Het verloren schaap

Goede herder (Musée archéologique de Sousse)

Het is zondag, dus ik blog over het Nieuwe Testament: zo’n fijne bron voor het leven van gewone mensen in de Romeinse wereld. Vandaag het verloren schaap, dat een rol speelt in Jezus’ prediking.

Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.”noot Lukas 15.4-7.

Vraag: wat is de overeenkomst tussen de hemelse en de aardse vreugde? In de hemel heerst God, zoveel is duidelijk, en als de analogie zuiver is, dan zou degene die z’n schaap kwijt is, naar God moeten verwijzen. Maar het is een rijke man, want hij bezit honderd schapen. En hier speelt het “image of limited good”: het denkbeeld dat er op aarde van alles maar een beperkte hoeveelheid is en dat als iemand een groter deel heeft, de anderen automatisch minder hebben. (Economische groei was in de Oudheid geen bekend concept.) De schaapseigenaar is in dit wereldbeeld geen goed mens.

Dat is geen vergezochte interpretatie – we zitten in het Lukasevangelie, waar de arme Lazarus naar de hemel gaat en er geen herkansing is voor de rijke man. De rijken hebben hun beloning al gehad, de laatsten zullen de eersten zijn en de eersten de laatsten. De schaapseigenaar staat aan de verkeerde kant. Het is ook een sukkel, die een schaap kwijtraakt. Daar zal het publiek van Jezus om hebben moeten lachen.

De parabel is wellicht niet bedoeld geweest als analogie, maar als de Joodse redenatiefiguur die bekendstaat als Kal Vahomer. Het is wat wij a fortiori noemen: als zelfs slecht mensen een verloren schaap gaan zoeken, hoeveel te meer doet God het dan met verloren mensen. Ik weet niet waar de uitdrukking “goede herder” vandaan komt, maar ik vermoed dat dat niet de strekking is van deze parabel.

#EvangelieVanLukas #imageOfLimitedGood #KalVahomer #NieuweTestament #schaap

Maria en Marta en genderrollen

Twee zussen uit Palmyra (Altes Museum, Berlijn)

Over het lezen van antieke teksten zei een wijze classicus me ooit dat je niet alleen moet kijken naar wat er staat, maar vooral naar wat er niet staat. Ik heb het nooit beter geformuleerd gehoord. Het slaat niet alleen op onderdrukte perspectieven, maar ook op impliciet aanwezige kennis van de cultuur die de schrijver deelt met zijn doelgroep. Hieronder is een voorbeeld, en omdat het Pinksterzondag is haal ik dat uit het Nieuwe Testament, meer precies uit het verhaal van Maria en Marta uit het Lukas-evangelie.

  • Toen ze verder trokken ging hij een dorp in, waar een vrouw die Marta heette hem gastvrij in haar huis ontving.
  • Haar zus, Maria, ging aan de voeten van de heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten.
  • Ze ging naar Jezus toe en zei: “Heer, kan het u niet schelen dat mijn zus mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.”noot Lukas38-40; NBV21, met een aanpassing.
  • We weten iets meer over de zussen Maria en Marta. De auteur van het Johannes-evangelie vertelt dat ze een broer hadden, Lazarus. Als we deze informatie mogen gebruiken bij de interpretatie van het Lukas-evangelie, wordt vers 38 vreemd: het gezelschap rond Jezus wordt niet ontvangen door de heer des huizes, maar door zijn zus. Misschien is de verklaring dat Lazarus dood was, maar hoe dat ook zij: Marta neemt hier een mannelijke rol aan. Mijn punt is: dit herken je alleen als je niet kijkt naar wat er staat, maar kijkt naar wat er niet staat. Je moet de gehele antieke cultuur kennen.

    De door Lukas beschreven situatie was zó vreemd, dat mensen al heel vroeg begonnen te twijfelen aan de tekst van het evangelie. Minimaal één vroege kopiist (en in zijn spoor al zijn navolgers) heeft vers 38 aangepast door “in haar huis” te schrappen, zodat het is alsof Marta het reisgezelschap verwelkomt in het dorp. Dat veronderstelt geen omkering van de gender-rollen: gewoon een vrouw op het dorpsplein die zwaait naar aankomende reizigers.

    In vers 39 is de situatie genormaliseerd: Marta draagt zorg voor de gasten. Dat kwam destijds neer op het wassen van de voeten – al kon je dat overlaten aan een bediende – en het aanbieden van drinken en eten. Maar nu is het haar zus die de verhoudingen omkeert: ze zet zich neer aan de voeten van een leraar en gaat zijn onderwijs volgen. Je herkent het roldoorbrekende alleen als je weet wat er niet staat.

    Dat Maria zich als leerling presenteerde, was niet verboden, maar het was niet wat van een vrouw werd verwacht. (Van de twee Emmaüsgangers vernemen we wél de naam van de man, maar niet die van zijn reisgenote, terwijl het toch allebei leerlingen waren.) En uiteraard was Maria’s gedrag vrij tactloos tegenover haar zus.

    Nog een onuitgesproken stuk informatie: deze vrouwen waren vermogend. Anders zouden ze geen reisgezelschap hebben kunnen ontvangen. U moet zich Maria en Marta voorstellen met rinkelende zilveren en gouden sieraden. Dit waren geen bescheiden vrouwen in eenvoudige kleren: dat is Hollywood-kitsch. Marta stond echt niet zelf in de keuken en diende het eten heus niet zelf op. Daar had ze personeel voor.

    Terug naar de omgekeerde gender-rollen. Van een vrouw werd verwacht dat ze leiding gaf aan de huishouding en iedereen, Jood of Romeins of anders, zou destijds Marta’s klacht hebben begrepen. Ik laat in het midden of het methodisch handig is informatie uit het Johannesevangelie te gebruiken bij de interpretatie van Lukas; daarover valt een boom op te zetten. Maar hoe dan ook intrigeert dit verhaal.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #EvangelieVanLukas #gender #Lazarus #NieuweTestament #vrouwengeschiedenis

    Veertig dagen vóór Hemelvaart

    Armeense afbeelding van de hemelvaart (Noravank)

    Als de techniek een beetje werkt, gaat dit blogje op donderdagmorgen automatisch online. Ik heb dit stukje wat langer geleden voorbereid omdat ik momenteel in Spanje ben, ter voorbereiding van een boek dat ik aan het maken ben over de laatste jaren van Julius Caesar. Zoals ik al eens schreef, kende ik de regio rond Lleida nog niet, en daarom ben ik nu dus daar. Althans, als alles volgens plan is verlopen, maar de treinen en bussen functioneren hier doorgaans goed.

    Hemelvaart

    Ter zake: het is Hemelvaartsdag. Dat is een wat ongemakkelijk christelijk feest. Immers, als het graf leeg was en Christus was opgestaan, en als Christus goddelijk was, waarom was hij er dan niet meer? Het logische antwoord is dan: omdat hij ten hemel is gevaren. Het problematische is dat slechts één auteur deze gebeurtenis vermeldt, namelijk de auteur van de Handelingen van de Apostelen, het vervolg op het Evangelie van Lukas. En één bron is geen bron.

    Nog complexer is het dat de auteur zichzelf tegenspreekt, want in zijn evangelie schrijft Lukas nog dat Jezus in de hemel is opgenomen op de dag van zijn opstanding.noot Lukas 24.51. Dan vallen Pasen en Hemelvaart dus op dezelfde dag, terwijl het in Handelingen een paar weken later was.

    Met de autheniticiteiscriteria waarmee historici proberen in antieke bronnen feit en fictie te scheiden, valt dit in de categorie non liquet: het kan waar zijn, het kan niet waar zijn. De gevolgtrekking is dus dat we nog eens moeten nadenken over die methode. (Daar zijn overigens alle goede onderzoekers het over eens: als de methode immers niet innoveert, stagneert een vakgebied.) De historiciteit van de gebeurtenis laat ik dus maar wat ze is, maar ik pik er een detail uit.

    Veertig dagen

    Handelingen begint wat verdedigend: Lukas – zo zullen we de auteur maar noemen – pareert kritiek dat Jezus niet echt uit de dood zou zijn opgestaan. Vermoedelijk kregen de eerste christenen nogal wat smalende opmerkingen te horen, maar Lukas bemoedigt ze.

    Dat hij leefde heeft hij hun [de apostelen] na zijn lijden en dood herhaaldelijk bewezen door gedurende veertig dagen in hun midden te verschijnen en met hen over het koninkrijk van God te spreken.noot Handelingen 1.3; NBV21.

    De passage heeft echter een tweede doel: Jezus heeft de apostelen, d.w.z. de gezanten die het evangelie moesten verspreiden, instructies gegeven. Anders geformuleerd, ze zijn deskundig en de gelovige mag erop vertrouwen dat de eerste christelijke leiders goed waren geïnformeerd.

    En natuurlijk duurde dat veertig dagen. Daarvoor hebben we een interessante parallel in de joodse apocalyptische tekst die bekendstaat als 4 Ezra (in de Engelse literatuur 2 Esdras).

    4 Ezra

    Geschreven na de verwoesting van Jeruzalem, is 4 Ezra ongeveer even oud als Handelingen en de Openbaring van Johannes, eveneens apocalyptiek. De auteur, die doet alsof hij de profeet Ezra is, beschrijft enkele visioenen, die erop neerkomen dat mensen niet moeten proberen te begrijpen waarom God heeft toegestaan dat de Babyloniërs (lees: Romeinen) het volk van Israël knechten, maar dat redding nabij is. De messias zal verschijnen en daarna zal de Wet van Mozes worden hersteld. Dat is een klus voor Ezra, die snel vijf klerken verzamelt en als een razende begint te dicteren.

    Ze zaten veertig dagen lang. Overdag schreven ze, en ’s nachts aten ze brood. Wat mij betreft: ik sprak overdag, en ook ’s nachts hield ik mijn mond niet. In veertig dagen schreven ze 204 boeken. Toen veertig dagen voorbij waren, zei de Allerhoogste: “Het eerste dat u hebt laten schrijven, maak dat openbaar, zodat zowel de waardigen als de onwaardigen het lezen. Bewaar echter de laatste zeventig boeken, want die mag u alleen overhandigen aan de wijzen onder het volk. Daarin bevindt zich namelijk de bron van inzicht, de bron van wijsheid en de stroom van kennis.”noot 4 Ezra 14.42-47.

    Veertig dagen om de kennis over te dragen: dat was het dus. De kring die 4 Ezra las, kon geloven dat de eigen leiders toegang hadden tot nog niet gepubliceerde delen van de Wet, en dus wisten wat ze deden. Iets dergelijks geeft de auteur van Handelingen mee aan zijn lezers. Hier ontstond de “apostolische successie”, die ik afgelopen zondag noemde.

    #4Ezra #apocalyptiek #apostolischeSuccessie #authenticiteitscriteria #EvangelieVanLukas #HandelingenVanDeApostelen #Hemelvaart #Hemelvaartsdag #NieuweTestament #WetVanMozes

    Het lege graf

    Het lege graf (Rabbula-codex)

    Er zijn onderwerpen waarover historici weinig te zeggen hebben, zoals Pasen. De historicus kan alleen constateren dat het dubbele idee van Christus’ verrijzenis en diens lege graf heel oud moet zijn. Daar blijft het echter bij. Een lichamelijke wederopstanding is niet alleen in strijd met de natuurwetten maar ook zonder parallel. Zo’n gebeurtenis ligt buiten het bereik van wat een historicus weten kan. Er desondanks uitspraken over doen is net zoiets als zoeken naar de Alpenpas van Hannibal: je kunt het niet weten en moet gewoon aanvaarden dat er grenzen zijn aan je kennis.

    Vier visies

    Wat een historicus óók kan doen, is verschillen constateren in de berichten over het lege graf. Hier is het verslag volgens Matteüs.

    Na de sabbat, bij het ochtendgloren van de eerste dag van de week, kwam Maria van Magdala met de andere Maria [de moeder van Jakobus] naar het graf kijken. Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer.noot Matteüs 28.1-4; NBV21.

    Het is interessant te zien wat de evangelist Marcus heeft te melden.

    Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: “Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?” Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk.noot Marcus 16.1-5; NBV21.

    Er zijn allerlei verschillen. Om met het triviale te beginnen: er zijn bij Marcus drie en bij Matteüs twee dames; bij Marcus gaan ze eerst balsem kopen, bij Matteüs gaan ze rechtstreeks naar het graf. Bij Marcus treffen ze de steen weggerold aan, terwijl Matteüs een aardbeving vermeldt en een engel de steen laat wegrollen. Een ander verschil is dat Marcus’ in het wit geklede jongeman – die we maar gelijk zullen stellen aan Matteüs’ engel – de vrouwen de stuipen op het lijf jaagt, terwijl hij volgens Matteüs de soldaten doodsangsten aanjoeg.

    Misschien is het ook zinvol er op dit punt ook op te wijzen dat een graf met een rolsteen niet past bij wat onder de Grafbasiliek is aangetroffen: koch-graven en een arcosolium-graf. Ik schreef daar al eerder over.

    De evangelist Lukas blijft in de buurt van Marcus maar verdubbelt het aantal mannen in witte gewaden.

    Maar op de eerste dag van de week gingen ze [de vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea] bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de heer Jezus niet. Ze wisten zich geen raad. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en bogen het hoofd.noot Lukas 24.1-5; NBV21.

    Weer een andere visie vinden we bij de vierde evangelist, Johannes. Hij is beknopter.

    Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria van Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen voor het graf was weggehaald.noot Johannes 20.1-2; NBV21.

    Even verderop vermeldt ook Johannes twee in wit gehulde mannen.

    Verschillen en overeenkomsten

    Onaardig geformuleerd spreken de vier auteurs elkaar tegen. De steen kan niet én al weggerold zijn vóór de vrouwen aankwamen én weggerold worden als ze er al zijn; ook kan de ene engel of de ene in het wit gehulde jongeman niet dezelfde zijn als twee mannen met witte kleren. De tegenspraken werden al in de Oudheid geconstateerd en iemand heeft aan het Marcus-evangelie een langer einde toegevoegd, dat het meer in lijn bracht met Matteüs.

    Positiever geformuleerd selecteren de evangelisten informatie. Ze stemmen overeen op het punt dat het graf leeg was en dat er iemand was die uitleg gaf, en ze stemmen overeen dat Maria van Magdala behoorde bij de eerste getuigen.

    De historicus kan zulke verschillen constateren. De simpelste verklaring is dat Marcus, als eerste evangelist, een verslag schreef dat door Lukas en Johannes is naverteld door er een extra in het wit geklede man aan toe te voegen, terwijl Matteüs er een aardbeving bij deed. Waarom Marcus spreekt van een leeg graf – en bij implicatie van een wederopstanding – is een andere vraag. Omdat een verrijzenis uit de dood in strijd is met de natuurwetten, kan de historicus er niets mee. Dit is het punt waar geschiedwetenschap stopt.

    [Meer over deze materie in De Volkskrant. Een overzicht van de zondagse reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #hemel #MariaVanMagdala #NieuweTestament #Pasen

    De Tempelreiniging

    Tyrische sjekel (Nationaal Museum, Beiroet)

    Zoals u wellicht weet, heeft Jezus van Nazaret op zeker moment de geldwisselaars weggeranseld van het terrein rond de tempel in Jeruzalem. De gebeurtenis staat bekend als de Tempelreiniging. Hier is het verhaal volgens Marcus.

    Jezus ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. Hij hield de omstanders voor: “Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”

    Toen de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was, zochten ze naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen.noot Marcus 11.15-18; NBV21.

    Matteüs en Lukas vertellen ruwweg hetzelfde, de evangelist Johannes biedt andere informatie:

    Op het tempelplein trof Jezus de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver en riep tegen de duivenverkopers: “Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!”noot Johannes 2.14-16; NBV21.

    Het belangrijkste verschil is dat Johannes weglaat wat bij Marcus de pointe is: dat dit voorval de reden was voor Jezus’ arrestatie, enkele dagen later. Johannes plaatst de anekdote helemaal vooraan in zijn evangelie, zo ver mogelijk van Jezus’ kruisdood af. Misschien is dat omdat Johannes het gênant vindt, misschien is dat omdat hij de nadruk wil leggen op de diepere, heilshistorische betekenis van de kruisdood en daarbij die menselijke oorzakelijkheid niet nodig heeft. Maar die menselijke oorzakelijkheid ontkent hij dus niet – hij verbergt haar slechts.

    Een bankier (mozaïek uit Thabraca; Bardo-museum, Tunis)

    Wat deden die lui nou verkeerd?

    Tot zover de twee teksten. Nu waarom ik dit blogje schrijf. Wat deden die geldwisselaars en duivenverkopers nou toch verkeerd? Dat is een simpele vraag, maar nu ik erover ben gaan nadenken, begrijp ik er niets meer van.

    Ik heb er weleens op gewezen dat in een wereld waarin patronage een belangrijke rol speelt, de boeren het liefst rechtstreeks contact met hun bestuurders willen (in jargon: brokerless kingdom). In zo’n wereld wordt een tempel die geld vraagt voor een duif, en die betaling vraagt met speciale munten, eerder ervaren als een obstakel voor het contact met God dan als een plek om bij hem te zijn.

    Het probleem met deze verklaring is natuurlijk dat de tekst feitelijk geen aanwijzing biedt. Ik redeneer hiermee vanuit een algemeen beeld van de toenmalige wereld. Dat kan juist zijn – dat denk ik ook eigenlijk wel – maar het blijft een hypothese, gebaseerd op enerzijds vergelijking met andere boerensamenlevingen en anderzijds een handvol passages die bewijzen dat mensen klaagden dat de duiven onbetaalbaar waren. Maar “te dure duiven” is niet wat Marcus en Johannes vermelden. Ze vermelden helemaal niets.

    Andere verklaringen

    Is het probleem misschien dat je op een heilige plek niet met zoiets vulgairs als munten, die metalen stukken gestold wantrouwen, bezig moet zijn? Het kan. Mensen kunnen niet én God én de Mammon dienen. Maar waarom horen we dan niets over soortgelijke scrupules uit andere tempels?

    En nog een probleem: waarom moesten bezoekers hun munten wisselen tegen Tyrische sjekels? Het hele Romeinse Rijk waren tal van munten in omloop, maar een munt die was geslagen in de ene stad, woog evenveel als een munt in een andere stad. Een Tyrische sjekel correspondeerde ruwweg met vier drachmen of vier denariën. Er waren weliswaar marginale verschillen, maar ik heb niet de indruk dat die voldoende belangrijk waren. Los daarvan: als die verschilletjes werkelijk een probleem vormden, dan deden de geldwisselaars in Jeruzalem gewoon nuttig werk.

    Misschien een afbeelding? Er stond een adelaar aan de ene zijde, een dier dat we ook wel afgebeeld zien in synagogen, en het portret van de vorst sierde de andere zijde van de Tyrische sjekel. Ik heb weleens gelezen dat zo’n portret een schending was van het beeldverbod uit de Tien Geboden, maar als de tempelautoriteiten betaling met Tyrische sjekels eisten, was dat blijkbaar geen probleem.

    Kortom, ik snap eigenlijk steeds minder van dit verhaal. Leuk.

    [Een overzicht van  deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #adelaar #brokerlessKingdom #duif #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #Mammon #NieuweTestament #patronage #tempel #Tempelreiniging

    De hoofddoek (2) het westen

    Hellenistische dame met hoofddoek (RIjksmuseum van Oudheden, Leiden)

    Ik gaf gisteren aan dat het hoofddoekje in het oude Nabije Oosten en in de Mediterrane wereld gold als het privilege van een getrouwde vrouw. Negatief geformuleerd: het onbedekte haar van slavinnen, prostituees en ongetrouwde meisjes was een aanwijzing dat ze seksueel beschikbaar waren – uiteraard na toestemming van de eigenaar, na betaling of na huwelijkssluiting. Ik attendeerde er ook op dat vrouwenportretten een andere werkelijkheid documenteren: vrouwen waarvan we zeker weten dat ze getrouwd waren, worden met onbedekt haar afgebeeld. Ik ben er vrij zeker van dat niemand de Romeinse keizerin beschouwde als seksueel beschikbaar.

    Dat er in elk geval in de Romeinse keizertijd diverse normen bestonden, blijkt tevens uit teksten die het joodse leven documenteren. De traditionele norm, dat een getrouwde vrouw een hoofddoek mocht dragen, wordt verondersteld in de rond 200 na Chr. samengestelde Mishna. Deze eerste grote optekening van rabbijnse opvattingen legt het vertrouwde verband tussen het dragen van een hoofddoek en het huwelijk: een man mocht zijn echtgenote verstoten als ze met onbedekt haar over straat ging, en hoefde dan de bruidsschat niet terug te betalen.noot Mishna, Ketuboth 7.6.

    Eeuwen later, ten tijde van het Kalifaat, documenteert de Babylonische Talmoed een rabbijnse discussie over de vraag of een vrouw die een mand op haar hoofd droeg, haar haar voldoende had bedekt, en tevens de vraag of dit ook binnenshuis gold. Zoals te doen gebruikelijk staan de diverse meningen naast elkaar en is er geen eenduidig antwoord, maar het interessante is dat de rabbijnen als vanzelfsprekend de norm aannemen dat een getrouwde vrouw een hoofddoek draagt. (Ik zeg er volledigheidshalve bij dat de rabbijnen niet vroegen om een vrouwelijke mening.)

    Hellenistische dame met hoofddoek (Louvre, Parijs)

    Een andere joodse stem is die van de apostel Paulus die, toen hij de Eerste Brief aan de Korintiërs schreef, nog niet kon weten dat latere generaties hem tot het christendom zouden rekenen. Nadat hij heeft verteld dat een man het beste blootshoofds kan gaan, schrijft de leerling van rabbijn Gamaliël:

    Een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want dat is even schandelijk als met een kaalgeschoren hoofd. Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich net zo goed laten kaalknippen of kaalscheren.noot 1 Korintiërs 11.5-6.

    Toch is er een verschil met de opvattingen uit joods Babylonië. Waar de rabbijnen de norm konden veronderstellen toen ze zich het hoofd braken over wat detailkwesties, adviseerde Paulus de mensen om zich te houden aan die norm. Anders gezegd: wat in Babylonië vanzelfsprekend was, was dat in Korinthe niet (of niet meer). Paulus’ advies staat bovendien niet op zich. De christelijke auteur Tertullianus wijdde, ruwweg op het moment dat elders de Mishna werd samengesteld, dus rond 200 na Chr., een compleet traktaat aan de hoofddoek voor maagden – met andere woorden, voor niet-getrouwde vrouwen.

    Hij erkent daarbij dat hij redeneert vanuit de christelijke waarheid en dat hij zich niet beroepen kan op de traditie, die dus anders was. Van een auteur die zich ook afvroeg wat Jeruzalem met Athene van doen had – met andere woorden: een auteur die de gangbare Mediterrane beschaving afwees – hadden we geen ander standpunt verwacht. Tertullianus bleef dan ook een minderheid en het latere canonieke recht bepaalde slechts dat mensen zich in een kerkgebouw netjes moesten kleden, waarbij men het advies van Paulus overnam: mannen blootshoofds, vrouwen liever met bedekt haar.

    [Wordt vervolgd; een overzicht van passages uit het Nieuwe Testament is hier.]

    #canoniekRecht #EersteBriefAanDeKorintiërs #hoofddoek #huwelijk #KalifaatVanDamascus #Mishna #NieuweTestament #Paulus #prostituees #rabbijnseLiteratuur #Tertullianus #traditie #vrouwenportretten #vrouwenrechten

    Bijbelse en Griekse insecten

    Zelfportret van de Meester van Frankfurt en zijn vrouw, detail (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen)

    Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd: ik blog vandaag dus eens over iets kleins, namelijk insecten. Nu zitten er op het eerste gezicht niet bijster veel vliegen, muggen en vlooien in het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag graag blog, maar er zijn er wel een paar verstopt. Als Jezus een bezetene heeft genezen, vragen mensen zich bijvoorbeeld af of hij een door God gezonden verlosser kan zijn, en werpen anderen tegen dat hij alleen demonen kon uitdrijven “dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen”.noot Marcus 3.22.

    Heer der vliegen

    Hier gebeurt weer eens een hoop tegelijk. Eeuwen eerder was er vrijwel zeker een Kanaänitische godheid die Baäl-Zebul heette, wat de auteur van het Deuteronomistische Geschiedwerk, die niets wilde weten van andere goden dan zijn eigen godheid, “verbeterde”: hij duidde deze godheid aan als Baäl-Zebub, ofwel de “heer der vliegen”.noot 2 Koningen 1.2. De nieuwtestamentische weergave blijft dus iets dichter bij het Kanaänitische origineel, maar heeft een even negatieve associatie. In de latere, christelijke traditie zou Beëlzebul de naam van de duivel zelf zijn, wat niet helemaal hetzelfde is als de vorst der demonen.

    De grens tussen vliegen en muggen en vlooien is in oude teksten niet altijd even duidelijk, dus ik vervolg met ander vliegend ongedierte. Een van de tien plagen van Egypte bestond uit vliegen of muggennoot Exodus 8.12. en de auteur van Prediker weet dat een beetje dwaasheid de beste wijsheid ranzig maakt, “zoals één dode vlieg een kostbare zalf bederft”.noot Prediker 10.1.

    Aisopos en Aristoteles

    De Joden waren niet de enigen met een hekel aan insecten. De Griekse fabeldichter Aisopos voelde er ook weinig sympathie voor. Nu zijn de fabels van Aisopos wat verdacht: er is nogal wat op zijn naam overgeleverd dat niet hijzelf heeft bedacht en classici hebben weinig illusies over de authenticiteit van het corpus. Maar als zo’n vertelsel is overgeleverd door Aristoteles, hebben we in elk geval te maken met een Griekse anekdote die behoorlijk oud is.

    Aisopos, die voor de volksvergadering van Samos een alleenheerser verdedigde die ter dood veroordeeld was, vertelde dit verhaal:
    “Een vos die een rivier overstak, werd meegevoerd door de stroming en kwam terecht in een hol in de rotsen. Omdat hij er niet uit kon komen, leed hij lange tijd onder een zwerm muggen die zich aan hem vastklampte. Een egel die daar ook rondzwierf, zag de vos en kreeg medelijden. Hij vroeg of hij de muggen mocht verwijderen. De vos wees het aanbod echter af. Toen de egel vroeg waarom, antwoordde hij: ‘Deze muggen zitten inmiddels vol met mijn bloed en zuigen niet veel meer. Als je ze weghaalt, komen er andere met een frisse eetlust die al mijn bloed zullen opdrinken.’
    “En zo,” rondde Aisopos af, “zal mijn cliënt jullie geen kwaad meer doen. Hij is al rijk. Maar als jullie hem ter dood brengen, zullen er anderen komen die niet rijk zijn, en hun verduisteringen zullen jullie schatkist volledig leegmaken.” noot Aristoteles, Rhetorika 1393b-1394a.

    Kortom

    De overlast van de muggen wordt door Aisopos niet uitgelegd maar simpelweg verondersteld, en Aristoteles spreekt het niet tegen. Ook Grieken hadden dus een hekel aan muggen. Kortom, als u behoort tot degenen die de Oudheid om een of andere reden normatief vinden, dan heeft u dus zowel klassieke als bijbelse toestemming om een vlieg of een mug dood te meppen. Maar u kunt natuurlijk ook wat minder bloeddorstig zijn, zoals de dame op het plaatje hierboven, die er vrede lijkt te hebben met wat anderen ongedierte noemen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #Aisopos #Aristoteles #Beëlzebul #DeuteronomistischGeschiedwerk #duivel #egel #insect #mug #NieuweTestament #vlieg #vos

    Vijf broden, twee vissen

    Brood en vis (Catacomben, Rome)

    Een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, waarover ik op zondagen nogal eens blog, is dat over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Het zijn overigens twee verhalen over twee gebeurtenissen, beide te vinden bij Marcus: het eerste verhaal speelt zich af in de omgeving van het Meer van Galilea, en het tweede in de Dekapolis.noot Marcus 8.1-10. Daarover een andere keer meer, vandaag het verhaal in Galilea.

    Dat begint ermee dat Jezus en enkele volgelingen naar een afgelegen plek varen, waar ze echter geen rust vinden, maar worden opgewacht door een grote menigte. Jezus “voelde medelijden met hen,” schrijft Marcus, “want ze waren als schapen zonder herder” – een echo van Jezus’ missie om de verloren schapen van Israël terug te halen.

    Hij onderwees hen langdurig. Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: “Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten voor zichzelf te kopen.”
    Maar hij zei: “Geven jullie hun maar te eten!”
    Ze vroegen hem: “Moeten wij dan voor tweehonderd denarii brood gaan kopen om hun te eten te geven?”noot Marcus 6.34b-37; NBV21.

    Van tweehonderd denarii, zilverstukken, kon iemand een jaar leven. Het bedrag correspondeert met 3200 as, bronstukken, en omdat een brood twee as kostte, hebben we het dus over 1600 broden. Dat past aardig bij het gegeven dat er ongeveer 5000 mensen aanwezig waren.

    Toen zei hij: “Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.”
    Ze gingen kijken en zeiden: “Vijf, en twee vissen.”
    Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde hij onder allen die er waren. Iedereen at en werd verzadigd. Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten.noot Marcus 6.38-44.

    De miraculeuze maaltijd

    Het motief van de gastheer die begint eten uit te delen, ook al heeft hij weinig, waarbij de voedselvoorraad miraculeus groot blijkt te zijn, is van alle tijden en culturen, al zal de auteur van het Marcus-evangelie vooral hebben gedacht aan een soortgelijk incident met de profeet Elisa.noot 2 Koningen 4.42-44. Hij zal ook hebben gedacht aan Jezus’ woorden van het Laatste Avondmaal:

    Hij nam een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit.noot Marcus 14.22.

    Het brood nemen, het brood zegenen, het brood breken, het brood uitdelen: het is vanzelfsprekend een vrij logische volgorde, maar de herhaling van exact dezelfde werkwoorden suggereert dat er meer aan de hand is. Er is bovendien een parallel bij de broodmaaltijd in de Dekapolis. De hypothese dat deze vier werkwoorden ook een rol speelden in de gebeden van de vroege christelijke gemeenschap, is niet toetsbaar maar ook niet heel erg krankzinnig, al was het maar omdat de scène tevens is afgebeeld in de catacomben.

    Open commensaliteit

    Daar komt bij dat gemeenschappelijke maaltijden belangrijk waren voor de eerste gelovigen. De sociaalwetenschappelijke term is “open commensaliteit”, dat wil zeggen dat je je maaltijd deelt met alle aanwezigen, zonder aanzien des persoons of zonder verwachting van een tegenprestatie. Het is de concrete utopie van iedere voorkapitalistische plattelandssamenleving. Het heil is superconcreet, hier en nu, zichtbaar, aan tafel, voor alle aanwezigen bereikbaar.

    Maar er is meer. Een van de joodse Eindtijdvoorstellingen was die van de maaltijd, voorgezeten door een messias. Dit is gedocumenteerd bij de profeet Jesajanoot Jesaja 25.6. en in verschillende Dode-Zee-rollen, zoals de Gemeenschapsregel.noot 1QSa Gemeenschapsregel ii,18-22. Ik zal in het midden laten wat er feitelijk is gebeurd daar op die afgelegen plek aan het Meer van Galilea, maar men herinnerde zich blijkbaar een grote maaltijd, ooit tijdens de regering van keizer Tiberius, die een voorafschaduwing was van de Eindtijd.

    [Later meer. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #broodvermenigvuldiging #Dekapolis #denarius #Eindtijd #Elisa #EvangelieVanMarcus #LaatsteAvondmaal #MeerVanGalilea #messias #NieuweTestament #Oorlogsrol #openCommensaliteit #wonderverhaal

    De tweede broodvermenigvuldiging

    Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament, en ik ga verder waar ik onlangs was gebleven. Toen behandelde ik de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging: het verhaal van de vijf broden en de twee vissen. Ik wees er toen al op dat er nóg zo’n verhaal is. Het is eigenlijk vrijwel identiek.

    Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen: “Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets te eten. Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, raken ze onderweg uitgeput; sommigen zijn immers van ver gekomen.”noot Marcus 8.1-3; NBV21.

    De mensen zijn ver van huis, Jezus heeft medelijden omdat ze onvoldoende te eten hebben: dit komt precies overeen met het vorige verhaal. En zo gaat het verder: broden nemen, broden zegenen, broden breken, broden uitdelen, open commensaliteit, vissen verdelen, manden vol overblijvend eten, duizenden aanwezigen. De verschillen zijn maar klein.

    Zijn leerlingen antwoordden: “Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?”
    Hij vroeg hun: “Hoeveel broden hebben jullie?”
    “Zeven,” antwoordden ze. Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg. noot Marcus 8.4-9.

    De vraag die meteen opkomt is waarom Marcus het verhaal herhaalt. Akkoord, de evangelist was goedgelovig in de zin dat zijn relaas bol staat van de wonderlijke gebeurtenissen, en zijn topografisch inzicht is gering. Het is onmogelijk in de Dekapolis een verlaten plek te vinden. Maar Marcus is een handige auteur. De ironie van zijn evangelie, waarin al Jezus’ tegenstanders hem aanduiden als “zoon van God” en zijn leerlingen het almaar niet begrijpen, is maar één voorbeeld van een auteur die heel goed wist wat hij aan het doen was. De herhaling kan dus alleen maar opzet zijn.

    Het voornaamste verschil is de locatie. Na de eerste broodvermenigvuldiging is Jezus op reis gegaan: eerst naar Tyrus, vervolgens over Sidon naar het Meer van Galilea. Dit is een kolossale omweg over het Libanongebergte, door de Bekaa en langs de berg Hermon. Dit was het land van de Herodiaanse prins Filippos: een Jood die heerste over niet-Joden. Van het Meer van Galilea trok Jezus naar de Dekapolis, een gebied waar heel weinig Joden leefden. Anders gezegd: de eerste broodvermenigvuldiging vond plaats onder de Joden, de tweede onder de heidenen.

    Door het zo te presenteren, neemt Marcus stelling in de discussie onder de eerste apostelen: wat was de status van de niet-Joden? Behoorden zij tot het Verbondsvolk of niet? De herhaling van het verhaal, onhandig geplaatst in een verstedelijkt gebied waar je onmogelijk “in verlatenheid” kunt zijn, was geen prutswerk. Marcus maakt vrij duidelijk waar hij staat: ook niet-Joden waren welkom.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #broodvermenigvuldiging #Dekapolis #FilipposHerodiaan #NieuweTestament #openCommensaliteit #Verbond #Verbondstheologie
    Nieuwe Testament - Mainzer Beobachter

    In 2019 ben ik begonnen met een (bijna) wekelijks blogje over het Nieuwe Testament. Dat lees ik zonder al te veel aandacht te besteden aan latere christelijke uitleg, maar met de nadruk op de joodse context. Die reeks kan nog jaren duren. Hier is een overzicht van de stukjes. Matteüs Marcus Lukas Johannes Handelingen Romeinen … Meer lezen over Nieuwe Testament

    Mainzer Beobachter

    Stefanus

    Stefanus (Kykkos-klooster)

    Een van de opmerkelijke discussies die we tegenkomen in de Handelingen van de Apostelen, is die over de plaats van de niet-Joden in de vroege christelijke kerk. Ook de diverse brieven die in het Nieuwe Testament zijn opgenomen, documenteren deze kwestie. Dat erover gesproken is geweest, bewijst dat Jezus er geen standpunt over heeft ingenomen. Hij kwam om de verloren schapen van Israël te redden, maar hij lijkt niets tegen andere volken gehad te hebben. De anekdote over de Romeinse officier die verzoekt om de genezing van een knecht, lijkt dit te bevestigen: de schets van een vriendelijke verhouding tussen Joden en niet-Joden is in elk geval heel oud, aangezien ze na pakweg 40, toen de relatie op scherp kwam te staan, nauwelijks meer kan zijn verzonnen.

    Diakens

    Maar er was in de jonge kerk dus discussie. Een jaartal kunnen we er niet op plakken, maar het feit dat zelfs de geïdealiseerde beschrijving in Handelingen, waarin de vroege christenen alles gemeenschappelijk deden, ergernissen vermeldt, is hoogst significant. Dit was geen informatie die de auteur kon onderdrukken.

    Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld.noot Handelingen 6.1; NBV21.

    De Twaalf kwamen samen en besloten zeven diakens aan te stellen, die verantwoordelijk zouden zijn voor de gemeenschappelijke maaltijden. De zeven eerste diakens hebben allemaal Griekse namen, zoals Stefanos of – gelatiniseerd – Stefanus, wat zoiets betekent als “gekransd”. Hij maakte furore met “grote wonderen”, wat op zich niets ongebruikelijks was. (De voor de historicus relevante vraag is niet hoe hij welke wonderen verrichtte, maar wat mensen destijds over Stefanus geloofden.)

    Dat een leer waarvan de kracht met wonderen werd onderstreept, leidde tot vragen, was evenmin ongebruikelijk. Stefanus’ tijdgenoot Apollonios van Tyana riep ook weerstand op. Handelingen meldt dat sommige joodse gelovigen Stefanus begonnen te belasteren met de aantijging dat Stefanus zich steeds weer had gekeerd tegen de Tempel en de Wet van Mozes. Hoewel de auteur van Handelingen de beschuldiging afdoet als vals, kunnen we overwegen dat er wel degelijk een aanleiding was: immers, het vroege christendom stelde noch de Tempel, noch de Wet van Mozes centraal, maar de messias. In een verhitte discussie willen de nuances nog weleens wegvallen.

    Rechtszaak

    Om die nuances te herstellen, vraag je iemand wat ’ie bedoelt, en dus werd Stefanus verhoord door het Sanhedrin, het hoogste joodse rechtscollege. De auteur van Handelingen leeft zich drieënvijftig verzen uit in een samenvatting van de joodse religieuze literatuur, waarin Stefanus het belang van de Tempel en de Wet van Mozes erkent en afrondt met een provocatie:

    U bent halsstarrig … steeds weer verzet u zich tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden. Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? Degenen die de komst van de rechtvaardige aankondigden hebben ze gedood, en zelf hebt u nu de rechtvaardige [Jezus] verraden en vermoord, u die de Wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.noot Handelingen 7.51-53; NBV21.

    Onnodig te zeggen dat dit niet goed viel bij de diverse raadsleden. Toen Stefanus ook nog aangaf dat hij – blijkbaar in een soort visioen – Jezus in de hemel kon zien, en dat hij als Mensenzoon zat aan Gods rechterhand, werd Stefanus weggevoerd en gestenigd. Het was dan ook niet gering wat Stefanus had gezegd: Jezus was dood; daarvoor waren de leden van het Sanhedrin verantwoordelijk; maar Jezus was in de hemel opgenomen en zou als Mensenzoon het Laatste Oordeel vellen. Anders gezegd, hij was onschuldig geweest en de leden van het Sanhedrin zouden de prijs betalen.

    Dat Jezus feitelijk door de Romeinen was geëxecuteerd, blijft onvermeld. Het automatisme waarmee christenen de joden de schuld in de schoenen schoven, dat later tot pogroms zou leiden, lijkt hier impliciet al aanwezig.

    Executie

    Ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette. Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: “Heer, reken hun deze zonde niet aan!” En na deze woorden stierf hij.noot Handelingen 7.57-60; NBV21.

    Ik weet niet zoveel van stenigingen, maar mij is verzekerd dat de veroordeelde eerst immobiel wordt gemaakt, bijvoorbeeld door de benen te breken of  iemand half in een kuil te begraven. Dat het buiten de stad moest gebeuren, sprak vanzelf, aangezien de rituele reinheid van de Tempel en Jeruzalem anders zou worden gecompromitteerd. Stefanus’ laatste woorden herinneren aan de woorden die de evangelist Lukas de stervende Jezus in de mond legt.noot Lukas 23.34 en 23.46.

    Handelingen vervolgt met de opmerking dat Saulus, die we later zullen leren kennen als de apostel Paulus, de executie goedkeurde, en dat de christelijke gemeenschap in Jeruzalem aan vervolging werd blootgesteld. “Vrome mannen begroeven Stefanus,” lezen we, “en hieven een luide dodenklacht over hem aan.”noot Handelingen 8.2; NBV21. Daarmee eindigt het verhaal over Stefanus – en méér weten we ook niet over. Hij was de eerste christelijke martelaar, de protomartyr.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #ApolloniosVanTyana #diaken #HandelingenVanDeApostelen #martelaarschap #NieuweTestament #Paulus #Stefanus #steniging #Tora #WetVanMozes