Het Senaatsgebouw in Rome (2)

De vloer van het Senaatsgebouw

Ten tijde van de Republiek werden in het Senaatsgebouw zaken gedaan, maar in de Keizertijd was dat afgelopen. Toch waren de zittingen belangrijk. Als de Senaat niet met reces was (bijvoorbeeld tijdens de wijnoogst), kon de keizer hier aan de rijkste Romeinen meedelen wat hij had besloten. Door hen als eersten op de hoogte te brengen, liet hij zijn waardering blijken. Zo werd steeds opnieuw de loyaliteit bewerkstelligd van het college dat nog altijd legitimiteit verleende.

Verder fungeerde de Senaat als rechtbank voor gouverneurs die van wanbeheer waren beschuldigd. Hoewel de meeste gouverneurs zelf senator waren, kwamen veroordelingen wel degelijk voor, zodat een rechtszaak vaak spannend was. Al in de eerste fase, waarin de precieze aanklacht werd geformuleerd, kon het er heet aan toegaan. Senator Plinius de Jongere beschrijft hoe een advocaat optrad in een afpersingszaak:

Daar hij een geroutineerd meester is in het wekken van tranen, zette hij alle zeilen van zijn retoriek bij en hij blies ze bol met een heuse storm van medelijden. Heftige discussies, heftige kreten van weerskanten: hier riepen ze dat de rechtspraak van de Senaat wettelijk was beperkt, daar dat die vrij en ongelimiteerd was en dat alles wat de verdachte had misdreven, moest worden berecht.noot Plinius de Jongere, Brief 2.11.3-4; vert. Ton Peters.

Andere bijeenkomsten waren minder rumoerig, om niet te zeggen saai. Het feit dat er zitruimte was voor de helft der senatoren zegt genoeg over de presentiecijfers. Veel tijd werd besteed aan het luisteren naar redevoeringen waarin met veel woorden weinig werd gezegd. Gelukkig werd de tijd van de spreker beperkt door een waterklok. Illustratief is de toespraak waarmee Plinius de Jongere keizer Trajanus bedankte voor het consulaat dat hij in het jaar 100 mocht bekleden: gedurende enkele uren uitte hij alleen obligate complimenten, die hij gelukkig boeiend wist te formuleren. Over een andere redevoering zei hij met de hem kenmerkende bescheidenheid:

De rede is wel lang, toch ben ik niet pessimistisch dat hij de charme van een heel korte kan evenaren. Want door de rijke materie, de ingenieuze indeling, de vele korte anekdotes en de afwisseling in stijl heeft hij iets verrassends.noot Plinius de Jongere, Brief 6.33.7-8; vert. Ton Peters.

Toch kon ook een getraind spreker zijn gehoor vervelen. Enkele maanden voordat hij de lofrede op Trajanus uitsprak, klaagde Plinius een oud-gouverneur aan, en werd onderbroken door de keizer, die hem tactvol vroeg het kort te houden:

Ik sprak ongeveer vijf uur, want aan de twaalf extra lange waterklokken die ik had gekregen, zijn er nog vier toegevoegd. … De keizer van zijn kant toonde tegenover mij zoveel aandacht en zo’n grote zorg (ongerustheid zou te veel gezegd zijn) dat hij mijn vrijgelatene, die achter me stond, verschillende malen waarschuwde dat ik om mijn stem en mijn longen moest denken.noot Plinius de Jongere, Brief 2.11.15; vert. Ton Peters.]

Mannelijkheid

Wie in het openbaar het woord nam, betoonde zich een echte man: niet zozeer omdat hij moest beschikken over een sonore basstem, maar vooral doordat hij toonde zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de gemeenschap. Bovendien had elke aanwezige een lange redenaarsopleiding achter de rug, zodat de spreker niet alleen werd beoordeeld op de inhoud van zijn toespraak maar ook op zijn beheersing van de kunst der welsprekendheid. Wie het woord nam, liep risico. In een cultuur waarin gezichtsverlies het ergste was wat iemand kon overkomen, moest een redenaar over minstens evenveel moed beschikken als een soldaat.

Senatoren (Vaticaanse Musea, Rome)

Onnodig te zeggen dat waar mannen toonden wie ze waren, haantjesgedrag aan de orde van de dag was. Iedereen wilde gelden als de beste spreker. Het geschiedwerk van Cassius Dio bevat een treffend voorbeeld:

Keizer Caligula vond altijd dat hij de beste redenaar van zijn tijd was, maar omdat hij wist dat [de door hem aangeklaagde senator] Gnaeus Domitius Afer een zeer gerenommeerd spreker was, deed hij zijn best hem op dat punt te verslaan. Hij zou Afer zeker ter dood hebben laten brengen als die ook maar enigszins geprobeerd had het tegen hem op te nemen in welsprekendheid. Maar Afer sprak hem juist níét tegen en verdedigde zich ook helemaal niet: hij deed alsof hij volkomen overdonderd was door Caligula’s indrukwekkende speech. Hij herhaalde de aanklacht punt voor punt en had er alle lof voor, alsof hij niet meer dan een toehoorder was en niet de verdachte. En toen hij formeel het woord kreeg, nam hij zijn toevlucht tot smeekbeden en klaagzangen. Tenslotte liet hij zich op de grond vallen, bleef daar als een smekeling liggen en beweerde dat hij banger was voor Caligula als redenaar dan als keizer. Toen Caligula hem zo zag en aanhoorde, verdween zijn boosheid als sneeuw voor de zon, want hij was ervan overtuigd dat zijn ingenieuze redevoering Afer had verpletterd.noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 59.19.3-5; vert. Gé de Vries.

Verschillende auteurs meenden dat in de keizertijd de retorica in verval was geraakt omdat de Senaat geen politiek meer bedreef. Dat was overdreven. Er was nog alle gelegenheid voor gerechtsredevoeringen en feestredes. Maar toch, de politieke welsprekendheid was, samen met het debat in de Senaat, verstomd.

[Wordt vervolgd]

#Caligula #CassiusDio #Curia #ForumRomanum #GnaeusDomitiusAfer #Octavianus #PliniusDeJongere #Rome #RomeinsKeizerschap #Senaat #Trajanus #waterklok #welsprekendheid

Het Romeinse hooggerechtshof: de Basilica Julia

De Basilica Julia

Een blogje over Rome, waarom ook niet, ik schrijf er tenslotte nooit over. We gaan naar het Forum Romanum, naar de Basilica Julia: in de keizertijd de plaats waar het hooggerechtshof samenkwam. Eerder stond hier het huis van Publius Cornelius Scipio, de generaal die de Tweede Punische Oorlog had beëindigd door Iberië te veroveren en daarna bij Zama de Karthaagse generaal Hannibal te verslaan. Scipio’s dochter Cornelia was in 175 getrouwd met Tiberius Sempronius Gracchus, de voornaamste senator (princeps) uit het tweede kwart van de tweede eeuw v.Chr., rijk geworden met de pacificatie van wat wij Castilië zouden noemen. Hun kinderen waren de revolutionaire volkstribunen Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. Volgens de geschiedschrijver Titus Livius kocht Sempronius Senior, toen hij in 169 censor was, het huis van zijn schoonvader:

Tiberius Sempronius Gracchus kocht van het hem van staatswege toegewezen fonds het huis op van Publius Cornelius Scipio Africanus. Dat stond achter de Oude Winkelgalerij, vlakbij het beeld van Vortumnus, bij de  slagerijen en de winkels. Sempronius liet daar de basilica bouwen die later Sempronia werd genoemd. noot Livius, Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad 44.16.10-11.

Archeologen hebben onder de Basilica Julia inderdaad de resten gevonden van de basiliek van Sempronius en een ouder republikeins huis, dat dan wel dat zal zijn geweest van de man die de Karthagers versloeg.

Basilica Julia

In 54 v.Chr. begon Julius Caesar met de constructie van een nieuw gerechtshof. Ongetwijfeld heeft hij een verband willen leggen met het feit dat zijn legers inmiddels in Brittannië de randen van de aarde hadden bereikt: genadiglijk liet de veldheer de stedelijke bevolking delen in de buit.

Om ruimte te scheppen verlegden zijn ingenieurs enkele aangrenzende straten en ging de Oude Winkelgalerij tegen de vlakte, zodat op het naar alle zijden vergrote terrein een vijfschepige basiliek kon worden opgericht. Het was een van de grootste gebouwen in de stad en ook al nam de dictator het gebouw acht jaar later in gebruik, er moest nog aan worden gewerkt tot 29 v.Chr., toen keizer Augustus de basiliek opnieuw inwijdde. Hij verrichtte ook de derde inwijding, nadat het bouwwerk in 12 n.Chr. door brand was verwoest en gerestaureerd.

Een boog in het midden van de façade vormde de hoofdingang. Momenteel is deze te herkennen aan een pijler van wit marmer. Keizer Septimius Severus liet aan weerszijden standbeelden plaatsen, vervaardigd door de Griekse beeldhouwers Polykleitos en Timarchos (hun namen zijn nog te lezen op de sokkels). Laatstgenoemde is weinig meer dan een naam, over Polykleitos weten we des te meer: hij was actief tussen 450 en 410 v.Chr. en geldt als een van de belangrijkste beeldhouwers uit de Oudheid.

De zijschepen van de Basilica Julia bestonden uit twee rijen bogen, en daarboven was een balkon. Keizerbiograaf Suetonius schrijft daarover:

In zijn verkwistingen overtrof Caligula alles wat men vóór hem had weten te bedenken. […] Hij ging zelfs zover dat hij dagen achtereen een enorm bedrag aan geldstukken van het dak van de Basilica Julia wierp. noot Suetonius, Caligula 37.1; vert. Daan den Hengst.

Vanaf het dakterras kon men door ramen kijken in het middenschip, dat boven de zijschepen uitstak, en dan zag men onderin de rechtszaal een vloer die was ingelegd met Numidisch geel en Frygisch paarsgeaderd marmer, afgewisseld met Lucullisch zwart-rood marmer. De huidige witte vloer is aangelegd door restaurateurs.

Rechtspraak

In deze bonte hal beoordeelde het Hof van Honderd (dat overigens 180 leden had) zaken op het terrein van het eigendoms- en erfrecht. Het ging vaak om geschillen waarbij rijke mensen betrokken waren. Immers, alleen voor hen stond werkelijk iets op het spel en bovendien konden alleen zij de proceskosten opbrengen. Voor minvermogenden gold de constatering van de dichter Martialis:

Als advocaat en rechter
hun centen komen halen,
dan is dat meestal slechter
dan zelf je schuld betalen.noot Martialis, Epigram 2.13; vert. Frans van Dooren.

Wie procedeert om een koe legt er een op toe, zouden wij zeggen. Verantwoordelijk voor de rechtspraak was de praetor, die een oordeel gaf over de ontvankelijkheid van een zaak en vervolgens een juryvoorzitter aanwees. Dat was iemand van een jaar of negentien die behoorde tot de decemviri stlitibus iudicandis, een rechtscollege dat zich bezighield met het vaststellen van iemands burgerlijke staat. Het lidmaatschap daarvan was een normale eerste stap voor een rijke jongeman die carrière wilde maken.

Met kamerschermen werd de centrale hal van de Basilica Julia in compartimenten verdeeld, zodat de vier kamers van de rechtbank gelijktijdig konden werken. Alleen voor buitengewoon belangrijke zaken waren alle juryleden aanwezig. Plinius de Jongere geeft in een van zijn brieven een beschrijving. Hij behartigde als advocaat de belangen van een dame die was onterfd, tien dagen nadat haar vader met een jong meisje was hertrouwd:

Er zaten 180 rechters, want zoveel staan er op de lijst voor de vier kamers, een schare advocaten voor beide partijen en tallozen op de bankjes, bovendien een dichte haag omstanders rondom de enorme breedte van het tribunaal, in ontelbare rijen. Dan stond ook de tribune nog volgepakt en zelfs op de bovengalerijen van de basilica leunden aan de ene kant de vrouwen, aan de andere de mannen over de balustrade, gespitst om iets te horen, wat moeilijk was, of, wat makkelijk was, iets te zien. Groot was de spanning bij alle vaders, groot bij alle dochters, groot ook bij alle stiefmoeders.noot Plinius de Jongere, Brief 6.33.3; vert. Ton Peters.

Nu ik dit blogje voorbereid, schiet me te binnen dat ik de uitslag van de zaak niet ken.

De advocaten kregen tijdens een rechtszaak spreektijd toegewezen in de vorm van eenheden op de waterklok. Meestal kregen ze er vier of vijf, maar Martialis kent een advocaat die daaraan niet genoeg heeft:

De rechter gaf je wat je luid verzocht:
wel zevenmaten van de waterklok.
Je toespraak blijkt een eindeloos gewrocht.
Soms stop je om te drinken uit je mok.
Ik bid je, les je dorst met ander vocht
en neem een slok van ’t water uit de klok!noot Martialis, Epigram 6.35.

Tijdens langdradige redevoeringen deden de mensen op de publieke tribune blijkbaar spelletjes, want er zijn verschillende spellen in het plaveisel gekrast: een molenspel en een dambord bijvoorbeeld. Op de trap aan de Forumzijde zijn de bakjes te zien van een backgammonachtig spel dat tegenwoordig in grote delen van Afrika nog wordt gespeeld en daar onder meer als oware bekendstaat.

#Augustus #BasilicaJulia #Caligula #ForumRomanum #GaiusSemproniusGracchus #JuliusCaesar #Martialis #oware #PliniusDeJongere #PolykleitosVanSikyon #praetor #Rome #RomeinsRecht #SeptimiusSeverus #Suetonius #TiberiusSemproniusGracchus #TitusLivius #waterklok

Titus Livius (7): kwaliteiten

Zomaar een Romein met een kapsel à la keizer Augustus, niet per se Titus Livius (Archeologisch museum Córdoba)

[Laatste blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

Livius leefde tweeduizend jaar geleden. Je mag hem elitair noemen, je mag zijn moralisme oppervlakkig noemen. Het is immers een klassieke auteur. Om deze reeks niet in mineur te beëindigen, noem ik twee deugden die Livius óók bezit.

Titus Livius als stilist

Om te beginnen kan hij een verhaal vertellen. Tijdens het bewind van keizer Domitianus (r.81-96) stelde Quintilianus, een docent welsprekendheid, de Romeinse geschiedschrijvers Livius en Sallustius gelijk aan de Griekse auteurs Herodotos en Thoukydides.noot [Quintilianus, Opleiding tot redenaar 10.1.101.]. Dat was destijds de allergrootst mogelijke lof. Als Livius iets vertelde, zo vervolgde Quintilianus, was het verhaal zo helder als kristal, terwijl zijn toespraken onbeschrijfelijk welluidend waren.

Quintilianus was niet de enige die de auteur van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad prees. Een wel heel curieus compliment is dat van Plinius de Jongere, die in het najaar van 79 na Chr. het lezen van Livius verkoos boven een bezoek aan de spectaculair ontploffende Vesuvius. Ook daarna, in de Middeleeuwen en Renaissance, hebben mensen Livius bewonderd om zijn vertelkunst en zijn stijl, en dit is nooit veranderd.

Titus Livius als geschiedschrijver

Livius is ook een betere geschiedschrijver dan men wel aanneemt. Akkoord, hij heeft een causaliteitsbegrip van het jaar nul: zoals vrijwel alle andere antieke geschiedschrijvers is hij een methodisch individualist, wat een jargonterm is om aan te duiden dat uitsluitend individuen agency zouden hebben.noot De enige antieke historicus met een hedendaags causaliteitsbegrip is Appianus. Zoals ik al zei verhoudt de antieke geschiedschrijving zich tot de huidige zoals alchimie en astrologie zich verhouden tot chemie en astronomie. Omdat de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad een pre-wetenschappelijke activiteit vertegenwoordigt, zou het oneerlijk zijn de auteur af te rekenen aan de hand van normen die pas in het eerste kwart van de vorige eeuw zijn geformuleerd.

Een eerlijker criterium is of de auteur de doelen haalt die hij zelf stelt. Titus Livius wilde zijn tijdgenoten voorbeelden geven van nastrevenswaardige en vermijdbare gedragingen. Daarmee hoopte hij goedbedoelende Romeinen aan te sporen de oude Romeinse kwaliteiten te herstellen. Zelf zou hij hebben gezegd dat de enige relevante toets voor de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad was of het werk bijdroeg aan Augustus’ ethisch reveil. We kunnen nu constateren dat de Romeinse wereld tot rust kwam, maar we kunnen niet bepalen of het geschiedwerk daarbij een rol speelde.

Fouten? Of toch niet?

Maar wat hebben wij eraan? Uiteraard mogen hedendaagse oudheidkundigen de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad gebruiken voor andere doelen dan waarvoor de auteur haar schreef: namelijk voor informatie over de Romeinse republiek. De grote negentiende-eeuwse Altertumswissenschaftler hebben fouten geconstateerd:

  • Livius vertelt sommige verhalen twee keer, wat te verklaren zou zijn doordat hij ze in verschillende bronnen vond onder verschillende jaartallen;
  • de chronologie klopt niet;
  • het beeld van de grandeur van Rome in de late koningstijd, toen de dynastie der Tarquinii heerste, zou een regelrechte leugen zijn, bedoeld als propaganda voor de monarchie van Augustus.

Deze beoordeling is lange tijd blijven hangen. U vindt de constateringen nog in het commentaar op de eerste vijf boeken van Livius door Robert Maxwell Ogilvie (1974). In de week waarin ik deze blogjes online aan het plaatsen was, reageerden verschillende classici die nog steeds een lage dunk hebben van Livius als geschiedschrijver.

De afgelopen halve eeuw is echter veel veranderd. Archeologen hebben het bestaan van la grande Roma dei Tarquini min of meer bevestigd. Gebeurtenissen die ooit als doublures zijn gebrandmerkt, blijken wel degelijk te onderscheiden gebeurtenissen te zijn. En bij nader inzien blijkt Livius’ chronologie beter te zijn dan de chronologie van Varro die in menige vertaling – ook de Nederlandse van mevrouw Van Katwijk-Knapp – wordt gebruikt om de Romeinse datering (aan de hand van consulnamen) om te rekenen naar onze jaartelling. Mij stoort het nogal dat oudheidkundigen dingen die bij Livius goed zijn, verhelderen met verkeerde informatie.

Fragment van de Fasti Capitolini, de incorrecte, door Augustus geautoriseerde lijst van magistraten van de Romeinse Republiek (Rome, Capitolijnse Musea)

Het historisch ambacht

Dergelijk gegoochel is niet alleen chronologisch misleidend. Het miskent de man. Door vast te houden aan de traditionele chronologie van de Romeinse geschiedenis, wijst Livius de Varroniaanse chronologie af. Dat systeem, waarvan we weten welke fouten er in zitten, was door Augustus geautoriseerd omdat het antecedenten bevatte voor de alleenheerschappij. De Varroniaanse chronologie stond volledig uitgeschreven op de triomfboog van Augustus; iedereen op het Forum Romanum kon het lezen.

Dat was dus geschiedvervalsing en Livius weigerde zijn vakkennis, voorwetenschappelijk of niet, ondergeschikt te maken aan politiek opportunisme. Voorbeelden geven? Prima. Moralisme? Dat is bedoeling. Retorische overdrijvingen op belangrijke momenten? Dat kan, zo nu en dan. Maar blijf verder bij de feiten, en introduceer geen antecedenten voor de alleenheerschappij in je verslag. Dat is Livius zelf. Wie zijn verslag verheldert met het chronologische systeem dat hij afwees, miskent zijn beheersing van het historisch ambacht en geeft feitelijk de augusteïsche propaganda het laatste woord.noot Velleius Paterculus is een andere auteur die via de chronologie oppositie voerde.

De constateringen over doublures, over de koningstijd en over het historisch métier betekenen niet dat Titus Livius in de afgelopen halve eeuw is komen gelden als superaccurate bron voor de Romeinse republiek. Dat zal Livius nooit zijn, want hij is geen historicus in de normale zin des woords. Wie hem echter beschouwt als slechts een verhalenverteller en een moralist, doet hem niet volledig recht.

#agency #antiekeGeschiedschrijving #Augustus #DanteAlighieri #KlassiekeGeschiedschrijvers #MarcusFabiusQuintilianus #methodischIndividualisme #PliniusDeJongere #RobertMaxwellOgilvie #TitusLivius #VarroniaanseChronologie

De Tiber

De Tiber bij het eiland in Rome

Amsterdam ligt aan de Amstel, Antwerpen aan de Schelde en Rome aan de Tiber. Dat was destijds, vóór de kanalisering van 1870, een wispelturige rivier die vaak buiten haar oevers trad. Helaas stonden de Romeinse graanpakhuizen stroomafwaarts, tussen de heuvel Aventijn en de rivier. Als ze onder water kwamen staan, was de ellende niet te overzien. De Historia Augusta geeft een beschrijving:

[Keizer] Marcus Aurelius gaf zich geheel en al over aan de filosofie en won de genegenheid van de burgerij. Maar de overstroming van de Tiber, de ergste in zijn tijd, verstoorde dat geluk. Ze trof veel gebouwen in de stad, doodde talloze dieren en veroorzaakte een zeer ernstige hongersnood. Maar Marcus en [zijn medekeizer] Lucius Verus verlichtten de nood door hun zorgzaamheid en aanwezigheid.noot Historia Augusta, Marcus Aurelius 8.2-5.

Een tekst over de overstroming van een zijrivier van de Tiber bevat beeldende details die de gevolgen van watersnood illustreren. De auteur, Plinius de Jongere, bekleedde op het moment dat hij onderstaande woorden schreef, een hoge bestuurlijke functie, die hem verantwoordelijk maakte voor de bedding en oevers van de Tiber. Hij wist dus waarover hij het had. Ook betoont zich een auteur die iets niet simpel zegt als het ingewikkeld kan, want de beeldspraak in de eerste regel is een complexe manier om te zeggen dat er villa’s stonden in de uiterwaarden:

De Anio, elegantste van alle stromen, en daarom door de aanliggende landhuizen als het ware uitgenodigd en vastgehouden, heeft een groot deel de bossen waardoor hij wordt beschaduwd, geveld en meegesleurd. Heuvels heeft hij ondergraven en op veel plaatsen raakte hij versperd door aardverschuivingen, zodat hij, op zoek naar de bedding die hij was kwijtgeraakt, gebouwen heeft omvergeworpen en over de bouwvallen stortend is voortgeraasd.

Mensen die op hoger gelegen plaatsen door dat noodweer werden overvallen, zagen op de ene plek meubilair van rijken en massief huisraad, op een andere landbouwwerktuigen, hier weer ossen, ploegen met de voerman erbij, elders losgeraakte en onbeheerde kuddes en daartussendoor boomstronken of balken van woonhuizen lukraak her en der ronddrijven.

Zelfs streken die boven het bereik van de rivier lagen, bleven voor het onheil niet gespaard, want in plaats van de rivier had men daar continue stortregens en wervelstormen die uit de wolken neersloegen. Muren waarmee kostbare akkers omgeven waren, werden neergehaald, grafmonumenten ontwricht en zelfs tegen de grond gesmakt. Veel mensen zijn bij zulke rampzalige voorvallen verminkt, bedolven of verpletterd en behalve veel schade was er ook veel rouw.noot Plinius de Jongere, Brief 8.17.3-5; vert. Peters.

De Anio was, zoals gezegd, een zijstroom van de Tiber. De gevolgen van een Tiberoverstroming waren nog dramatischer. De fundamenten van de woonkazernes waren vaak slecht en konden worden los gespoeld, zodat het huis instortte. Tegelijk drong het rivierwater de riolering binnen en stroomde het vuil terug naar de stad. Watersnood ging daardoor gepaard met epidemieën. Cholera, dysenterie, hepatitis, tuberculose, lepra en tyfus waren vertrouwde verschijnselen in Rome.

Ter hoogte van het stadscentrum was een doorwaadbare plaats, waar ook een eiland lag. De Romeinen dachten dat het er niet altijd was geweest en de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vertelt een aardig verhaal over het ontstaan. Ooit, kort voor het jaar 500 v.Chr., was koning Tarquinius Superbus verdreven en de Romeinse republiek ontstaan. De verdreven vorst beraamde daarop een complot om terug te keren, maar de Romeinse politicus Lucius Junius Brutus ontdekte dit op tijd.

Daarop werden de goederen van Tarquinius ter plundering aan het lagere volk vrijgegeven: had het volk zich eenmaal vergrepen aan die koninklijke buit, dan kon het alle hoop laten varen ooit nog vrede met de Tarquinii te sluiten. Het land van de Tarquinii, dat lag tussen de stad en de Tiber, werd gewijd aan Mars en was sindsdien bekend als het Marsveld.

Men zegt dat daar toen juist graan op de velden stond, rijp voor de oogst. Omdat het om godsdienstige redenen niet raadzaam was dit gewas voor consumptie te gebruiken, werd een grote groep mannen gelijktijdig ingezet om het met halm en al af te snijden, in manden te doen en zo in de Tiber te gooien. De rivier stond heel laag, zoals meestal middenin de zomer, en dus bleven er bergen koren steken in het ondiepe water en in de modder vastzitten. Daardoor ontstond langzamerhand een eiland. Later zijn daar vermoedelijk dammen aan toegevoegd en is er mensenwerk verricht om het terrein zo hoog te maken als het nu is en sterk genoeg om tempels en zuilengangen te dragen.noot Livius, Geschiedenis sinds de stichting van de stad 2.5.1-4; vert. Katwijk-Knapp.

Op de plaats op het eiland waar nu de S. Bartolomeo staat, was in de Oudheid de tempel van Asklepios, de van oorsprong Griekse god waaronder de gezondheidszorg ressorteerde. Hij werd afgebeeld met een slang. Livius vertelt over de introductie van zijn cultus in Rome op 1 januari 291 v.Chr.:

Omdat de staat te lijden had van een epidemie, werden afgezanten gezonden om het beeld van Asklepios van Epidauros naar Rome te brengen. Ze brachten een slang mee, die bij hen aan boord was gegaan en waarin de godheid zonder twijfel zelf aanwezig was. De slang begaf zich van het schip naar het Tibereiland en op die plaats werd een tempel voor Asklepios opgericht.noot Livius, Periochae 11; vert. Katwijk-Knapp.

Zieken konden op dit eiland eenvoudig in quarantaine worden gehouden en daarom waren hier ook in de Middeleeuwen en daarna ziekenhuizen. Het huidige hospitaal der Fatebenefratelli kan met enig recht beweren het oudste ter wereld te zijn.

#Anio #Asklepios #CampusMartius #cholera #dysenterie #hepatitis #HistoriaAugusta #lepra #LuciusJuniusBrutus #LuciusVerus #MarcusAurelius #Marsveld #PliniusDeJongere #Rome #TarquiniusSuperbus #Tiber #TitusLivius #tuberculose #tyfus

Het leven van Suetonius

De inscriptie met Suetonius’ carrière (Archeologisch Museum, Annaba)

Als u nog nooit een antieke bron heb gelezen, zijn er eigenlijk maar drie plaatsen om te beginnen: de profeet Amos, voor het betere pek-en-zwavel-werk, de altijd onderhoudende Historiën van Herodotos van Halikarnassos of de keizerlevens van Suetonius. Over eerstgenoemde moeten we het bij gelegenheid nog eens hebben, over de tweede hebben we het al eens gehad, en dus is vandaag Suetonius aan de buurt.

Suetonius’ jeugd

Gaius Suetonius Tranquillus, zoals zijn volledige naam luidt, is geboren in de havenstad Hippo Regius, het moderne Annaba in het noordoosten van Algerije. Zijn vader, Suetonius Laetus, was een rijk man en behoorde tot de ridderstand, de op een na hoogste rang in de Romeinse elite (na de senatoren). In 69 na Chr., het jaar van de burgeroorlog die bekend staat als Vierkeizerjaar, diende Laetus als tribuun in het Dertiende Legioen Gemina. Zijn zoon zou later vertellen dat Laetus aanwezig was geweest toen keizer Otho besloot zelfmoord te plegen.

Uit het voorafgaande kunnen we het geboortejaar van Suetonius afleiden. In de eerste plaats moet Laetus zijn geboren rond 49, omdat een tribuun meestal negentien of twintig jaar oud was. Normaliter markeerde een tribunaat het begin van een loopbaan, maar voor Laetus was het een einde: als officier van de verslagen Otho kon hij uitsluitend met pensioen gaan. Ervan uitgaande dat Laetus in de zomer van 69 terugkeerde naar Hippo, kan zijn zoon Gaius Suetonius Tranquillus niet zijn verwekt vóór het najaar van 69 en kan hij niet voor de zomer van 70 zijn geboren. Als hij het tweede kind van Laetus was, is hij zelfs later geboren. Een datum na 73 stuit weer op problemen met zijn eigen carrière.

Plinius

Tijdens de regeerperiode van Domitianus (r. 81-96) werd Suetonius naar Rome gestuurd om te worden opgeleid als redenaar. Hij had het geluk om Plinius de Jongere te ontmoeten, die in 93 praetor was, vervolgens diende als prefect van de militaire schatkist (in 94-96) en die consul was in 100. Plinius, auteur van een brievencollectie en naar eigen zeggen een kenner van literair talent, nam Suetonius onder zijn hoede. Zo zorgde hij ervoor dat Suetonius tegen een redelijke prijs een boerderij kon kopen.

In 103 zorgde Plinius ervoor dat de man uit Hippo in Britannia kon dienen als tribuun, maar Suetonius weigerde. Hij zal zich al te oud hebben gevoeld. Later spoorde Plinius hem aan een van zijn boeken uit te geven en nog later, toen Plinius gouverneur was van Bithynië-Pontus, nam hij zijn protegé mee. Eenmaal daar regelde Plinius een privilege voor zijn vriend, die hij typeert als een geleerd en integer man.

Plinius lijkt kort na zijn terugkeer uit Bithynië of in die provincie te zijn overleden. Zonder zijn brieven zouden we niet veel hebben geweten over de eerste helft van Suetonius’ leven.

In keizerlijke dienst

Gelukkig hebben we ook een inscriptie die in 1952 in zijn geboortestad Hippo Regius is ontdekt.noot EDCS-13900062. Die informeert ons dat de man die door Plinius was afgeschilderd als een enigszins onwereldse geleerde, zeer belangrijk ambtelijke functies heeft bekleed. Hij was eerst a bybliothecis, vervolgens a studiis en tot slot ab epistulis geweest. Die laatste functie gaf Suetonius meer invloed dan Plinius ooit kan hebben bezeten.

Als a bybliothecis was Suetonius verantwoordelijk voor de bibliotheken in Rome. Er waren er minstens zeven, meestal bestaande uit twee leeszalen, één voor de Latijnse en één voor de Griekse literatuur. Het is mogelijk dat Suetonius betrokken is geweest bij de organisatie van de nieuwe bibliotheken in het Forum van Trajanus, dat in 112 voor het publiek werd geopend, maar dat waarschijnlijk pas later werd voltooid.

Een a studiis was een documentalist. Als een gezantschap de keizer iets kwam vragen, moest de a studiis de relevante antwoorden op eerdere, soortgelijke verzoeken vinden. Dat was geen gemakkelijke taak, als we brieven mogen geloven die Trajanus enkele jaren eerder aan Plinius had geschreven. De keizer moest een keer toegeven dat de tekst van een verordening zoek was. Bij een andere gelegenheid moest hij uitleggen dat het kopieënboek van zijn correspondentie onvolledig was.

De ab epistulis bekleedde een van de belangrijkste posities in het Romeinse bestuur. We kunnen de titel vertalen als “minister van brieven”, “algemeen secretaris” of “directeur van de kanselarij”. Suetonius was verantwoordelijk voor alle keizerlijke correspondentie. Iedere Latijnse brief die keizer Hadrianus in de eerste vijf jaar van zijn regering, dus tussen 117 en 122, deed uitgaan, moet zijn gegaan door de handen van Suetonius. Uit hoofde van zijn functie was hij vermoedelijk ook lid was van de kroonraad, de naaste adviseurs van de keizer. Suetonius moet Hadrianus hebben vergezeld op zijn eerste tour door de provincies: langs de Rijn naar Keulen en daarvandaan naar het Kanaal, naar Britannia. Hij zal getuige zijn geweest van het leggen van de eerste steen van de Muur van Hadrianus.

Ontslag

We weten verder dat Suetonius in Ostia, de haven van Rome, twee priesterlijke functies bekleedde. Ze hadden weinig om het lijf, maar golden als prestigieus. Het is niet bekend hoe de wereldvreemde geleerde een van de machtigste mannen in Rome heeft kunnen worden, maar het is verleidelijk aan te nemen dat hij een machtige, nieuwe patroon gevonden heeft. Dat moet Gaius Septicius Clarus zijn geweest, de praetoriaanse prefect. De twee mannen worden in één adem genoemd door de anonieme auteur van de Historia Augusta:

Hadrianus liet Septicius Clarus, prefect van de lijfwacht, en Suetonius Tranquillus, keizerlijke secretaris, en vele anderen vervangen omdat ze zich zonder zijn toestemming tegenover zijn vrouw Sabina familiairder hadden gedragen dan de hofetiquette toeliet. Hij zou zelfs zijn eigen vrouw, dat zei hij wel vaker, hebben weggestuurd wegens humeurigheid en prikkelbaarheid als ze een gewone burgeres was geweest.noot Historia Augusta, Hadrianus 11; vert. John Nagelkerken.

We weten niet precies wat is voorgevallen, maar het lijkt erop dat Septicius en Suetonius ten val kwamen omdat Hadrianus zijn vrouw wilde isoleren. We weten dat Suetonius al boeken was gaan schrijven en kunnen aannemen dat het niet moeilijk zal zijn geweest om zich terug te trekken op een landgoed. Daar is hij na 126 overleden.

[Wordt vervolgd]

#aBybliothecis #aStudiis #abEpistulis #Domitianus #GaiusSepticiusClarus #Hadrianus #HippoRegius #MuurVanHadrianus #Ostia #Otho #PliniusDeJongere #Sabina #Suetonius #Trajanus #XIIIGemina

Amos 1 - NBV21 - www.debijbel.nl

Dit zijn de woorden van Amos, een schapenfokker uit Tekoa; het visioen dat hij zag over Israël, toen Uzzia in Juda regeerde en Jerobeam, de zoon van J...