Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (3)

De heuvel met het Karthaagse paleis in Cartagena

[Derde deel van de tekst van mijn toespraakje bij de presentatie van Rome en de Lage Landen van Robert Nouwen, afgelopen zaterdag in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Het eerste deel was hier.]

Doelgroepen

Sta me wat oververeenvoudiging toe en laat me het publiek verdelen in mensen met hoge en lage informatiebehoefte.

Hoge informatiebehoefteTweede lijn: verdiepende informatie & rechtvaardiging van de informatieKnow how?
Know why?Lage informatiebehoefteEerste lijn: algemene informatieKnow what?

Op het eerste niveau constateren we bijvoorbeeld dat de Romeinen in pakweg Utrecht hun olijfolie importeerden uit Andalusië; op het tweede leggen we vervolgens uit wat Dressel-20-amforen ons vertellen. Waar de behoefte aan verdiepende informatie precies ligt, valt af te leiden uit de vragen die mensen stellen. Musea hebben daar zicht op, en u begrijpt dat ik daarmee eigenlijk zeg dat een museumdirecteur als Robert Nouwen begrijpt wat op het spel staat.

Een kwart van de gestelde vragen betreft hoe oudheidkundigen weten wat ze weten. We kunnen op het tweede niveau dus tevens uitleggen wat een verspreidingskaart van Dressel-20-amforen vertelt en met welke proxydata de olijfoliehandel is gekwantificeerd. Een goede voorlichting bedient, in deze oververeenvoudigde weergave, beide groepen.

De sleuteldoelgroep

Echter, mensen met een hoge informatiebehoefte komen er momenteel doorgaans bekaaid vanaf. De oudheidkundige voorlichting beperkt zich veelal tot de eerste lijn. Vaak wordt dezelfde, eenvoudige en niet zelden verouderde of zelfs ronduit onjuiste informatie herhaald, en te vaak geloven juist geïnteresseerde mensen de claims niet langer. Deze week was er leuk nieuws over de ontdekking van de regels van een Romeins spel, en van begin af aan was er kritiek op de berichtgeving.

We mogen wel enig vertrouwen hebben in de wetenschap, en dan maakt dit wantrouwen de oudheidkundige wetenschappen nodeloos kwetsbaar. Ik noem nog eens de Nijmeegse aquaductenaffaire: uw gemeente wil een toeristisch wandelpad aanleggen langs het aquaduct bij uw achtertuin, maar kan niet uitleggen waarom archeologen weten dat daar een aquaduct is. Dan zet u de hakken in het zand, hijst de rode vlag en gaat, zoals dat tegenwoordig heet, “zelf onderzoek doen”. Met deze wetenschapsscepsis erbij krijgen we een tweede schema.

WetenschapspositiefSceptischHoge informatiebehoefteTweede lijn: verdiepende informatie & rechtvaardiging van de informatieDerde lijn: gesprekkenLage informatiebehoefteEerste lijn: algemene informatie–

De eerste lijn is het algemene aanbod, in de tweede lijn leggen we uit waarop dat is gebaseerd en in de derde lijn proberen we sceptici ervan te overtuigen waarom de wetenschappelijke methode de meest redelijke is. Dat vergt een persoonlijk gesprek waarin de voorlichter een onderscheid aanbrengt tussen enerzijds de wetenschap en anderzijds de bezorgdheid die de betrokkene ervan weerhoudt de methode te aanvaarden. Zo’n gesprek – ik spreek uit ervaring – is tijdrovend. Wil je dat vermijden, dan moet de tweede lijn op orde zijn. Al vóór de problemen ontstaan moet de eerstelijns-informatie zijn gerechtvaardigd.

De tweede lijn dient dus om proactief scepsis te bestrijden. Je verhindert dat mensen met een hoge informatiebehoefte teleurgesteld “zelf onderzoek gaan doen”. Maar er is nog een reden om de tweede lijn serieus te nemen. Je kunt deze mensen ook inzetten vóór de wetenschap. Zij zijn de sleuteldoelgroep: zij kunnen de wetenschap niet alleen beschadigen maar kunnen het wetenschappelijk signaal ook versterken en beschermen.

Ik noem Spanje, waar archeologische musea uitleg bieden van wat oudheidkundigen feitelijk doen. Toen bijvoorbeeld de gemeente Cartagena een bouwvergunning afgaf voor een project waarbij de sporen van een Karthaags paleis dreigden te worden overbouwd, kwam de bevolking in het geweer. De archeologen hadden, door de sleuteldoelgroep te bedienen, hun vak verankerd in het culturele leven en zo de wetenschap beschermd.

Nouwen als communicator

Het is dus niet omdat alle kritiek volledig valt te pareren dat ik pleit voor “Public Understanding of Science”. Die ene procent dwarsliggers bereik je sowieso niet. Wat we met verdieping en methodische uitleg wél bereiken, is dat de groep van pakweg 20% die anti-wetenschappelijk worden kan, niet eveneens wegdrijft. Bovendien kunnen we, door de sleuteldoelgroep meer aandacht te geven dan tegenwoordig het geval is, oudheidkundige kennis cultureel verankeren. En dit is, opnieuw, waarom Rome en de Lage landen belangrijk is. Robert Nouwen bedient de sleuteldoelgroep.

Daarmee maakt hij een andere keuze dan we in Romeins Nederland gewend zijn. Zoals gezegd is de voorlichting te vaak beperkt tot de eerste lijn. De Romeinse limes bijvoorbeeld presenteert zich met een stortvloed aan steeds dezelfde informatie, met als gevolg dat betrouwbare informatie (die er wel is) inmiddels onzichtbaar ligt onder de oppervlakkigheden. Ooit heette dat junk news, tegenwoordig flooding the zone.

Als dit nieuwe wegen in het erfgoedmanagement zijn, lopen we daarover steeds verder het moeras in. Niemand kan momenteel ontdekken welk excess empirical content rechtvaardigt waarom ten gunste van de Romeinse limes de Germanen uit ons geschiedbeeld zijn verwijderd. Ik ben niet de eerste of enige die zich afvraagt of het wel een vooroordeel is dat oudheidkundigen meedraaien met iedere culturele en politieke wind. Daarom is het weldadig een boek over de Romeinse tijd te lezen dat de wetenschappelijke autonomie herneemt. Opnieuw een reden om Rome en de Lage Landen te prijzen.

De toekomst

Is het boek perfect? Nouwen zal als eerste erkennen dat hij keuzes heeft moeten maken. En anderen maken andere keuzes. Ikzelf zou bijvoorbeeld meer hebben gedaan met taalkunde en Romeins Recht. Nouwen zal ook als eerste erkennen dat Rome en de Lage Landen zal verouderen. De vraag naar een volgende synthese zal met elke ontdekking toenemen.

Ik stel me voor dat die volgende synthese geen boek is maar een voor alle doelgroepen toegankelijke website, waarop alleen iets verschijnt dat door een archeoloog, een historicus en een classicus is gefiatteerd. En die website is, net als Neerlandistiek.nl, niet afgesloten met een betaalmuur. Immers, zolang desinformatie gratis is en we voor goede informatie moeten betalen, geldt dat bad information drives out good. Onze digitale synthese mag geen betaalmuurmedeplichtige zijn. Ik denk verder dat de musea geoutilleerd zijn om dit project te beginnen.

Envoi

Terug naar het heden. Nouwen heeft België en Nederland de synthese geschonken die we nodig hadden. We kunnen mensen met een hoge informatiebehoefte, als onderzoekers iets moois ontdekken, op een verantwoorde wijze een verantwoorde context bieden. Classici kunnen zien wat archeologen hebben bereikt, archeologen kunnen profiteren van actuele inzichten van classici en oudhistorici.

Hoe gaan we vanaf hier verder? Ik vertrouw op een symposium over Rome en de Lage Landen. Een symposium over publieksgeschiedenis, over samenwerking tussen de oudheidkundige bloedgroepen, over verdieping. En ik meen dat bij zo’n symposium een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland aanwezig behoort te zijn, inclusief de bekendste historicus van Nederland.

#badInformationDrivesOutGood #boek #Cartagena #GalliaBelgica #GermaniaInferior #NijmeegseAquaductaffaire #PublicUnderstandingOfScience #RobertNouwen #sleuteldoelgroep #synthese #website

Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (2)

De bovenloop van het Nijmeegse aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis

[Tweede deel van de tekst van mijn toespraakje bij de presentatie van Rome en de Lage Landen van Robert Nouwen, afgelopen zaterdag in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Het eerste deel was hier.]

Wetenschapscommunicatie

Zoals u misschien weet staat het kantoor van dit museum één straat verder, in het huizenblok waar ooit Simon Stevin woonde. Een museumkantoor kan niet op een nobeler plek staan, want Stevin was een van de eersten die nadacht over de wijze waarop je wetenschappelijke inzichten het beste kon delen. Nouwen is een waardige opvolger van Stevin.

In de ideale situatie leggen wetenschappers hun werk zelf uit. Wim van Es kon dat, maar niet iedereen is zo getalenteerd. Bovendien is wetenschapscommunicatie inmiddels een specialisme op zich, met als doel zoveel mogelijk zo accuraat mogelijke inzichten zo snel mogelijk zo goed mogelijk bij zoveel mogelijk zo relevant mogelijke mensen te laten aankomen. Idealiter:

Idealiter. Idealiter nemen de mensen de conclusies over en leven ze nog lang en gelukkig.

Maar dat is natuurlijk een sprookje. De Nijmeegse aquaductaffaire toonde een publiek dat de hakken in het zand zette tegen de wetenschap, en was mogelijk doordat archeologen hadden nagelaten hun bevindingen voldoende toe te lichten. De affaire escaleerde naar de Rekenkamer en het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit, en beschadigde zowel de wetenschap als de betrokkenen. Het was an accident waiting to happen, omdat de methode waarop de claim was gebaseerd, niet op voorhand was uitgelegd.

Een eerste conclusie: het publiek moet vooraf, vóór er problemen zijn, toegang hebben tot uitleg van de methode. Deze nadruk op transparantie valt onder wat bekendstaat als “Public Understanding of Science”: het idee dat wetenschapsscepsis ontstaat door onvoldoende kennis van het wetenschappelijk bedrijf. Zorg dus voor uitleg van de methoden, de theorievorming, de zwakke punten. Methodische uitleg neemt echter niet alle problemen weg.

Dwarsliggers

De eerste complicatie is de dwarsligger. Pakweg 1% van het publiek. Bij wijze van voorbeeld noem ik een andere kwestie, enkele jaren geleden, buiten de Romeinse Lage Landen maar wel relevant: afrocentrisme. Destijds bekritiseerden zwarte studenten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam hun docenten omdat die zwart erfgoed negeerden. De medewerkers begonnen pas toen, toen de kritiek er al was, uit te leggen hoe oudheidkundigen tot conclusies komen, waarna de sceptici ook de methodes betwijfelden. Alle goede didactische bedoelingen hadden dus vooral als gevolg dat er méér schade was voor de wetenschap en de betrokkenen. Dit is een schoolvoorbeeld van het zogeheten backfire-effect.

Opnieuw: als mensen uitleg van de methode hadden gevonden, gewoon online, met een muisklik, was de schade beperkter geweest. Helemaal vermijdbaar was ze echter niet. De echte dwarsligger wil zich niet laten overtuigen en zoekt naar mogelijkheden om te zuigen. Niet lang na de affaire aan de Vrije Universiteit kreeg dit museum de volle laag.

Publieksvragen

De tweede complicatie is dat ik hierboven wat makkelijk uitging van een passief publiek. Dat stelt echter vragen. Zoals het bij presentaties als deze gaat, zal een spreker die pijltjes heeft gebruikt, betogen dat die ook de andere kant op kunnen wijzen. Hier is het plaatje waarop u al zat te wachten.

En u weet ook al dat in een derde plaatje de pijltjes allebei de kanten op staan.

Een tweede conclusie: voorlichting is communicatie. De wetenschap kan iets “zenden” waarvan mensen nog niet weten hoe interessant het is, en de wetenschap moet vragen van het publiek beantwoorden.noot Ik breng de Nationale Wetenschapsagenda in herinnering. Eén classica nam de moeite een vraag te beantwoorden. De wetenschappers lieten het publiek verder in de kou staan. Alleen: “het” publiek bestaat niet. Er zijn diverse groepen. En Rome en de Lage Landen is zo belangrijk omdat Robert Nouwen op dit punt een ongebruikelijke maar verstandige keuze maakt.

[Wordt vervolgd]

#backfireEffect #boek #GalliaBelgica #GermaniaInferior #NijmeegseAquaductaffaire #PublicUnderstandingOfScience #RobertNouwen #synthese

Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)

Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.

Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. We hadden ook kunnen uitwijken naar de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?

Dilemma: ik wilde als spreker de organisatoren en de gastheer niet afvallen, maar de te bescheiden presentatie was inderdaad wat vreemd. Ik heb voor dit dilemma geen echt bevredigende oplossing gevonden en uiteindelijk mijn praatje maar ingeleid door te zeggen dat er menselijke en begrijpelijke factoren in het spel waren, dat het iets was om te bespreken bij een andere gelegenheid, en dat wij het er verder bij de borrel maar niet over moesten hebben. Het leidt immers tot niets, behalve een nare afdronk.

Synthese

Het boek van Robert Nouwen, Rome en de Lage Landen is, zoals gezegd, de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw: namelijk sinds De Romeinen in Nederland van Wim van Es. Dat beleefde drie drukken tussen 1972 en 1980. En nu is er een opvolger. Ik mag bij lezingen de luisteraars graag wat prikkelen met ironie of overdrijving, maar niet nu: dit boek is belangrijk.

Elke wetenschap heeft overzichtswerken nodig, de zogeheten syntheses. Het zijn de boeken waarin je de hoofdlijnen kunt naslaan. Waaruit bestond in de Romeinse Lage Landen het takenpakket van een procurator? Welk legioen lag in Nijmegen? Hoe mobiel waren kooplieden uit Tongeren? Syntheses zijn noodzakelijk omdat niemand het totale overzicht heeft.

Sterker nog: doordat het databestand almaar groeit, hebben we steeds minder overzicht. Tot 2010 viel de wetenschappelijke productie over Romeins Nederland uit te drukken in meters papier, namelijk vijfentwintig meter sinds 2000. In deze tijd van PDFs lukt zelfs zo’n vergelijking niet. We verdrinken in de data (en desondanks is dat te weinig). Het meest in het oog springend zijn de archeologische vondsten. Er zijn ook inscripties bij gekomen en historiografische teksten, zoals de Dexippus Vindobonensis. Niemand kan het nog overzien.

En dat was maar één aspect van het oudheidkundig bedrijf. Deze dataverwerving is immers geen wetenschap. Het is slechts een voorwaarde voor wetenschap. Het eigenlijke werk is de interpretatie van die data, en interpretaties veranderen in de loop der jaren.

Om het nog onoverzichtelijker te maken, verschijnt een deel van de relevante wetenschappelijke literatuur niet in het Nederlands of Engels. Daarom is de door Italiaanse classici geïdentificeerde inscriptie over het bezoek van keizer Domitianus aan Nijmegen, waar archeologen al eerder een opvallende piek in het circulerende kleingeld vaststelden, in Nederland lang onbekend gebleven.

Institutioneel gescheiden oudheidkundes

En nu ik de classici noemde: dat zijn geen archeologen. En omgekeerd zijn archeologen geen classici. Sinds in de jaren ’80 de onderzoeksscholen Archon en Oikos zijn opgericht, zijn de twee oudheidkundige bloedgroepen verder uit elkaar gedreven. En zolang ik aan een hoogleraar archeologie moet uitleggen wat een klankwet is, is interdisciplinariteit een wassen neus.

Er bestaan momenteel twee institutioneel gescheiden oudheidkundes. Regelmatig baseren archeologen de interpretatie van mooie vondsten op inzichten die volgens oudhistorici verouderd zijn. Omgekeerd herhalen classici denkbeelden die door anderen zijn weerlegd. Ik heb ooit in een boze bui geschreven dat de meeste misinformatie wordt verspreid door wetenschappers die uitspraken doen buiten hun specialisme, en was verbaasd toen De Volkskrant me erop wees dat dit inmiddels Lendering’s Law heet.

Nouwen als syntheticus

De kiesheid schrijft nu bescheidenheid voor, maar het is belangrijk te benadrukken dat de diverse oudheidkundige bloedgroepen onvoldoende weten van elkaar. Vandaar het belang van syntheses. En met de verschijning van Rome en de Lage Landen hebben we die dus voor het eerst sinds van Van Es. U kunt tegenwerpen dat er in de tussentijd wel degelijk overzichtswerken zijn verschenen,noot Ik denk aan Romeins Nederland van Van Dockum & Van Ginkel (1993), aan mijn eigen boeken De randen van de aarde (1999) en Edge of Empire, en aan Wee de overwonnenen van Alexander van de Bunt (2020). maar dat waren slechts geactualiseerde samenvattingen van Van Es. Lapwerk.

Rome en de Lage Landen is dus een belangrijk boek omdat het volledig is en actueel. Het is bovendien een goed boek omdat Nouwen én het materiële én het geschreven bewijs overziet. Bovendien overziet hij het Franse taalgebied: in Nederland een verdwijnende vaardigheid.

Als dit alles was, hadden we voldoende reden voor een toost. Maar dit is niet alles.

[Wordt vervolgd]

#boek #Domitianus #GalliaBelgica #GermaniaInferior #Nijmegen #RobertNouwen #synthese #WimVanEs

XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

In de jaren na 118 stond het legioen onder bevel van Quintus Marcius Turbo Fronto, een persoonlijke vriend van keizer Hadrianus, die Dacië was belast met de pacificatie van Dacië, dat na de dood van Trajanus onrustig was geworden. XXX Ulpia Victrix moet wat politiewerk hebben gedaan.

Xanten

Na 122 werd het legioen gestuurd naar Castra Vetera ofwel Xanten in Germania Inferior. De locatie van deze basis is bekend, maar verzwolgen door de Rijn. Het Dertigste zou er, zoals gezegd, eeuwenlang blijven: het was er nog rond 400 en de burgerlijke nederzetting nabij de basis heette enige tijd eenvoudigweg Tricensimae, wat zoiets als “bij het Dertigste” betekent.

Germania Inferior wordt nauwelijks genoemd in onze bronnen, en inscripties zijn ons enige bewijs voor de activiteiten van het legioen. Militaire aangelegenheden blijven vrijwel onvermeld, wat (misschien ten onrechte) suggereert dat het rustig was in de regio. Een inscriptie vermeldt dat een officier in Keulen het heiligdom van Jupiter Dolichenus herbouwde; dezelfde man richtte twee heiligdommen in voor Mercurius en enkele godinnen met de opvallende naam Matres Paternae (“vaderlijke moeders”). Andere inscripties bewijzen dat de gouverneur van Germania Inferior soldaten uit het Dertigste gebruikte als klerken. Een onderafdeling van vijftig legionairs was gestationeerd in Iversheim, waar ze bakstenen en dakpannen vervaardigde.

Helm van een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

EXGERINF

Een andere onderafdeling was met I Minervia, het andere legioen in deze provincie, gestationeerd in Bonn. Andere onderafdelingen lijken in Remagen en aan de grens met Germania Superior te hebben verbleven. Dit is opmerkelijk omdat beide plaatsen dichter bij Bonn, de basis van I Minervia, liggen dan bij Xanten. De twee legioenen opereerden echter vaak samen. Inscripties uit ons rivierengebied vermelden vaak “het leger van Germania Inferior” (exercitus Germaniae Inferioris, kortweg EXGERINF).

Tijdens het bewind van keizer Septimius Severus (r.198-211) dienden onderafdelingen van deze twee legioenen als garnizoen van Lyon, de hoofdstad van de Gallische provincies. Het aantal inscripties van XXX Ulpia Victrix is ​​opmerkelijk groot. Andere inscripties bewijzen dat legionairs van het Dertigste overal in Gallië werden ingezet: in Châlons, in Parijs, in Bourges, in Auch bij de Pyreneeën en in de Alpen. Het lijkt erop dat XXX Ulpia Victrix een soort uitzendbureau was.

Militaire operaties

Toch diende het ook in oorlogen. Tijdens de regering van keizer Antoninus Pius (r.138-161) was een onderafdeling gestationeerd in Mauretanië, waar het de Mauri bestreed. Toen I Minervia in de jaren zestig van de tweede eeuw deelnam aan de campagne tegen het Parthische Rijk van Lucius Verus, waren daarbij ook soldaten van het Dertigste betrokken. Het is waarschijnlijk dat andere onderafdelingen betrokken waren bij de oorlogen van Marcus Aurelius tegen de Marcomannen (165-175 en 178-180), en deelnamen aan de campagne van de gouverneur van Gallia Belgica, Didius Julianus, tegen de Chauken in 173.

In 193 brak er een burgeroorlog uit. Munten bewijzen dat het Dertigste, Zegevierende Ulpische Legioen onmiddellijk de kant koos van Septimius Severus koos. Dit was moedig omdat een andere pretendent, Clodius Albinus, dichterbij was. In 196/197 moet het legioen bij de daadwerkelijke gevechten betrokken zijn geweest. Severus zegevierde en beloonde het legioen van Xanten met de titel Pia Fidelis (“trouw en loyaal”).

Inscriptie voor een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Stara Zagora)

Na 208 nam XXX Ulpia Victrix waarschijnlijk deel aan Severus’ Schotse campagne, en in 235 waren onderafdelingen actief tijdens de Perzische campagne van Severus Alexander. Uit archeologische vondsten kunnen we afleiden dat rond 240 de Rijngrens in een crisis verkeerde, en we moeten aannemen dat XXX Ulpia Victrix op een zeker moment een nederlaag heeft geleden. Het wist echter ook het Nederlandse rivierengebied te heroveren.

Late Oudheid

Dit gebeurde opnieuw in 256-258, toen de Franken Gallië binnenvielen. Keizer Gallienus kon ze teruggooien en moet daarbij het EXGERINF hebben gebruikt. In 260 waren de Franken terug, en deze keer werden ze verslagen door generaal Postumus, die prompt werd uitgeroepen tot keizer in een Gallisch Rijk. Dit waren de moeilijke jaren van de Crisis van de Derde Eeuw.

XXX Ulpia Victrix koos de kant van Postumus, die de regio tot rust bracht. Na 274 heroverde de Romeinse keizer Aurelianus Gallië echter, en hij haalde veel troepen weg voor een oorlog tegen keizerin Zenobia van Palmyra. Onmiddellijk staken de Franken de Rijn weer over en liepen het Nederlandse rivierengebied onder de voet. Het idee dat de limes totaal instortte, geldt inmiddels als achterhaald.

In de vierde eeuw veranderde de strategie. Mobiele cavalerielegers in het achterland vormden de ruggengraat van het Romeinse leger. De legioenen langs de Rijn waren nu minder belangrijk. Ze waren gestationeerd in goed-versterkte kastelen, waar ze de vijand opwachtten en tegenhielden totdat de cavalerie arriveerde. XXX Ulpia Victrix bleef in Xanten, waarschijnlijk op de plaats van wat ooit de burgerlijke nederzetting was geweest, maar had zijn werkelijke betekenis verloren. Het lijkt uit de geschiedenis te zijn verdwenen in de loop van de vroege vijfde eeuw.

#AntoninusPius #Bonn #Brigetio #ClodiusAlbinus #CrisisVanDeDerdeEeuw #Dacië #DidiusJulianus #EXGERINF #Gallienus #GallischKeizerrijk #GermaniaInferior #Hadrianus #IMinervia #IITraianaFortis #Iversheim #Keulen #legioen #LuciusVerus #Lyon #Marcomannen #MarcusAurelius #Mauretanië #Mauri #ParthischeRijk #Postumus #Rijn #RomeinsLeger #RomeinseLimes #SeptimiusSeverus #SeverusAlexander #Szöny #Trajanus #Vetera #Xanten #XIClaudia #XXXUlpiaVictrix #Zenobia

Valt te weten waar de Drususgracht lag?

Drusus, naar wie de Drususgracht is vernoemd (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

In mijn komende boek Hannibal in de Alpen behandel ik een topografisch probleem: hoe bepaal je de locatie van een in de antieke bronnen genoemde plek? Deze problematiek is gangbaar en elke oudheidkundige weet dat atlassen (zoals) veel schijnzekerheid bieden. Waar lag Waššukanni? Waar op de Atheense Akropolis stond het Parthenon? Welke ruïnes zijn die van Ubar? Zulk onderzoek is te reduceren tot vier deelproblemen.

  • Tekstkritiek: wat staat er precies in de geschreven bronnen?
  • Bronkritiek: vergelijking van de bronnen om informatie te distilleren
  • Reconstructie van het antieke landschap
  • Plaatsing van de informatie (2) in het landschap (3)
  • In het geval van Hannibals Alpentocht zijn er voldoende tekst- en bronkritische problemen om te weten dat er onvoldoende informatie is om in het landschap te passen. Einde speurtocht. Dat het Alpenlandschap niet noemenswaardig is veranderd zou stap #3 makkelijk hebben kunnen maken, maar zover komen we dus niet eens. Iets dergelijks, bedacht ik onlangs, speelt op onschuldiger niveau bij de zogeheten Drususgracht, een waterbouwkundig werk dat is vernoemd naar de Romeinse veldheer Drusus.

    Twee bronnen

    Het bewijsmateriaal is nu minder ingewikkeld dan bij Hannibal. Het gaat om precies twee zinnetjes.

    • Suetonius, Claudius 2: Oceanum septemtrionalem primus … navigavit transque Rhenum fossas navi et immensi operis effecit, quae nunc adhuc Drusinae vocantur. “De noordelijke Oceaan bevoer hij als eerste … en voorbij de Rijn bewerkstelligde hij, als arbeidsintensief en immens karwei, fossas die tot op de huidige dag Drusisch genoemd worden”
    • Tacitus, Ann. 2.8: navibus fossam, cui Drusianae nomen, ingressus. “Hij is met schepen de fossa met de naam Drusiaans ingegaan”

    Wat is een fossa?

    Wat is een fossa? Afgeleid van “het gegravene” zijn de betekenissen:

    • een greppel (bijv. de Fossa Cluilia bij Rome),
    • de greppel rond een fort,
    • een rivierbedding of -monding,
    • een kanaal (zoals de fossa Corbulonis),
    • de geul van een fundering,
    • een riool,
    • een graf,
    • een grens.

    Van de vijftien mij bekende topografische namen met het element fossa hebben er zeven betrekking op een riviermonding en drie op een kanaal; ook duikt fossa enkele keren op als naam van een wegstation. Zonder al te stellig te zijn: we mogen ons afvragen of de Drususgracht een kanaal was.

    Tacitus over de Drususgracht

    Als we alleen Tacitus zouden hebben, zouden we denken dat de Drusiaanse fossa een riviertak was. Vergelijk de mondingen van de Po, die namen hebben als Fossa Clodia en Fossa Flavia. We zouden wellicht hebben gedacht dat Drusus als eerste een bepaalde tak van de Rhenus bicornis had gevolgd. Dat moet dan slaan op de expeditie uit 12 v.Chr.

    Zo lezen we de passage van Tacitus echter niet. We lezen die via Suetonius: je leest immers nooit slechts één tekst.

    Suetonius over de Drususgrachten

    Het is echter de vraag of de twee schrijvers het over dezelfde Drususgracht hebben. Hier is de volledige passage uit Suetonius in de vertaling van Daan den Hengst.

    Drusus voerde in zijn functie van quaestor en praetor het bevel in de oorlogen in Raetia en later in Germanië. Hij was de eerste Romeinse legeraanvoerder die de Noordzee bevoer en hij liet aan de overkant van de Rijn ten koste van enorme inspanningen een stelsel van fossae graven dat nog steeds zijn naam draagt. De vijand bracht hij veel nederlagen toe en hij achtervolgde hem tot diep in het onherbergzame achterland. Hij staakte de achtervolging pas toen de verschijning van een Germaanse vrouw van meer dan menselijke grootte in het Latijn een halt toeriep aan zijn zegetocht. Om deze krijgsverrichtingen kreeg hij het recht een kleine triomftocht te houden en de onderscheidingstekens van een triomfator.

    Drusus vocht in 18 v.Chr. als quaestor in Raetia (zeg maar Baden-Württemberg) en bekleedde de praetuur in 11. Cassius Dio beschrijft de campagne van dat jaar (54.33): Drusus sloeg een brug over de Lippe, viel het land van de Sugambriërs binnen (langs de Lippe) en rukte op tot de Cherusken. Slechte voortekens verhinderden de verdere opmars. Florus, die op dit punt het verloren geschiedwerk van Titus Livius samenvat, vermeldt de bouw van praesidia atque custodias (garnizoenen en wachtposten) langs de rivieren, alsmede forten, bruggen en wegen (maar geen fossae).

    De natuurlijke wijze om Suetonius’ vermelding van Drusinische fossae te interpreteren, is dat we ze moeten zoeken bij de Lippe of, iets algemener, tussen Raetia en de Noordzee. Dat sluit vanzelfsprekend niet uit dat we de Drusinische fossae ook mogen zoeken aan de Beneden-Rijn en de aanleg kunnen plaatsen in 12 v.Chr. In dat jaar was Drusus echter geen praetor. Hij was legaat. We mogen (al even vanzelfsprekend) speculeren dat Suetonius slordig formuleert en ik beweer niet dat een datering in 12 v.Chr. en een locatie in Nederland onzin is. Maar: we zouden het nooit hebben verzonnen als we niet ook Tacitus kenden.

    Het probleem

    Samengevat:

    • Tacitus heeft het over een Drusiaanse fossa (enkelvoud, in Nederland). Dat kan verwijzen naar de aanwezigheid van Drusus in 12 v.Chr.
    • Suetonius kent Drusinische fossae (meervoud, tussen Raetië, de Noordzee en de Elbe). Dit verwijst naar gebeurtenissen in 18 of 11 v.Chr.
    • Als we niet twee citaten hadden, zouden we Tacitus’ woorden van toepassing verklaren op een natuurlijke Rijnmonding à la Po en zouden we Suetonius’ woorden vermoedelijk betrekken op de Lippe.
    • Om ze op elkaar te betrekken, moeten we de dubbele hulphypothese invoeren dat Suetonius zowel Drusus’ titel als het jaartal verkeerd weergaf.

    Hebben ze het over hetzelfde? Een antwoord weet ik niet. Wat ik wel weet: de informatie die we uit de bronnen distilleren, is schaars en inconsistent. We komen ook hier niet verder dan stap twee. De Drususgracht is, net als Hannibals pas over de Alpen, niet vindbaar. Dit is niet de radeloze constatering van iemand die weet dat er ergens iets is dat zich aan waarneming onttrekt, maar een epistemologische constatering: we overschrijden de grenzen van het kenbare.

    Tot slot

    Ik zeg niet dat we die twee teksten niet op elkaar kunnen betrekken. Als de negentiende-eeuwse Duitse Altertumswissenschaftler dachten dat het mocht, moeten wij het minimaal overwegen. Die Duitsers hadden weleens ongelijk, natuurlijk, maar ze stelden de principiële oudheidkundige vragen onbevooroordeelder dan wie ook. Tegelijk: de gedachte dat Suetonius en Tacitus het niet hadden over hetzelfde, is niet irrationeler dan de gedachte dat ze hetzelfde bedoelden. Beide opvattingen verdienen het serieus genomen te worden.

    [In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) probeer ik uit te leggen waarom de oudheidkundige wetenschappen wetenschappen zijn. De stukjes verschijnen niet elke maandag en ook niet uitsluitend op maandag, maar de reeks heet nou eenmaal zo.]

    #3 #Drusus #Drususgrachten #Duitsland #GermaniaInferior #kanaal #Lippe #Nederland #PubliusCorneliusTacitus #Rijn #Suetonius #Sugambriërs

    Keltische Götternamen in den Inschriften der römischen Provinz Germania Inferior

    Keltische Götternamen in den Inschriften der römischen Provinz Germania Inferior

    "To the Goddess Exomna, Aunius Vitalis willingly fulfilled his vow, as deserved."

    This #votive from #GermaniaInferior is to #Exomna, a Goddess with a #Celtic #theonym meaning 'Fearless'. A masculine form of this same epithet was also applied to Mars #Lenos as "Exobinnos".

    #GaulishPolytheism #Polytheism #ditarvia

    The new hypocaust found in #Bonn is in Friersdorf, which is just south of the #vicus excavations that were discovered when the UN complex in Bonn was built. The hypocaust was thought to be part of a villa when nobody thought Roman Bonna was quite so big. I would love to see how all these plans now fit together. #rome #archaeology #archaeodon #legio #GermaniaInferior

    https://www.lvr.de/de/nav_main/derlvr/presse_1/pressemeldungen/press_report_344832.jsp

    Römische Heizung unter der Straße entdeckt