De Tempelreiniging

Tyrische sjekel (Nationaal Museum, Beiroet)

Zoals u wellicht weet, heeft Jezus van Nazaret op zeker moment de geldwisselaars weggeranseld van het terrein rond de tempel in Jeruzalem. De gebeurtenis staat bekend als de Tempelreiniging. Hier is het verhaal volgens Marcus.

Jezus ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. Hij hield de omstanders voor: “Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”

Toen de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was, zochten ze naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen.noot Marcus 11.15-18; NBV21.

Matteüs en Lukas vertellen ruwweg hetzelfde, de evangelist Johannes biedt andere informatie:

Op het tempelplein trof Jezus de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver en riep tegen de duivenverkopers: “Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!”noot Johannes 2.14-16; NBV21.

Het belangrijkste verschil is dat Johannes weglaat wat bij Marcus de pointe is: dat dit voorval de reden was voor Jezus’ arrestatie, enkele dagen later. Johannes plaatst de anekdote helemaal vooraan in zijn evangelie, zo ver mogelijk van Jezus’ kruisdood af. Misschien is dat omdat Johannes het gênant vindt, misschien is dat omdat hij de nadruk wil leggen op de diepere, heilshistorische betekenis van de kruisdood en daarbij die menselijke oorzakelijkheid niet nodig heeft. Maar die menselijke oorzakelijkheid ontkent hij dus niet – hij verbergt haar slechts.

Een bankier (mozaïek uit Thabraca; Bardo-museum, Tunis)

Wat deden die lui nou verkeerd?

Tot zover de twee teksten. Nu waarom ik dit blogje schrijf. Wat deden die geldwisselaars en duivenverkopers nou toch verkeerd? Dat is een simpele vraag, maar nu ik erover ben gaan nadenken, begrijp ik er niets meer van.

Ik heb er weleens op gewezen dat in een wereld waarin patronage een belangrijke rol speelt, de boeren het liefst rechtstreeks contact met hun bestuurders willen (in jargon: brokerless kingdom). In zo’n wereld wordt een tempel die geld vraagt voor een duif, en die betaling vraagt met speciale munten, eerder ervaren als een obstakel voor het contact met God dan als een plek om bij hem te zijn.

Het probleem met deze verklaring is natuurlijk dat de tekst feitelijk geen aanwijzing biedt. Ik redeneer hiermee vanuit een algemeen beeld van de toenmalige wereld. Dat kan juist zijn – dat denk ik ook eigenlijk wel – maar het blijft een hypothese, gebaseerd op enerzijds vergelijking met andere boerensamenlevingen en anderzijds een handvol passages die bewijzen dat mensen klaagden dat de duiven onbetaalbaar waren. Maar “te dure duiven” is niet wat Marcus en Johannes vermelden. Ze vermelden helemaal niets.

Andere verklaringen

Is het probleem misschien dat je op een heilige plek niet met zoiets vulgairs als munten, die metalen stukken gestold wantrouwen, bezig moet zijn? Het kan. Mensen kunnen niet én God én de Mammon dienen. Maar waarom horen we dan niets over soortgelijke scrupules uit andere tempels?

En nog een probleem: waarom moesten bezoekers hun munten wisselen tegen Tyrische sjekels? Het hele Romeinse Rijk waren tal van munten in omloop, maar een munt die was geslagen in de ene stad, woog evenveel als een munt in een andere stad. Een Tyrische sjekel correspondeerde ruwweg met vier drachmen of vier denariën. Er waren weliswaar marginale verschillen, maar ik heb niet de indruk dat die voldoende belangrijk waren. Los daarvan: als die verschilletjes werkelijk een probleem vormden, dan deden de geldwisselaars in Jeruzalem gewoon nuttig werk.

Misschien een afbeelding? Er stond een adelaar aan de ene zijde, een dier dat we ook wel afgebeeld zien in synagogen, en het portret van de vorst sierde de andere zijde van de Tyrische sjekel. Ik heb weleens gelezen dat zo’n portret een schending was van het beeldverbod uit de Tien Geboden, maar als de tempelautoriteiten betaling met Tyrische sjekels eisten, was dat blijkbaar geen probleem.

Kortom, ik snap eigenlijk steeds minder van dit verhaal. Leuk.

[Een overzicht van  deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#adelaar #brokerlessKingdom #duif #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #Mammon #NieuweTestament #patronage #tempel #Tempelreiniging

De hoofddoek (2) het westen

Hellenistische dame met hoofddoek (RIjksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik gaf gisteren aan dat het hoofddoekje in het oude Nabije Oosten en in de Mediterrane wereld gold als het privilege van een getrouwde vrouw. Negatief geformuleerd: het onbedekte haar van slavinnen, prostituees en ongetrouwde meisjes was een aanwijzing dat ze seksueel beschikbaar waren – uiteraard na toestemming van de eigenaar, na betaling of na huwelijkssluiting. Ik attendeerde er ook op dat vrouwenportretten een andere werkelijkheid documenteren: vrouwen waarvan we zeker weten dat ze getrouwd waren, worden met onbedekt haar afgebeeld. Ik ben er vrij zeker van dat niemand de Romeinse keizerin beschouwde als seksueel beschikbaar.

Dat er in elk geval in de Romeinse keizertijd diverse normen bestonden, blijkt tevens uit teksten die het joodse leven documenteren. De traditionele norm, dat een getrouwde vrouw een hoofddoek mocht dragen, wordt verondersteld in de rond 200 na Chr. samengestelde Mishna. Deze eerste grote optekening van rabbijnse opvattingen legt het vertrouwde verband tussen het dragen van een hoofddoek en het huwelijk: een man mocht zijn echtgenote verstoten als ze met onbedekt haar over straat ging, en hoefde dan de bruidsschat niet terug te betalen.noot Mishna, Ketuboth 7.6.

Eeuwen later, ten tijde van het Kalifaat, documenteert de Babylonische Talmoed een rabbijnse discussie over de vraag of een vrouw die een mand op haar hoofd droeg, haar haar voldoende had bedekt, en tevens de vraag of dit ook binnenshuis gold. Zoals te doen gebruikelijk staan de diverse meningen naast elkaar en is er geen eenduidig antwoord, maar het interessante is dat de rabbijnen als vanzelfsprekend de norm aannemen dat een getrouwde vrouw een hoofddoek draagt. (Ik zeg er volledigheidshalve bij dat de rabbijnen niet vroegen om een vrouwelijke mening.)

Hellenistische dame met hoofddoek (Louvre, Parijs)

Een andere joodse stem is die van de apostel Paulus die, toen hij de Eerste Brief aan de Korintiërs schreef, nog niet kon weten dat latere generaties hem tot het christendom zouden rekenen. Nadat hij heeft verteld dat een man het beste blootshoofds kan gaan, schrijft de leerling van rabbijn Gamaliël:

Een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want dat is even schandelijk als met een kaalgeschoren hoofd. Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich net zo goed laten kaalknippen of kaalscheren.noot 1 Korintiërs 11.5-6.

Toch is er een verschil met de opvattingen uit joods Babylonië. Waar de rabbijnen de norm konden veronderstellen toen ze zich het hoofd braken over wat detailkwesties, adviseerde Paulus de mensen om zich te houden aan die norm. Anders gezegd: wat in Babylonië vanzelfsprekend was, was dat in Korinthe niet (of niet meer). Paulus’ advies staat bovendien niet op zich. De christelijke auteur Tertullianus wijdde, ruwweg op het moment dat elders de Mishna werd samengesteld, dus rond 200 na Chr., een compleet traktaat aan de hoofddoek voor maagden – met andere woorden, voor niet-getrouwde vrouwen.

Hij erkent daarbij dat hij redeneert vanuit de christelijke waarheid en dat hij zich niet beroepen kan op de traditie, die dus anders was. Van een auteur die zich ook afvroeg wat Jeruzalem met Athene van doen had – met andere woorden: een auteur die de gangbare Mediterrane beschaving afwees – hadden we geen ander standpunt verwacht. Tertullianus bleef dan ook een minderheid en het latere canonieke recht bepaalde slechts dat mensen zich in een kerkgebouw netjes moesten kleden, waarbij men het advies van Paulus overnam: mannen blootshoofds, vrouwen liever met bedekt haar.

[Wordt vervolgd; een overzicht van passages uit het Nieuwe Testament is hier.]

#canoniekRecht #EersteBriefAanDeKorintiërs #hoofddoek #huwelijk #KalifaatVanDamascus #Mishna #NieuweTestament #Paulus #prostituees #rabbijnseLiteratuur #Tertullianus #traditie #vrouwenportretten #vrouwenrechten

Bijbelse en Griekse insecten

Zelfportret van de Meester van Frankfurt en zijn vrouw, detail (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen)

Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd: ik blog vandaag dus eens over iets kleins, namelijk insecten. Nu zitten er op het eerste gezicht niet bijster veel vliegen, muggen en vlooien in het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag graag blog, maar er zijn er wel een paar verstopt. Als Jezus een bezetene heeft genezen, vragen mensen zich bijvoorbeeld af of hij een door God gezonden verlosser kan zijn, en werpen anderen tegen dat hij alleen demonen kon uitdrijven “dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen”.noot Marcus 3.22.

Heer der vliegen

Hier gebeurt weer eens een hoop tegelijk. Eeuwen eerder was er vrijwel zeker een Kanaänitische godheid die Baäl-Zebul heette, wat de auteur van het Deuteronomistische Geschiedwerk, die niets wilde weten van andere goden dan zijn eigen godheid, “verbeterde”: hij duidde deze godheid aan als Baäl-Zebub, ofwel de “heer der vliegen”.noot 2 Koningen 1.2. De nieuwtestamentische weergave blijft dus iets dichter bij het Kanaänitische origineel, maar heeft een even negatieve associatie. In de latere, christelijke traditie zou Beëlzebul de naam van de duivel zelf zijn, wat niet helemaal hetzelfde is als de vorst der demonen.

De grens tussen vliegen en muggen en vlooien is in oude teksten niet altijd even duidelijk, dus ik vervolg met ander vliegend ongedierte. Een van de tien plagen van Egypte bestond uit vliegen of muggennoot Exodus 8.12. en de auteur van Prediker weet dat een beetje dwaasheid de beste wijsheid ranzig maakt, “zoals één dode vlieg een kostbare zalf bederft”.noot Prediker 10.1.

Aisopos en Aristoteles

De Joden waren niet de enigen met een hekel aan insecten. De Griekse fabeldichter Aisopos voelde er ook weinig sympathie voor. Nu zijn de fabels van Aisopos wat verdacht: er is nogal wat op zijn naam overgeleverd dat niet hijzelf heeft bedacht en classici hebben weinig illusies over de authenticiteit van het corpus. Maar als zo’n vertelsel is overgeleverd door Aristoteles, hebben we in elk geval te maken met een Griekse anekdote die behoorlijk oud is.

Aisopos, die voor de volksvergadering van Samos een alleenheerser verdedigde die ter dood veroordeeld was, vertelde dit verhaal:
“Een vos die een rivier overstak, werd meegevoerd door de stroming en kwam terecht in een hol in de rotsen. Omdat hij er niet uit kon komen, leed hij lange tijd onder een zwerm muggen die zich aan hem vastklampte. Een egel die daar ook rondzwierf, zag de vos en kreeg medelijden. Hij vroeg of hij de muggen mocht verwijderen. De vos wees het aanbod echter af. Toen de egel vroeg waarom, antwoordde hij: ‘Deze muggen zitten inmiddels vol met mijn bloed en zuigen niet veel meer. Als je ze weghaalt, komen er andere met een frisse eetlust die al mijn bloed zullen opdrinken.’
“En zo,” rondde Aisopos af, “zal mijn cliënt jullie geen kwaad meer doen. Hij is al rijk. Maar als jullie hem ter dood brengen, zullen er anderen komen die niet rijk zijn, en hun verduisteringen zullen jullie schatkist volledig leegmaken.” noot Aristoteles, Rhetorika 1393b-1394a.

Kortom

De overlast van de muggen wordt door Aisopos niet uitgelegd maar simpelweg verondersteld, en Aristoteles spreekt het niet tegen. Ook Grieken hadden dus een hekel aan muggen. Kortom, als u behoort tot degenen die de Oudheid om een of andere reden normatief vinden, dan heeft u dus zowel klassieke als bijbelse toestemming om een vlieg of een mug dood te meppen. Maar u kunt natuurlijk ook wat minder bloeddorstig zijn, zoals de dame op het plaatje hierboven, die er vrede lijkt te hebben met wat anderen ongedierte noemen.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#Aisopos #Aristoteles #Beëlzebul #DeuteronomistischGeschiedwerk #duivel #egel #insect #mug #NieuweTestament #vlieg #vos

Vijf broden, twee vissen

Brood en vis (Catacomben, Rome)

Een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, waarover ik op zondagen nogal eens blog, is dat over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Het zijn overigens twee verhalen over twee gebeurtenissen, beide te vinden bij Marcus: het eerste verhaal speelt zich af in de omgeving van het Meer van Galilea, en het tweede in de Dekapolis.noot Marcus 8.1-10. Daarover een andere keer meer, vandaag het verhaal in Galilea.

Dat begint ermee dat Jezus en enkele volgelingen naar een afgelegen plek varen, waar ze echter geen rust vinden, maar worden opgewacht door een grote menigte. Jezus “voelde medelijden met hen,” schrijft Marcus, “want ze waren als schapen zonder herder” – een echo van Jezus’ missie om de verloren schapen van Israël terug te halen.

Hij onderwees hen langdurig. Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: “Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten voor zichzelf te kopen.”
Maar hij zei: “Geven jullie hun maar te eten!”
Ze vroegen hem: “Moeten wij dan voor tweehonderd denarii brood gaan kopen om hun te eten te geven?”noot Marcus 6.34b-37; NBV21.

Van tweehonderd denarii, zilverstukken, kon iemand een jaar leven. Het bedrag correspondeert met 3200 as, bronstukken, en omdat een brood twee as kostte, hebben we het dus over 1600 broden. Dat past aardig bij het gegeven dat er ongeveer 5000 mensen aanwezig waren.

Toen zei hij: “Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.”
Ze gingen kijken en zeiden: “Vijf, en twee vissen.”
Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde hij onder allen die er waren. Iedereen at en werd verzadigd. Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten.noot Marcus 6.38-44.

De miraculeuze maaltijd

Het motief van de gastheer die begint eten uit te delen, ook al heeft hij weinig, waarbij de voedselvoorraad miraculeus groot blijkt te zijn, is van alle tijden en culturen, al zal de auteur van het Marcus-evangelie vooral hebben gedacht aan een soortgelijk incident met de profeet Elisa.noot 2 Koningen 4.42-44. Hij zal ook hebben gedacht aan Jezus’ woorden van het Laatste Avondmaal:

Hij nam een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit.noot Marcus 14.22.

Het brood nemen, het brood zegenen, het brood breken, het brood uitdelen: het is vanzelfsprekend een vrij logische volgorde, maar de herhaling van exact dezelfde werkwoorden suggereert dat er meer aan de hand is. Er is bovendien een parallel bij de broodmaaltijd in de Dekapolis. De hypothese dat deze vier werkwoorden ook een rol speelden in de gebeden van de vroege christelijke gemeenschap, is niet toetsbaar maar ook niet heel erg krankzinnig, al was het maar omdat de scène tevens is afgebeeld in de catacomben.

Open commensaliteit

Daar komt bij dat gemeenschappelijke maaltijden belangrijk waren voor de eerste gelovigen. De sociaalwetenschappelijke term is “open commensaliteit”, dat wil zeggen dat je je maaltijd deelt met alle aanwezigen, zonder aanzien des persoons of zonder verwachting van een tegenprestatie. Het is de concrete utopie van iedere voorkapitalistische plattelandssamenleving. Het heil is superconcreet, hier en nu, zichtbaar, aan tafel, voor alle aanwezigen bereikbaar.

Maar er is meer. Een van de joodse Eindtijdvoorstellingen was die van de maaltijd, voorgezeten door een messias. Dit is gedocumenteerd bij de profeet Jesajanoot Jesaja 25.6. en in verschillende Dode-Zee-rollen, zoals de Gemeenschapsregel.noot 1QSa Gemeenschapsregel ii,18-22. Ik zal in het midden laten wat er feitelijk is gebeurd daar op die afgelegen plek aan het Meer van Galilea, maar men herinnerde zich blijkbaar een grote maaltijd, ooit tijdens de regering van keizer Tiberius, die een voorafschaduwing was van de Eindtijd.

[Later meer. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#broodvermenigvuldiging #Dekapolis #denarius #Eindtijd #Elisa #EvangelieVanMarcus #LaatsteAvondmaal #MeerVanGalilea #messias #NieuweTestament #Oorlogsrol #openCommensaliteit #wonderverhaal

De tweede broodvermenigvuldiging

Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament, en ik ga verder waar ik onlangs was gebleven. Toen behandelde ik de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging: het verhaal van de vijf broden en de twee vissen. Ik wees er toen al op dat er nóg zo’n verhaal is. Het is eigenlijk vrijwel identiek.

Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen: “Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets te eten. Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, raken ze onderweg uitgeput; sommigen zijn immers van ver gekomen.”noot Marcus 8.1-3; NBV21.

De mensen zijn ver van huis, Jezus heeft medelijden omdat ze onvoldoende te eten hebben: dit komt precies overeen met het vorige verhaal. En zo gaat het verder: broden nemen, broden zegenen, broden breken, broden uitdelen, open commensaliteit, vissen verdelen, manden vol overblijvend eten, duizenden aanwezigen. De verschillen zijn maar klein.

Zijn leerlingen antwoordden: “Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?”
Hij vroeg hun: “Hoeveel broden hebben jullie?”
“Zeven,” antwoordden ze. Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg. noot Marcus 8.4-9.

De vraag die meteen opkomt is waarom Marcus het verhaal herhaalt. Akkoord, de evangelist was goedgelovig in de zin dat zijn relaas bol staat van de wonderlijke gebeurtenissen, en zijn topografisch inzicht is gering. Het is onmogelijk in de Dekapolis een verlaten plek te vinden. Maar Marcus is een handige auteur. De ironie van zijn evangelie, waarin al Jezus’ tegenstanders hem aanduiden als “zoon van God” en zijn leerlingen het almaar niet begrijpen, is maar één voorbeeld van een auteur die heel goed wist wat hij aan het doen was. De herhaling kan dus alleen maar opzet zijn.

Het voornaamste verschil is de locatie. Na de eerste broodvermenigvuldiging is Jezus op reis gegaan: eerst naar Tyrus, vervolgens over Sidon naar het Meer van Galilea. Dit is een kolossale omweg over het Libanongebergte, door de Bekaa en langs de berg Hermon. Dit was het land van de Herodiaanse prins Filippos: een Jood die heerste over niet-Joden. Van het Meer van Galilea trok Jezus naar de Dekapolis, een gebied waar heel weinig Joden leefden. Anders gezegd: de eerste broodvermenigvuldiging vond plaats onder de Joden, de tweede onder de heidenen.

Door het zo te presenteren, neemt Marcus stelling in de discussie onder de eerste apostelen: wat was de status van de niet-Joden? Behoorden zij tot het Verbondsvolk of niet? De herhaling van het verhaal, onhandig geplaatst in een verstedelijkt gebied waar je onmogelijk “in verlatenheid” kunt zijn, was geen prutswerk. Marcus maakt vrij duidelijk waar hij staat: ook niet-Joden waren welkom.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#broodvermenigvuldiging #Dekapolis #FilipposHerodiaan #NieuweTestament #openCommensaliteit #Verbond #Verbondstheologie
Nieuwe Testament - Mainzer Beobachter

In 2019 ben ik begonnen met een (bijna) wekelijks blogje over het Nieuwe Testament. Dat lees ik zonder al te veel aandacht te besteden aan latere christelijke uitleg, maar met de nadruk op de joodse context. Die reeks kan nog jaren duren. Hier is een overzicht van de stukjes. Matteüs Marcus Lukas Johannes Handelingen Romeinen … Meer lezen over Nieuwe Testament

Mainzer Beobachter

Stefanus

Stefanus (Kykkos-klooster)

Een van de opmerkelijke discussies die we tegenkomen in de Handelingen van de Apostelen, is die over de plaats van de niet-Joden in de vroege christelijke kerk. Ook de diverse brieven die in het Nieuwe Testament zijn opgenomen, documenteren deze kwestie. Dat erover gesproken is geweest, bewijst dat Jezus er geen standpunt over heeft ingenomen. Hij kwam om de verloren schapen van Israël te redden, maar hij lijkt niets tegen andere volken gehad te hebben. De anekdote over de Romeinse officier die verzoekt om de genezing van een knecht, lijkt dit te bevestigen: de schets van een vriendelijke verhouding tussen Joden en niet-Joden is in elk geval heel oud, aangezien ze na pakweg 40, toen de relatie op scherp kwam te staan, nauwelijks meer kan zijn verzonnen.

Diakens

Maar er was in de jonge kerk dus discussie. Een jaartal kunnen we er niet op plakken, maar het feit dat zelfs de geïdealiseerde beschrijving in Handelingen, waarin de vroege christenen alles gemeenschappelijk deden, ergernissen vermeldt, is hoogst significant. Dit was geen informatie die de auteur kon onderdrukken.

Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld.noot Handelingen 6.1; NBV21.

De Twaalf kwamen samen en besloten zeven diakens aan te stellen, die verantwoordelijk zouden zijn voor de gemeenschappelijke maaltijden. De zeven eerste diakens hebben allemaal Griekse namen, zoals Stefanos of – gelatiniseerd – Stefanus, wat zoiets betekent als “gekransd”. Hij maakte furore met “grote wonderen”, wat op zich niets ongebruikelijks was. (De voor de historicus relevante vraag is niet hoe hij welke wonderen verrichtte, maar wat mensen destijds over Stefanus geloofden.)

Dat een leer waarvan de kracht met wonderen werd onderstreept, leidde tot vragen, was evenmin ongebruikelijk. Stefanus’ tijdgenoot Apollonios van Tyana riep ook weerstand op. Handelingen meldt dat sommige joodse gelovigen Stefanus begonnen te belasteren met de aantijging dat Stefanus zich steeds weer had gekeerd tegen de Tempel en de Wet van Mozes. Hoewel de auteur van Handelingen de beschuldiging afdoet als vals, kunnen we overwegen dat er wel degelijk een aanleiding was: immers, het vroege christendom stelde noch de Tempel, noch de Wet van Mozes centraal, maar de messias. In een verhitte discussie willen de nuances nog weleens wegvallen.

Rechtszaak

Om die nuances te herstellen, vraag je iemand wat ’ie bedoelt, en dus werd Stefanus verhoord door het Sanhedrin, het hoogste joodse rechtscollege. De auteur van Handelingen leeft zich drieënvijftig verzen uit in een samenvatting van de joodse religieuze literatuur, waarin Stefanus het belang van de Tempel en de Wet van Mozes erkent en afrondt met een provocatie:

U bent halsstarrig … steeds weer verzet u zich tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden. Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? Degenen die de komst van de rechtvaardige aankondigden hebben ze gedood, en zelf hebt u nu de rechtvaardige [Jezus] verraden en vermoord, u die de Wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.noot Handelingen 7.51-53; NBV21.

Onnodig te zeggen dat dit niet goed viel bij de diverse raadsleden. Toen Stefanus ook nog aangaf dat hij – blijkbaar in een soort visioen – Jezus in de hemel kon zien, en dat hij als Mensenzoon zat aan Gods rechterhand, werd Stefanus weggevoerd en gestenigd. Het was dan ook niet gering wat Stefanus had gezegd: Jezus was dood; daarvoor waren de leden van het Sanhedrin verantwoordelijk; maar Jezus was in de hemel opgenomen en zou als Mensenzoon het Laatste Oordeel vellen. Anders gezegd, hij was onschuldig geweest en de leden van het Sanhedrin zouden de prijs betalen.

Dat Jezus feitelijk door de Romeinen was geëxecuteerd, blijft onvermeld. Het automatisme waarmee christenen de joden de schuld in de schoenen schoven, dat later tot pogroms zou leiden, lijkt hier impliciet al aanwezig.

Executie

Ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette. Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: “Heer, reken hun deze zonde niet aan!” En na deze woorden stierf hij.noot Handelingen 7.57-60; NBV21.

Ik weet niet zoveel van stenigingen, maar mij is verzekerd dat de veroordeelde eerst immobiel wordt gemaakt, bijvoorbeeld door de benen te breken of  iemand half in een kuil te begraven. Dat het buiten de stad moest gebeuren, sprak vanzelf, aangezien de rituele reinheid van de Tempel en Jeruzalem anders zou worden gecompromitteerd. Stefanus’ laatste woorden herinneren aan de woorden die de evangelist Lukas de stervende Jezus in de mond legt.noot Lukas 23.34 en 23.46.

Handelingen vervolgt met de opmerking dat Saulus, die we later zullen leren kennen als de apostel Paulus, de executie goedkeurde, en dat de christelijke gemeenschap in Jeruzalem aan vervolging werd blootgesteld. “Vrome mannen begroeven Stefanus,” lezen we, “en hieven een luide dodenklacht over hem aan.”noot Handelingen 8.2; NBV21. Daarmee eindigt het verhaal over Stefanus – en méér weten we ook niet over. Hij was de eerste christelijke martelaar, de protomartyr.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#ApolloniosVanTyana #diaken #HandelingenVanDeApostelen #martelaarschap #NieuweTestament #Paulus #Stefanus #steniging #Tora #WetVanMozes

Zoon van de Allerhoogste

4Q246

Het is bijna kerstmis, dus het leek me aardig om in mijn reeks over het Nieuwe Testament een tekst te behandelen die daar iets mee te maken heeft: de Annunciatie ofwel de aankondiging van Jezus’ geboorte. Gods boodschapper Gabriël heeft zich in Nazaret aangediend bij Maria, en vóór u verder leest, moet u even bedenken dat Gabriël geen engel was in onze zin van het woord. Het Griekse woord ἄγγελος betekende destijds boodschapper, gezant, heraut. In het boek Daniël wordt Gabriël expliciet beschreven als mens.noot Daniël 8.15. De vleugels die wij erbij voorstellen, zijn pas later gekomen.

Maria schrikt dus nogal schrikt als een vreemde kerel haar huis binnenloopt. Gabriël antwoordt:

“Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en ‘Zoon van de Allerhoogste’ worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.”noot Lukas 1.30-33; NBV21.

Je moet maar niet te lang nadenken over deze scène, want erg geloofwaardig is het niet. Ik richt me dus op de uitdrukking “zoon van de allerhoogste”.

Die kennen we namelijk uit de joodse literatuur van die tijd: namelijk uit de nogal beschadigde Aramese tekst die bekendstaat als 4Q246, die meestal wordt gedateerd in de tweede helft van de eerste eeuw v.Chr. Daarin is sprake van een heerser die na een tijd vol beproevingen over de wereld zal heersen. Er is daarna iemand die “de grote” genoemd zal worden, “de zoon van god” en “zoon van de allerhoogste”. Hun koninkrijk – het meervoud “hun” is onverklaard – zal zijn als de vonken van een vuur. Een volgende sectie van deze tekst behelst dat het “volk van God” iedereen na dit geweld zal laten uitrusten. Daarna lezen we dat zijn (wiens?) koninkrijk eeuwig zal bestaan, dat hij het oordeel zal uitspreken over de aarde, dat vrede zal heersen, dat het geweld zal verdwijnen, dat alle gewesten hem eer zullen bewijzen, dat de grote god zijn kracht zal zijn, dat hij voor God zal strijden, en dat zijn heerschappij eeuwig zal zijn.

Die heerser is te identificeren als het bovennatuurlijke wezen dat volgens Daniël het Laatste Oordeel zal uitspreken: de Mensenzoon. Het “volk van God”, de nadruk op het eeuwige koninkrijk en de eerbewijzen uit alle gewesten zijn allemaal terug te vinden in Daniël 7. Het moge daarom duidelijk zijn dat de tweede sectie verwijst naar de Eindtijd. En dan is degene die “de zoon van god” en “de zoon van de allerhoogste” genoemd zal worden, dus de Mensenzoon.

Kortom: feitelijk schrijft de evangelist Lukas dat de baby die nog geboren moet worden, ooit het Laatste Oordeel zal uitspreken, gezeten op de troon die aan het einde der tijden (volgens Daniël) naast God zal worden opgesteld en die (volgens Lukas) de troon van David heet. Anders gezegd: de taal waarmee Lukas’ Gabriël zich tot Maria richt, is door-en-door joods.

#Annunciatie #Daniël7 #EvangelieVanLukas #Gabriël #Maria #Mensenzoon #NieuweTestament

Jezus en de centurio

Een centurio (British Museum, Londen)

Het Nieuwe Testament zit boordevol doorkijkjes naar het dagelijks leven in de Romeinse tijd. Zo vertelt Lukas het verhaal van de centurio, ofwel de “honderdman”, zoals het woord in het Nederlands weleens is vertaald. Dat suggereert dat het de commandant was van een eenheid van honderd legionairs, maar dat is in de lange Romeinse legergeschiedenis nooit het geval geweest. Het verhaal speelt in Jezus’ woonplaats Kafarnaüm en het eerste zinnetje is al intrigerend.

Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld.noot Lukas 7.2; NBV21.

De vraag die onmiddellijk opkomt: wat doet een Romeinse officier in het rijk van Herodes Antipas? Er zijn volgens mij maar drie mogelijkheden. Eén, de goede man is met pensioen en heeft een leuk huis gekocht met uitzicht op het meer. Twee, deze centurio dient als liaison tussen het hof van keizer Tiberius en het hof van Antipas. Drie, Lukas heeft zijn informatie, die in een andere vorm ook bekend was aan de evangelist Johannes,noot Johannes 4.46-54. niet heel handig bewerkt.

Een ander detail dat opvalt is dat de relatie tussen de centurio en de slaaf hartelijk is. Dat is een nuttige contrapunt bij het doorgaans negatieve beeld dat we hebben van de antieke slavernij. Een slaaf die een goede meester had, mocht rekenen op een oprechte vriendschap. Ik stel me voor dat de centurio tijdens de Saturnalia, medio december, kookte voor zijn bediende, zoals de gewoonte was.

Toen de centurio over Jezus hoorde, zond hij enkele oudsten van de Joden naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden. Toen ze bij Jezus waren gekomen, smeekten ze hem dringend mee te gaan. Ze zeiden: “De man die u dit verzoekt, is het waard dat u hem deze gunst bewijst. Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.”noot Lukas 7.3-5.

Een Romeins officier had doorgaans geen behoefte aan tussenpersonen. Hij belichaamde het gezag en kon zich overal aandienen zonder zijn komst zelfs maar aan te kondigen. Alleen als hij zich tot de goden richtte, kon hij een priester om advies vragen. Dat de door Lukas beschreven centurio zich niet waardig acht zich rechtstreeks tot Jezus te richten, maar bevriende Joden inschakelt om een goed woordje voor hem te doen, suggereert een opvallend groot respect. Een respect dat natuurlijk ook blijkt uit de synagoge die de man heeft laten bouwen.

Dat is geen unicum: er waren volop Romeinse soldaten die sympathiseerden met lokale religieuze gebruiken. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vertelt ergens dat tijdens een burgeroorlog soldaten van een Syrisch legioen na een nachtelijk gevecht de opkomende zon begroetten, zoals ze zich in Syrië hadden aangeleerd. Hij vertelt het omdat hun tegenstanders de kreet uitlegden als teken dat versterkingen arriveerden, maar tussen neus en lippen door heeft Tacitus erkend dat de in Syrië gestationeerde soldaten een plaatselijke cultus hadden overgenomen. We hebben ook inscripties die dit documenteren voor de joodse religie, inclusief patronage voor een synagoge.

Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar hem toe stuurde met de mededeling: “Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen. Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: ‘Ga!’, dan gaat hij, en tegen een andere: ‘Kom!’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘Doe dit!’, dan doet hij het.”

Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: “Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!”

Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan.noot Lukas 7.6-10.

Hier maakt Lukas’ centurio duidelijk wat de lezer vermoedelijk al had begrepen: de officier benaderde Jezus vanuit een gevoel dat deze zijn meerdere was.

Nog een laatste opmerking: deze anekdote toont de vriendelijke relatie die tussen Joden en Romeinen kon bestaan. Zo’n anekdote kon in de aanloop van de Joodse Oorlog, die uitbrak rond 66, niet meer worden bedacht. Vanaf pakweg 41, toen keizer Caligula had geëist dat zijn standbeeld in de Tempel in Jeruzalem zou worden opgericht, stonden de verhoudingen tussen de Romeinse overheid en de Joden op scherp. Het is niet onaannemelijk dat de anekdote over de centurio, die zulke vriendelijke verhoudingen veronderstelt, dateert uit het oudste stratum van de historische traditie. Ook het omgekeerde is natuurlijk denkbaar: dat Lukas, die in de Handelingen van de Apostelen beschreef hoe het Joodse verbondsvolk werd uitgebreid met andere volken, het verhaal heeft bedacht.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#centurio #EvangelieVanLukas #HerodesAntipas #JoodseOorlog #Kafarnaüm #NieuweTestament #slavernij #synagoge

Feit en betekenis

Kleio, de muze van de geschiedvorsing (Prado, Madrid)

Het leuke van een blog is dat je af en toe eens hardop kunt denken. Bijvoorbeeld over de betekenis van feiten. Of wat feiten eigenlijk zijn.

Feiten

Een feit, zo leerde ik ooit, is iets dat het geval is. Maar we kunnen feiten nooit genoeg kennen. Het is bijvoorbeeld een feit dat ik op het moment dat ik dit schrijf een lichte pijn heb in mijn rechterknie, maar u kunt dat niet navoelen. Zo is het ook in het algemeen. Er is een wereld met minimaal vier dimensies, die we slechts kennen in zoverre ze overeenkomt met de drie dimensies waarin onze geest onze zintuiglijke indrukken ordent. Er is een verschil tussen het Ding an sich en het Ding für mich. Werkelijk objectieve kennis bestaat daarom niet.

Dat wil echter niet zeggen dat alles subjectief is. Er bestaat een middenweg, die we intersubjectiviteit noemen. Mensen in Taiwan, Argentinië en Finland kunnen het erover eens zijn dat water, als de luchtdruk 1013 hectopascal bedraagt, kookt bij een temperatuur van 373 kelvin. Zolang je dezelfde criteria en maatstaven gebruikt, kun je het over een hoop zaken eens zijn, ook over historische feiten: Sokrates dronk de gifbeker, Karel de Grote werd keizer, Linnaeus schreef Systema Naturae en de Geallieerden verloren de slag bij Arnhem. We kunnen het erover eens zijn dat deze zaken zijn gebeurd.

Historische betekenis

De discussie ontstaat pas als we er betekenis aan geven. Daarom zijn speculaties over de ungeschehene Geschichte zo belangrijk. Wat zou er zijn gebeurd als Caesar de aanslag op 15 maart 44 v.Chr. had overleefd, als de Kruisridders Antiochië niet hadden ingenomen, als president Kennedy niet was vermoord? De betekenis van de intersubjectief vastgestelde feiten blijkt pas als we kunnen bedenken wat eveneens had kunnen gebeuren en niet is gebeurd.

Het probleem is natuurlijk dat dit speculaties zijn. Deskundigen en minder deskundigen hebben in de loop van de tijd een hoop flauwekul uitgeslagen. Denk maar aan de malloterij over de betekenis van de Perzische Oorlogen. Van de andere kant: er zijn ook wél slimme dingen te zeggen. Als je het hebt over de invloed van het christendom, moet die invloed in West-Europa dezelfde zijn als in de wereld van de oosterse kerken, en als je die verschillen over het hoofd ziet, zijn je speculaties ongefundeerd. De historicus is door zijn wetenschappelijke opleiding getraind om drogredeneringen te herkennen. Daarom is adequate universitaire vorming relevant: ze voorkomt gratuite speculaties over de historische betekenis van de feiten.

De diepere betekenis

De historische betekenis is echter niet de enige. Ik schrijf op zondag vaak over het Nieuwe Testament, waarbij ik niet méér doe dan vaststellen wat de feiten zouden kunnen zijn geweest. We kunnen bijvoorbeeld intersubjectief vaststellen dat Jezus een tijdgenoot was van Johannes de Doper, dat zijn halachische opvattingen door-en-door joods waren, dat hij door kruisiging is doodgemarteld en dat de “hoge christologie” ouder is dan de apostel Paulus. En we mogen speculeren over wat er zou zijn gebeurd als er geen Paulus was geweest om de hoge christologie uit te leggen aan niet-Joden.

Tot zo ver gaat het werk van de historicus. Die stelt vast wat er is gebeurd en gedacht. Daar blijft het bij.

De antieke opvattingen overnemen, bijvoorbeeld door te zeggen dat Jezus Christus de zoon van god is geweest en dat zijn kruisdood de redding is geweest van de mensheid, dat is een ander paar mouwen. Dan geven we een diepere betekenis aan de feiten dan de alleen historische; dan begeven we ons op het terrein van het geloof. Dat is ook interessant, en vermoedelijk is het nadenken over de grote vragen diepzinniger dan het welbeschouwd platvloerse vaststellen van de feiten.

Maar geloof is iets anders dan geschiedenis. De feiten kunnen op twee manieren betekenis hebben: historisch en heilshistorisch. En als ik u verzoeken mag: laten we de discussie op deze blog beperken tot de geschiedenis. Dat is leuk genoeg. We hoeven het verleden hier niet relevant te maken. Dat is nergens voor nodig.

#feit #intersubjectiviteit #NieuweTestament #objectiviteit

Misverstand: Jezus de timmerman

Schrijnwerker, niet per se Jezus (Musée Saint-Rémi, Reims)

Het is een standaardscène in vrijwel elke film over Jezus: de flashback waarin iemand terugdenkt aan hoe het allemaal begon, met een jonge Jezus die in Nazareth nog tafels en andere meubels timmerde. In Jesus Christ Superstar (1973) herinnert Judas eraan dat “tables, chairs, and wooden chests would have suited Jesus best” en in The Passion of the Christ (2004) is de timmermanszoon uit Nazaret zelfs de uitvinder van een nieuw soort meubilair.

Het maken van meubels was echter het werk van een schrijnwerker, terwijl Jezus (volgens Marcus 6.3 || Matteüs 13.55) van beroep timmerman was – of beter, een bouwkundig vakman, wat vermoedelijk de beste vertaling is van het Griekse tektôn.

#historischeJezus #JesusChristSuperstar #JezusVanNazaret #NieuweTestament #tektôn #ThePassionOfTheChrist #timmerman