Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

Een Romeinse Kybele (Museum Carnuntinum, Petronell)

De cultus van de moedergodin was, zoals ik in het vorige stukje schreef, in Anatolië eeuwenoud en de naam Kybele kwam uit het oosten van die regio. De Frygiërs, die in de IJzertijd Anatolië waren binnengetrokken en zich in het westen van Anatolië hadden gevestigd, namen de cultus over. Zo bezien is het grappig dat de Griekse en Romeinse auteurs de cultus van Kybele typeren als Frygisch. Frygië was echter alleen een halteplaats bij de verspreiding van de cultus naar het westen. Een andere halteplaats kan de Lydische hoofdstad Sardes zijn geweest, waar een tempel stond voor Kubaba.

Griekse godin

De Grieken meenden dat de Anatolische geboortegodin dezelfde was als hun eigen Rhea, de moeder van de Olympische goden en godinnen Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus. Deze gelijkstelling vergemakkelijkte de verspreiding van de cultus, die al in de zesde eeuw v.Chr. bekend was in Lokroi in Zuid-Italië. De Grieken waren geïntrigeerd door de extatische riten van “de grote moeder van de goden”, maar Kybele werd nooit deel van de gewone Griekse mythische wereld.

De meest voorkomende voorstelling van de godin was tot dan toe een reliëf geweest van een staande of zittende dame. In het laatste kwart van de vijfde eeuw v.Chr. schiep de beeldhouwer Agorakritos van Paros een nieuw type: een gekroonde Kybele met een tamboerijn in haar linkerhand, zittend op een troon, tussen twee leeuwen. Dit beeld, waarvoor Anatolische voorbeelden waren, was te zien in het Metroön van Athene. Het zou eeuwenlang een normale iconografie blijven.

Reliëf van Kybele uit Athene; meestal zijn er links en rechts leeuwen (Pergamonmuseum, Berlijn)

De twee leeuwen golden als de trekdieren van de strijdwagen van de godin. Rijdend daarop is ze te zien in Delfi en op de prachtige schijf uit het oostelijke Ai Khanum, waarover ik al eens schreef. Op dit hellenistische voorwerp staat ze afgebeeld, rijdend naar een zoroastrisch heiligdom, met aan de hemel een zon, maan en Venus in Babylonische stijl.

Kybele op het schathuis van de Sifniërs (museum van Delfi)

Toen deze schijf werd gemaakt, vielen Galatische stammen Anatolië binnen. Een daarvan, de Tolistobogii, veroverde Pessinos en maakte die tempelstad tot residentie (ca. 270 v.Chr.). In 238 en 230 werden de Galaten verslagen door koning Attalos I Soter van Pergamon. Het cultusbeeld van Kybele, de al genoemde baetyl, werd als buit overgebracht naar Pergamon. Daar stond het voorwerp in het Megalesion, het heiligdom van de Grote Moeder, gebouwd door de stichter van Attalos’ dynastie, Filetairos.

Naar Rome

Tijdens de Tweede Punische Oorlog hoorden de Romeinen van een orakel dat ze Hannibal niet zouden verslaan voordat de “Grote Moeder van de berg Ida” naar Rome was gebracht. Dus stuurden de Romeinen in 204 een gezantschap naar Pergamon en vroegen om de heilige steen, die inderdaad naar Rome werd gebracht. Omdat de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vertelt dat Romeinse dames, elk op hun beurt het heilige beeld dragend, de godin naar de tempel van Victoria droegen, is waarschijnlijk dat in feite slechts een deel van de heilige steen is overgebracht naar Rome.

Een latere sage vertelt dat een Romeinse dame genaamd Claudia Quinta, die was beschuldigd van onkuisheid, haar onschuld bewees door het schip met de godin eigenhandig van de zeehaven Ostia naar de rivierhaven van Rome te slepen.

Claudia Quinta (Nationaal Museum, Rome)

De steen bevond zich oorspronkelijk in de tempel van Victoria maar werd later overgebracht naar haar eigen heiligdom, de tempel van Kybele. Beide cultusplaatsen bevonden zich op de Palatijnse heuvel, hartje Rome. Het feit dat een vreemde cultus op zo’n centraal punt stond, zegt veel over de openheid van Rome voor buitenlandse goden en godinnen.

De tempel op de Palatijn

Feest voor Kybele

Voor veel Romeinen waren de extatische ceremonies een beetje al te veel. In eerste instantie was het Romeinse burgers verboden om als priester op te treden in deze on-Romeinse rituelen. Dit verbod werd na drie eeuwen opgeheven door keizer Claudius (r.41-54), die het Lentefeest op de Romeinse kalender zette. Een andere aanpassing was de hernoeming van de Grote Moeder: ze was nu de Grote Moeder van de berg Ida, waardoor ze van een algemeen Anatolische geboortegodin een Trojaanse godheid werd. En dus Romeinse verering waardig.

Kybeles strijdwagen (Metropolitan Museum, New York)

Naast het lentefeest van Kybele en Attis vierden de Romeinen de Megalensische Spelen. Op 4 april bracht een hoge stedelijke magistraat, de praetor urbanus, een offer, en daarna waren er feestmaaltijden. Lagere magistraten reden een zilveren cultusbeeld en de heilige steen in een wagen naar het beekje Almo (bij de Via Appia), waar ze het wasten.

De Romeinse volgelingen van Kybele lijken inwijdingsrituelen te hebben gekend. Deze werden geassocieerd met de taurobolium-ceremonie, waarover ik het ook al eens had. Of dit ritueel een Romeinse innovatie was of een overleving uit de Anatolische fase van deze cultus, is onduidelijk, maar er is in elk geval geen bewijs voor dit ritueel vóór de regering van Hadrianus (r.117-138.). Het ritueel werd door christelijke auteurs gepresenteerd als een bloedoffer, wat vrijwel zeker niet klopt,

Kybele op een kroon (Centraal Museum, Utrecht)

De cultus van Kybele is in wat afgelegen gebieden voortgezet tot in de vroege vijfde eeuw. In een van zijn brieven vergelijkt Synesios, een aristocraat uit Libië die nog bisschop zou worden, iemands hoofdtooi met die van Kybele, alsof iedereen de jaarlijkse processie van haar cultusbeeld nog kent. Het is een van de laatste vermeldingen van een cultus die op dat moment al minimaal twee millennia oud was.

#AgorakritosVanParos #AiKhanum #Athene #AttalosISoter #Attis #ClaudiaQuinta #Claudius #Delfi #FiletairosVanPergamon #Frygië #Galaten #Hadrianus #Ida #Kybele #LokroiEpizefyroi #Ostia #Palatijn #Pergamon #Pessinos #praetorUrbanus #Rhea #Rome #SynesiosVanKyrene #taurobolium #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

De Palatijn

De Domus Augustana op de Palatijn

Ik heb me zelden in mijn leven zó in mijn oudheidkundige waanwijsheid betrapt gevoeld als op een grijze decemberdag, nu een jaar of twintig geleden, in Rome. Ik was met twee studenten op het Forum Romanum en we wandelden naar de Palatijn, de heuvel waar ooit de keizerlijke paleizen stonden en waar Romulus de stad zou hebben gesticht. Uiteraard moest ik alles uitleggen en stond ik al in de doceerstand toen een van de studenten (de Lauren van Zoonen die hier ook weleens leuke blogs schrijft) zei dat dit toch wel een magische plek was.

Bam. Dat was ik even vergeten. Maar Rome is natuurlijk niet slechts een plaats waar allerlei oudheidkundig interessants is te zien. Het is ook een plek die je moet ervaren. Er is niets mis met Ruinenlust. Zeker op de Palatijn, waar de overblijfselen van de oude gebouwen zijn opgenomen in een prachtig park, dat zelfs op een grijze decemberdag magisch is.

De IJzertijd

Niet dat er vanuit de doceerstand niets over de Palatijn te vertellen valt. Volgens de Romeinse traditie was de heuvel al in de oudste tijden bewoond. In de keizertijd wees men de vermeende hut van Romulus nog altijd aan. Archeologen hebben inderdaad de resten van eenvoudige boerderijen – geen herdershutten – gevonden. Dat bevestigt overigens niet de traditie dat Rome is gesticht op de Palatijn, want soortgelijke boerderijen stonden ook op andere heuveltoppen.

Maquette van een IJzertijddorpje op de Palatijn (Antiquarium v/d Palatijn, Rome)

In elk geval lag in de IJzertijd een kleine nederzetting op het westelijk deel van de Palatijn, de zogeheten Germalus. Of de heuvel destijds al was omgeven door een muur met drie poorten, zoals de antieke auteurs en Italiaanse archeologen beweren, valt niet uit te maken. Feit is wel dat de Palatijnse nederzetting ook zonder omwalling nagenoeg onneembaar was, aangezien de heuvel aan vrijwel alle zijden was omgeven door diepe, drassige dalen. Pas in de vroege zesde eeuw v.Chr. zou een begin worden gemaakt met de drainage.

Republiek

In voorindustriële samenlevingen, zo vervolgt uw docent, waren de hygiënische omstandigheden slecht. Rijke stedelingen vestigden zich het liefst op heuveltoppen, omdat ze daar minder last hadden van de stank van afval en uitwerpselen. Zo ook in Rome.

Huis van Augustus

Uit geschreven bronnen is bekend dat in de republikeinse periode op de Palatijn vooraanstaande Romeinse politici woonden, op loopafstand van het Senaatsgebouw. Hun huizen moeten groot zijn geweest, maar vooralsnog ontbreken archeologische sporen van vóór 90 v.Chr. Uit de daaropvolgende tijd stammen het Huis van Livia (Augustus’ echtgenote) en het Huis van de Griffioenen. Archeologen hebben ook tempels uit de republikeinse periode geïdentificeerd, zoals die van Victoria en Kybele.

Paleisbouw

Keizer Augustus was de eerste die hier grootschalig bouwde, maar een echt paleis was zijn woning op de Germalus niet. Dan zou het immers lijken alsof hij koning was, en dat was uit den boze. Al ten tijde van Tiberius (r.14-37) bleek het Huis van Augustus echter te klein voor alle representatieve functies. Het werd daarom uitgebreid, maar het 150 bij 120 meter grote complex dat tegenwoordig bekendstaat als Domus Tiberiana en waarvan de ruïnes liggen onder de lieflijke Farnesetuinen, is jonger.

Maquette van de Palatijn (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Keizer Caligula (r.37-41) verbond de huizen van Augustus, Livia en Tiberius met het Forum en gebruikte, volgens een archeologische bevestigde anekdote, de tempel van Castor en Pollux als entree. Daarna bouwde Nero eerst de Domus Transitoria, een verzameling gebouwen die de diverse paleisachtige constructies moest verbinden. Na de beruchte brand van Rome werden alle gebouwen geïntegreerd in het Gouden Huis. De Domus Tiberiana maakte hier deel van uit.

De diverse bouwfasen zijn door archeologen geïdentificeerd, en uw docent wil er best wel over praten, maar veel is nog onduidelijk. Alle gebouwen zijn namelijk aan het eind van de eerste eeuw na Chr. weer geïntegreerd in de paleizen die architect Rabirius ontwierp voor keizer Domitianus (r.81-96): de representatieve Domus Flavia en de residentiële Domus Augustana. (De namen zijn bedacht door moderne geleerden.) Deze residentie werd voltooid in 92. Met een oppervlak van ruim een vierkante kilometer domineren deze gebouwen – of beter: de ruïnes ervan – de heuvel tot op de huidige dag.

Reconstructie van Domitianus’ troonzaal in Rome

Magische plek

In de tweede eeuw liet keizer Hadrianus (r.117-138) op verschillende plaatsen werkzaamheden uitvoeren, en een ruime halve eeuw later begonnen de Severische keizers weer nieuwe gebouwen toe te voegen. Keizer Septimius Severus (r.193-211) bouwde in de zuidhoek onder meer een badhuis en het zogeheten Septizodium. Dat was een sierlijke muur die vooral diende om de lelijke onderbouw van het badhuis aan het zicht te onttrekken voor wie over de Via Appia de stad binnen kwam.

Wat bomen geven aan waar het Septizodium stond

Keizer Heliogabalus – over hem binnenkort meer op deze blog – sierde de heuvel met een tempel voor zijn god, de Syrische Elagabal. De volgende keizer, Severus Alexander (r.222-235), wilde een imposante toegang toevoegen in de buurt van het Septizodium, maar de voortekens waren steeds ongunstig, zodat het project nooit werd voltooid. Daarmee kwam een einde aan de keizerlijke bouwactiviteit op de Palatijn. De keizers waren steeds minder vaak in Rome. Zeker na de Crisis van de Derde Eeuw dienden andere steden als residentie.

Maar het was een magische plek, met belangrijke tempels, met Domitianus’ goed gebouwde paleis, en met herinneringen aan het oudste Rome en Romes eerste keizer. In de vijfde eeuw keerden de keizers terug en waren er reparaties. Ook Theodorik, die rond 500 regeerde over Italië, liet de gebouwen opknappen. Een magische plek dus, waarvan de naam voortleeft in ons woord “paleis”.

#Augustus #Caligula #Domitianus #DomusAugustana #DomusAurea #DomusFlavia #DomusTiberiana #DomusTransitoria #Germalus #GoudenHuis #Hadrianus #Heliogabalus #Kybele #LaurenVanZoonen #Livia #Nero #Palatijn #Rabirius #Rome #Romulus #Ruinenlust #SeptimiusSeverus #Septizodium #SeverusAlexander #TheodorikDeGrote #Tiberius #Victoria

Het Forum Romanum

Het Forum Romanum, gezien vanaf de Palatijn

Ik ken maar weinig plaatsen waar zoveel lieux de mémoire bij elkaar zijn te vinden als op het Forum Romanum: het centrale plein van de stad Rome.

De vorige zin is wat paradoxaal, want het woord forum betekent eigenlijk zoiets als “buiten” (vgl. ons woord forens) en verwijst dus allerminst naar iets middenin een stad. De verklaring is dat het alleroudste Rome lag op de heuvel Palatijn en dat het latere Forum Romanum inderdaad daar buiten lag. Het was de drassige vallei, die afwaterde naar de Tiber door het dal tussen Palatijn en Capitool. Archeoloog Giacomo Boni vond in dit dal allerlei archaïsche graven.

Maquette van de begraafplaats op het forum (Anrtiquarium forense, Rome)

Koningstijd

Later clusterden de diverse heuvels rond de vallei samen tot één stad, zodat wat ooit buiten had gelegen het centrum werd. Rond 600 v.Chr. draineerden de Romeinen het moeras en maakten er een echt plein van. Dat was sindsdien het politieke, religieuze en zakelijke stadshart.

In het westen waren het Comitium, waar de Volksvergadering samenkwam, en de Curia, de vergaderplaats van de Senaat, het adviescollege van de koning. Wat verderop diende het plein als markt. In het oosten verrezen de Regia (de residentie van de koning), de tempel van Vesta en het huis van haar priesteressen.

Inscriptie, in oeroud Latijn, gevonden onder de Zwarte Steen (Nationaal Museum, Rome)

Nog eeuwen wees men de cultusplaatsen uit de oudste tijd aan. Hier was de Zwarte Steen, daar een gewijde vijgenboom, even verderop een tweetal beelden ter ere van Venus Cloacina en het houten tempeltje van Janus. In later tijden wisten de Romeinen al niet meer waarom ze deze plaatsen vereerden.

Republiek

Toen Rome kort voor 500 v.Chr. een republiek werd, veranderde er weinig. Een deel van de Regia diende voortaan als heiligdom, andere delen werden toegewezen aan de opperpriester, de Saturnustempel werd voltooid, en na een overwinning op de Latijnen kwam er een tempel voor Castor en Pollux.

De tempel van Saturnus

Na pakweg 490 v.Chr. werd er een eeuw niets vermeldenswaardigs bijgebouwd. Het ging Rome in deze tijd bepaald niet voor de wind. Ook in de vierde eeuw werd maar sporadisch iets toegevoegd. Er verrees wel een tempel voor Concordia, het Sprekerspodium (rostra) werd voorzien van scheepsstevens (en een inscriptie in potjeslatijn) en aan de zuid- en noordzijde van het Forum kwamen galerijen die bekendstonden als Oude en Nieuwe Winkels. Daarboven waren balkons van waaruit mensen konden kijken naar processies, wedstrijden en gladiatorengevechten op het plein.

Griekse bezoekers in de derde eeuw waren getroffen door het contrast tussen het sobere plein en de Romeinse macht. Toen Pyrrhos van Epirus een gezant naar Rome stuurde, keerde die terug met de constatering dat het karige Senaatsgebouw een vergaderplaats van koningen was. In de komedie Curculio van de toneelschrijver Plautus (ca. 250-184) is een beschrijving opgenomen van de gebouwen en mensen die te zien waren op het Forum. Tot die laatsten behoorden meinedigen, leugenaars, bluffers, geldverkwisters, hoeren, patsers, knapen, praatjesmakers, lasteraars, woekeraars en pooiers.

Het sprekersplatform (rostra)

Pas na 200 v.Chr. verrezen de openbare gebouwen die het Forum Romanum veranderden in het plein dat eeuwenlang op elke bezoeker een verpletterende indruk maakte. Succesvolle politici stichtten dan basilieken die ze financierden uit de buit van hun veldtocht. Het oudste voorbeeld is de Basilica Porcia, die Cato de Oudere in 184 v.Chr. bouwde naast het Senaatsgebouw. Die verving een van de winkelrijen. De andere winkelrij werd vijf jaar later vervangen door wat bekendstaat als de Basilica Aemilia. Tiberius Sempronius Gracchus, de vader van Tiberius en Gaius, bouwde daar in 169 de Basilica Sempronia tegenover: hier kwam de rechtbank samen. Lucius Opimius, de tegenstander van de Gracchen, kon na de dood van Gaius Gracchus in 121 niet achterblijven en bouwde de Basilica Opimia. Ironisch genoeg stond die naast de tempel van Concordia.

Burgeroorlogen

Rome was nu onmiskenbaar op weg de hoofdstad te worden van een wereldrijk. Het moet een drukte van belang zijn geweest. Sulla verving het oude Senaatsgebouw en uit deze tijd dateert ook de herbouw van de Basilica Aemilia.

Het door Julius Caesar gebouwde Senaatsgebouw

Het was echter vooral Julius Caesar die het oude plein renoveerde. De Basilica Sempronia werd vernieuwd en heet sindsdien Basilica Julia. Met de buit van de Gallische Oorlog bouwde hij een tweede forum naast het eerste, en toen hij Pompeius had verslagen, vernieuwde hij ook het Comitium en het Senaatsgebouw. Pas zijn adoptiefzoon Octavianus zou deze projecten afronden (in 29 v.Chr.). Hij wijdde ook de tempel in van de vergoddelijkte Caesar, een gebouw dat vóór de Regia was geplaatst en het Forum aanzienlijk verkleinde

In deze tijd werd het plein opnieuw bestraat met het plaveisel dat ook nu nog is te zien. Tevens werd de herbouw van de Basilica Aemilia afgerond, zodat het Forum werd begrensd door twee monumentale hallen: deze basiliek in het noorden en de Basilica Julia in het zuiden. Het is tegenwoordig moeilijk voor te stellen hoe hoog deze gebouwen ooit zijn geweest, maar het Forum Romanum moet hebben geleken op de Brusselse Grote Markt: een groot plein dat klein lijkt doordat de omliggende gebouwen zo hoog zijn.

Niet het meest opvallende monument: de fundering van wat traditioneel wordt beschouwd als de sokkel van het Ruiterstandbeeld van Domitianus. De inscriptie vermeldde zijn bezoek aan de splitsing van Rijn en Waal.

Keizertijd

Net als Caesar bouwde Augustus een eigen forum. Het nam enkele functies over van het Forum Romanum, dat daardoor sterk inboette aan betekenis. De luxe winkels die ooit in de galerijen gevestigd waren geweest, verhuisden naar het Forum van Caesar en het oude forum werd nu een toeristenstek, waar de bezoeker werd onderwezen in de zegeningen van het keizerlijk bestuur. Illustratief is het lot van de Concordiatempel, die in 10 na Chr. werd herdoopt tot tempel van de door de keizer verwezenlijkte Eendracht (Concordia Augusta). Om de amusementswaarde te vergroten werd hij ingericht als museum voor Griekse beeldhouwkunst. Kortom, het Forum was het domein van dagjesmensen en we mogen ons de overgebleven winkels voorstellen als souvenirstalletjes.

De ereboog voor Septimius Severus

Augustus’ opvolgers lieten het Forum Romanum zo veel mogelijk zoals het was en beperkten zich ertoe de bestaande gebouwen te restaureren. Tot het einde van de derde eeuw zijn slechts een paar bouwwerken toegevoegd, waarvan er maar drie echt opvallend zijn. Vespasianus en zijn zoon Titus kregen een tempel, Antoninus Pius en zijn vrouw Faustina eveneens, en bij het Senaatsgebouw verrees het eerste monument dat de bezoeker zag als hij het Capitool afdaalde: de ereboog van Septimius Severus. Het is wat ironisch dat dit monument, dat de eenheid van het Forum Romanum het meeste doorbrak, nu het opvallendste bouwwerk is.

#AntoninusPius #Augustus #BasilicaAemilia #BasilicaJulia #CatoDeOudere #Comitium #Curia #FaustinaI #ForumRomanum #GaiusSemproniusGracchus #GiacomoBoni #JuliusCaesar #lieuDeMémoire #LuciusCorneliusSulla #LuciusOpimius #Octavianus #Palatijn #rechtbank #Regia #Rome #Rostra #TiberiusSemproniusGracchus #Titus #TitusMacciusPlautus #VenusCloacina #Vespasianus #Vesta

Nero’s Gouden Huis (1)

Interieur van de vleugel van het Gouden Huis op de Oppius

In juli 64 na Chr. werd Rome getroffen door een catastrofe. Ik heb op deze blog de beroemde beschrijving door Tacitus weleens geciteerd. Grote branden waren niet ongewoon – elke voorindustriële stad werd er van tijd tot tijd door getroffen – en er waren voorzorgsmaatregelen genomen. Zo stonden her en der brandmuren, waarvan die achter het Forum van Augustus tegenwoordig nog het meest herkenbaar is.

Maar tegen een brand zo groot als die van 64 waren alle menselijke maatregelen vergeefs. De brand woedde dagenlang en legde hele wijken in de as. Keizer Nero nam meteen maatregelen voor de getroffen bevolking. Hij liet barakken bouwen in zijn tuinen aan de andere zijde van de Tiber, voerde levensmiddelen aan, liet toezien op woekerprijzen. Allemaal voorbeeldig, maar het gerucht dat hij de lier ter hand had genomen om de brand van Troje te bezingen, liet zich niet onderdrukken. De oplossing was, zoals bekend, dat hij de stedelijke Joden, die woonden tegenover de plek waar de brand was begonnen, de schuld gaf. Omdat dat er nogal veel waren, selecteerde hij een kleine, toch al omstreden groep: de messiasbelijdende joden die in het Grieks christenen heetten, vereerders van een gekruisigde rebel.

Het Gouden Huis

Na dit crisismanagement was het tijd voor de wederopbouw. Nero bepaalde dat voortaan alleen nog vuurvaste materialen mochten worden gebruikt. Beton werd in deze tijd erg populair.

Nero maakte zich de verwoesting van zijn vaderstad ten nutte en hij bouwde een paleis dat niet zozeer bewondering afdwong door zijn edelstenen en goud – dat was allang gewoon en in een tijd van algehele overdaad iets wat in brede kring ingang had gevonden – als wel door de groenvoorzieningen en de vijvers: aan de ene kant bospartijen die eenzaamheid moesten suggereren, aan de andere kant uitgestrekte ruimtes met vergezichten. Planning en uitvoering van het project berustten bij Severus en Celer: zij hadden het vernuft en de vermetelheid om met menselijke middelen iets te verwezenlijken dat de natuur onmogelijk had gemaakt, en om de middelen van de vorst er op een roekeloze manier door te jagen.  (Tacitus, Annalen 15.21.1; vert. M.A. Wes)

Het Gouden Huis van Nero waarop Tacitus in het bovenstaande fragment doelt, was een immens complex, vergelijkbaar met de villa die keizer Hadrianus later zou aanleggen te Tivoli en groter dan het huidige Vaticaan. De verschillende gebouwen lagen op de heuvels Velia, Palatijn, Caelius en Oppius en zagen uit over een vierkante vijver in het dal tussen die heuvels. (Op de plaats van dat kunstmatige meer verrees later het Colosseum.)

De gebouwen van het Gouden Huis (klik=groot_

Onteigeningen

De onteigeningen moeten veel kwaad bloed hebben gezet. Suetonius geeft een beschrijving van het paleis van Nero:

Het vestibulum was zo groot dat daarin een kolossaal beeld van hemzelf kon staan van veertig meter hoog. Het paleis was zo immens dat het een driedubbele galerij bevatte van een mijl lengte, verder een vijver die wel een zee leek, omgeven door gebouwen die voor steden konden doorgaan. Er waren ook landelijke gedeelten met een afwisseling van akkers, wijngaarden, weilanden en bossen met allerlei tamme en wilde dieren. In de overige gedeelten was alles met bladgoud bedekt en versierd met edelstenen en parelmoer. De eetzalen hadden zolderingen met ivoren vakken die draaibaar waren, zodat er bloemen doorheen gestrooid konden worden, en van gaten voorzien, zodat van bovenaf reukwerk kon worden gesprenkeld. De belangrijkste eetzaal was rond en draaide onafgebroken dag en nacht in het rond net als het hemelgewelf. (Nero 31.2-3; vert. Daan den Hengst)

Reconstructie

De fundamenten van die ronde, draaiende eetzaal, de Cenatio Rotunda, zijn tussen 2009 en 2014 op de Palatijn teruggevonden. Omdat een deel van de opbouw was opgenomen in de latere paleisbouw van Domitianus, was het mogelijk monument te reconstrueren. Hieronder is foto van de maquette die ik een paar maanden geleden zag op de expositie Machinenraum der Götter. Het water in het aquaduct rechtsonder drijft de raderen aan. De reconstructie van de eigenlijke koepel is overigens hypothetisch.

De roterende eetzaal in het Gouden Huis (Liebieghaus, Frankfurt)

Het uitzicht vanaf dit punt over de vierkante vijver moet weergaloos zijn geweest en Nero had alle reden tot tevredenheid. Suetonius citeert de woorden die men een halve eeuw later aan de keizer-bouwheer toeschreef. Ik laat in het midden of hij ze bij de opening werkelijk heeft gesproken of dat ze zijn verzonnen:

Zo zag het paleis eruit waarvoor hij, toen hij het na de voltooiing inwijdde, niet meer waardering over had dan dat hij zei nu eindelijk een  menswaardig verblijf te hebben gekregen. (Nero 31.3)

[Wordt vervolgd]

#Caelius #CenatioRotunda #Colosseum #DomusAurea #GoudenHuis #Italië #Nero #Oppius #Palatijn #PubliusCorneliusTacitus #Rome #Suetonius #Velia #villa

Parodie op de archeologie

Maquette van een IJzertijddorpje op de Palatijn (Antiquarium v/d Palatijn, Rome)

Mogelijk heeft u het bericht ook gelezen: door nieuw wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld dat het Pantheon bedoeld is geweest als zonnewijzer. Misschien was u verbaasd. Het staat immers in elke reisgids. Mocht u zo’n boek niet bij de hand hebben, kijk dan in uw exemplaar van De ontdekking van de hemel (blz.712-713) of klik hier. Het door alle media overgenomen persbericht bevatte geen enkel nieuws, en iedere toerist kan dat weten.

Op soortgelijke wijze kunnen de honderden Nederlanders die jaarlijks het Turkse Hierapolis bezoeken, weten dat de apostel Filippos daar ligt begraven, op een heuveltje naast het theater. Toch werd onlangs aangekondigd dat het pas is ontdekt. Onzin dus, en elke toerist kan het weten. Kort dáárvoor was een classica in het nieuws die Homeros’ ideeën over oorlog vergeleek met die uit onze tijd. U hoeft De gammacanon niet gelezen te hebben om te weten dat aristocratische duels niets gemeen hebben met postindustriële massavernietigingswapens en cyber warfare. Als de oudheidkunde in het nieuws komt, is het kwalitatief zelden goed nieuws.

Het is tijd dat iemand uitlegt hoe het wél moet, en gelukkig is daar Andrea Carandini, de archeoloog die de afgelopen twintig jaar leiding heeft gegeven aan opgravingen op het Forum Romanum en op de Palatijn. Volgens een oude traditie zijn deze plaatsen verbonden met de legendarische stichter van Rome, koning Romulus. In zijn Rome. Day One presenteert Carandini zijn vondsten en bespreekt hij de bronnen. Op het eerste gezicht verdedigt hij de stelling dat Romulus werkelijk heeft geleefd en dat de stichting van de stad een werkelijke gebeurtenis is geweest, die hij voorwendt tot op de dag nauwkeurig te kunnen dateren.

Het boekje is echter een parodie: de lezer wordt speels bijgebracht dat hij op zijn hoede moet zijn voor redenatiefouten, en leert zo oudheidkundige informatie kritisch beoordelen. Ik vermoed dat hij vooral schrijft voor eerstejaarsstudenten, maar het boek verdient een breder publiek – bijvoorbeeld van de journalisten die vergeten te controleren hoe het Pantheon tot op heden werd geïnterpreteerd.

Laten we beginnen met een dateringskwestie. Vroeger werd de chronologie van de eerste helft van het eerste millennium gebaseerd op aardewerkvondsten, en Carandini prikkelt de lezer door het nog zo te presenteren. De vondsten die hij met de stadsvorming van Rome associeert, zouden dan dateren uit het tweede kwart van de achtste eeuw. Je hoeft geen oudheidkundige te zijn om achter je oor te krabben: zijn er geen koolstof-14-dateringen mogelijk, en levert dit geen andere data op? Het antwoord is tweemaal ja, maar dat is de pointe niet van Rome. Day One: Carandini wil de lezer aan het denken zetten.

Een andere vergissing die hij demonstratief begaat, is de interpretatie van de vondsten. Op het plaatje hierboven toont het grijze deel ruwweg wat op de rand van het Forum en de Palatijn feitelijk is gevonden: zware en minder zware paalgaten. Er valt weinig van te maken. Aannemend dat het een stadswal is, kan die bijvoorbeeld ook naar voren hebben doorgelopen (op het plaatje: naar beneden). Door de linkergrens van de opgraving te gebruiken als symmetrieas en het plaatje min of meer te spiegelen, maakt Carandini er een compleet poortgebouw van. Zo ontdekt de lezer hoeveel fantasie er zit in een archeologische reconstructie.

Echt geestig is Carandini’s identificatie van een oud huis als het paleis van de opvolgers van Romulus. Iedereen die de krant een beetje bijhoudt, herkent het knipoogje naar de opgravingen van zijn Israëlische collega Mazar in Jeruzalem, die enkele zware muurresten identificeert met het paleis van Salomo.

Het argument voor die gelijkstelling is dat de Bijbel een paleis vermeldt, maar we hebben geen idee hoe en wanneer de betreffende passage tot stand is gekomen. Evengoed kan er een oud gebouw hebben gestaan dat latere generaties als paleis hebben beschouwd. Onze bronnen geven dus weer wat de schrijvers van de Bijbel dáchten dat een oud gebouw was, en Mazars bewijsvoering is incompleet zolang ze niet verklaart waarom de tijdgenoten van de schrijver de juiste identificatie na enkele eeuwen nog goed herinnerden.

De vuistregel is dat informatie uit geschreven bronnen in principe pas mag worden aanvaard als aannemelijk is gemaakt dat ze accuraat is. Geschiedenisstudenten leren dat in hun eerste jaar, maar classici en archeologen krijgen geen geschiedtheorie aangeboden. Met alle nadelen van dien.

Door de vuistregel demonstratief te negeren, vestigt Carandini de aandacht op deze kwestie, en niet alleen door een oud huis te identificeren als een paleis. Het dossier van bronnen waarmee het boek besluit, illustreert perfect hoe fragmentarisch het bronnenmateriaal is: ongeveer vier dozijn teksten, variërend van twee of drie pagina’s tot een handvol regels poëzie. Als we de traditionele stichtingsdatum, 754/753 v.Chr., even voor waar aannemen, dateert de oudste tekst van zo’n vijf-en-halve eeuw ná de stadsstichting; het recentste fragment is nog eens acht eeuwen jonger. Wie de fragmenten leest, en vervolgens ziet hoe Carandini alleen datgene aanbiedt wat past bij een bepaalde reconstructie, heeft voorgoed geleerd hoe amateurhistorici te werk gaan. De jargonterm is ‘naïef positivisme’.

Slordig lezen is ook een beroemde dwaling. Carandini illustreert haar door te veinzen dat de bronnen zeggen dat Rome is gesticht op 21 april. De student kan zelf uitvinden dat de Romeinen op die dag in feite de stichting van hun stad herdachten, wat iets anders is. (Nederlanders vieren op 30 april de verjaardag van koningin Beatrix, die is geboren op 31 januari.)

Voor sommige door Carandini in de tekst verwerkte puzzeltjes zal de student de bibliotheek in moeten. Zo citeert hij ergens de Theogonie, een gedicht van de achtste-eeuwse auteur Hesiodos. Wie de tekst ter hand neemt, zal ontdekken dat het gaat om een toevoeging aan het gedicht door een latere auteur. Elders beschrijft Carandini het veld waarop zieners de vlucht van de vogels observeerden. Bij nadere beschouwing gebruikt hij daarbij informatie uit de eerste eeuw v.Chr. De student zal glimlachen als hij zich realiseert dat dit zoiets is als de kerkelijke maatregelen van Karel de Grote beschrijven aan de hand van het oeuvre van Calvijn, en heeft voorgoed geleerd op zijn hoede te zijn.

De meeste studenten zullen wat hulp nodig hebben om de verouderde informatie door te prikken die Carandini door zijn verhaal vlecht. Zo stelt hij de oosterse culturen tegenover de westerse: de eerste zouden despotische paleiseconomieën zijn geweest, de laatste zouden de vrijheid hebben uitgevonden. Je kunt van een student nog niet verwachten dat hij weet dat dit een verzinsel is van Winckelmann, Wolf en Marx, en het is ook onredelijk aan te nemen dat de student op de hoogte is van de empirische weerlegging. Een student geschiedenis zou echter het type drogredenering (ontologisch holisme) moeten herkennen wanneer hij ergens halverwege zijn eerste jaar zijn tentamen heeft gehaald over een handboek als Lorenz’ De constructie van het verleden of Ankersmits Denken over geschiedenis.

Ik zou uw leesplezier bederven door alle vergissingen te noemen die Carandini in zijn boek heeft gestopt. Ik wil er wel op wijzen dat hij soms doorslaat. Het notenapparaat, dat wordt verondersteld in het dossier met tekstfragmenten, is niet afgedrukt. Om het foutenfestival der hedendaagse oudheidkunde te parodiëren, was het niet nodig om tevens de slordige praktijken van moderne uitgevers op de hak te nemen. En één keer slaat Carandini echt onder de gordel: als hij voorrekent dat er in Rome op een gegeven moment 8918,9 kinderen en 2318,9 ouderen woonden, op een bevolking van in totaal 17.837,8 zielen. Dat gaat mij te ver. De oudheidkunde verkeert in moeilijkheden, zeker, maar ik kan u verzekeren dat haar beoefenaren dit soort schijnprecisie niet werkelijk nastreven.

We mogen echter blij zijn met dit boekje. Hoewel vermoedelijk bedoeld voor studenten, is het zeker ook geschikt voor niet-specialisten. Het Handelsblad en Trouw besteedden ruime aandacht aan Mazar, en schreven uitgebreid over de dateringskwesties. Iedereen die de wetenschapsbijlagen van zijn dagblad een beetje heeft bijgehouden, kan om Rome. Day One grinniken.

Nu zal niemand lang in de waan verkeren dat archeologen kunnen vaststellen dat Romulus op een 21e april is opgestaan met het voornemen een stad te gaan stichten. Carandini roept bij de lezer wel de vraag op wat er wél is gebeurd in het Rome van de Koningstijd. De simpele waarheid is dat we het niet goed weten. Wie desondanks een algemeen overzicht zoekt, kan terecht bij Tim Cornells The Beginnings of Rome,  terwijl men voor de oude sagen het geschiedwerk van Titus Livius kan lezen: mooie verhalen, die ook na twee millennia nog fascinerend zijn.

De waarheid ervan is echter moeilijk vast te stellen. Veel zal veranderen als we eenmaal een accuraat dateringssysteem hebben, een doel dat langzaam in zicht komt. Een aardig artikel over deze materie, dat betrekking heeft op het gehele Middellandse Zee-gebied, vindt u hier. Het is echter geen vrolijke literatuur. Vooral het stuk over de Bayesiaanse analyse is illustratief voor de huidige malaise in de oudheidkunde. De vraag is of het vakgebied niet te ziek is voor Carandini’s medicijn.

[Eerder verschenen op de website van de Amsterdamse Athenaeum-boekhandel. Niet iedereen begreep de ironie, dus ik zeg er nu maar expliciet bij dat dit boek opvallend slecht is.]

#AndreaCarandini #ForumRomanum #Italië #kwakgeschiedenis #Palatijn #Rome

@boudewijnsteur we waren gisteren op de Palatijnse heuvels met een geweldig uitzicht over Rome. Omdat de Italianen 25 april nog een feestdag hebben, FESTA DELLA LIBERTÀ - de bevrijding van de Duitsers en van het fascistische regime van Mussolini,
en een lang weekend vieren was het heel erg druk in de stad. Maar wat hebben we genoten.

#italie #rome #RomusRemulus #21April #DiesRomana #25April #Palatijn