Romeins Thracië

De Via Egnatia in Filippoi

[Dit is het vijfde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

De Romeinse Republiek

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, kregen de Romeinen, in oorlog met de Macedoniërs, in de eerste helft van de tweede eeuw v.Chr. te maken met de Thraciërs. Komend vanaf de Adriatische Zee bouwden ze de Via Egnatia, die langs Thessaloniki naar het oosten voerde, langs de havensteden die de Grieken eeuwen eerder aan de Thracische zuidkust hadden gebouwd. Op de annexatie van Macedonië (in 146 v.Chr.) volgde de annexatie van het koninkrijk Pergamon, en daarmee was in elk geval de beheersing van het zuiden van Thracië voor Rome van enorm strategisch belang.

Het zou te ver voeren om hier alle conflicten te noemen die Rome in en rond Thracië heeft uitgevochten. Het was in elk geval nooit eenvoudig, zoals wel blijkt uit het feit dat de oorlog tegen de Bessers duurde van 119 tot 107 v.Chr. Al die tijd was de Via Egnatia niet helemaal veilig. Ook in de oorlogen tegen koning Mithridates VI Eupator van Pontus, een van de gevaarlijkste tegenstanders waarmee Rome te maken had in de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr., werd gevochten in Bulgarije. Bij een van deze oorlogen moet Spartacus in Romeinse handen zijn gevallen: misschien als krijgsgevangene, misschien als verkochte slaaf.

Romeins cavaleriemasker (Archeologisch museum, Stara Zagora)

Er ging geen decennium voorbij zonder gevechten. In de jaren tachtig van de eerste eeuw was het dus de oorlog tegen Mithridates; in de jaren zeventig bereikten de legioenen de Donau; in de jaren zestig leden ze een nederlaag tegen de Geten. Julius Caesar wilde de regio in de jaren vijftig pacificeren maar koos voor Gallië, en werd vermoord voordat hij in 44 v.Chr. alsnog naar Thracië kon komen – verschillende legioenen waren al vooruitgestuurd.

Na ongeveer 40 v.Chr. was duidelijk dat twee mannen zouden vechten om de erfenis van Julius Caesar: Octavianus, gestationeerd in Italië, en Marcus Antonius, gestationeerd in het oosten. Het was even duidelijk dat de confrontatie zou plaatsvinden op de Balkan, en dus veroverde Octavianus in de jaren dertig Illyricum, zodat hij altijd over het land naar Macedonië, Griekenland en Thracië zou kunnen. Zo naderden de Romeinen Noord-Thracië niet alleen vanaf de Egeïsche Zee, maar ook vanaf de Adriatische Zee. Omdat de Odrysen inmiddels een vriendelijk, pro-Romeins koninkrijk vormden, werden ze niet geannexeerd, maar het gebied langs de Beneden-Donau werd in 12 v.Chr. wel onderworpen: de provincie Moesia. De afstammelingen van de Triballiërs en de Geten leefden nu in het Romeinse Rijk.

Het graf in Karanovo

Het Romeinse Keizerrijk

De annexatie van het Odrysische Rijk volgde ten tijde van keizer Claudius, in het jaar 46 na Chr. Hun gebied zou bekend komen staan als de Romeinse provincie Thracia. De hoofdstad was Perinthos. Het graf van de laatste heerser van een onafhankelijk deel van Thracië, Rhoemetalces III, is geïdentificeerd in een grafheuvel in Karanovo. Voor het eerst sinds de regering van koning Filippos II van Macedonië, vier eeuwen eerder, leefden alle Thraciërs weer in hetzelfde rijk – en opnieuw werden ze bestuurd door een vorst die ergens in het verre westen leefde.

Onomstreden was de Romeinse heerschappij niet. De Romeinen bouwden weliswaar een reeks forten langs de Donau, waaronder het fort Novae voor legioen VIII Augusta, maar keizer Domitianus moest in de jaren 85-89 aanvallen afweren van de Daciërs. Zij leefden in wat nu Roemenië is en de oorlogssituatie dwong de Romeinen tot een provinciale herindeling: Moesia werd gesplitst in Moesia Superior en Moesia Inferior, wat je kan vertalen als het stroomopwaarts en het stroomafwaarts gebied langs de Donau. Het werd in Thracië pas echt rustig toen keizer Trajanus het koninkrijk Dacië binnenviel (101-102) en daarna definitief annexeerde (105-106). Ik schreef al eens over zijn enorme overwinningsmonument bij Adamclisi.

Adamclisi

Pax Romana

Het verhaal van de provincies Thracia en Moesia Inferior is feitelijk dat van alle andere Romeinse provincies. Er kwamen nieuwe wegen, zoals die van Belgrado over Niš, Sofia, Plovdiv, Edirne naar Byzantion (Istanbul) aan de Bosporus. In het archeologisch potjeslatijn heet die wel Via Diagonalis, omdat die als een scheve lijn van noordwest- naar zuidoost-Bulgarije gaat.

De steden groeiden – niet zelden worden verstedelijking en romanisering beschouwd als twee namen voor hetzelfde proces – en dat kwam niet alleen door natuurlijke bevolkingsgroei, maar ook door migratie. (Ik zou niet goed weten hoe de voorouders van de joodse vrouw waarover ik eens blogde, anders dan door migratie in Bulgarije kunnen zijn aangekomen.)

Een speciale groep migranten waren de legionairs die hier land kregen. In de provincie Thracië lagen, behalve de hoofdstad Perinthos, onder meer ook de havensteden Byzantion en Mesembria (Nesebar), en in het binnenland Hadrianopolis (Edirne), Filippopolis (Plovdiv), Serdica (Sofia) en Pautalia (Kyustendil). In Moesia Inferior lagen de havensteden Histria, Tomis (Constanza), Odessos (Varna) en langs de stroom Troesmis, Durostorum, de legioensbasis Novae en de hoofdstad Oescus. Na Trajanus’ overwinning stichtte hij Nikopolis.

De oude Thracische godin Bendis en een Romeins gezin (Archeologisch museum, Sofia)

Mannen uit deze steden deden dienst in de Romeinse hulptroepen en, als ze het burgerrecht hadden gekregen, in de legioenen. Het Thracisch raakte overvleugeld door het Grieks, al zijn er opvallend veel Latijnse inscripties bekend uit het huidige Bulgarije, en bleven aloude grafgebruiken bestaan. En zoals overal maakte de provinciale adel carrière in het Romeinse Rijk: in 235 trad keizer Maximinus Thrax aan, wiens bijnaam aangeeft dat hij uit Thracië stamde.

Zijn korte regering – van 235 tot 238 – markeert het einde van de betrekkelijke rust en het begin van de Crisis van de Derde Eeuw.

[Wordt straks vervolgd]

#Adamclisi #Bessers #Claudius #Dacië #Domitianus #Geten #Karanovo #MarcusAntonius #MaximinusThrax #MithridatesVIEupator #Moesia #Nesebar #NikopolisAanDeDonau #Novae #Octavianus #Odrysen #Perinthos #RhoemetalcesIII #Serdica #Sofia #Spartacus #Thracië #Trajanus #Triballiërs #ViaDiagonalis #ViaEgnatia #VIIIAugusta

Spartacus (1)

Gladiatoren op een Italiaans reliëf uit de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr. (Glyptotheek, München)

[Tweede van vier stukjes over de slavenopstand van Spartacus. Het eerste was hier.]

We hebben twee bronnen over de opstand van Spartacus. Ploutarchos (46-c.122) beschrijft de oorlog in zijn Leven van Crassus, en een generatie later vertelt Appianus het verhaal in zijn Geschiedenis van de Burgeroorlogen. Omdat beiden min of meer dezelfde gebeurtenissen in dezelfde volgorde beschrijven, is het verleidelijk om een gedeelde bron achter hun verhalen aan te nemen, waarschijnlijk de (grotendeels verloren) Historiën van Sallustius of (iets minder waarschijnlijk) de verloren boeken 95, 96 en 97 van het geschiedwerk van Titus Livius. Het lijkt er daarbij op dat Appianus zijn verslag wat heeft ingekort, terwijl Ploutarchos verschillende verhalen over Spartacus’ wreedheid heeft weggelaten.

In 73 v.Chr. wisten achtenzeventig gladiatoren te ontsnappen uit de school van een zekere Gnaeus Lentulus Batiatus te Capua. Volgens Ploutarchos waren ze bewapend met niet meer dan keukengerei, maar al snel bemachtigden ze echte wapens. Van nu af aan waren ze zwaar bewapend en ze trokken zich in eerste instantie terug op een berg. Appianus vertelt ons dat dit de Vesuvius was.

Spartacus, Oinomaos en Krixos

Hij voegt toe dat de gladiatoren drie leiders kozen: Spartacus, Oinomaos en Krixos. Waarschijnlijk vertegenwoordigden zij etnische groepen: Thraciërs, Grieken en Germaan of Kelten. Volgens Ploutarchos

was Spartacus een Thraciër uit een nomadische stam. Hij was niet alleen dapper en sterk, maar was ook veel intelligenter en beschaafder dan je op grond van zijn lot zou hebben verwacht. Eigenlijk leek hij meer op een Griek dan op een Thraciër.

Twee kanttekeningen. Eén, “een Thraciër uit een nomadische stam”: ἀνὴρ Θρᾷξ τοῦ Νομαδικοῦ γένους. Plausibeler is τοῦ Μαιδικοῦ γένους, “een Thraciër uit de Maidische stam”. Een stam in het zuidwesten van het huidige Bulgarije, veertien jaar eerder door de Romeinen onderworpen. Twee, de intelligente barbaar is een gekend klassiek cliché. Van elke niet-Griek of Romein die iets bijzonders had gedaan, zei men dat hij intelligent was – voor een barbaar dan. Andere bronnen zeggen dat Spartacus zoveel succes had omdat hij ooit had gevochten in de Romeinse hulptroepen.

Al vroeg moeten weggelopen slaven en herders zich bij de gladiatorenbende hebben aangesloten. Weliswaar vermelden onze bronnen dit pas in een later stadium, maar alleen door een eerdere groei van de schare aan te nemen, valt te verklaren hoe de gladiatoren de militie konden overwinnen die de autoriteiten in Capua uitstuurden om af te rekenen met de weglopers. Het voornaamste resultaat van die operatie was dat de gladiatoren nu over nog meer echte wapens beschikten. Hun aantal groeide snel, omdat, zoals Appianus ons vertelt, Spartacus de buit eerlijk verdeelde.

Glabers expeditie

Rome moest nu ingrijpen, met grotere middelen dan waarover Capua kon beschikken. De Senaat stuurde propraetor Gaius Claudius Glaber met een leger van 3.000 pas gerekruteerde en slecht getrainde soldaten. Wellicht onderschatte men de gladiatoren op de Vesuvius, maar het is ook denkbaar dat Rome geen sterkere troepenmacht sturen kon. De Republiek was namelijk verwikkeld in twee grote oorlogen: generaal Pompeius streed in Hispania tegen Sertorius en generaal Lucullus was verwikkeld in een oorlog tegen koning Mithridates VI Eupator van Pontus, ver in het oosten. In de stad zelf was het bovendien onrustig doordat, mede door deze oorlogen, het graan schaars was geworden.

Hoewel hij een klein en ongetraind leger had, kwam Claudius Glaber dicht bij succes. Hij isoleerde de gladiatoren op een met wijnranken begroeide heuveltop, waar het leek alsof de belegerden kansloos waren. Ze maakten echter ladders van de wijnranken, daalden ’s nachts van de heuvel af en slaagden erin achter de vijandelijke linies te komen. De Romeinse soldaten raakten in paniek en vluchtten, waarna de gladiatoren het verlaten kamp plunderden. Wéér hadden ze wapens in handen gekregen, die ze konden uitdelen aan de weggelopen slaven die zich bij hen hadden gevoegd.

Varinius’ expeditie

Nu organiseerde Rome een tweede expeditie tegen de gladiatoren, ditmaal onder bevel van praetor Publius Varinius. Om onbekende redenen verdeelde hij zijn troepen, die gemakkelijk konden worden verslagen door gladiatorenleger. Het was vernederend. Varinius verloor het paard waarop hij reed, zijn lijfwachten werden gevangen genomen en Spartacus toonde hun fasces in zijn kamp.

De Romeinse auteur Publius Annius Florus, die een Samenvatting van Livius’ grote geschiedwerk publiceerde, vermeldt dat het leger van gladiatoren en slaven tekeer ging in Nola, Nuceria, Thourioi en Metapontion. De twee eerste steden liggen aan de voet van de Vesuvius, de andere twee in zuidelijk Italië. De herders uit deze streek, echte cowboys, sloten zich aan bij het leger van Spartacus. Van nu af aan kon hij ook cavalerie inzetten.

[Het bloedvergieten gaat morgenmiddag verder.]

#Appianus #Capua #GaiusClaudiusGlaber #gladiator #GnaeusLentulusBatiatus #GnaeusPompeiusMagnus #Krixos #MithridatesVIEupator #Periochae #Ploutarchos #PubliusAnniusFlorus #PubliusVarinius #slavernij #Spartacus #Thourioi #Vesuvius

XXII Deiotariana, het Galatische legioen

Legionairs van XXII Deiotariana werkten mee aan de bouw van het aquaduct van Alexandrië (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Van alle legioenen uit het Romeinse leger van de keizertijd heeft het Tweeëntwintigste Deiotariana de interessantste voorgeschiedenis. Die begint in de derde eeuw v.Chr., als groepen Keltische migranten, de Galaten, Anatolië binnentrekken. Een van die groepen stond bekend als de Tolistobogii, wat in het Gallisch misschien zoiets betekent als “zij die er graag op los slaan” zou kunnen betekenen. De groep vestigde zich ten westen van het huidige Ankara, rond Pessinos. Daar nam ze al snel de hellenistische cultuur over.

Het legioen van Deiotaros

Rond 70 v.Chr. was de leider van de Tolistobogii een zekere Deiotaros, wat “goddelijke stier” betekent (deiuo-tauros). Zijn bijnaam Filoromaios, “Romeinenvriend”, spreekt boekdelen. Hij vocht loyaal met generaals als Lucullus en Pompeius mee tegen Mithridates VI Eupator van Pontus. In 63 werd hij erkend als leider van alle Galatische groepen en was hij feitelijk de Romeinse zetbaas in Centraal-Anatolië. Zoals in die tijd gebruikelijk schoeide hij zijn leger op Romeinse leest. Er waren altijd wel Romeinse veteranen die als adviseurs wilden dienen. Het Galatische leger zou hebben bestaan uit 2000 ruiters en 12.000 man infanterie, verdeeld over dertig cohorten. Het equivalent van drie Romeinse legioenen.

Ze konden laten zien wat ze waard waren toen de Romeinen tegen zichzelf verdeeld raakten in de Tweede Burgeroorlog. Julius Caesar nam het op tegen de Senaat en versloeg zijn tegenstanders in 48 v.Chr. bij Farsalos. Vervolgens belandde hij in Alexandrië in een Ptolemaïsche burgeroorlog, die hij pas na vele maanden met succes wist af te ronden. Profiterend van de Romeinse verdeeldheid, keerde de zoon van Mithridates, Farnakes II, terug naar Anatolië. Deiotaros deed wat hem werd verwacht: met de lokale Romeinse leider Domitius Calvinus trok hij ten strijde – en werd verslagen. Hij hergroepeerde de overlevenden in één legioen, dat zich in de zomer van 47 v.Chr. schaarde zich aan de zijde van Caesar. Die kwam, zag en overwon op 2 augustus van dat jaar: de slag bij Zela. Het legioen van Deiotaros had zich bewezen.

Augustus’ legioen

Deiotaros overleed enkele jaren later, vermoedelijk in 40 v.Chr., maar zijn leger bleef bestaan. In 25 v.Chr. annexeerde keizer Augustus Galatië. Gouverneur Marcus Lollius integreerde het legioen nu in het Romeinse leger. De eenheid heette voortaan legioen XXII Deiotariana. Het nummer moet zijn gekozen omdat het totale aantal legioenen tot dan toe eenentwintig bedroeg. De bijnaam spreekt vanzelf.

XXII Deiotariana werd overgeplaatst naar Alexandrië, waar het meer dan een eeuw zou blijven. Het precieze moment van de overplaatsing is niet bekend, maar de oudste Egyptische documentatie dateert uit 8 v.Chr. Het Tweeëntwintigste deelde zijn basis met III Cyrenaica.

Het legioen had een afwijkende bevelstructuur. Augustus had bepaald dat geen enkele senator Egypte mocht bezoeken zonder zijn toestemming. Het land was te belangrijk voor de Romeinse voedselvoorziening en een senator zou in de verleiding kunnen komen de graantoevoer stop te zetten, Rome uit te hongeren en zichzelf uit te roepen tot keizer. Daarom stond XXII Deiotariana niet onder bevel van een senator, maar van een prefect uit de ridderstand.

Operaties

Soms moesten de Alexandrijnse legioenen de etnische conflicten in de stad, met Griekse en Egyptische en Joodse minderheden, met geweld onderdrukken. Een beschrijving van een uitbarsting van zo’n conflict vindt u hier.

Andere operaties vonden plaats buiten Egypte. Het is mogelijk dat XXII Deiotariana al deelnam aan de Romeinse aanval op Arabia Felix (Jemen) in 26-25 v.Chr., dus meteen na de annexatie van Galatië. Deze campagne verliep erg moeizaam. Erger nog, tijdens de afwezigheid van het Romeinse garnizoen in Egypte viel het Nubische koninkrijk Meroë Boven-Egypte aan. In 24 namen de Romeinen wraak. Onder bevel van Gaius Petronius marcheerden de legioenen stroomopwaarts langs de Nijl en bereikten Napata, de noordelijke hoofdstad van Nubië. Hoewel hun aanwezigheid niet is gedocumenteerd, kunnen soldaten van XXII Deiotariana aan deze campagne hebben deelgenomen.

Tot de meer vreedzame taken waarvoor documentatie bestaat, behoorde de constructie van een gebouw in Akfahas, ten zuiden van Memfis. Legionairs werkten ook in de steengroeven van Mons Claudianus, waar grijs graniet werd gewonnen. Andere mannen werden naar het uiterste zuiden gestuurd, waar ze hun handtekening achterlieten op de Memnonkolossen.

In 63 nam een ​​onderafdeling deel aan de Parthische expeditie van Domitius Corbulo, terwijl een andere onderafdeling vocht in de Joodse Oorlog van 66-70. De Joodse historicus Flavius ​​Josephus prijst de moed van de soldaten van het Alexandrijnse legioen. Tijdens de burgeroorlog van 69 kozen XXII Deiotariana en III Cyrenaica de kant van de pretendent Vespasianus, die keizer werd.

Verdwijning

Het legioen wordt voor de laatste keer vermeld in 119 (of misschien 123), toen het zich nog in Alexandrië bevond. Het wordt niet langer vermeld tijdens het bewind van keizer Marcus Aurelius. Mogelijk hebben de Joden het Tweeëntwintigste Legioen Deiotariana in de vroege jaren 130 vernietigd tijdens de opstand van de messiaanse leider Bar Kochba, maar dit is vooralsnog niet bewezen.

#AlexandrijnseOorlog #Ankara #Augustus #BarKochba #Deiotaros #FarnakesII #FlaviusJosephus #GaiusPetronius #Galaten #GnaeusDomitiusCalvinus #GnaeusDomitiusCorbulo #GnaeusPompeiusMagnus #IIICyrenaica #JoodseOorlog #JuliusCaesar #legioen #LuciusLiciniusLucullus #Memnonkolossen #Meroë #MithridatesVIEupator #Napata #NikopolisInArmenië #Pessinos #PontischeOorlog #RomeinsLeger #RomeinsParthischeOorlog #slagBijZela #Tolistobogii #TweedeBurgeroorlog #Vespasianus #XXIIDeiotariana

Titus Livius (4): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

[Vierde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

Avaritia & crudelitas

Ik was vanmorgen begonnen met een samenvatting van het geschiedwerk van Titus Livius en had de tweede eeuw v.Chr. bereikt. Nu volgt het conflict tussen twee rivaliserende Romeinse staatslieden: Marius en Sulla. De boeken 66-70 gaan over de opkomst van Marius en worden gevolgd door zes boeken over de Bondgenotenoorlog, waarin de Romeinen moeten vechten tegen hun Italische medestanders, die burgerschap eisen. Na een Romeinse zege voeren de Romeinen oorlog tegen koning Mithridates van Pontus, zonder hem te overwinnen. Generaal Sulla neutraliseert het probleem, keert terug naar Italië en bestuurt de republiek als dictator.

Dit deel van de geschiedenis van Rome vanaf de oprichting, dat de verdeeldheid van de Romeinse elite hekelt en eindigt met de dood van Sulla, werd waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling gepubliceerd. De Periochae maken duidelijk dat Livius vaak aangaf dat politieke vraagstukken werden opgelost per vim, “met geweld”. Andere terugkerende begrippen zijn avaritia en crudelitas, “gierigheid” en “wreedheid”. Het was dus geen opbeurende lectuur, al zal Livius hebben opgemerkt dat met Augustus alles beter was geworden.

De ondergang van de Republiek

De boeken 91-105, gepubliceerd rond 5 na Chr., gaan over de opkomst van Pompeius, Crassus en Julius Caesar. We vernemen hoe de jonge Pompeius met succes vecht tegen de rebellenleider Sertorius in Hispania, zich bindt aan Crassus en consul wordt, en later vecht tegen de Cilicische piraten, Mithridates en de Joden. Hierop volgt de formatie van het Eerste Driemanschap, door Livius getypeerd als “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Caesars sensationele Gallische oorlog eindigt met een climax: de Romeinen steken in Boek 105 niet alleen de Rijn maar ook het Kanaal over.  Deze ontknoping suggereert dat Livius’ boodschap was dat Romeinen, als ze hun verdeeldheid maar overwonnen, de grootste dingen konden bereiken. Het is interessant dat Boek 104 een digressie heeft gehad geweest over Germaanse gewoonten, wat suggereert dat Livius de rapporten heeft gelezen van de Romeinse generaals Drusus en Tiberius.

De volgende decade gaat over de staatsgreep van Caesar. Boek 106 begint met de dood van Julia, Caesars dochter en de echtgenote van Pompeius. Vanaf nu zijn de harmonieuze relaties tussen de Romeinse leiders verdwenen. Ramp volgt op een ramp. De Belgische leider Ambiorix verslaat de legioenen van Caesar en de Parthische commandant Surena verslaat de soldaten van Crassus in Carrhae. Er is onrust in Rome, Caesar wordt verslagen bij Gergovia, en hoewel hij in Boek 108 de Galliërs verslaat, verslechtert zijn relatie met Pompeius nog verder. De Tweede Burgeroorlog breekt uit. Ik citeerde in een eerder blogje al Livius’ jeugdherinnering aan een waarzegger die in Padua de uitkomst van de slag bij Farsalos “zag”. Boek 115, waarschijnlijk gepubliceerd in 8 na Chr., eindigt met Caesars viervoudige triomf. Het moet bemoedigend zijn geweest voor Livius’ tijdgenoten, die net ernstige militaire tegenslagen in Illyricum hadden geleden.

Boek 116 begint met het complot tegen Caesar. Livius’ oordeel over de dictator: “Het valt niet uit te maken of het beter was voor de republiek dat Caesar werd geboren of dat beter was geweest als hij nooit was geboren.” De hele pentade (dus de boeken 116-120) beschrijft dan het conflict tussen Marcus Antonius en Octavianus. Vijf boeken is veel ruimte voor slechts twee jaar, maar Padua, waar Livius is geboren, speelde in deze oorlog een rol en Livius had het meegemaakt. Hij zal de gebeurtenissen belangrijker hebben gevonden dan wij. Boek 120 beschrijft hoe de twee kemphanen met Lepidus het Tweede Driemanschap sluiten.

Augustus

Livius publiceerde deze pentade in ca.10 na Chr. en het is mogelijk dat hij opnieuw benadrukte dat heersers samenwerken, een thema dat in deze jaren steeds belangrijker was in de Augusteïsche propaganda. Uit deze jaren stamt een tempel voor Concordia en ook werd Tiberius ingewerkt als opvolger.

Maar ook al stemde Titus Livius in met de heerschappij van Augustus, hij wilde ook niet ontkennen dat diens regering met geweld was begonnen. Moderne oudheidkundigen wijzen wel op de opmerking in de Periochae dat Boek 121 en de volgende boeken zijn gepubliceerd “na de dood van Augustus”. Dat hoeft niet te betekenen dat Livius censuur vreesde; hij lag ongeveer op schema.

De boeken 121-133 vertellen over de oorlog van de Driemannen tegen Brutus en Cassius, culminerend in de Dubbele veldslag bij Filippoi (Boek 124). Daarop volgen Marcus Antonius’ oorlog tegen de Parthen (Boek 128) en Octavianus’ oorlogen tegen Sextus Pompeius en in Illyricum. Lepidus verdwijnt van het toneel (Boek 129) en Marcus Antonius ontmoet Kleopatra. De Zeeslag bij Aktion rondt het verhaal af.

Misschien was dit het oorspronkelijke eindpunt van Livius’ project. Hij was ooit begonnen met een geschiedenis van Rome, en had nu het moment bereikt waarop hij zich aan dat werk had gezet. Hij had toen gedacht dat na de burgeroorlogen een ethisch reveil mogelijk was. De Romeinse wereld was inderdaad vreedzamer geworden, maar hij moet hebben opgemerkt dat de republiek, met zijn publieke debatten, was veranderd in een monarchie, waar beslissingen werden genomen door één man. En in het geheim.

Livius was daardoor niet in staat iets te produceren zoals de voorgaande drieëndertig boeken, waarin hij vierentwintig jaar had beschreven. Na boek 134 verviervoudigt het tempo van zijn verhaal: hij beschrijft tweeëntwintig jaar in slechts negen boeken. Het verhaal was nu heel anders dan het voorafgaande en het is mogelijk dat Livius zijn belangstelling begon te verliezen. Het is waarschijnlijk dat boek 134 begon met de woorden van fragment 58:

Ik heb inmiddels genoeg roem verdiend en zou een punt achter mijn geschiedwerk kunnen zetten, maar mijn rusteloze geest voedt zich met het schrijven.

Titus Livius bleef dus schrijven. De Periochae van de laatste boeken zijn zeer kort en suggereren niet dat het opwindende lectuur was. Dat was niet Livius’ schuld. De tijden waren aan het veranderen. De trieste paradox van de geschiedschrijving is immers dat alleen oorlogen en rampen materiaal leveren voor een boeiend narratief. Als de laatste boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad wat saai waren, was het omdat Livius tot zijn geluk niet leefde in interessante tijden.

[wordt morgenochtend vervolgd]

PS

Het hing al een tijdje in de lucht, maar de universiteit van Cardiff sluit inderdaad alle oudheidkundige opleidingen. Een nieuwe bijdrage aan het lijstje hier.

#antiekeGeschiedschrijving #Augustus #DerdeBurgeroorlog #digressie #EersteDriemanschap #GaiusMarius #GallischeOorlog #GnaeusPompeiusMagnus #JuliaI #JuliusCaesar #KlassiekeGeschiedschrijvers #LuciusCorneliusSulla #MarcusLiciniusCrassus #MithridatesVIEupator #Octavianus #ParthischeRijk #Periochae #slagBijFarsalos #Tiberius #TitusLivius #TweedeBurgeroorlog #TweedeDriemanschap

Romeins Lycië

Het theater van Patara

[Dit is het laatste van vijf blogjes over Lycië; het eerste was hier.]

Na 168 v.Chr. was Lycië (landkaart) weliswaar onafhankelijk, maar het behoorde wel tot de Romeinse invloedssfeer. Echt onafhankelijk was het niet. Het kreeg te lijden tijdens de Eerste Mithridische Oorlog (89-85), toen koning Mithridates VI van Pontos alle Romeinse bezittingen in Klein-Azië aanviel. Toen de oorlog voorbij was, reorganiseerde Rome de politieke landkaart.  Diverse steden in het binnenland, zoals Oinoanda, hoorden voortaan bij Lycië. Faselis werd weliswaar nog een tijdje bezet door de Cilicische Piraten, maar die vormden geen partij voor de Romeinse generaal Pompeius de Grote, die in 67 v.Chr. het Nabije Oosten opnieuw reorganiseerde.

Een paar jaar later bezocht de Romeinse politicus Cicero Lycië en beschreef het gebied als een “Griekenland”. Dit suggereert dat de bovengenoemde fantastische verhalen inmiddels algemeen werden beschouwd als nauwkeurige beschrijvingen van de begindagen. De Romeinse politicus merkte ook op dat de Lyciërs, als ze aan het einde van hun toespraken zijn, dichtbij het zingen komen.noot Cicero, Orator 18.57.

De Romeinse Keizertijd

In de jaren na de moord op Julius Caesar viel een van de moordenaars, Brutus, Lycië binnen. Xanthos werd meedogenloos aangeslagen voor een bijdrage aan de krijgskas en het was duidelijk dat het land, hoewel formeel onafhankelijk, in feite Romeins grondgebied was. (Na de verwoesting van Xanthos werd Patara de nieuwe hoofdstad.) Enkele jaren later schreef de Grieks-Romeinse aardrijkskundige Strabon dat Lycië een goed bestuurd gebied was, wat eigenlijk wilde zeggen dat de Romeinse overheid er geen omkijken naar had.noot Strabon, Geografie 14.3.3. De Romeinen annexeerden het uiteindelijk in 43 na Chr. en creëerden toen de nieuwe provincie Lycia et Pamphylia.

Twaalf Lycische goden; hun positie boven twaalf dieren, gaat terug op de Bronstijd (Archeologisch Museum, Antalya)

Het Romeinse Rijk garandeerde rust, en we horen weinig over Lycië. De Lycische Bond, die inmiddels dertig steden telde, speelde nog een rol in de cultus voor de keizer, maar was geen politieke instelling meer. Onze bronnen noemen geen sensationele gebeurtenissen. Plinius de Oudere vertelt ergens een onschuldige anekdote over een gouverneur die met zeventien gasten had gedineerd onder een plataan. Dezelfde schrijver wijdt een vriendelijk woord aan de wijn uit Telmessos. Andere bronnen noemen Lycische sponzen (die Aristoteles al eens had genoemd als iets speciaals) en de saffraan van Olympos. Geen serieuze gebeurtenissen, met andere woorden.

Van verschillende keizers is bekend dat ze gebouwen in Lycië hebben opgericht. Hadrianus gelastte bijvoorbeeld de aanleg van betere faciliteiten in de haven van Myra. Antoninus Pius greep in na een aardbeving en werkte daarbij samen met een Lycische miljardair genaamd Opramoas van Rhodiapolis. Iets later worden ook Septimius Severus en Caracalla genoemd als weldoeners van de Lycische steden. De brug in Limyra, een van de oudste bruggen met segmentbogen ter wereld, is niet nauwkeurig te dateren, maar is zeker een constructie uit de Romeinse keizertijd. Een speciale vermelding verdient de filosofische inscriptie van Diogenes van Oinoanda.

De markt van Oinoanda

Langzaam verdwijnt Lycië echter nog verder uit onze bronnen. De Byzantijnse auteur Zosimos weet van een bandietenleider, Lydios, die Pamfylië en Lycië teisterde, totdat de Romeinse keizer Probus hem gevangennam in het aangrenzende Pisidië.noot Zosimos, Nieuwe Geschiedenis 1.69. We vernemen verder van christelijke leiders, maar zelfs de beroemdste van hen, Nikolaas van Myra, is slechts een naam. In 366 vluchtte een usurpator – dit is misschien niet helemaal de juiste naam, want hij kwam uit de oude keizerlijke dynastie – genaamd Procopius naar de bergen van Lycië, maar hij werd uitgeleverd aan keizer Valens, die hem liet onthoofden. Nogmaals: het zijn maar anekdotes.

Toch weten we dat de bevolking stabiel bleef en dat Lycië niet echt leed onder bijvoorbeeld de epidemie van 541. Misschien lag het te ver van de grote handelsroutes om aan de ziekte te lijden. Het is verder opvallend dat de bevolkingsafname in de Late Oudheid, Lycië betrekkelijk laat trof. Toen tegen het midden van de zevende eeuw de Arabieren begonnen de kusten te plunderen, werd de regio echter hard getroffen. De Middeleeuwen waren nu ook begonnen in Lycië.

#AntoninusPius #Caracalla #Cicero #CilicischePiraten #DiogenesVanOinoanda #EersteMithridatischeOorlog #Faselis #GnaeusPompeiusMagnus #Hadrianus #JuliusCaesar #Limyra #Lycië #MithridatesVIEupator #Myra #NikolaasVanMyra #Oinoanda #Olympos #OpramoasVanRhodiapolis #Patara #ProcopiusUsurpator_ #Rhodiapolis #Rhodos #SeptimiusSeverus #StrabonVanAmaseia #Telmessos #Tlos #Valens #Xanthos #Zosimos

Lycië in de Bronstijd - Mainzer Beobachter

In het zuidoosten van het huidige Turkije ligt het bergachtige Lycië, dat een heel eigen verleden heeft. We kennen het al uit de Bronstijd.

Mainzer Beobachter