Byzantijns Thracië

Het slagveld van Adrianopel

[Dit is het laatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Volksverhuizingen, deel één

Ik heb op deze blog regelmatig aangegeven dat de Grote Volksverhuizingen niet zo groot waren, dat er zelden hele volken bij waren betrokken en dat er eigenlijk ook niet meetbaar meer werd verhuisd dan anders. Op die regel zijn wel wat uitzonderingen, en het diocees Thracië is er daarvan een.

Om te beginnen verzochten in 375 allerlei groepen uit de noordelijke gebieden of ze zich mochten vestigen in het Romeinse Rijk. Het ging om de Goten die bekendstaan als Tervingi, maar er waren ook andere migranten. Zo’n verzoek was niet uniek en keizer Valens zag, zoals al zijn voorgangers in soortgelijke situaties, een gelegenheid om nieuwe boeren en belastingbetalers te werven. Dit keer liepen de zaken uit de hand. Weggelopen slaven en onderdrukte Thracische boeren sloten zich erbij aan – ook geen nieuw verschijnsel – en in 378 sneuvelde de keizer, die probeerde de groep in het gareel te dwingen, in de slag bij Adrianopel. Later auteurs zouden beweren dat de migranten waren opgejaagd door de naderende Hunnen (die op dit moment echter niet de geduchte vijand waren die ze een halve eeuw later zouden zijn) en dat ze in Adrianopel zouden hebben aangestuurd op een conflict (wat maar de vraag is).

Theodosius tussen zijn medekeizers Valentianus II en Arcadius (meer; Archeologisch Museum, Mérida)

Feit is: een grote groep migranten zonder land stond nu in een imperium zonder leger. Valens’ opvolger Theodosius nam de migranten dus maar in dienst. Onder leiding van Alarik speelde dit leger, dat wel wordt aangeduid als de Visigoten (“wijze Goten”), nog een belangrijke rol bij de verdediging van Syrië en de campagne waarmee Theodosius zijn gezag uitbreidde naar de westelijke provincies. Het leger zou in 410 Rome plunderen en uiteindelijk dienen als strategische reserve voor Gallië.

De Hunnen

Ik noemde de Hunnen. In het eerste derde van de vijfde eeuw dienden ze als Romeinse bondgenoten en kregen ze het recht zich te vestigen aan de Midden-Donau. Zeg maar in Hongarije. Van bondgenoten werden het echter vijanden, die bijvoorbeeld Belgrado en Viminacium plunderden, en over de Via Diagonalis dwars door Thracië oprukten naar Constantinopel. Keizer Theodosius II, die zijn graanleverancier tot elke prijs moest behouden, kocht de Hunnen in 443 af, maar in 447 waren ze terug in Thracië en in 449 stemde de keizer in met nieuwe afkoopsommen. Nu wendde de Hunse leider Attila zich naar het westen, waar hij op de Catalaunische Velden werd verslagen door een coalitie van Visigoten, Franken en anderen.

De schrik zat er goed in en de keizers in Constantinopel versterkten de grens. Achter de reeks forten langs de Beneden-Donau kwam een tweede linie, die liep door het Balkangebergte. Om de kustweg langs de Zwarte Zee te verdedigen, werd bijvoorbeeld een muur gebouwd die zich vijftig kilometer landinwaarts uitstrekte, zodat een omtrekkende beweging niet mogelijk was.

Resten van een Byzantijnse kerk in Nesebar

Keizer Anastasius (r.491-518) zou in 503 een soortgelijke muur bouwen over het schiereiland tussen de Zwarte Zee en de Zee van Marmara, zeventig kilometer ten westen van Constantinopel. Later zou keizer Justinianus (r. 527-565) allerlei steden voorzien van stadsmuren; de geschiedschrijver Prokopios wijdde er niet minder dan vijf boekrollen aan, De bouwwerken. Een flink deel van de vierde boekrol gaat over het diocees Thracië.

Volksverhuizingen, deel twee

Alle versterkingen mochten niet baten toen de Avaren aankwamen. Ik heb vaker over hen geschreven. Ze arriveerden rond 563 vanuit het verre oosten – hiervoor is inmiddels DNA-bewijs – en ze waren extreem succesvol. In 582 namen ze de belangrijke stad Sirmium in, even ten noorden van Belgrado, en ze vestigden een machtige staat in Midden-Europa, die enorme schattingen eiste van de buurvolken. We weten er weinig van, aangezien ze ongeletterd waren en dus niet zelf schreven; archeologisch zijn ze moeilijk te vinden, omdat de bestaande Centraal-Europese volken hun levenswijze konden voortzetten. Goudschatten als de Sânnicolau Mare-schat bewijzen echter dat de keizers in Constantinopel fors betaalden.

Het voornaamste gevolg van deze invasie was dat er geen landweg vanuit Constantinopel en Thracië naar de westelijke gebieden was: Oost- en West-Europa, al gescheiden door de Griekse en Latijnse taal, gingen verder uit elkaar. Later zou ook het christendom in tweeën uiteenvallen.

Het paleis van een Slavische bestuurder in Silistra

De Avaren dreven de Byzantijnen, zoals we de bewoners van de Oost-Romeinse rompstaat gewoonlijk noemen, terug naar de Thracische havensteden, zoals Varna en Nesebar in het oosten en Thessaloniki in het zuiden. De gebieden buiten het keizerlijke gezag zijn niet zo goed bekend, maar we lezen steeds vaker over Slavische soldaten die als infanterie meetrekken met de Avaarse cavalerie. We lezen ook over de eerste Bulgaren. Het gaat in alle gevallen om een gemengde bevolking, waarin de oude Romeinen en verschillende groepen migranten samenkwamen. Hoe groot die groepen migranten waren, is niet te zeggen, maar de etnische kaart werd in de zevende eeuw opnieuw getekend.

Ik ga afronden met een laatste constatering: door de opkomst van de islam, ook in de zevende eeuw, verloor het Byzantijnse Rijk Egypte. Voortaan was Thracië een nóg belangrijkere leverancier, en het keizerlijk beleid was dan ook gericht op de herovering van de verloren gebieden.

#Alarik #AnastasiusI #Attila #Avaren #Balkangebergte #Bulgaren #CatalaunischeVelden #Constantinopel #Goten #GroteVolksverhuizingen #Hunnen #Justinianus #Nesebar #Prokopios #SânnicolauMareSchat #Sirmium #slagBijAdrianopel #Tervingi #TheodosiusI #TheodosiusII #Thracië #Valens #ViaDiagonalis #Visigoten

Toerist in Valencia (1)

Iberisch beeldje van een ruiter (Prehistorisch Museum, Valencia)

De hogesnelheidslijn die onlangs zo negatief in het nieuws was, bracht ons in twee uur vanuit Madrid naar Valencia. Ik wist weinig meer over die stad dan dat de Cid er had gewoond, dat de Heilige Graal werd bewaard in de kathedraal, dat er een wetenschapsmuseum was en dat er een paar jaar geleden een beruchte moordzaak was. Ik moest opzoeken dat het ooit de hoofdstad was geweest van een Iberisch volk, de Edetaniërs.

De Iberiërs

Wie meer over hen wil weten, moet absoluut naar het Prehistorisch Museum, dat een weergaloos mooie en grote collectie heeft. Die begint met de eerste mensen en loopt dan door vele millennia en langs diverse soorten homo naar de Romeinse tijd. De informatie is actueel – ik zag de Denisova-mens netjes genoemd – en wordt gepresenteerd in twee talen, in het Spaans en in het Valenciaans. Het was een prachtig museum maar het was uitgestorven. We waren letterlijk de enige bezoekers.

De Iberische cultuur wordt er deels thematisch, deels aan de hand van opgravingen gepresenteerd. Er is dus uitleg van de metaalbewerking en van de handel, maar je ziet ook de vondsten van deze of gene site bij elkaar. Ik heb er echt van genoten, want dit is voor mij redelijk onbekend materiaal, dat ik eigenlijk alleen in het Nationaal Archeologisch Museum in Madrid heb gezien. Het museum in Valencia heeft veel meer.

Iberisch aardewerk uit Tosal de San Miquel (Prehistorisch Museum, Valencia)

Heel speciaal vond ik het aardewerk uit Tosal de San Miquel. Het gaat om grote kruiken die zijn beschilderd met jacht- of krijgersscènes. Er staan ook wel muzikanten op en bloemen en planten. Het oogt eenvoudig en straalt een zekere kracht uit. Ik kom er nog eens op terug. Het is echter wat moeilijk te geloven dat de cultuur die deze ietwat primitieve vazen maakte, ook de Dame van Elche voortbracht.

Almoina

De Romeinen herbouwden de Iberische nederzetting en herbouwden de stad nog eens na een stadsbrand. De resten van een badhuis, straten en een pakhuis zijn te zien in het Centro Arqueológico de l’Almoina, waarvan ik voor onze reis had gehoord dat het wat tegenviel. Maar ik moet zeggen: dat was niet zo. Het was zeker de moeite waard, al maakte het museum gebruik van gesproken uitleg. Het is lastig om een bordje met uitleg te lezen als er voortdurend iemand in je oor zit te tetteren – en dan heb ik het er nog niet over gehad dat het weinig gastvrij is voor mensen met hyperacusis.

In Almoina zijn ook de resten te zien van een Visigotische kapel, gewijd aan de heilige Sint-Vincentius, een martelaar die hier ten tijde van Diocletianus om het leven is gebracht. De kapel is gebouwd op een wat onhandige plek op het oude Romeinse forum, wat suggereert dat deze plek een speciale betekenis had. Misschien herinnerde men de plek waar hij was geëxecuteerd of begraven. Er waren graven in de buurt van de kapel en later kwam er een kerk. Een steenworp verderop is de plek die bekendstaat als Vincentius’ gevangenis, maar het is feitelijk een grafkapel voor de bisschoppen van de stad.

Visigotische kapel van Sint-Vincentius (Almoina)

Nog even iets over de Visigotische periode: toen het Rijk van Toledo in 711 door de Arabieren was onderworpen, behoorde Valencia tot de gebieden die in handen bleven van de laatste machthebber, de Theodomir over wie ik eerder schreef. Zijn paleis lag even ten westen van Valencia, bij Pla de Nadal. Enkele vondsten zijn te zien in het Prehistorisch Museum.

De zogenaamde Graal

De kathedraal van Valencia is minder mooi dan die van Toledo, maar trekt duizenden bezoekers omdat hier de kelk is te zien die Jezus zou hebben gebruikt bij het Laatste Avondmaal. Tijdens de kruisiging zou hierin zijn bloed zijn opgevangen. In de Middeleeuwen kende men verhalen over een mystiek voorwerp, de verder niet gedefinieerde Graal. Er lijken Arabische en Keltische modellen te zijn geweest voor de beroemde verhalen over dolende ridders die op zoek zijn naar dit voorwerp.

Deze Graal werd later gelijkgesteld aan de kelk van het Laatste Avondmaal. Ik benadruk dat dit een latere ontwikkeling is en dat er geen reden is om de Graalromans met Valencia in verband te brengen.

Kapel met de zogenaamde Graal (Kathedraal, Valencia)

Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er niet een hoop speculaties zijn, die wat doen denken aan het geneuzel over de Lijkwade van Turijn.noot Die toont een gekruisigde zoals men in de Middeleeuwen dacht dat een kruisiging in z’n werk ging en geen Romeinse kruisiging. Meer bewijs dat de Lijkwade middeleeuws is, is niet nodig, maar voor wie het nodig heeft: de koolstofdatering in de Middeleeuwen is waterdicht. De in Valencia geboden uitleg maakt gewag van archeologische studies, historische documenten, het gewicht van de Traditie (met hoofdletter), recente ontdekkingen inzake het ontwerp, vergelijkend onderzoek naar soortgelijke bekers en verwijzingen in de oude liturgie, en dit alles maakt het geheel plausibel dat dit de beker is van het Laatste Avondmaal. En trouwens, zo lees ik, er is geen bewijs tegen de authenticiteit.

Dit is vanzelfsprekend slechts laut tönendes Nichts. Er wordt van alles aangenomen, zoals dat Petrus het voorwerp had meegenomen na het Laatste Avondmaal en naar Rome had gebracht. (Dat hij daar is geweest, is geen heel oude traditie.) Vervolgens zouden de pausen de kelk hebben gebruikt. (De aanname is dat er zo vroeg al een successie van bisschoppen was.) Vervolgens belandde de beker in Spanje, werd hij tijdens de Arabische tijd verborgen en toevallig weer gevonden. Het moge duidelijk zijn dat een historicus bij zo’n claim begint te gnuiven van ergernis.

En dat doe ik dus ook. Aan het hoofd van de kerk van Valencia staat een aartsbisschop en zo’n kerel is niet dom. Zo iemand is naar de universiteit geweest, begrijpt wat een wetenschappelijk bewijs is en snapt dat een voorwerp ook een cultische  functie kan hebben als het onecht is. Er is geen noodzaak tot pseudowetenschappelijke claims – sterker nog, je maakt je kwetsbaar voor het verwijt dat je iets te verbergen hebt.

Muurschildering in de San Juan del Hospital

Tot slot

Dat moest ik even kwijt. Ik had in dit narcistische winterfeuilleton ook nog kunnen schrijven over de beeldschone kerk van San Juan del Hospital. En ik had kunnen vertellen dat ook in Valencia het standbeeld van Cervantes een man toont met twee armen, ook al had hij er maar één. Maar ik heb nu wel genoeg geschreven voor vandaag. Als ik er tijd voor heb is er morgen meer over Valencia.

#Edetaniërs #graal #LijkwadeVanTurijn #PlaDeNadal #RijkVanToledo #SintVincentius #Theodomir #TosalDeSanMiquel #Valencia #Visigoten

Toerist in Toledo

Aankomst in Toledo

Toledo, gelegen in het centrum van het Iberische Schiereiland, was in de Late Oudheid de hoofdstad van het Rijk van Toledo. Hier resideerden koningen die stamden uit een dynastie die ook wel Visigotisch wordt genoemd, wat nogal misleidend is omdat die naam een Germaans karakter suggereert dat deze vorsten totaal niet hadden. Ze waren in alle opzichten Romeins en de wetsoptekening van koning Recceswinth, het Liber Iudiciorum uit 654, is na het Byzantijnse Corpus Iuris de meest ambitieuze rechtscodificatie uit de Late Oudheid. Het Rijk van Toledo was simpelweg de post-Romeinse staat par excellence.

De stad bezit het bij mijn weten enige Visigotische museum ter wereld, en dat was één reden om er naartoe te gaan. Maar er was meer. De naam “Toledo” heeft een bijna magische klank, net zoals Venetië, Constantinopel, Damascus, Isfahan of Samarkand. In die plekken is ooit geschiedenis gemaakt en de echo’s klinken nog steeds door. Toledo als plaats van talloze laatantieke synodes, die vooruitwijzen naar de middeleeuwse standenvergaderingen. Toledo als centrale stad in de middelste grensmark van het Emiraat van Córdoba. De inname van Toledo in 1085 als keerpunt in de geschiedenis van het Iberische Schiereiland. Toledo als vertaalschool. Toledo als voornaamste bisdom in Spanje. En verder: Toledo als artistiek centrum, als plaats waar drie godsdiensten elkaar al dan niet harmonieus ontmoetten, en als locatie van beroemde romans (i.c., Het vijfde zegel van Simon Vestdijk).

Inscriptie van koning Reccared voor de Synodes van Toledo (Kathedraal van Toledo)

De stad stond al jaren op mijn verlanglijstje en ik kan alleen zeggen: Toledo overtrof alle verwachtingen. Ik zal dit narcistische winterfeuilleton niet voorzien van een uitputtende beschrijving van alles wat er is te zien, al was het maar omdat we er maar één dag konden zijn. Ik beperk me tot het Visigotisch Museum en twee moskeeën.

Visigotisch Museum

Eerst het Visigotisch Museum, dat voluit Museo de los Concilios y la Cultura Visigoda heet en is gebouwd in de dertiende-eeuwse kerk van San Román. Die is zelf ook een bezoek waard, want het is een prachtig voorbeeld van de mudejar-stijl, d.w.z. christelijke kunst met invloeden uit het Arabische zuiden. Geen romaanse rondbogen of gotische spitsbogen dus, zoals je in de dertiende eeuw misschien zou verwachten, maar hoefijzerbogen, en inscripties in Arabische letters.

Jezus geneest een blinde (El Salvador-kerk, Toledo)

De collectie op zich is niet heel groot en bestaat vooral uit architectuurfragmenten, al zijn er ook munten te zien en inscripties, replica’s van votiefkronen, gebruiksvoorwerpen en een afgietsel van een zesde-eeuwse pijler die is te zien in de kerk van El Salvador. Die is opmerkelijk, omdat die kerk teruggaat op de Grote Moskee van Toledo, waar de christelijke reliëfs op deze pijler blijkbaar nooit aanstoot hebben gegeven.

Het fijne zit vooral in het feit dát dit museum er is, want de zesde en zevende eeuw zijn een beetje een vergeten periode, terwijl het koningschap van Toledo een hoge symboolwaarde heeft gehad: de laatmiddeleeuwse christelijke koningen bewezen meer dan eens lippendienst aan een geïdealiseerd herstel van het door de Arabieren onderworpen koninkrijk, en die claim is blijven bestaan na de Late Middeleeuwen. In Madrid staan op de Plaza de Oriente tegenover het koninklijk paleis twintig achttiende-eeuwse standbeelden van heersers, die een verband suggereren tussen de bewoners van het paleis en de Visigotische koningen.

Votiefkroon (Visigotisch Museum)

Het museum in Toledo deelt deze visie op een continuïteit van het Rijk van Toledo via de christelijke rijkjes naar het moderne Spanje niet. Het toont het Rijk van Toledo als de laatantieke staat die het was, met laat-Romeinse trekken en vroeg-middeleeuwse trekken. Met een geestelijkheid en met een vorst. Er is weinig aandacht voor het leger: ook vooroordelen over het gewelddadige karakter van de zesde en zevende eeuw worden niet bevestigd. Ook worden geen pogingen gedaan de Visigotische heersers te presenteren als Germanen – de naam “Visigoten” is te ingeburgerd om nog te veranderen, maar is ook wat misleidend. In elk geval: het museum is de moeite van een bezoek meer dan waard.

Moskeeën

We bezochten ook twee voormalige moskeeën. Een daarvan is vernoemd naar een kerk die er later is ingericht en staat bekend als de Mezquita del Cristo de la Luz. Het is een beeldschoon monumentje, gebouwd in 999 na Chr., op een steenworp van een eveneens Arabische stadspoort, de Bab el-Mardum. De versieringen zijn gemaakt van baksteen, zodat deze moskee weliswaar heel sober is (want wat is nou eenvoudiger dan baksteen?) maar ook heel expressief gedecoreerd. Ik houd hiervan, zoals ik ook houd van de Amsterdamse School. Toen de moskee in gebruik was genomen als kerk, zijn fresco’s aangebracht die ook heel mooi zijn.

Mezquita del Cristo de la Luz

Even hoger op de heuvel ligt de Mezquita de Tornerías. Die is helemaal bijzonder. Je loopt vanaf de straat een huis binnen, en de vertrekken op de begane grond zijn al vrij monumentaal, met allerlei natuurstenen bogen. De functie is niet helemaal duidelijk. Daaronder ligt een cisterne. Deze twee niveaus waren in de Visigotische en Arabische tijd in gebruik. Er onder zijn wat resten uit de IJzertijd, en de moskee is gebouwd op de tweede verdieping. Het is prachtig ontsloten.

Deze moskee werd gebruikt door een gezelschap dat bekendstaat als de Broederschap van Yami’ al-Wadi’a, wat weleens wordt vertaald als “bewaring”. Een document uit de vroege vijftiende eeuw bewijst niet alleen dat er toen nog moslims in Toledo woonden, maar dat de leden van de Broederschap ook nog Arabisch spraken, huwelijken inzegenden volgens islamitisch recht, aalmoezen verzorgden, uitvaarten regelden en twee winkels verhuurden. De huuropbrengst werd gebruikt voor het onderhoud van de moskee.

El Greco, De begrafenis van de graaf van Orgaz

Tot slot

Ik kwam in Toledo ogen tekort. We betraden de stad over de Puente de Alcántara, we passeerden de Puerte del Sol, we bekeken de kathedraal (waar je eigenlijk een hele dag voor moet uittrekken), we bezochten het Sefardisch Museum ofwel de Sinagoga del Tránsito alsmede de even verderop gelegen Sinagoga de Santa María La Blanca. In de kerk van Santo Tomé hebben we verbluft gekeken naar El Greco’s schilderij van “De begrafenis van de graaf van Orgaz”, wiens graf daar trouwens ook werkelijk is.

Toledo heeft veel, veel meer te bieden, maar wij hadden slechts één dag. Geen bezoek dus aan het klooster van San Juan de los Reyes, aan het Alcazar of aan het El Greco-museum. We hadden er langer moeten blijven. Drie dagen minimaal. Maar we hebben de dingen gezien die we echt het meest wilden zien, en het is beter ergens te kort te zijn geweest dan er überhaupt niet te zijn geweest.

Morgen: Valencia.

#ElGreco #emiraatVanCórdoba #LiberIudiciorum #mudejarStijl #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #SimonVestdijk #SynodesVanToledo #Toledo #Visigoten

Theodomir

Zomaar mooi kapiteel uit het Rijk van Toledo (Archeologisch museum, Mérida)

Een tijdje geleden postte ik enkele blogjes over de Arabische verovering van het Iberische Schiereiland in 711 na Chr. Simpel samengevat stak generaal Tariq ibn Ziyad vanuit de Maghreb over naar Andalusië, waar hij Roderik versloeg, de koning van het Rijk van Toledo. Na dit eerste succes arriveerde een tweede Arabische strijdmacht, en vervolgens liepen de twee legers de regio volledig onder de voet. De verovering werd vereenvoudigd door verdragen te sluiten met lokale leiders, zoals een zekere Theodomir. Die erkende de Arabieren als gezaghebbers en kreeg in ruil erkenning als heerser van het zuidoosten van Spanje.

Voor mijn eerdere blogjes was Theodomir niet meer dan een voorbeeld van het soort verdragen dat de Arabieren sloten om hun gezag te vestigen. Er valt echter meer over deze man, die zo mooi de overgang van Late Oudheid naar Middeleeuwen markeert, te vertellen. Maar eerst iets over de context: wat de laatste generatie zou blijken te zijn van het Rijk van Toledo. En voor we dáár aan toekomen, moet ik nog wat verder terug, namelijk naar het midden van de zesde eeuw.

Dux Theodomir

De adel van het Rijk van Toledo, die we weleens aanduiden als de Visigoten, was op dat moment verdeeld en dat bood de Byzantijnen een kans om zuidelijk Spanje te veroveren. Het duurde niet lang tot de Visigoten aan een tegenoffensief begonnen: onder koning Leovigild (r.572-586) wisten ze de Byzantijnse posities te reduceren tot een smalle kuststrook. In de heroverde gebieden richtten ze nieuwe bestuurlijke eenheden in, die we misschien mogen aanduiden als marken ofwel grensgewesten. Aan het hoofd stond een dux. Een zo’n mark was Orospeda en strekte zich uit van het huidige Murcia tot Valencia. Een kleine halve eeuw later werd Cartagena daaraan toegevoegd.

Dit was het gebied waarover – weer een eeuw later – Theodomir als dux zou regeren. De in Andalusië geschreven Kroniek van 754 weet dat hij eens een vlootoverwinning heeft geboekt op de Byzantijnse zeestrijdkrachten, wat vermoedelijk betekent dat hij op een bepaald moment aan het hoofd heeft gestaan van de vloot van het Rijk van Toledo. Het is jammer dat we niet weten wat dit van operatie kan zijn geweest. Probeerden de Byzantijnen te profiteren van een hernieuwde verdeeldheid in het Rijk van Toledo?

Rebel

Het zou kunnen. In 692 was namelijk een zekere Suniefred in opstand gekomen tegen koning Egica. De rebel wist Toledo te nemen en kreeg daar de steun van Egica’s schoonmoeder en de aartsbisschop. Egica slaagde er echter in om, samen met zijn zoon Wittiza, de opstand te onderdrukken.

DYNASTIEREBELLENKoning EgicaSuniefredKroonprins
WittizaEgica’s
schoonmoederAartsbisschopTheodomir

De Handelingen van de Zestiende Synode van Toledo, die in het volgende jaar samenkwam om de rust te herstellen, noemt Theodomir als een van de rebellen. Hij werd officieel uitgesloten van alle kerkelijke sacramenten en moet al zijn wereldse functies en bezittingen hebben verloren.

Evengoed was Theodomir later in staat om als dux te onderhandelen met de Arabieren, wat betekent dat hij op een of andere manier een comeback moet hebben gemaakt. Dat is heel goed mogelijk, want koning Egica overleed ergens rond 703 en zijn zoon en opvolger Wittiza zal, zoals gebruikelijk, een amnestie hebben afgekondigd.

De Arabieren komen

Koning Wittiza overleed in 710 of 711 en werd opgevolgd door Roderik, die mogelijk verwant was met Theodomir. Het bewijs daarvoor is overigens niet zo heel sterk: Roderiks vader heette Theodefred, en was verwant met de verslagen rebellenleider Suniefred, in wiens kamp Theodomir zich dus had bevonden. Het bewijs voor de familiebanden bestaat dus uit naamovereenkomsten. Dat is niet het allersterkste bewijs, maar het is in deze periode ook niet verwaarloosbaar. In elk geval steunde dux Theodomir de nieuwe koning Roderik toen deze de strijd aanbond tegen de Arabieren.

Theodomirs monogram in Pla de Nadal (Prehistorisch Museum, Valencia)

Roderik sneuvelde en het was onduidelijk wat er daarna gebeurde – afgezien van het verdrag dat Theodomir in 713 sloot met de veroveraars. Daarin zegde hij een schatting toe en werd hij erkend als heerser over de mark waarover hij al heerste. Het is echter mogelijk dat Theodomir in 711, na de dood van Roderik, heeft geprobeerd zelf koning te worden, want hij bouwde een fenomenale villa, Pla de Nadal, die heel wel bedoeld kan zijn geweest als koninklijk paleis. Dat hij de bouwheer is, staat dankzij inscripties vast; dat het een koninklijke residentie was, is iets minder zeker, maar diverse architectonische aspecten kennen we alleen uit Byzantijnse en Toledaanse paleizen. De villa is echter nooit voltooid.

Arabische vazal

Het staat vast dat Theodomir, voordat hij zich onderwierp, heeft gestreden tegen de Arabieren, maar de gevechten verloor. Er is een mooi verhaal dat hij, toen de meeste van zijn mannen waren gesneuveld, de vrouwen in zijn stad een harnas aantrok, zodat de Arabieren dachten dat er nog een sterk garnizoen was, en Theodomir goede voorwaarden gunden. Toen de Arabieren ontdekten dat ze voor de gek waren gehouden, besloten ze zich toch aan de afspraak te houden. Misschien is dit verhaal bedacht om te verklaren waarom Theodomir een gunstig verdrag had weten te krijgen; het gaat in elk geval om een verhaalmotief dat we ook van elders kennen. Maar het kan natuurlijk ook gewoon echt zijn gebeurd.

Het vervolg is duidelijker. Na de onderwerping van het Rijk van Toledo reisden de twee Arabische generaals naar Damascus, waar kalief Walid I hen ontving. Theodomir was in hun gezelschap en verkreeg een bevestiging van zijn gezag. De Kroniek van 754 vermeldt dat hij in 744 overleed. En we mogen ons afvragen wat hij was: een opportunist, iemand die redde wat er te redden viel, of iets van allebei.

#Egica #KroniekVanHetJaar754 #Leovigild #PlaDeNadal #RijkVanToledo #Roderik #TariqIbnZiyad #Theodomir #Valencia #Visigoten #WalidI #Wittiza

De Vandalen in Andalusië

Munt van Vespasianus, voorzien van het getal 83; het gaat om oude munt die in Vandaals Andalusië is omgerekend naar een laatantieke muntstelsel (Bode-Museum, Berlijn)

Al een paar keer heb ik geschreven dat de Vandalen, komend vanuit Centraal-Europa, zich begin vijfde eeuw vestigden in Andalusië en in 429 na Chr. daarvandaan overstaken naar de Maghreb. Daar namen ze in 431 de havenstad Hippo Regius in om acht jaar later ook Karthago te veroveren en een eigen koninkrijk te stichten. Over het Vandaalse verblijf in Andalusië heb ik nooit echt geschreven, maar er zijn interessante dingen over te vertellen.

Eén vraag is bijvoorbeeld hoeveel mensen er nou eigenlijk naar Andalusië kwamen. Niet heel veel in elk geval. De Spaanse oudhistoricus Javier Arce houdt het op zo’n 50.000 mannen, vrouwen, kinderen, lijfeigenen, slaven en andere onvrije arbeiders. Op het Iberische Schiereiland woonden op dat moment zo’n zes miljoen mensen, dus het is niet vreemd dat de Vandaalse aanwezigheid geen sporen heeft achtergelaten.

Waarom Andalusië?

Een interessantere vraag is waarom de Vandalen (en de Alanen en de Sueben die eveneens dwars door Gallië trokken) überhaupt zo ver reisden. Het gangbare antwoord, gegeven door de tijdgenoot Olympiodoros,noot Olympiodoros, Fragment 15.2. is dat ze op zoek waren naar land, wat in elk geval betekent dat ze niet de allesvernielende woestelingen waren uit het negentiende-eeuwse beeld van “grote volksverhuizingen” die een einde maakten aan de antieke beschaving.

Arce biedt een preciezere verklaring, die wat voorkennis veronderstelt. In 407 kwam in Britannia een Romeinse generaal genaamd Constantinus in opstand. Hij stak over naar het Continent en oefende reëel gezag uit in Gallië, dat op dat moment in chaos verkeerde doordat de Alanen, Sueben en Vandalen in 406 over de Rijn waren gekomen. Constantinus’ rechterhand was een zekere Gerontius, die namens zijn keizer oprukte naar Iberië en vervolgens in opstand kwam. Een zoon van Constantinus rukte nu tegen Gerontius op, die daarop de Alanen, Sueben en Vandalen in dienst nam en naar Iberië liet komen.noot Zosimos, Nieuwe geschiedenis 6.5.2.

In 411 maakte Constantius, een generaal in dienst van de officiële keizer Honorius, een einde aan de opstanden van Constantinus en Gerontius. Maar in de tussentijd waren dus drie groepen naar Iberië gekomen, die daar land toegewezen hadden gekregen. De kleinste groep, de Alanen, kreeg de provincies Lusitanië en Carthaginensis; de grootste groep, de Sueben, ontvingen de kleine provincie Galicië, die ze deelde met de zogeheten Asdingse Vandalen; en tot slot kregen de Silingische Vandalen de regio Baetica ofwel Andalusië. De belangrijkste Iberische provincie, Tarraconensis, en de strategisch belangrijke Balearen kregen geen nieuwe bewoners.

Visigoten versus Vandalen

Keizer Honorius was het ondertussen oneens met deze verdeling en maakte in 417 gebruik van een ander leger om in Iberië op orde op zaken te stellen. Dat was het leger dat we gewoonlijk “de Visigoten” noemen. Vanuit Gallië oprukkend naar Andalusië zouden ze de Silingische Vandalen zo’n beetje hebben uitgeroeid. Een tweede leger pakte de Asdingse Vandalen aan, die Galicië verlieten en zich vestigden bij de overlevende Silingen. Een derde expeditie vond plaats in 422 maar dit keer wisten de Vandalen de keizerlijke troepen te weerstaan.

Sterker nog, ze gingen zelf in het offensief: ze plunderden de Balearen en even later ook de havenstad Carthago Nova (Cartagena). De grote vragen zijn nu waar ze de schepen vandaan haalden, wie hen had leren varen en welke havenstad ze bezaten. Ik weet het antwoord niet. Wat weer wel bekend is, is dat de Vandalen vervolgens ook Mauretania Tingitana plunderden: het gebied aan de andere kant van de Straat van Gibraltar. De eerste stap naar de Maghreb was gezet.

Straat van Gibraltar

Naar de Maghreb

In mei 429 was het zo ver. Onder leiding van koning Geiserik laadden de Vandalen, een groot aantal Alanen en ook nog wat Visigoten hun spullen in schepen en staken over naar Afrika. Met familie en al. Het zal niet in één keer zijn gebeurd, maar ook als men enkele keren heen en weer voer, moeten bij deze operatie honderden schepen betrokken zijn geweest.

En opnieuw is er de vraag: waarom? Andalusië is net zo vruchtbaar als de Maghreb. Misschien is de verklaring wel dat de Maghreb beter te verdedigen viel. In Iberië waren de Vandalen kwetsbaar gebleken voor Romeinse en Visigotische aanvallen. Zouden ze eenmaal in Afrika zijn, dan waren ze minder bereikbaar. Een andere verklaring is dat ze, opnieuw, vertrokken op verzoek van een Romeinse generaal, Bonifatius. Deze war lord zou zo een reservoir van manschappen hebben.

We weten het weer eens niet. Het blijft oudheidkunde.

#Alanen #Andalusië #Balearen #BonifatiusWarLord_ #ConstantinusIII #ConstantiusIII #Geiserik #Gerontius #GroteVolksverhuizingen #Honorius #JavierArce #MauretaniaTingitana #Olympiodoros #StraatVanGibraltar #Sueben #Vandalen #Visigoten #Zosimos

De gesel Gods (6)

Een Frankische krijger: de Heer van Morken (Johnny Shumate)

[Voorlaatste deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en behandelde het begin van de veldslag op de Catalaunische Velden.]

De anekdote over de stroom bloed waarmee het vorige stukje eindigde oogt onwaarschijnlijk, maar zwaardwonden zijn over het algemeen vrij groot en antieke veldslagen lijken buitengewoon bloedig te zijn geweest. Als er ook nog paarden zijn doodgebloed, is er geen enkele reden om te twijfelen aan Jordanes’ macabere beschrijving.

Het landschap is licht glooiend en toen de Visigotische en Romeinse ruiters hun tegenstanders achternazetten, raakten ze het contact met de Hunnen kwijt, bijvoorbeeld door aan de andere zijde langs een heuvel te rijden. Bij het vallen van de avond bleken ze het kamp van de Hunnen te zijn gepasseerd. Thorismund, de zoon van de gesneuvelde Visigotische koning Theodorik, reed in de nacht argeloos het kampement van zijn vijanden binnen en werd maar met moeite door zijn volgelingen bevrijd. Het woord is opnieuw aan Jordanes (in de vertaling van Hein van Dolen).

Bij het aanbreken van de volgende dag zagen de Romeinen dat de velden met lijken waren bezaaid en dat de Hunnen niet durfden uit te breken. Daarom beschouwden zij zich als overwinnaars, ofschoon ze beseften dat Attila pas na een definitieve nederlaag de strijd zou staken. Ondanks de genadeslag had hij de moed niet opgegeven, maar hij liet de wapens kletteren en op de krijgstrompetten blazen om te dreigen met een aanval. Hij gedroeg zich als een leeuw die door jachtspiesen is doorboord en vóór de ingang van zijn hol op en neer loopt. Toespringen durft hij niet, maar tegelijk schrikt hij de omstanders onophoudelijk af met zijn gebrul.

Zo joeg de in het nauw gedreven, van strijdlust bezeten vorst zijn overwinnaars angst aan. Met het oog hierop verzamelden de Visigoten en de Romeinen zich om te overleggen wat ze met de verslagen Attila aan moesten. Ze besloten hem door een belegering af te matten omdat hij niet over een voedselvoorraad beschikte, terwijl hij vanwege de regen aan pijlen die door de boogschutters de palissaden van zijn kamp in werden afgeschoten, onmogelijk kon aanvallen. Er wordt verteld dat de koning ondanks de wanhopige situatie tot op het laatst moedig standhield en een brandstapel van paardenzadels had laten oprichten om zich in de vlammen te werpen als de vijanden op hem zouden losstormen. Want hij gunde niemand het genoegen hem te verwonden, en als heerser over zoveel volken wilde hij niet in de handen vallen van zijn tegenstanders.

Thorismund wilde de dood van zijn vader wreken en het kamp van de Hunnen bestormen, maar Aetius hield hem tegen. Nu de vijand was verslagen, moest de generaal diplomaat zijn en denken aan de toekomst. Zou Thorismund zijn zin krijgen, dan zou deze een te grote reputatie verwerven en misschien het Romeinse oppergezag niet meer erkennen. Ook de Hunnen konden nog eens nuttig zijn. Dus suggereerde Aetius zijn bondgenoot dat hij naar Aquitanië moest terugkeren voordat zijn broers zich meester hadden gemaakt van de troon.

Toen ook de Franken waren teruggekeerd, kon de Romein onderhandelen met de leider der Hunnen, die zoveel gezag had verloren hij moeite zou hebben zijn federatie bijeen te houden. Rome kon hem daarbij helpen en als Attila dat aanbod eenmaal had aangenomen, zou hij verstrikt raken in het netwerk der Romeinse diplomatie en geleidelijk worden ingekapseld: een beproefde methode om van vijanden bondgenoten te maken. De latere Byzantijnse diplomatie zou in deze sporen treden.

[Wordt morgen afgerond]

#Aetius #Attila #CatalaunischeVelden #Franken #Frankrijk #Gallië #Hunnen #Jordanes #Visigoten #warLord

De gesel Gods (5)

Catalaunische Velden, waar Aetius het opnam tegen Attila

[Vijfde deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en ik was gekomen tot Attila’s inval van Gallië in 451 na Chr. Hij had niet al zijn doelen kunnen bereiken en zocht een plaats om slag te leveren tegen een coalitie van de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten, geleid door generaal Aetius.]

Attila meende dat hij een goed slagveld had gevonden op de eindeloze grasvlakte tussen het huidige Troyes en Châlons-en-Champagne: de Catalaunische Velden. Alles draaide om het bezetten van een heuvelrug. Als de soldaten van de Romeinse coalitie die als eersten bezetten, zouden hun bogen een draagwijdte krijgen waarmee ze gelijk kwamen aan de Hunnen; omgekeerd, als Attila’s krijgers de heuvelrug bezetten, dan restte de tegenstanders niets anders dan de aftocht. Jordanes, die in de zesde eeuw een Geschiedenis van de Goten schreef, doet verslag van de veldslag die hier op 20 juni 451 plaatsvond. De fragmenten zijn vertaald door Hein van Dolen.

Theodorik bezette met de Visigoten de rechtervleugel en Aetius met de Romeinen de linker. Ze lieten Sanguibanus in het midden plaatsnemen (hij was de aanvoerder van de Alanen). Dat gebeurde uit strategische voorzorg om de man in wiens moed zij weinig fiducie hadden door een massa getrouwen te omringen. Immers, wie nauwelijks kans krijgt te vluchten, strijdt noodgedwongen mee.

Kroon uit het graf van een Hunnenleider (Nationaal Museum van Hongarije, Boedapest)

Dit waren niet alle troepen uit de coalitie. Het is bekend dat helemaal links Franken en Bourgondiërs stonden.

Aan de andere kant waren de gelederen van de Hunnen zo geplaatst dat Attila en zijn dapperste krijgers zich in het midden bevonden. Met deze opstelling had de koning zijn eigen veiligheid voor ogen omdat de positie te midden van het volk hem beschermde tegen het dreigende gevaar. De talrijke volken en allerlei stammen die hij aan zich had onderworpen, bezetten de vleugels. Onder hen blonk het leger van de Ostrogoten uit, dat onder bevel stond van de broers Valamir, Theodemir en Videmer […]. De wijdvermaarde koning van de Gepiden, Ardarik, was met een ontelbare schare ook van de partij. Vanwege zijn voorbeeldige toewijding aan Attila werd hij gekend in diens plannen. Want Attila had met zijn vooruitziende blik een afweging gemaakt en hij was op hem en Valamir, de koning van de Ostrogoten, meer gesteld geraakt dan op de andere leiders. Valamir kon namelijk geheimen voor zich houden, had een fluwelen tong en was heel gewiekst, terwijl Ardarik, zoals gezegd, zijn goede naam dankte aan zijn trouw en beleid. Op hen kon Attila met een gerust hart rekenen wanneer ze tegen hun stamgenoten, de Visigoten, zouden strijden. Alle andere koningen – als we hen zo mogen betitelen – en de hoofden van verschillende stammen bedienden Attila slaafs op zijn wenken. Zodra hij maar met de ogen had geknipperd, stond iedereen hem zonder morren en met angst en beven terzijde. Zonder mankeren werd elk van zijn bevelen uitgevoerd.

Toen de strijd losbarstte, slaagden de soldaten van de Romeinse coalitie er als eersten in de heuvelrug te bezetten. De naderende Hunnen werden teruggeslagen en in hun vlucht verstoorden ze ook de afdelingen van hun bondgenoten. Attila herstelde echter de orde.

Ondanks de penibele situatie nam de aanwezigheid van de koning alle twijfel weg en gingen ze een gevecht aan van man tegen man. De strijd was verschrikkelijk, verwarrend, wreed en langdurig. In de geschiedenis heeft nooit iets vergelijkbaars plaatsgevonden. Zulke krijgsverrichtingen zou een held die dit spektakel had moeten missen, zijn hele leven lang niet meer kunnen meemaken. Want als we de generaties vóór ons mogen geloven, trad de beek, die met een lage bedding door de bovengenoemde vlakte stroomde, vanwege het bloed uit de wonden van de slachtoffers buiten haar oevers. Ze was niet als gewoonlijk door de regenval gezwollen, maar het wassen had een abnormale oorzaak als gevolg van de groeiende hoeveelheid bloed waardoor een woeste rivier ontstond. De gewonden waren daar gedwongen hun brandende dorst te lessen met het vervuilde water; in hun ellende dronken zij het bloed dat volgens hen uit hun eigen kwetsuren was gevloeid.

Hier werd koning Theodorik, die heen en weer reed om zijn leger aan te vuren, van zijn paard geworpen en vertrapt onder de voeten van zijn eigen mannen. Zo vond de hoogbejaarde man zijn levenseinde. […]

Op dat moment verwijderden de Visigoten zich van de Alanen om de troep Hunnen aan te vallen. Bijna hadden ze Attila omgebracht, maar die was bijtijds weggevlucht en had zich met zijn gevolg teruggetrokken binnen de omheining van zijn kamp, dat hij met karren had verschanst. De omwalling was kwetsbaar, maar toch probeerden zij daarachter hun leven te redden.

[Wordt later vandaag vervolgd]

#Aetius #Alanen #Attila #CatalaunischeVelden #ChâlonsEnChampagne #Frankrijk #Gallië #Gepiden #Hunnen #Jordanes #Visigoten #warLord

Het Rijk van Toledo (4)

Zomaar mooie decoratie (Archeologisch museum, Mérida)

[Laatste van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

Nu ik in de vorige stukjes een schets heb gegeven van het zesde-eeuwse Rijk van Toledo, zou een vergelijking met de het Frankische rijk van de Merovingen zinvol zijn. Op het Iberische Schiereiland bleven de Romeinse bestuursstructuren grotendeels voortbestaan, terwijl er in Gallië andere vormen ontstonden, die ik niet ken in voldoende detail. Dat maakt het lastig verklaringen te noemen.

Ik wijs er wél op dat in de Frankische gebieden een bestuurlijke tegenstelling ontstond tussen stad en platteland, die zich in de Volle Middeleeuwen zou vertalen in stadsrechten die de poorters wel bezaten en de ommelanders niet. In het Rijk van Toledo bleven de aloude gemeentes bestaan, zonder juridische tegenstellingen tussen stad en land.

De zuidelijke handelsroute

Hoezeer op het Iberische Schiereiland delen van de economische structuur van het late Romeinse Rijk nog overeind stonden, wil ik aantonen met een laatste voorbeeld: de zuidelijke scheepvaartroute tussen Africa (het huidige Tunesië) en het Iberische Schiereiland bleef niet alleen bestaan, maar bloeide – afgaande op scheepswrakken en zo meer – vanaf de late vijfde eeuw zelfs op. Er waren schippers die grotere afstanden aflegden, want uit Alexandrië is een college van Σπανοδρόμοι, “Spanjevaarders”, bekend.

Een aardige illustratie is dat de bewoners van Andalusië in 711 de Arabische invasievloot aan zagen komen, maar geen alarm sloegen omdat ze meenden dat het een handelsvloot was. noot Ibn Abd al-Hakam, De verovering van Egypte, de Maghreb en Andalusië 19. Een andere aanwijzing is dat er altijd vluchtelingen uit Africa aanwezig waren in het Rijk van Toledo: soms op de vlucht voor de Vandaalse overheersers, later op de vlucht voor de Byzantijnse veroveraars, weer later op de vlucht voor de Arabieren. Bisschop en encyclopedist Isidorus van Sevilla is van hen de bekendste.

Een kunstgreep

Het was in de Spaanse geschiedschrijving in de twintigste eeuw lange tijd gebruikelijk te zeggen dat na de doop van koning Reccared de Visigoten en de Hispano-Romeinse bevolking fuseerden tot één geheel, en dat dit proces zijn definitieve vorm zou hebben gekregen hebben in het door Recceswinth ingevoerde Liber Iudiciorum. Dát er geen onderscheid was tussen de bevolkingsgroepen, is aannemelijk; het blijkt ook uit de laatste en meest ambitieuze Iberische rechtsoptekening, het Forum Iudicium uit de jaren 690, een uitbreiding van Recceswinths wetboek.

Maar het is eigenlijk niet nodig die fusie van twee elites te benadrukken, aangezien de nieuwkomers weliswaar vele generaties geleden Visigotische voorouders hadden gehad, maar allang geromaniseerd waren. Van begin af aan waren er weinig verschillen tussen de twee groepen.

Dat de Spaanse historici kozen voor deze kunstgreep, is deels doordat men in Spanje graag een continuïteit zag vanaf de christelijke vierde eeuw via Asturië naar het machtige Castilië en Aragon van de Late Middeleeuwen. Om dat beeld te scheppen, mocht deze niet worden verstoord door een Germaans intermezzo, en dus was het nodig een moment aan te wijzen waarop de Visigoten romaniseerden. Aangezien inmiddels toch wel algemeen bekend is – of zou moeten zijn – dat niet de “barbaren” met hun “grote volksverhuizingen” verantwoordelijk zijn voor de transformatie van de laatantieke samenleving, is deze interpretatie van het Liber Iudiciorum niet langer nodig.

Grafschrift van bisschop Lampadius van Córdoba (Archeologisch museum, Córdoba)

Een andere historische discussie gaat over de mate waarin het Rijk van Toledo, met één rechtstelsel en regelmatige Synodes, een eenheidstaat was. Het staat vast dat het méér een eenheid was dan het Merovingische Rijk, maar het benadrukken van de eenheid van Iberië past ook verdacht goed bij het negentiende-eeuwse nationalisme, dat ook in Frankrijk en Duitsland de nadruk op eenheid legde, en dat in Spanje tot in de dagen van Franco werd verlengd.

Ik ben niet bevoegd hierover een oordeel te geven. Liever ga ik verder naar de Arabische verovering – en daarover blog ik volgende week.

#bisschop #ForumIudicium #Franken #IbnAbdAlHakam #IsidorusVanSevilla #Leovigild #LiberIudiciorum #Merovingen #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #scheepvaart #Spanje #Visigoten

Het Rijk van Toledo (3)

Mal om tegels te maken (Archeologisch museum, Córdoba)

[Derde van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

Zoals in de vorige blogjes aangegeven, werden de nieuwe heersers op het Iberische Schiereiland, van wie men zei dat ze afstamden van Germaanse migranten, opgenomen in een laat-Romeinse samenleving. Ze waren al heel lang geromaniseerd, terwijl de Hispano-Romeinse bevolking zeker niet germaniseerde. Ik herhaal dit punt, omdat het misverstand blijft terugkeren dat het Romeinse Rijk na de “grote volksverhuizingen” werd afgelost door de koninkrijken van Germaanse immigranten, zodat zesde-eeuws Iberië een on-Romeins, Visigotisch karakter zou hebben gehad.

Veranderingen

Niet dat de Iberische samenleving rond 600 identiek was aan die rond 400. Processen die in de Laat-Romeinse wereld waren ingezet, zoals denivellering en de trek van de steden naar het platteland, gingen gewoon verder. Ook was een deel van het land opnieuw verdeeld: na 507 had de Hispano-Romeinse elite landerijen moeten afstaan aan de noordelijke nieuwkomers. De oude elite bleef echter belangrijk. Zoals ik al vertelde, betekende hospitalitas (als dit een werkelijk bestaand systeem is geweest) dat 2/3 van de beste landgoederen naar de nieuwkomers gingen, wat betekent dat de traditionele grootgrondbezitters nog altijd 1/3 bezaten plus alle mindere landgoederen.

De landgoederen waren belangrijk. Steeds meer mensen verlieten de steden om in een afhankelijke positie – als een soort horige bijvoorbeeld – te gaan wonen bij een grote villa. In de steden waren minder belastingbetalers, waardoor de aloude monumenten steeds minder goed werden onderhouden of een andere bestemming kregen. Nieuwbouw lijkt zich grotendeels beperkt te hebben tot kerken.

Steeds meer steden kregen zo het karakter van een kleine versterkte nederzetting op een heuveltop rond een kerk; het verschil met een grote, versterkte paleis-villa op het platteland vervaagde steeds verder, want een competente grootgrondbezitter woonde destijds ook op een heuvelnoot Zo kon men de productie verspreiden over twee hellingen en het risico op een misoogst verkleinen. en bouwde een kerk voor zijn boeren.

De noordelijke stadspoort en het afgebroken aquaduct van Barcelona

Barcelona

Een goed gedocumenteerde nederzetting is Barcelona, dat in de Late Oudheid tot bloei kwam. In het laatste kwart van de derde eeuw had het zijn stadsmuren herbouwd, maar de stad was kleiner dan je zou verwachten: net iets meer dan tien hectare. Al in de vierde eeuw begon de bevolking te krimpen, zodat de zuidelijke helft van het ommuurde gedeelte in gebruik werd genomen voor tuinbouw. Enkele bronnetjes binnen de muren waren voldoende om de bevolking van water te voorzien, zodat het aquaduct kon worden opgegeven. Het schaakbord-stratenpatroon begon in dezelfde tijd zijn onverbiddelijkheid te verliezen, want bij de bouw van de huidige kathedraal bouwde men dwars over een antieke hoofdstraat heen.

In deze vorm bleef Barcelona vrijwel onveranderd bestaan tot 1050. Een aanwijzing daarvoor is dat de graaf van de stad na een half millennium nog woonde in een stadsvilla uit de zesde eeuw. Toen de stad in de Volle Middeleeuwen weer begon te groeien, ging dat eerst over de tuinen; later ontstonden er muurhuizen; pas veel later werden de muren uitgelegd.

Zulke steden bleven de officiële bestuurlijke centra, maar vanaf de regering van Leovigild (r.569-586) wees de koning (meest kerkelijke) functionarissen aan om de taken van de oude gemeenteraad (de curia) over te nemen. Dit was een noodmaatregel, want weinig mensen wilden hun landhuizen verlaten om in een stad bestuurswerk te doen. In Barcelona kwam het bestuur toe aan de bewoners van een klooster bij de basiliek.

[wordt vervolgd]

#Barcelona #belastingen #horigheid #hospitalitas #Leovigild #RijkVanToledo #tuinbouw #villa #Visigoten

Het Rijk van Toledo (2)

Halssnoer uit de zesde of zevende eeuw (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

[Tweede van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

In 586 besteeg Leovigilds zoon Reccared de troon en omdat zijn vader had gefaald in het apaiseren van de aanhangers van het Credo van Chalkedon, besloot de nieuwe koning zich maar bij hen aan te sluiten. Daarmee aanvaardde het Rijk van Toledo het christendom zoals het ook in het Byzantijnse Rijk bestond.

De kerk profiteerde ervan. Opgravingen (zoals deze recente) documenteren dat de kerkgebouwen bepaald geen nederige stulpjes waren. Tegelijk werd de kerk nu meer dan ooit een bestuursinstrument. Tot 704 vonden in Toledo achttien synodes plaats, die zijn te beschouwen als zowel kerkelijke als bestuurlijke landdagen. De vergaderingen hadden vérgaande wetgevende taken en de hier vastgestelde wetten lijken ook merendeels te zijn uitgevoerd. Ze beschrijven dus meestal reële situaties.

Tiende-eeuwse afbeelding van een Synode van Toledo

Checks and balances

Zo werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het bezit van de koning als privépersoon en als vertegenwoordiger van de overheid. Deze laatste categorie, de kroondomeinen dus, was extreem belangrijk. De koning van Toledo beheerde niet alleen de domeinen die de Romeinse keizer Theodosius I al had bezeten, maar confisqueerde ook nog het een en ander, zodat de pachtopbrengsten een forse bijdrage vormden aan de staatsschatkist. Tegelijk had de vorst minder mogelijkheden om belasting op te leggen dan de keizer had gehad. Grootgrondbezitters ontsprongen sowieso de dans. Om het anders te zeggen: de grote omvang van de domeinen maakte dat de belastingen in het Rijk van Toledo lager konden zijn dan in de Romeinse wereld. Of om het nog anders te zeggen: doordat de rijken niet belast konden worden, moest de koning grote domeinen aanhouden.

Belangrijk is verder dat de koningen van Toledo weliswaar golden als bron van recht, maar niet boven de wet stonden. Net als bij het onderscheid tussen kroondomeinen en ’s konings privébezit, kun je zeggen dat de Synodes de macht van de koning inperkten. Je zou de relatie tussen Synodes en vorst misschien, met een anachronisme, kunnen aanduiden als checks and balances.

Kruis uit de zesde of zevende eeuw (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

Antisemitisme

Ik schreef dat de meeste wetten ook werden uitgevoerd. Het voornaamste terrein waarop dat niet het geval was, was de bestrijding van judaïserende christenen. Er waren op het Iberische Schiereiland veel joden; dat onlangs van een vierde-eeuwse kerk in Jaén werd vastgesteld dat het feitelijk een synagoge was, suggereert dat de joodse aanwezigheid nog wordt onderschat. Christenen hadden dagelijks contact met de joden, die daardoor aanzienlijke invloed hadden op hun stads- en dorpsgenoten. Een voorbeeld is het vasthouden de joodse paasdatum, een praktijk die is gedocumenteerd in diverse herderlijke brieven. Het cruciale punt is nu niet dat allerlei christenen niet zuiver waren in wat de geestelijkheid beschouwde als de enige juiste leer, maar dat de gelovigen zich konden beroepen op passages uit de Wet van Mozes. Ze bezaten dus boeken en deze mensen waren dus geen dagloners of slaven die niet beter wisten, maar rijke mensen. Dat maakte judaïsering een voor de kerk belangrijke kwestie.

De Synodes van Toledo kondigden allerlei anti-joodse decreten af. De eerste aanzet was via het Breviarum Alaricianum geïmporteerd uit de Byzantijnse Codex Theodosianus, maar met het oog op de rijkseenheid bekrachtigden de Synodes deze maatregelen steeds opnieuw. De herhaling bewijst echter dat de maatregelen niet werden uitgevoerd. De decreten worden na 650 steeds feller en scherper, de straffen op ontduiking werden steeds inhumaner (o.a. scalperen als straf voor besnijden), en waar de wetgevende Synode zich ooit alleen maar had geërgerd aan de joodse religie, werden de decreten uiteindelijk ronduit racistisch.

Laatantiek grafschrift van iemand die aan het hoofd stond van twee synagogen (Archeologisch museum, Mérida)

In 654 vaardigde koning Recceswinth (r.649-672) het Liber Iudiciorum uit, dat was gebaseerd op de Codex Justinianus en, net als deze, verdeeld in twaalf boeken. Het laatste was geheel gewijd aan de bestrijding van jodendom, en er werd uiteindelijk bepaald dat alle joden een afschrift op zak dienden te hebben – wat overigens een aanwijzing is voor de graad van geletterdheid. Uiteindelijk werden door de Zeventiende Synode van Toledo (694) alle joden tot staatsslaaf verklaard. Opmerkelijk is overigens dat een elders gangbare anti-joodse wet, namelijk het verbod land te bezitten, in het Rijk van Toledo nooit is uitgevaardigd.

[wordt vervolgd]

#antisemitisme #arianisme #belastingen #BreviariumAlaricianum #CodexJustinianus #ConcilieVanChalkedon #Jaén #Latijn #LiberIudiciorum #paasdatum #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #SynodesVanToledo #Visigoten