De Zevenslapers van Efese

De Zevenslapers van Efese

In de winter van 249/250 gelastte de Romeinse keizer Decius al zijn onderdanen om te offeren aan hun voorouderlijke goden. Daar was alle reden toe, want er woedde een akelige, op ebola lijkende epidemie, en verder waren er de problemen die worden samengevat als de Crisis van de Derde Eeuw. Voor sommige groepen pakte Decius’ loyaliteitseis vervelend uit, want neopythagoreeërs, hermetici en neoplatonisten maakten bezwaar tegen het offeren. Op naam van de pythagorese filosoof Apollonios van Tyana is een briefje overgeleverd waarin hij expliciet zegt dat de grootste eer die men aan de goden kan bewijzen, eruit bestaat niet aan ze te offeren. Duidelijke taal.

Voor de vereerders van Christus was het makkelijker. De meesten hadden de nieuwe god toegevoegd aan hun pantheon. Van keizer Severus Alexander (r.222-235) is bekend dat hij dagelijks offerde aan Abraham, Christus, Orfeus en de zojuist genoemde Apollonios van Tyana. Voor sommige vereerders van Christus stonden echter principieel afwijzend tegenover Decius’ eis, en betaalden met hun bloed. Dionysius van Parijs (Saint-Denis) is een voorbeeld. Andere christenen maakten zich uit de voeten, zoals de bisschop van Karthago, Cyprianus.

De Zevenslapers

In Efese vluchtten zeven mannen naar een grot om daar te schuilen tot de dagen voorbij waren waarin hun stadsgenoten aan het offeren waren. Ze vielen in slaap, maar toen ze werden gewekt door iemand die de grot als stal wilde gaan gebruiken, waren bijna twee eeuwen verstreken: dat zou in 447 zijn geweest, tijdens de regering van keizer Theodosius II. Dat de wakker geworden mannen werkelijk vele decennia hadden geslapen, werd onweerlegbaar bewezen toen ze boodschappen wilden doen met verouderde munten. De grot wordt nog altijd aangewezen, maar ik heb die zelf alleen van een afstand kunnen fotograferen.

De grot van de Zevenslapers

Dit mooie verhaal werd driekwart eeuw later, dus aan het begin van de zesde eeuw, voor het eerst opgeschreven door de Syrische auteur Jacobus van Serugh. Op dat moment was er al een aan de Zevenslapers gewijde kerk. De dubbele bodem van de legende betreft natuurlijk de opstanding van de doden.

Verspreiding

Misschien was het wel omdat een belangrijk theologisch leerstuk aanschouwelijk werd gemaakt, misschien was het wel gewoon omdat mensen hielden van wonderbaarlijke verhalen, maar in elk geval verspreidde de legende van de Zevenslapers zich bliksemsnel. Na een halve eeuw was er al een versie in het Centraal-Aziatische Sogdisch, rond 575 vertaalde de Gallische bisschop Gregorius van Tours de legende in het Latijn (lees maar). Van westelijk China tot de Atlantische Oceaan: na een halve eeuw kende de hele antieke wereld de legende.

Via het Sogdisch kennen we ook Perzische, Kirgizische en Tataarse versies; via het Latijn kwamen Angelsaksische en Ierse versies tot stand; de Syrische tekst moet ten grondslag liggen aan de Armeense, Koptische en Ethiopische versies. De Byzantijnse versies kunnen teruggaan op een origineel dat een fractie ouder zou kunnen zijn dan de tekst van Jacobus van Serugh.

Tot slot noem ik de Arabische versies. De joden van Najran, in het zuiden van het huidige Saoedi-Arabië, kenden de legende, al meenden zij dat ze ging over drie van hun geloofsgenoten. Het verhaal is daarna opgenomen in de Koran en deze variant dateert dus van voor 632. Hierin lezen we dat sommige mensen het hebben over zeven slapers, over drie slapers, over vier slapers, over vijf slapers plus een hond, of zeven plus hond. God weet het natuurlijk precies, stelt de Koran de luisteraar gerust, maar voor ons is interessant dat er vóór 632 al zo’n wildgroei aan tradities was dat het vragen opriep.

Parallel

Nu we het toch hebben over de vroege islam: daar vinden we een andere verhaal dat zich razendsnel verspreidde, al is het een stuk minder breed gedocumenteerd. Dat betreft een roepingsverhaal over de profeet Mohammed dat ouder is dan de standaardbiografie van Ibn Ishaq, en dat mondeling moet zijn doorgegeven naar het westen. Met aanpassingen vinden we dit verhaal in de in 731 voltooide Kerkgeschiedenis van Beda de Eerbiedwaardige, die het toepast op de Angelsaksische dichter Caedmon. U leest er hier meer over.

Wat ik met dit blogje maar zeggen wil: verhalen konden zich razendsnel verspreiden.

#Angelsaksen #BedaVanJarrow #Caedmon #Decius #Efese #GregoriusVanTours #JacobusVanSerugh #legende #Najran #SeverusAlexander #SintCyprianus #SintDionysiusVanParijs #TheodosiusII #Zevenslapers

De Saksen

Luit van der Tuuk, die u wellicht kent van zijn boeiende boeken over de Franken, Dorestad, de Friezen (e-book), Bonifatius en de Vikingen, heeft alweer een mooi boek geschreven. Het heet gewoon De Saksen, en dat is, zoals hij in de inleiding al aangeeft, een kneedbaar begrip. Eeuwenlang waren de Saksen vooral degenen die door anderen werden aangeduid als de Saksen.

De eerste Saksen

Het probleem is niet eens zozeer dat de Saksen lange tijd “people without history” zijn geweest, die zelf geen bronnen schreven. Zeker, we kennen ze aanvankelijk vooral uit de beschrijvingen van Romeinse en Frankische auteurs, die hun beschouwden als barbaarse tegenstanders. Maar het feitelijke probleem is wezenlijker. De Romeinse en Frankische bronnen zijn namelijk niet alleen vooringenomen, ze zijn voor heel schaars en heel ambigu.

De allereerste vermelding van Saksen is te vinden bij de tweede-eeuwse geleerde Ptolemaios van Alexandrië, die hen – vanuit Romeins gezichtspunt – plaatst voorbij de Elbe, in Sleeswijk-Holstein. Pas anderhalve of twee eeuwen later worden ze opnieuw vermeld, vaak in één adem met de Franken. De Romeinse schrijvers lijken geen onderscheid te hebben kunnen maken. In de vijfde eeuw is “Saksen” dan de naam voor allerhande zeeschuimers op de Noordzee. Hoewel er weinig reden is aan te nemen dat het allemaal vredelievende kooplieden waren, wil de beschuldiging van piraterij weinig meer zeggen dan dat hun praktijken niet aansloten op wat de Romeinen van nette handelaren verwachtten.

Agenda’s en romantiseringen

Elke auteur heeft, zoals dat met alle auteurs het geval is, een agenda. Als je niets hebt te betogen, hoef je immers niets op te schrijven – niemand schrijft op wat vanzelf spreekt. Wanneer Van der Tuuk die agenda’s schetst, is hij op zijn best. De zesde-eeuwse geschiedschrijver Gildas, die verslag doet van de Saksische aanwezigheid in wat nu Engeland heet, is bijvoorbeeld helemaal niet geïnteresseerd in de Saksen, maar heeft het vooral over het morele falen van de post-Romeinse leiders. En als een andere auteur, de negende-eeuwer Rudolf van Fulda, een groep Saksen typeert als nieuwkomers, past dat weliswaar bij het beeld van zeerovers, maar lijkt het vooral een rechtvaardiging van Frankische agressie tegen de Saksen. Daarover zo meteen meer.

Nog een leuke observatie van Van der Tuuk: juist de bronnen die op het eerste gezicht de meeste informatie bevatten, moet je wantrouwen. Het zijn vaak bewerkingen van eerdere bronnen, waar men aan heeft toegevoegd wat in de eigen tijd relevant is. Je zou het romantiseringen kunnen noemen. Ik moest even denken aan de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels, dat we stap voor stap kunnen volgen en in elke bron nog bizarder is dan daarvoor.

Vaste grond

Pas in de Karolingische tijd krijgen we wat meer vastigheid. Woonden de Saksen tot dan toe in Sleeswijk-Holstein aan gene zijde van de Elbe, inmiddels wonen ze – na verblijf op schepen op de Noordzee, in Normandië en op de Britse oostkust – aan deze zijde van de Elbe. Zeg maar op de Noord-Duitse Laagvlakte. Anders gezegd: in het gebied waar Romeinse geschiedschrijvers de Franken plaatsten, plaatsten de Frankische geschiedschrijvers de Saksen.

Ik was blij met het hoofdstuk in De Saksen over de Saksische veldtochten van Karel de Grote. Ik wist daar weinig van, maar wist dat het een fel, wreed conflict was geweest. Maar een beschrijving had ik nog nooit gelezen. Er waren drie fasen, zo leerde ik:

  • Een fase van 772 tot 777, waarin Karel strijdt tegen een Bruno en een Hassio;
  • Een tweede fase van 777 tot 785, waarin Karels voornaamste tegenstander Widukund is;
  • Een derde fase van 792 tot 804, waarin Karel de steun krijgt van Slavische krijgers vanuit het gebied aan de andere kant van de Elbe.

Het is een wrang verhaal, soms onderbroken door diplomatie. Karel probeerde dan de verdeelde Saksen voor zich te winnen door mensen die partij voor hem kozen, op te nemen in de Frankische rijkselite. Het zijn de onderbrekingen van een verslag vol gevechten, deportaties en massale executies. Dat Karel uiteindelijk won, was deels door het gebied te ontsluiten: hij liet bruggen slaan en versterkte nederzettingen aanleggen, die het begin vormden van de verstedelijking.

Kerstening

En natuurlijk was er de kerstening. Van der Tuuk schetst het als een proces van dwang, en ik wil het geloven want ik ben geen mediëvist. Maar ergens is er ook een oudheidkundige stemmetje in mij dat me eraan herinnert dat het althans in de Oudheid de verering van Christus prima te combineren viel met de verering van andere goden. De “exclusivisten”, die zeiden dat wie was gedoopt, geen andere goden meer mocht erkennen, waren lange tijd een minderheid, die later dominant werd en ervoor heeft gezorgd dat minder orthodoxe bronnen niet meer werden gekopieerd. Ook is er een stemmetje in mij dat me eraan herinnert dat in het Midden-Oosten moslims zich lieten dopen omdat het hun beschermde tegen kwade geesten (het “doopsel van Johannes”).

Ik kan me voorstellen dat de Saksische kerstening ook meer gezichten heeft gehad dan de dwang waarover we in de bronnen lezen. Evengoed hebben de christelijke missionarissen talloze eeuwenoude heilige bomen en Irminsuls neergehaald. Je kunt minimaal zeggen dat de christenen hun doelgroep niet uitsluitend met argumenten overtuigden.

Het is in dit deel van De Saksen dat Van der Tuuk ook een man als Lebuïnus, die u wellicht kent van zijn grafkerk in Deventer, een plek geeft in het grotere geschiedverhaal. Van der Tuuk wijst er meteen op dat diens reputatie aanvankelijk niet zo heel groot was, maar dat hij belangrijk werd gemaakt toen de bisschop van Utrecht tijdelijk zijn residentie verlegde naar Deventer.

Het zijn dit soort constateringen die De Saksen tot een fijn boek maken. Ik heb het boek met heel veel plezier gelezen. Als u iemand kent of iemand bent met belangstelling voor de Vroege Middeleeuwen, dan weet u wat Sinterklaas te doen staat.

#Angelsaksen #Deventer #doop #doopselVanJohannes #Elbe #Gildas #Irminsul #kerstening #Lebuïnus #LuitVanDerTuuk #Noordzee #peopleWithoutHistory #piraterij #PtolemaiosVanAlexandrië #RudolfVanFulda #Saksen #verstedelijking #Widukund