, waar de thuisreis werd aanvaard.

Weer thuis

De reizigers hadden wat souvenirs bij zich, waaronder een mummie, de nodige oudheden en vervalsingen. Van Senden publiceerde het eerste deel van zijn boek Het Heilig Land, maar overleed voordat hij het tweede deel kon voltooien. Hij heeft nooit gehoord dat het spijkerschrift was ontcijferd. Ik zou zijn reactie wel hebben willen kennen, want uit Op reis met prinses Marianne komt hij naar voren als een geïnteresseerde man, die alles onderzocht wil hebben.

Prinses Marianne en de haren waren vanzelfsprekend niet de eersten of laatsten die de Levant bezochten. Ik heb al eens verteld over het indrukwekkende boek van Cornelis de Bruijn, die eind zeventiende eeuw schitterende tekeningen maakte van wat hij had gezien en en passant de kleurendruk introduceerde. Mariannes reisgenoten zouden in 1850 Gustave Flaubert hebben kunnen ontmoeten. Van de Nederlandse bezoekers noem ik Abraham Kuyper nog even en de mensen die inspiratie kwamen opdoen voor de aanleg van de Heilig-Landstichting bij Nijmegen.

De reis van prinses Marianne en dominee Van Senden was er een onder vele en het is opvallend dat de reizigers eigenlijk allemaal dezelfde dingen zijn wezen bekijken. Ik vermoed dat de gidsen ter plekke ook toen al hun vaste itineraria hadden langs plaatsen waarvan ze wisten dat toeristen er mooie dagen zouden hebben.

#AbrahamKuyper #Baalbek #Beiroet #CornelisDeBruijn #Damascus #GérardDeNerval #GerhardHeinrichVanSenden #GustaveFlaubert #HeiligLandstichting #Israël #Jeruzalem #KarakNuh #KeesVanDerLeer #Libanon #MarianneVanOranjeNassau #MariekeSpliethoff #MarkTwain #Palestina #Zahlé

Erfgoed Prinses Marianne

Cargo

Cornelis de Bruijn (13) Het einde

Prinsengracht, Amsterdam; Cornelis de Bruijn leefde in het tweede, derde of vierde huis van links

Dit is het laatste stukje over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Reizen over Moskovie

Het lijkt erop dat Cornelis de Bruijn rusteloos was. In de volgende jaren woonde hij op diverse plaatsen in de Republiek. In 1709-1710 leefde hij in een huis aan de Hartenstraat in Amsterdam, waar hij onder meer zijn weldoener Nicolaes Witsen ontving en Gisbert Cuper, de man die hem het schilderij van Palmyra had laten kopiëren. Cuper en De Bruijn wisselden later brieven uit over het spijkerschrift uit Persepolis. Het is verder bekend dat de kunstenaar in 1711 woonde aan de Prinsengracht in Amsterdam; in 1712 woonde hij even buiten Haarlem.

Al deze tijd was De Bruijn bezig met zijn meesterwerk: Reizen over Moskovie, door Persie en Indie. Toen hij het in 1711 publiceerde, droeg hij het op aan een Duitse bibliofiel uit Frankfurt, Zacharias Conrad von Uffenbach (1683-1734). Dat is enigszins verrassend: Nicolaes Witsen had immers veel gedaan voor De Bruijn en stond erom bekend dat hij dit soort opdrachten op prijs stelde.

Cornelis de Bruijn, Reizen over Moskovie, door Persie en Indie; een zogenaamde tweede druk

Reizen over Moskovie, door Persie en Indie is een stuk ambitieuzer dan Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Asia. Het nieuwe boek telde 482 pagina’s en 300 illustraties, waaronder diverse uitklapplaten. De tekeningen waren uitstekend: tot de eerste fotografen Persepolis in de twintigste eeuw bezochten, behoorden de De Bruijns tekening tot het beste dat er was. Ervan overtuigd dat dit boek een nog groter succes zou zijn dan zijn eersteling, liet De Bruijn meteen duizend exemplaren drukken.

Teleurstellingen

Reizen over Moskovie, door Persie en Indie had een succes kunnen zijn. De recensies in de Acta eruditorum en Journal des Savants waren opnieuw lovend, maar toch werden er in drie jaar tijd slechts 240 exemplaren verkocht. Eén reden was de dubbele oorlog. De Spaanse Successieoorlog was nog in volle gang en in de Grote Noordse Oorlog had de Republiek haar monopolie op goedkoop Pruisisch graan verloren. De Gouden Eeuw was voorbij. En de mensen wisten het. Er was weinig animo voor een duur boek.

Bovendien had De Bruijn concurrenten. In Persepolis hadden ook de Franse reizigers Jean de Thévenot (1633-1667) en Jean Chardin (1643-1713) onderzoek gedaan. De onzorgvuldige opmerkingen van Thévenot waren al in 1664 gepubliceerd (zonder illustraties), maar Chardins Voyages en Perse et autres lieux de l’Orient, dat de claims van Thévenot uitwerkte, verscheen tegelijk met De Bruijns Reizen over Moskovie, door Persie en Indie. Een jaar later, in 1712, publiceerde een Duitse natuurkundige genaamd Engelbert Kämpfer (1651-1716) weer een ander verslag van Persepolis, Amoenitates Exoticarum. De drie gelijktijdig verschenen boeken richtten zich tot hetzelfde publiek, en als gevolg daarvan verkocht geen van hen echt goed. De Bruijn geloofde niet dat een Franse vertaling mogelijk was. De enige winst was dat er nu wel belangstelling was voor Perzië. Montesquieus Lettres Persanes zouden ondenkbaar zijn geweest zonder de reisverslagen.

In 1713 legde Gisbert Cuper aan De Bruijn de vraag voor waarom er verschillen waren tussen zijn tekeningen van Persepolis en die van Chardin en Kämpfer. Voor De Bruijn was dit een gelegenheid om een ​​derde boek te publiceren, een klein boek dit keer, Aenmerkingen Over de Printverbeeldingen van de Overblijfzelen van het Oude Persepolis (1714). De Bruijn liet op overtuigende wijze zien hoe de andere auteurs, die geen professionele tekenaars waren en Persepolis slechts kort hadden bezocht, fouten hadden gemaakt.

Faillissement

Vanaf dit moment is het leven van Cornelis de Bruijn moeilijk te reconstrueren, maar het lijkt erop dat hij na de teleurstellende verkoop van zijn tweede boek in financiële moeilijkheden verkeerde. Toen Nicolaes Witsen in 1717 stierf, bezat hij verschillende tekeningen van De Bruijn, wat suggereert dat deze een manier had gevonden om wat geld aan de kunstenaar toe te schuiven zonder dat het leek op een aalmoes.

Het is bekend dat De Bruijn in 1714 alle onverkochte exemplaren naliet aan een boekhandelaar genaamd Hendrik Wetstein, die 468 exemplaren van de Franse vertaling van de Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Asia kon verkopen. Hij liet 760 exemplaren van de Reizen over Moskovie, door Persie en Indie opnieuw binden en prees die aan als tweede druk nadat de eerste druk zou zijn uitverkocht. Er was inmiddels ook een “echte” tweede druk van mindere kwaliteit, die snel uitverkocht raakte. In 1718 volgde toch een Franse vertaling van de Reizen over Moskovie, door Persie en Indie.

In 1719-1720 lijkt De Bruijn weer in Den Haag te hebben gewoond, want hij wordt vermeld in de archieven van de Accademie van de Teyken-Const. Een volgende vermelding vinden we in een biografieënverzameling van de hand van Jacob Campo Weyerman (1677-1747), een van de woordvoerders van de Nederlandse Verlichting. Die weet dat de beroemde Cornelis de Bruijn in een klein huisje woonde in Vianen en gedwongen was de draad van zijn leven verder uit te spinnen met minder comfort dan zijn leeftijd vereiste.

Dit is wat cryptisch. Hoewel de heerlijkheid Vianen middenin de Republiek lag, behoorde het tot het Duitse graafschap Lippe. Het viel dus buiten de jurisdictie van de Staten-Generaal en was daarom een ​​berucht toevluchtsoord voor criminelen en schuldenaren. De Bruijn was failliet.

Zijdebalen in 2024

Het einde

De laatste reis van de 73-jarige ging van Vianen naar het buitenhuis van zijn vriend David van Mollem. Het heette Zijdebalen en lag even ten noorden van Utrecht. Hier bracht De Bruijn zijn dagen door tot hij stierf in 1726 of 1727. Weyerman zegt dat Van Mollem de vermoeide en totaal uitgeputte reiziger gaf wat hij nodig had, maar dat naastenliefde onvoldoende is om een ​​man werkelijk rust te geven. Een andere biograaf, Jan van Gool, vertelt dat De Bruijn zich aan het eind van zijn leven zo vreemd en eigenzinnig gedroeg dat zijn gezelschap onaangenaam werd.

Desondanks ben ik van mening dat er een straat in Den Haag, een brug in Amsterdam of een plantsoen in Utrecht zou moeten worden vernoemd naar Cornelis de Bruijn. Liefst alle drie.

#AccademieVanDeTeykenConst #ActaEruditorum #CharlesDeMontesquieu #CornelisDeBruijn #DavidVanMollem #EngelbertKämpfer #GisbertCuper #GroteNoordseOorlog #Haarlem #HendrikWetstein #JacobCampoWeyerman #JeanChardin #JeanDeThévenot #JournalDesSavants #NicolaesWitsen #Persepolis #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #ReizenOverMoskovieDoorPersieEnIndie #RepubliekDerZevenVerenigdeNederlanden #Saratov #SpaanseSuccessieoorlog #spijkerschrift #Utrecht #Verlichting #Vianen #ZachariasConradVonUffenbach #Zijdebalen

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (12) Oorlog

Het Oost-Indisch Huis, waar Cornelis de Bruijn zijn bagage kon ophalen

Dit is het voorlaatste van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste blogje was hier.

***

Gefnuikte terugkeer

Omdat in de achttiende eeuw de lengte op zee nauwelijks te meten viel, was navigatie moeilijk. Toen de matrozen van De Bruijns schip in september 1706 land in zicht kregen, bleek het Zuid-Arabië te zijn. Ze waren te ver gevaren. Op 12 oktober bereikten ze echter Gamron. De Bruijn bezocht Shiraz opnieuw, zag het graf van Cyrus de Grote in Pasargadai (zonder te beseffen wat het was) en keerde terug naar Isfahan, waar hij Kerstmis en Nieuwjaar vierde. Op 1 maart 1707 trok hij verder naar het noorden.

Cornelis de Bruijn, Hormuz

In de vroege zomer stak hij de Kaspische Zee over naar Astrachan, en vervolgens reisde hij stroomopwaarts langs de Wolga naar Saratov, waar hij schipbreuk leed. Over land vervolgde hij zijn weg naar Vladimir en Moskou. Hij ging op audiëntie bij tsaar Peter en bleef nog wat langer in de Russische hoofdstad. De winter verhinderde namelijk dat hij zijn reis voortzette. Pas op 10 februari 1708 verliet hij Moskou en nam de landroute naar Smolensk.

Dit bleek een gevaarlijke vergissing. De Grote Noordse Oorlog was nog steeds gaande en Cornelis de Bruijn reisde regelrecht naar het front. De Zweedse koning Karel XII had de Deense en de Poolse legers al verslagen en viel juist nu Rusland binnen. Het terugtrekkende Russische leger, gebruikmakend van de tactiek van de verschroeide aarde, vernietigde alles wat vernietigd kon worden. De Bruijn en vier Engelse reisgezellen zagen een volkomen verlaten land en waren voortdurend bang, nu eens voor Russische cavalerie op plundermissies, dan weer voor Zweedse cavalerie die de plundering moest voorkomen.

Terugkeer

Uiteindelijk bereikten de reizigers Smolensk en Minsk, maar voordat ze Vilnius konden bereiken, vielen ze in handen van een groep Russische ruiters. Die beschouwden de westerlingen als spionnen en het zag er even slecht voor de reizigers uit, maar een Engelse officier in Russische dienst redde hun levens. De Bruijns oude bekende Alexander Menshikov stelde de reizigers daarop voor om terug te keren naar Moskou, en zo geschiedde.

Daarvandaan reisde De Bruijn weer naar het noorden. In de zomer was hij terug in Archangelsk, waar hij aan bood ging van de Hoogepriester Aäron. Zo voer hij via de Noordkaap, langs de Noorse kust en over de Noordzee terug naar Holland.

Van 9 tot 23 oktober 1706 verbleef hij in Amsterdam, waar hij de bagage kon ophalen die hij vanuit Batavia had verzonden. Ruim een ​​jaar had die opgeslagen gelegen in het Oost-Indisch Huis. Opnieuw een gunst van Nicolaes Witsen. Op de vierentwintigste reisde De Bruijn door naar Den Haag, waar zijn vrienden hem verwelkomden.

Wordt vervolgd.

#AlexanderMenshikov #Archangelsk #Astrachan #CornelisDeBruijn #CyrusDeGrote #DenHaag #Gamron #GroteNoordseOorlog #Isfahan #KarelXII #KaspischeZee #Litouwen #Minsk #Moskou #Pasargadai #Rusland #SafavidischPerzië #Saratov #Shiraz #Smolensk #Vilnius #Vladimir #Wolga

Cornelis de Bruijn (11) Java

Het VOC-fort Galle in Ceylon, waar Cornelis de Bruijn verbleef

Dit is het elfde van dertien blogjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Ceylon

Op 25 oktober 1705 ging Cornelis de Bruijn, hersteld van ziekte, in Gamron aan boord van de Mydregt, waarmee hij voer naar Kochi in het zuidwesten van India. Hij keek verbaasd naar de dolfijnen en vliegende vissen. Eenmaal in Kochi verbleef hij bij functionarissen van de VOC, alvorens door te varen naar Ceylon, waar de Hollanders verschillende handelsposten hadden, zoals Galle bij de zuidkaap van het eiland.

De Bruijn verbleef hier lang genoeg om een ​​krokodillenjacht te observeren, en biedt in zijn Reizen over Moskovie, door Persie en Indie een uitvoerige beschrijving van de natuurlijke rijkdom van het land. Na de viering van Kerstmis en Nieuwjaar verliet hij Ceylon op 6 januari 1706.

Oorlog op Java

Zeven weken later bereikte de Mydregt de haven van Batavia, het huidige Jakarta. De reis was niet geheel zonder gevaar geweest. In Europa vocht Frankrijk nog steeds tegen de andere landen in de Spaanse Successieoorlog en kapers vormden een risico. Ik blogde al over deze kaapvaart, zij het in een heel ander deel van de wereld.

Ook op Java, het hoofdeiland van de Indonesische archipel, heerste geen vrede. De Bruijn belandde middenin de Eerste Javaanse Successieoorlog. De VOC beheerste Batavia en omgeving, maar het grootste deel van Java behoorde tot het sultanaat Mataram. Sultan Amangkurat II was in 1703 overleden, en zijn broer Pangeran Puger en zijn zoon Amangkurat III betwistten de troon. Kort voor de aankomst van De Bruijn had Puger, gesteund door de VOC, de troon verworven, maar diens neef was vanuit Oost-Java een oorlog begonnen tegen zijn oom.

De nieuwe sultan had nog steeds Hollandse steun nodig en moest daarvoor concessies doen; in feite moest hij de westelijke delen van zijn sultanaat afstaan en de Hollanders het recht geven om in de rest van Mataram te reizen en te handelen waar ze maar wilden. De VOC was tijdens De Bruijns verblijf nog volop bezig met het organiseren van deze aanwinsten, en de oorlog in het oosten was nog steeds gaande, zodat een bezoek aan Mataram onmogelijk was. Eigenlijk was het bezoek van De Bruijn aan Java een teleurstelling.

Cornelis de Bruijn, Joan van Hoorn (Rijksmuseum, Amsterdam)

Struiswijk en Weltevreden

De kunstenaar kon verblijven op Struiswijk. Dat is berucht als kamp tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar was destijds het landgoed van Joan van Hoorn, die tussen 1704 en 1709 gouverneur-generaal was. In ruil voor de gastvrijheid schilderde De Bruijn het portret van zijn gastheer, dat bewaard is gebleven in de collectie van het Rijksmuseum, maar nogal beschadigd lijkt.

Van Hoorn was verantwoordelijk voor een belangrijke beslissing in het economische beleid van de VOC. Tot dan toe was Batavia een productiecentrum van peper, suiker en rijst geweest, en een handelscentrum voor zijde, porselein, muskaatnoot, thee en amfioen (een voorloper van opium). Van Hoorn gaf opdracht om in het pas verworven gebied ook koffie te gaan produceren, om zo het monopolie van de Arabische handelaren in Jemen zou doorbreken. Een beschrijving van de koffieproductie manier ontbreekt niet in de Reizen over Moskovie, door Persie en Indie.

Een van de leukste aspecten van het verblijf van De Bruijn was een bezoek aan de kleine dierentuin van Cornelis Kastelein op een landgoed in het dorpje Weltevreden. De Bruijn hield van een diertje dat al philander (“mensenvriend”) was gedoopt, een klein, kangoeroe-achtig buideldier dat officieel is vernoemd naar onze reiziger: De Bruijnpademelon ofwel Thylogale Brunii. De soort is bijna uitgestorven.

Cornelius de Bruijn, Philander

Een ander aspect van De Bruijns verslag van Oost-Indië is een beschrijving van de koraalbanken en de tropische vissen bij het eilandje Edam, niet ver van Batavia. Ook beschrijft hij de Chinezen in Batavia, die het suikerriet produceerden dat nodig was om brandewijn te stoken. In juli 1706, na het regenseizoen, verbleef De Bruijn enige tijd bij de sultan van Bantam, een nog onafhankelijke staat in het uiterste westen van Java. De Bruijn had grote bewondering voor de dansers.

Teleurstelling

Hoe levendig zijn verslag ook is, Reizen over Moskovie, door Persie en Indie bood weinig informatie over Java die niet al bekend was bij de functionarissen van de VOC. Alleen voor een algemeen publiek – en dat zijn wij – bood het veel vermakelijks. Het lijkt erop dat De Bruijn er ook niet blij mee was, want hij had plannen om de Coromandelkust in Zuidoost-India te bezoeken, maar hij besloot terug te keren. Hij was de jongste niet meer en had inmiddels last van een huidaandoening, van pijnlijke benen en van zijn ogen.

Een Oost-Indiërvaarder (gevelsteen, 2e Rozendwarsstraat 21, Amsterdam)

Omdat de Spaanse Successieoorlog nog niet voorbij was, was de route rond Afrika en over de Atlantische Oceaan nog onmogelijk. Dus moest De Bruijn Perzië en Rusland opnieuw bezoeken. Hij ging aan boord van de recent gebouwde Prins Eugenius (vernoemd naar een van de commandanten in de Spaanse Successieoorlog). Op 25 augustus 1706 begon De Bruijn, na een verblijf van een half jaar in Oost-Indië, aan de terugreis. Zijn bagage werd door een ander schip verzonden. Als hij wat amfioen meenam, zou hij zijn reis in één klap hebben kunnen financieren, maar concrete aanwijzingen daarvoor zijn er niet.

Wordt vervolgd.

#AmangkuratII #AmangkuratIII #amfioen #Bantam #Batavia #Ceylon #CornelisDeBruijn #Coromandelkust #DeBruijnpademelon #dolfijn #EersteJavaanseSuccessieoorlog #Gamron #India #Indonesië #Jakarta #Java #JoanVanHoorn #Kochi #Mataram #NederlandsIndië #PangeranPuger #ReizenOverMoskovieDoorPersieEnIndie #SpaanseSuccessieoorlog #SriLanka #VOC #VerenigdeOostIndischeCompagnie #Weltevreden

Cornelis de Bruijn (10) Persepolis

De uitklapplaat van Persepolis in het boek van Cornelis de Bruijn

Dit is het tiende van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het is ook het meest spectaculaire (vind ik). Het eerste blogje was hier.

***

Persepolis

Op 8 november 1704 arriveerden Cornelis de Bruijn en VOC-ambtenaar Adriaan Backer in Persepolis, waar ze tot 23 januari 1705 zouden blijven. Ze waren niet de eerste westerlingen die de oude stad bezochten. Ze ligt immers langs de hoofdweg van de Perzische Golf en Shiraz naar Isfahan. Verschillende Europese reizigers hadden al beschrijvingen gegeven van Chehel Minar, “veertig kolommen”, maar geen van hen verbleef tweeënhalve maand tussen de ruïnes, geen van hen raakte zo vertrouwd met de plek, geen van hen maakte zulke prachtige illustraties.

De Bruijns boek, Reizen over Moskovie, door Persie en Indie, bood de eerste betrouwbare beschrijving van de oude ruïnes, die hij correct identificeerde als de overblijfselen van de hoofdstad van het oude Achaimenidische Rijk, wat destijds nog werd betwist. De Fransman Jean de Thévenot (1633-1667) vond de plek te klein en suggereerde dat het een tempel was. De Bruijn realiseerde zich echter dat het terras slechts een deel was van de stad en dat de mensen in de vlakte hadden gewoond: een idee, zo geeft hij toe, dat hem in een Perzisch boek was geopperd.

Zonder het te weten, tekende Cornelis de Bruijn het paleis van koning Darius I de Grote

Het verslag

Anders dan eerdere bezoekers, maar als een goed kunstenaar, kon De Bruijn naar de dingen zelf kijken en de interpretatie uitstellen. Er was bijvoorbeeld een discussie over de dieren zonder hoofd die de Poort van Alle Volkeren bewaakten: waren dat olifanten of paarden? De Bruijn maakte gewoon een goede tekening en liet de beelden voor zich spreken. Anderen hadden de zuilen beschreven en wilden ze interpreteren volgens de klassieke typologie, maar De Bruijn geloofde alleen zijn ogen, kon de Dorische, Ionische en Korinthische ordes negeren en stelde dat ze totaal verschillend waren. Toen hij schreef dat het eerdere bezoekers aan concentratie ontbrak, had hij gelijk.

Zijn verslag bestaat uit enkele delen. In het negenendertigste hoofdstuk beschrijft hij het terras en de gebouwen. Zijn beschrijving is makkelijk te koppelen aan de overblijfselen die vandaag zichtbaar zijn. De Bruijn kan de gebouwen weliswaar niet altijd duiden, maar herkende wel dat de rotsreliëfs die hij zag, hoorden bij koningsgraven. In de tweede helft van dit hoofdstuk noemt hij als parallel de vier Achaimenidische graven in Naqš-i Rustam.

De Bruijns weergave van het graf van Artaxerxes II Mnemon

Ook vermeldt hij de daar zichtbare Sassanidische rotsreliëfs, die volgens hem afbeeldingen zijn van de legendarische Perzische held Rustam. (Dit moet informatie zijn van een Perzische gids.) In het veertigste hoofdstuk vergelijkt De Bruijn zijn observaties met wat door de antieke auteurs is geschreven. Hij kan bijvoorbeeld Medische en Perzische gewaden identificeren.

De Bruijns geschiedenis van Perzië

In hoofdstuk 41, met achtenzestig pagina’s het langste in zijn boek, vertelt De Bruijn de geschiedenis van de Achaimeniden, gevolgd door een hoofdstuk over de gebruiken van de oude Perzen. Dit alles is gebaseerd op Griekse en Latijnse bronnen, en zijn onpartijdigheid zorgt ervoor dat hij in hoofdstuk 43 de Perzische kant van het verhaal opneemt (zie plaatje bij het vorige blogje).

De Bruijns weergave van inscriptie XPb

Kwaliteit

Natuurlijk maakt De Bruijn fouten, maar zijn relaas is puur wetenschappelijk en naar de maatstaven van zijn tijd uitstekend. Hij maakt duidelijk onderscheid tussen informatiebronnen: eerst beschrijft hij de dingen die hij heeft gezien, vervolgens geeft hij daarvan een interpretatie, en dat benut hij ter onderbouwing van een geschiedverhaal. Deze combinatie van antiquarisme en geschiedenis was in het begin van de achttiende eeuw zeldzaam; De Bruijn was zelfs een van de eersten die probeerde een historisch verslag te onderbouwen met behulp van de materiële cultuur. Feitelijk was hij Winckelmann en Gibbon een halve eeuw voor.

De handtekeningen van Cornelis de Bruijn en Adriaan Backer. Maurits Wagenvoort heeft geprobeerd zijn naam er onder te schrijven maar gaf het na de M op en beperkte zich ertoe de rest van zijn naam te krassen.

Na een verblijf van tweeënhalve maand in Persepolis vertrok De Bruijn in februari naar Shiraz, waar hij, zoals gebruikelijk, kon logeren bij een ambtenaar van de VOC. Hij had door willen reizen naar Gamron (het huidige Bandar Abbas), maar keerde in plaats daarvan terug naar Isfahan en reisde in juli opnieuw naar Shiraz. Hij bezocht Jahrom en Lar en bereikte uiteindelijk toch Gamron, waar hij ziek werd.

Wordt vervolgd.

#Achaimeniden #AdriaanBacker #antiquarisme #ArtaxerxesIIMnemon #BandarAbbas #CornelisDeBruijn #DariusIDeGrote #EdwardGibbon #Gamron #Isfahan #Jahrom #JeanDeThévenot #JohannWinckelmann #Lar #Persepolis #ReizenOverMoskovieDoorPersieEnIndie #Rostam #SafavidischPerzië #SassanidischeRotsreliëfs #Shiraz

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (9) Perzië

Sjah Soltan Hoseyn, tijdens wiens bewind Cornelis de Bruijn Isfahan bezocht

Dit is het negende van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Sjah Soltan Hoseyn

Perzië was niet meer wat het was geweest toen Cornelis de Bruijn op 21 juli 1703 aankwam in Derbent. Een eeuw lang was het een supermacht geweest en had het zijn grenzen uitgebreid tot voorbij de Kaukasus, tot aan het Aralmeer en tot in Afghanistan. De koningen waren aanhangers van de sji’itische islam, maar waren over het algemeen tolerant en hadden veel gedaan om de handel te bevorderen en de landbouw te ontwikkelen. Europese kooplieden waren een vertrouwd gezicht in de Perzische hoofdstad Isfahan.

In 1694 was echter Sjah Soltan Hoseyn aan de macht gekomen, een diep religieus man die ooit zijn paleis liet afbranden omdat het vuur evident de wil was van God. De Bruijn, die zich doorgaans onthoudt van al te harde kritiek, vermeldt dat de Perzen klaagden over de onpraktische houding van hun koning.

Cornelis de Bruijn, een Isfahaanse dame (let op de elegante schoen)

Soltan Hoseyn vervolgde religieuze minderheden – De Bruijn vermeldt hoe drie Hollanders zich tot de islam bekeerden – en zou uiteindelijk, in 1722, door een leger van opstandige Afghanen worden gedwongen tot aftreden. Tijdens De Bruijns bezoek was Perzië dus instabiel. Voor het eerst in een eeuw waren de wegen niet veilig. De Bruijn beklaagt zich er wel eens over. Bij een andere gelegenheid vermeldt hij hoe vier Armeense reizigers in hun slaap waren gedood.

Cornelis de Bruijn in Perzië

Ondanks de moeilijkheden kon De Bruijn, ook al maakte hij een verschrikkelijke stofstorm mee, reizen naar Ardabil, het Elburzgebergte oversteken en Zanjan bereiken. Na een bezoek aan de heilige stad Qom, waar hij het mausoleum van Fatima en het graf van sjah Abbas de Grote bezocht, bereikte hij de oude stad Kashan, waar hij genoot van de Fin-tuinen. Na een reis van vier maanden bereikte De Bruijn uiteindelijk op 15 november 1703 Isfahan.

Hij zou bijna een jaar in de prachtige hoofdstad verblijven, wonend in het huis van de vertegenwoordiger van de VOC, Frans Casteleyn. Die zal blij zijn geweest zijn huis weer met iemand te kunnen delen, want hij was net weduwnaar geworden. Het graf van zijn echtgenote Sara Jacoba Six is nog te zien op het Armeense kerkhof van Isfahan.

Grafschrift van Sara Jacoba Six

De schilder en de koopman werden goede vrienden. De Bruijn ontmoette ook Edward Owen, hoofd van de Engelse Oost-Indische Compagnie, en was geen onbekende in de Armeense wijk Isfahan. Een bezoek aan de Armeense wijk was misschien een eufemisme voor het bezoeken van een prostituee, maar De Bruijn had andere motieven om deze plek te bezoeken: de Armeniërs hadden een uitstekend internationaal netwerk en konden hem veel nuttige informatie bieden. Ze schonken ook wijn, trouwens.

Cornelis de Bruijn, Karavaanserail in Isfahan

Zoals gewoonlijk waren De Bruijns tekeningen van Isfahan prachtig en luisterde hij naar de verhalen die mensen hem vertelden. Een van de hoofdstukken van zijn Reizen over Moskovie, door Persie en Indie gaat over de Perzische geschiedenis zoals de Perzen die zelf vertelden. Het is in wezen een zeer korte samenvatting van het nationale gedicht van Perzië, de Shahname van Ferdowsi, ontdaan van de meest mythologische elementen.

De Bruijn vat de Shahname samen

Verder bevat De Bruijns reisverslag onder meer beschrijvingen van de trillende minaretten van Isfahan, van de aankomst van de Sjah, van het nieuwjaarsfeest en van de plechtigheden bij Ashura (lees maar). Ook is er een vinologisch terzijde. Hij noemt de belangrijkste gebouwen van Isfahan, inclusief monumenten die hij niet mocht bezoeken, zoals de Lotfollahmoskee.

De Bruijns weergave van de Sharestan-brug

Er zijn beschrijvingen van muziekinstrumenten, van de bruggen van Isfahan, van de kleding van de Isfahani’s, van de Perzische overheid en van de schilderkunst. Iraanse gebruiken komen aan bod en we leren over flora en fauna. De Bruijn vertelt over de Armeense wijk (“schaamteloze vrouwen”) en somt enkele christelijke groeperingen op. Kortom, er is geen enkel aspect van topografie, plantkunde, zoölogie of etnografie dat hij heeft genegeerd.

Wordt vervolgd.

#AbbasIDeGrote #Ardabil #Ashura #CornelisDeBruijn #Derbent #EdwardOwen #FinTuinen #FransCasteleyn #Isfahan #Kashan #Lotfollahmoskee #Qom #ReizenOverMoskovieDoorPersieEnIndie #SafavidischPerzië #Shahname #sjiieten #SoltanHoseyn #VerenigdeOostIndischeCompagnie #Zanjan

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (8) Rusland

Peter de Grote, gastheer van Cornelis de Bruijn

Dit is het achtste van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Oorlog

Cornelis de Bruijn keerde naar Amsterdam terug in 1708 en publiceerde drie jaar later Reizen over Moskovie, door Persie en Indie. Dit ambitieuze boek vormt onze belangrijkste bron voor De Bruijns tweede reis. Het deel over Rusland is in 1996 als apart boek opnieuw uitgegeven. Ik heb mijn exemplaar niet langer omdat ik het heb afgestaan voor een digitaliseringsproject. Het is daarbij kapot gesneden, maar nu kunnen duizenden mensen het lezen.

Sinds de planning van De Bruijns tweede reis was begonnen, was de politieke situatie drastisch veranderd. In de voorgaande eeuw had Zweden zijn macht gestaag uitgebreid, maar in 1700 hadden Denemarken, Litouwen, Saksen en Polen besloten de Zweedse bezittingen ten zuiden en oosten van de Oostzee aan te vallen. Wellicht konden ze heroveren wat ze ooit hadden verloren. Dit was het begin van de Grote Noordse Oorlog. Tsaar Peter de Grote sloot zich bij de agressors aan, omdat hij een zeehaven wilde hebben om Rusland een “venster op Europa” te geven.

Normaliter zou de Republiek schepen naar de Oostzee hebben gestuurd om het machtsevenwicht te bewaren, de Ommelandvaart te beschermen en de graanprijzen laag te houden. Michiel de Ruyter had dat weleens gedaan. Maar nu was dit niet langer mogelijk. In 1701 was de Spaanse Successieoorlog begonnen toen Lodewijk XIV van Frankrijk zijn kleinzoon koning van Spanje maakte. Dit was een nog ernstiger bedreiging van het machtsevenwicht en had voorrang. Koning-stadhouder Willem III wist inderdaad een anti-Franse coalitie te scheppen die Frankrijk in bedwang hield, maar de Republiek kon nu niet ook interveniëren in de Oostzee. Dat betekende het einde van het goedkope graan dat essentieel was voor Hollands welvaart. Toen De Bruijn terugkeerde, hadden slechts een paar mensen geld om zijn nieuwe boek te kopen.

Archangelsk

Maar dit was nog ver weg. Voor het moment betekende het begin van de dubbele oorlog dat De Bruijn niet via Berlijn en Warschau naar Moskou kon Reizen. Hij moest via de Noordkaap naar Archangelsk om Rusland te bereiken. Daar bleek de landing behoorlijk lastig. Uit voorzorg tegen een Zweedse aanval hadden de Russen alle boeien verwijderd, zodat de schepen van het konvooi van De Bruijn niet naar de haven konden varen. Een sloep met de vier scheepscommandanten (en Cornelis de Bruijn) probeerde Archangelsk te bereiken, maar had ook al moeite. “Hoewel we toch vier kapiteins aan boord hadden,” schrijft De Bruijn met gevoel voor understatement.

Cornelis de Bruijn, Een Samojeed

Uiteindelijk bereikten ze echter Archangelsk, waar De Bruijn kon logeren in het huis van een Hollandse vriend van Nicolaes Witsen. De Bruijn besteedde veel tijd aan antropologisch onderzoek. Zijn beschrijving van de cultuur van de Samojeden, een volk dat leek op de Lappen maar leefde ten oosten van Archangelsk, zou een klassieker worden en bevat prachtige tekeningen.

Moskou

Na enige tijd vervolgde De Bruijn zijn reis. Hij sloot zich aan bij een konvooi naar het zuiden. Na bezoeken aan Vologda en Jaroslavl bereikte hij in januari 1702 Moskou. Opnieuw waren de aanbevelingen van Nicolaes Witsen nuttig: de reizende schilder kon logeren bij zijn landgenoot Nicolaas van der Hulst, die vlakbij de Russische hoofdstad woonde in Nemetskaja Sloboda, de Europese wijk.

Van der Hulst stelde Cornelis de Bruijn voor aan de tsaar, die meteen geïnteresseerd was en de kunstenaar toestemming gaf om te zien wat hij maar wilde. Witsens idee dat Peter een kunstenaar nodig had om te tonen dat zijn land moderniseerde, bleek correct. Nog nooit had De Bruijn reizen zo gemakkelijk gevonden. Hij kon gebruik maken van paleizen, vierde Pasen bij de tsaar, ontmoette Peters vriend Alexander Menshikov (1673-1729), sliep in keizerlijke datcha’s en mocht de militaire werven bezoeken van Voronezj aan de Don.

Dat laatste diende de Russische propaganda: westerse politici wisten inmiddels dat de tsaar een serieuze bondgenoot kon zijn in een oorlog tegen de Ottomaanse Turken. Peter gebruikte De Bruijn feitelijk om de westerse mogendheden uit te nodigen een alliantie te sluiten die hem toegang zou geven tot de Zwarte Zee. De schilder was ook op een andere manier nuttig: hij maakte schilderijen van de drie nichtjes van de tsaar, die naar de Europese dynastieën werden gestuurd. Vrijers van den bloede waren in Moskou welkom, was de boodschap, en politici lazen tussen de regels door dat een militair bondgenootschap ook bespreekbaar was.

De Wolga

In april 1703 verliet De Bruijn Moskou. Samen met Jacob Davidov, een Armeense koopman die in Amsterdam had gewoond en zijn landgenoten in Perzië wilde bezoeken, voer de kunstenaar de rivier de Oka af naar het oosten. Op 1 mei arriveerde hij in Kasimov. Als de communicatie sneller was geweest, had hij misschien kunnen vernemen dat tsaar Peter die dag het doel had bereikt waarvoor hij deelnam aan de Grote Noordse Oorlog: hij veroverde het Zweedse fort aan de monding van de rivier de Neva en kreeg daarmee toegang tot de Oostzee. Een paar dagen later, toen De Bruijn al voer over de Wolga, doopte de tsaar de veroverde stad om tot Sint-Petersburg.

Cornelis de Bruijn vernam dit allemaal in de vroege zomer, toen hij de delta van de Wolga in Astrachan had bereikt. Hier schilderde hij een portret van de zoon van de gouverneur, en na enkele weken ging hij aan boord van een schip dat langs de westelijke oever van de Kaspische Zee voer tot het Derbent bereikte (21 juli), de toegangspoort tot Perzië.

Wordt vervolgd.

#AlexanderMenshikov #Archangelsk #CornelisDeBruijn #Denemarken #Derbent #Don #GroteNoordseOorlog #JacobDavidov #Jaroslavl #KaspischeZee #Lappen #Litouwen #LodewijkXIV #machtsevenwicht #MichielDeRuyter #Moskou #NicolaesWitsen #Oka #Ommelandvaart #Polen #ReizenOverMoskovieDoorPersieEnIndie #Rusland #SaksenHertogdom_ #Samojeden #SintPetersburg #SpaanseSuccessieoorlog #StadhouderKoningWillemIII #Voronezj #Wolga

Cornelis de Bruijn (7) Holland

Willem III, beschermer van Cornelis de Bruijn (Limburgs Museum, Venlo)

Dit is het zevende van dertien blogjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Weer thuis

Toen Cornelis de Bruijn naar Holland terugkeerde, was hij ongeveer veertig jaar oud. Bijna de helft van zijn leven had hij doorgebracht in het buitenland en hij had meer van de wereld gezien dan zijn tijd- en landgenoten. Hoe hij zijn terugkeer heeft ervaren weten we niet. Wat wel weten, is dat hij een gerespecteerd man was. In 1694 werd hij lid van de Accademie van de Teyken-Const (de huidige Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten), die kort tevoren was gesticht door onder andere zijn voormalige leraar Theodoor van der Schuer. Deze nieuwe academie was opgericht als afscheiding van een soortgelijke instelling, Pictura, en bood de gelegenheid naakten te tekenen. Veel kunstenaars, waaronder De Bruijn, waren lid van beide instellingen.

Zijn belangrijkste project was in deze jaren de voorbereiding en uitgave van zijn eerste boek, Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië. In de inleiding schreef hij dat hij nauwkeurige afbeeldingen wilde bieden van de steden, dorpen en gebouwen die hij had bezocht. Hij voegde toe dat hij zonder overdrijving kon zeggen iets te hebben gedaan dat niemand eerder had gedaan.

Dat was inderdaad het geval en het resultaat was schitterend. Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Asia telde ongeveer 400 pagina’s en bevatte maar liefst 200 afbeeldingen van allerlei monumenten, antiek en middeleeuws en eigentijds. Een publicatie van deze omvang en reikwijdte zou zelfs voor een rijke man een grote investering zijn geweest, wat Cornelis de Bruijn zeker niet was. In feite begrijpen we niet hoe hij het heeft weten te financieren. Het was een van de eerste voorintekenbare edities in Nederland, wat betekent dat mensen korting kregen als ze vooraf betaalden, en inderdaad bevat het boek een lijst van 630 voorintekenaren, maar ook dan was de investering groot.

Het netwerk

De Bruijn kreeg ook auteursrecht. Hij was de enige die dit boek mocht publiceren, en de Staten van Holland zouden iedereen beboeten die dit recht zouden schenden. Dit was zeer ongebruikelijk en suggereert dat De Bruijn uiterst invloedrijke vrienden had. De lijst met mensen voorintekenaren helpt ons deze mensen te identificeren: hovelingen en vrienden van Zijne Britse Majesteit Willem, koning van Engeland, prins van Oranje, stadhouder van Holland. Hoe nauw De Bruijns band met het hof was, blijkt uit het feit dat hij zijn eigen portret liet schilderen door de Britse hofschilder Godfrey Kneller (1646-1723).

Hoe een relatief onbekende schilder zulke uitstekende contacten kon hebben, is een raadsel. Misschien ligt het antwoord ergens in een Brits archief. Het is een verleidelijk idee dat Willem III De Bruijn heeft gebruikt om inlichtingen in te winnen, en het zou een leuk gegeven zijn voor een roman, maar bewijs is er niet.

Gisbert Cuper (Museum De Waag, Deventer)

De geleerden

Voordat het boek verscheen, ontmoette Cornelis de Bruijn Gisbert Cuper (1644-1716), de burgemeester van de stad Deventer, een toegewijd aanhanger van Willem van Oranje, en vooral een beroemd antiquariër. Hoe Cuper van De Bruijn wist, is niet bekend, maar de Nederlandse consul in Smyrna, die de schilder zo vriendelijk had ontvangen, wisselde brieven met Cuper en heeft de geleerde mogelijk over de schilder geïnformeerd. Een andere verklaring is dat Cuper vaak in Den Haag kwam (hij was lid van de Staten-Generaal) en mogelijk in zijn geboorteplaats over De Bruijn had gehoord.

Hoe het ook zij, de twee mannen ontmoetten elkaar en De Bruijn mocht een kopie maken van het schilderij dat Gerard Hofsted van Essen in 1691 in Palmyra had gemaakt. Ik noemde het in mijn vorige stukje en in een eerdere blog. Zo kon De Bruijn Palmyra toch opnemen in zijn boek.

Reizen in de belangrijkste delen van Klein-Azië verscheen in 1698 en was een spectaculair succes. Een Franse vertaling verscheen in 1700, de Engelse twee jaar later. De recensies in de Bibliotheca librorum novorum en het Journal des Savants, twee van ’s werelds eerste wetenschappelijke tijdschriften, waren enthousiast. En tenslotte bevatte de Franse editie een technische nieuwigheid: De Bruijn liet twee exemplaren drukken in kleur. Tot dan toe waren illustraties altijd met de hand ingekleurd, maar drukken in kleur was nog nooit eerder gebeurd. Opnieuw komt de vraag op hoe De Bruijn aan het geld kwam.

Nicolaes Witsen

Nicolaes Witsen

Zijn ster was rijzende. In 1699 trad hij op als bestuurder van de Accademie van de Teyken-Const in Den Haag. In het volgende jaar bezocht hij Londen, waar Godfrey Kneller zijn portret schilderde, en waar hij mogelijk andere belangrijke hovelingen heeft ontmoet. Terug in Nederland ontmoette hij Nicolaes Witsen (1641-1717), de burgemeester van Amsterdam. Witsen was ook een bekend cartograaf met een uitgebreid netwerk van belangrijke contacten in Azië. Hij stelde De Bruijn voor om nog een reis te maken, dit keer naar Rusland en Perzië.

Deze reis was van begin af aan bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek. Het hoofddoel zou een bezoek zijn aan Isfahan en Persepolis, de hoofdsteden van het toenmalige en van het antieke Perzië. De Bruijn zou reizen met aanbevelingsbrieven, kreeg verschillende wetenschappelijke instrumenten mee en hoorde waarop hij moest letten.

Peter de Grote loopt stage (Zaandam)

Een ander doel was Rusland, waar tsaar Peter de Grote (r.1682-1725) regeerde. Hij was bevriend met Nicolaes Witsen, die in 1697 Peters beroemde stage in Zaandam had geregeld. De tsaar wilde zijn rijk moderniseren en een koopvaardijvloot bouwen, en Witsen vermoedde dat de vorst een kunstenaar nodig had om westerlingen te tomen hoe het gemoderniseerde Rusland eruit zag. Zo zouden buitenlandse investeerders geïnteresseerd kunnen zijn in het imperium.

Cornelis de Bruijn zou deze kunstenaar worden. Nadat hij zijn testament had opgemaakt, verliet hij Den Haag op 28 juli 1701. Hij was bijna vijftig jaar oud en zou zeven jaar weg blijven.

Wordt vervolgd.

#AccademieVanDeTeykenConst #antiquarisme #auteursrecht #BibliothecaLibrorumNovorum #CornelisDeBruijn #DenHaag #Deventer #GerardHofstedVanEssen #GisbertCuper #GodfreyKneller #Isfahan #NicolaesWitsen #Persepolis #PeterDeGrote #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #RepubliekDerZevenVerenigdeNederlanden #Rusland #StadhouderKoningWillemIII #TheodoorVanDerSchuer #Zaandam

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (6) Terugkeer

Cornelis de Bruijn, Libanonceders

Dit is het zesde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Libanon

Cornelis de Bruijn verliet Jeruzalem op 16 november 1681 en bleef even hangen in Ramla om daar – vandaag 343 jaar geleden – Kerstmis te vieren. Nieuwjaar en Drie Koningen volgden en op 8 januari 1682 was hij weer in Jaffa, waar hij onmiddellijk aan boord van een schip ging. De volgende dag arriveerde hij in Tripoli.

Cornelis de Bruijn, Tripoli

Daar verbleef De Bruijn vier maanden in het huis van de Hollandse consul, maar hij maakte wel enkele rondreizen. Een daarvan bracht hem naar de Libanon, waar hij de beroemde cederbomen bewonderde. Op een tweede reis bezocht hij Akko, Nazaret, het Meer van Genesaret en de berg Tabor. Op de weg terug bezocht hij opnieuw Tyrus en deed hij Sidon aan alvorens terug te keren naar Tripoli.

Syrië

Daarvandaan vervolgde zijn weg naar Aleppo, waar hij van mei 1682 tot april 1683 woonde in de karavanserai. In zijn verslag vertelt hij over de Romeinse munten die hij op de markt kocht. Hij geeft er een uitvoerige beschrijving van.

Cornelis de Bruijn, Aleppo

Vanuit Aleppo wilde De Bruijn verder reizen naar de onlangs geïdentificeerde ruïnes van Palmyra. Vijf jaar eerder waren de overblijfselen van de oude stad bezocht door een groep Engelsen, en nu wilde de Nederlandse kunstenaar de plek ook zien. Helaas weigerde een lokale bedoeïenenstam mee te werken. Na een klein jaar verliet De Bruijn Aleppo, enigszins teleurgesteld.

Toch hoeft de lezer van Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië niet te delen in deze teleurstelling. Acht jaar na De Bruijns poging hadden dominee William Halifax en een Nederlander genaamd Gerard Hofsted van Essen
meer succes. In zijn boek bood De Bruijn zijn lezers een samenvatting van wat Halifax had geschreven, met enkele kleine toevoegingen. Ook voegde hij een gravure toe, die een kopie was van een groot schilderij dat Hofsted van Essen had  gemaakt. Het schilderij is nu in het Allard Pierson-museum. Ik blogde er al eens over.

De gravure van Cornelis de BruijnGerard Hofsted van Essen, Palmyra (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Terug naar Italië

De Bruijn verliet Syrië vanuit Alexandretta (het huidige Iskenderun), bezocht Cyprus en reisde in de eerste helft van juni van Antalya naar Smyrna. De binnenlandse route was ongebruikelijk. Het was bekend dat deze gevaarlijk was. Het grootste gevaar bleek echter niet een overval, maar een grote slang, die De Bruijn uitschakelde met zijn pistool.

Veilig en wel arriveerde hij in Smyrna, waar hij nog zestien maanden zou blijven. Pas nu ontdekte hij dat de Hollandse consul en de ambassadeur in Constantinopel tijdens zijn eerdere bezoek hadden geloofd dat De Bruijn de potentiële moordenaar van Johan de Witt was. Toen de kunstenaar Smyrna uiteindelijk verliet, op 25 oktober 1684, was hij al meer dan tien jaar van huis.

Op 10 november arriveerde hij in Venetië, waar hij tot 1692 zou verblijven in het atelier van een Beierse schilder wiens echte naam Johann Carl Loth was, hoewel elke Italiaan hem Carlotto (1632-1698) noemde. De Bruijn ging werken in zijn atelier.

Venetië

Over de Venetiaanse jaren van De Bruijn is vrijwel niets bekend. Het is mogelijk dat onderzoek in Italiaanse archieven nog eens iets zal opleveren. In elk geval heeft hij Johann Michael Rottmayr (1656-1730) ontmoet, die op dat moment ook in dienst was van Loth.

Het martelaarschap van Petrus van Verona (kopie)

Natuurlijk moet De Bruijn hebben gehoord hoe Willem III in 1688 een nogal dubieuze uitnodiging had aanvaard om koning van Engeland te worden, het reguliere leger had verslagen, Londen had veroverd, koning was geworden en had aangekondigd dat hij, zoals hij in de Republiek gewend was, de macht zou delen met het parlement. Het verhaal van de Glorious Revolution moet De Bruijns belangstelling hebben gehad, want Willem was aan de macht gekomen na een moord waarvan de kunstenaar nog steeds werd verdacht.

Het is mogelijk dat De Bruijn heeft bijgedragen aan het enige werk uit het atelier van Loth dat in deze jaren kan worden gedateerd, een kopie van Titiaans Dood van Petrus van Verona. Het origineel bevond zich vroeger in San Zanipolo in Venetië, maar is nu verloren gegaan.

In 1692 werd Loth naar Wenen geroepen om hofschilder van keizer Leopold I te worden. Hij zou die positie tot zijn dood bekleden en worden opgevolgd door Rottmayr. Misschien wilde De Bruijn met zijn collega’s mee, maar omdat hij niet katholiek was, ging dat niet. In plaats daarvan keerde hij terug naar huis. Het Rijnland was niet langer een oorlogsgebied en hij kon Frankfurt en Keulen bezoeken. In Keulen vierder hij Kerstmis, Nieuwjaar en Drie Koningen (die in Keulen begraven zouden liggen). Ook het beroemde Keulse carnaval maakte hij mee.

Daarna reisde hij verder. Op 14 maart 1693 arriveerde hij in Amsterdam; vijf dagen later was hij in Den Haag.

Wordt vervolgd.

#Akko #Aleppo #AllardPiersonmuseum #Antalya #ceder #CornelisDeBruijn #Cyprus #GerardHofstedVanEssen #GloriousRevolution #Iskenderun #Italië #Izmir #Jaffa #Jeruzalem #JohannCarlLoth #LeopoldIKeizer_ #Nazaret #OttomaanseRijk #Palmyra #Ramla #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #RepubliekDerZevenVerenigdeNederlanden #Sidon #Smyrna #StadhouderKoningWillemIII #Syrië #Tabor #TripoliLibanon_ #Tyrus #Venetië #WilliamHalifax

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter