Het Senaatsgebouw in Rome (2)

De vloer van het Senaatsgebouw

Ten tijde van de Republiek werden in het Senaatsgebouw zaken gedaan, maar in de Keizertijd was dat afgelopen. Toch waren de zittingen belangrijk. Als de Senaat niet met reces was (bijvoorbeeld tijdens de wijnoogst), kon de keizer hier aan de rijkste Romeinen meedelen wat hij had besloten. Door hen als eersten op de hoogte te brengen, liet hij zijn waardering blijken. Zo werd steeds opnieuw de loyaliteit bewerkstelligd van het college dat nog altijd legitimiteit verleende.

Verder fungeerde de Senaat als rechtbank voor gouverneurs die van wanbeheer waren beschuldigd. Hoewel de meeste gouverneurs zelf senator waren, kwamen veroordelingen wel degelijk voor, zodat een rechtszaak vaak spannend was. Al in de eerste fase, waarin de precieze aanklacht werd geformuleerd, kon het er heet aan toegaan. Senator Plinius de Jongere beschrijft hoe een advocaat optrad in een afpersingszaak:

Daar hij een geroutineerd meester is in het wekken van tranen, zette hij alle zeilen van zijn retoriek bij en hij blies ze bol met een heuse storm van medelijden. Heftige discussies, heftige kreten van weerskanten: hier riepen ze dat de rechtspraak van de Senaat wettelijk was beperkt, daar dat die vrij en ongelimiteerd was en dat alles wat de verdachte had misdreven, moest worden berecht.noot Plinius de Jongere, Brief 2.11.3-4; vert. Ton Peters.

Andere bijeenkomsten waren minder rumoerig, om niet te zeggen saai. Het feit dat er zitruimte was voor de helft der senatoren zegt genoeg over de presentiecijfers. Veel tijd werd besteed aan het luisteren naar redevoeringen waarin met veel woorden weinig werd gezegd. Gelukkig werd de tijd van de spreker beperkt door een waterklok. Illustratief is de toespraak waarmee Plinius de Jongere keizer Trajanus bedankte voor het consulaat dat hij in het jaar 100 mocht bekleden: gedurende enkele uren uitte hij alleen obligate complimenten, die hij gelukkig boeiend wist te formuleren. Over een andere redevoering zei hij met de hem kenmerkende bescheidenheid:

De rede is wel lang, toch ben ik niet pessimistisch dat hij de charme van een heel korte kan evenaren. Want door de rijke materie, de ingenieuze indeling, de vele korte anekdotes en de afwisseling in stijl heeft hij iets verrassends.noot Plinius de Jongere, Brief 6.33.7-8; vert. Ton Peters.

Toch kon ook een getraind spreker zijn gehoor vervelen. Enkele maanden voordat hij de lofrede op Trajanus uitsprak, klaagde Plinius een oud-gouverneur aan, en werd onderbroken door de keizer, die hem tactvol vroeg het kort te houden:

Ik sprak ongeveer vijf uur, want aan de twaalf extra lange waterklokken die ik had gekregen, zijn er nog vier toegevoegd. … De keizer van zijn kant toonde tegenover mij zoveel aandacht en zo’n grote zorg (ongerustheid zou te veel gezegd zijn) dat hij mijn vrijgelatene, die achter me stond, verschillende malen waarschuwde dat ik om mijn stem en mijn longen moest denken.noot Plinius de Jongere, Brief 2.11.15; vert. Ton Peters.]

Mannelijkheid

Wie in het openbaar het woord nam, betoonde zich een echte man: niet zozeer omdat hij moest beschikken over een sonore basstem, maar vooral doordat hij toonde zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de gemeenschap. Bovendien had elke aanwezige een lange redenaarsopleiding achter de rug, zodat de spreker niet alleen werd beoordeeld op de inhoud van zijn toespraak maar ook op zijn beheersing van de kunst der welsprekendheid. Wie het woord nam, liep risico. In een cultuur waarin gezichtsverlies het ergste was wat iemand kon overkomen, moest een redenaar over minstens evenveel moed beschikken als een soldaat.

Senatoren (Vaticaanse Musea, Rome)

Onnodig te zeggen dat waar mannen toonden wie ze waren, haantjesgedrag aan de orde van de dag was. Iedereen wilde gelden als de beste spreker. Het geschiedwerk van Cassius Dio bevat een treffend voorbeeld:

Keizer Caligula vond altijd dat hij de beste redenaar van zijn tijd was, maar omdat hij wist dat [de door hem aangeklaagde senator] Gnaeus Domitius Afer een zeer gerenommeerd spreker was, deed hij zijn best hem op dat punt te verslaan. Hij zou Afer zeker ter dood hebben laten brengen als die ook maar enigszins geprobeerd had het tegen hem op te nemen in welsprekendheid. Maar Afer sprak hem juist níét tegen en verdedigde zich ook helemaal niet: hij deed alsof hij volkomen overdonderd was door Caligula’s indrukwekkende speech. Hij herhaalde de aanklacht punt voor punt en had er alle lof voor, alsof hij niet meer dan een toehoorder was en niet de verdachte. En toen hij formeel het woord kreeg, nam hij zijn toevlucht tot smeekbeden en klaagzangen. Tenslotte liet hij zich op de grond vallen, bleef daar als een smekeling liggen en beweerde dat hij banger was voor Caligula als redenaar dan als keizer. Toen Caligula hem zo zag en aanhoorde, verdween zijn boosheid als sneeuw voor de zon, want hij was ervan overtuigd dat zijn ingenieuze redevoering Afer had verpletterd.noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 59.19.3-5; vert. Gé de Vries.

Verschillende auteurs meenden dat in de keizertijd de retorica in verval was geraakt omdat de Senaat geen politiek meer bedreef. Dat was overdreven. Er was nog alle gelegenheid voor gerechtsredevoeringen en feestredes. Maar toch, de politieke welsprekendheid was, samen met het debat in de Senaat, verstomd.

[Wordt vervolgd]

#Caligula #CassiusDio #Curia #ForumRomanum #GnaeusDomitiusAfer #Octavianus #PliniusDeJongere #Rome #RomeinsKeizerschap #Senaat #Trajanus #waterklok #welsprekendheid

Het Romeinse hooggerechtshof: de Basilica Julia

De Basilica Julia

Een blogje over Rome, waarom ook niet, ik schrijf er tenslotte nooit over. We gaan naar het Forum Romanum, naar de Basilica Julia: in de keizertijd de plaats waar het hooggerechtshof samenkwam. Eerder stond hier het huis van Publius Cornelius Scipio, de generaal die de Tweede Punische Oorlog had beëindigd door Iberië te veroveren en daarna bij Zama de Karthaagse generaal Hannibal te verslaan. Scipio’s dochter Cornelia was in 175 getrouwd met Tiberius Sempronius Gracchus, de voornaamste senator (princeps) uit het tweede kwart van de tweede eeuw v.Chr., rijk geworden met de pacificatie van wat wij Castilië zouden noemen. Hun kinderen waren de revolutionaire volkstribunen Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. Volgens de geschiedschrijver Titus Livius kocht Sempronius Senior, toen hij in 169 censor was, het huis van zijn schoonvader:

Tiberius Sempronius Gracchus kocht van het hem van staatswege toegewezen fonds het huis op van Publius Cornelius Scipio Africanus. Dat stond achter de Oude Winkelgalerij, vlakbij het beeld van Vortumnus, bij de  slagerijen en de winkels. Sempronius liet daar de basilica bouwen die later Sempronia werd genoemd. noot Livius, Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad 44.16.10-11.

Archeologen hebben onder de Basilica Julia inderdaad de resten gevonden van de basiliek van Sempronius en een ouder republikeins huis, dat dan wel dat zal zijn geweest van de man die de Karthagers versloeg.

Basilica Julia

In 54 v.Chr. begon Julius Caesar met de constructie van een nieuw gerechtshof. Ongetwijfeld heeft hij een verband willen leggen met het feit dat zijn legers inmiddels in Brittannië de randen van de aarde hadden bereikt: genadiglijk liet de veldheer de stedelijke bevolking delen in de buit.

Om ruimte te scheppen verlegden zijn ingenieurs enkele aangrenzende straten en ging de Oude Winkelgalerij tegen de vlakte, zodat op het naar alle zijden vergrote terrein een vijfschepige basiliek kon worden opgericht. Het was een van de grootste gebouwen in de stad en ook al nam de dictator het gebouw acht jaar later in gebruik, er moest nog aan worden gewerkt tot 29 v.Chr., toen keizer Augustus de basiliek opnieuw inwijdde. Hij verrichtte ook de derde inwijding, nadat het bouwwerk in 12 n.Chr. door brand was verwoest en gerestaureerd.

Een boog in het midden van de façade vormde de hoofdingang. Momenteel is deze te herkennen aan een pijler van wit marmer. Keizer Septimius Severus liet aan weerszijden standbeelden plaatsen, vervaardigd door de Griekse beeldhouwers Polykleitos en Timarchos (hun namen zijn nog te lezen op de sokkels). Laatstgenoemde is weinig meer dan een naam, over Polykleitos weten we des te meer: hij was actief tussen 450 en 410 v.Chr. en geldt als een van de belangrijkste beeldhouwers uit de Oudheid.

De zijschepen van de Basilica Julia bestonden uit twee rijen bogen, en daarboven was een balkon. Keizerbiograaf Suetonius schrijft daarover:

In zijn verkwistingen overtrof Caligula alles wat men vóór hem had weten te bedenken. […] Hij ging zelfs zover dat hij dagen achtereen een enorm bedrag aan geldstukken van het dak van de Basilica Julia wierp. noot Suetonius, Caligula 37.1; vert. Daan den Hengst.

Vanaf het dakterras kon men door ramen kijken in het middenschip, dat boven de zijschepen uitstak, en dan zag men onderin de rechtszaal een vloer die was ingelegd met Numidisch geel en Frygisch paarsgeaderd marmer, afgewisseld met Lucullisch zwart-rood marmer. De huidige witte vloer is aangelegd door restaurateurs.

Rechtspraak

In deze bonte hal beoordeelde het Hof van Honderd (dat overigens 180 leden had) zaken op het terrein van het eigendoms- en erfrecht. Het ging vaak om geschillen waarbij rijke mensen betrokken waren. Immers, alleen voor hen stond werkelijk iets op het spel en bovendien konden alleen zij de proceskosten opbrengen. Voor minvermogenden gold de constatering van de dichter Martialis:

Als advocaat en rechter
hun centen komen halen,
dan is dat meestal slechter
dan zelf je schuld betalen.noot Martialis, Epigram 2.13; vert. Frans van Dooren.

Wie procedeert om een koe legt er een op toe, zouden wij zeggen. Verantwoordelijk voor de rechtspraak was de praetor, die een oordeel gaf over de ontvankelijkheid van een zaak en vervolgens een juryvoorzitter aanwees. Dat was iemand van een jaar of negentien die behoorde tot de decemviri stlitibus iudicandis, een rechtscollege dat zich bezighield met het vaststellen van iemands burgerlijke staat. Het lidmaatschap daarvan was een normale eerste stap voor een rijke jongeman die carrière wilde maken.

Met kamerschermen werd de centrale hal van de Basilica Julia in compartimenten verdeeld, zodat de vier kamers van de rechtbank gelijktijdig konden werken. Alleen voor buitengewoon belangrijke zaken waren alle juryleden aanwezig. Plinius de Jongere geeft in een van zijn brieven een beschrijving. Hij behartigde als advocaat de belangen van een dame die was onterfd, tien dagen nadat haar vader met een jong meisje was hertrouwd:

Er zaten 180 rechters, want zoveel staan er op de lijst voor de vier kamers, een schare advocaten voor beide partijen en tallozen op de bankjes, bovendien een dichte haag omstanders rondom de enorme breedte van het tribunaal, in ontelbare rijen. Dan stond ook de tribune nog volgepakt en zelfs op de bovengalerijen van de basilica leunden aan de ene kant de vrouwen, aan de andere de mannen over de balustrade, gespitst om iets te horen, wat moeilijk was, of, wat makkelijk was, iets te zien. Groot was de spanning bij alle vaders, groot bij alle dochters, groot ook bij alle stiefmoeders.noot Plinius de Jongere, Brief 6.33.3; vert. Ton Peters.

Nu ik dit blogje voorbereid, schiet me te binnen dat ik de uitslag van de zaak niet ken.

De advocaten kregen tijdens een rechtszaak spreektijd toegewezen in de vorm van eenheden op de waterklok. Meestal kregen ze er vier of vijf, maar Martialis kent een advocaat die daaraan niet genoeg heeft:

De rechter gaf je wat je luid verzocht:
wel zevenmaten van de waterklok.
Je toespraak blijkt een eindeloos gewrocht.
Soms stop je om te drinken uit je mok.
Ik bid je, les je dorst met ander vocht
en neem een slok van ’t water uit de klok!noot Martialis, Epigram 6.35.

Tijdens langdradige redevoeringen deden de mensen op de publieke tribune blijkbaar spelletjes, want er zijn verschillende spellen in het plaveisel gekrast: een molenspel en een dambord bijvoorbeeld. Op de trap aan de Forumzijde zijn de bakjes te zien van een backgammonachtig spel dat tegenwoordig in grote delen van Afrika nog wordt gespeeld en daar onder meer als oware bekendstaat.

#Augustus #BasilicaJulia #Caligula #ForumRomanum #GaiusSemproniusGracchus #JuliusCaesar #Martialis #oware #PliniusDeJongere #PolykleitosVanSikyon #praetor #Rome #RomeinsRecht #SeptimiusSeverus #Suetonius #TiberiusSemproniusGracchus #TitusLivius #waterklok

Irak kort (14): Ibn Firnas

Ibn Fernas, Bagdad

Het reisbureau in Bagdad waar we onze tickets naar Istanbul en Amsterdam omboekten, was vernoemd naar Abbas ibn Firnas. Het standbeeld van de Arabische geleerde, die leefde in de negende eeuw, ziet u hierboven. Het staat langs de weg naar het vliegveld. Ibn Fernas moet een van de grootste uitvinders van zijn tijd zijn geweest. Niet alleen vond hij een methode om kleurloos glas te maken, hij sleep ook vergrootglazen en bedacht een manier om bergkristal te bewerken. Hij bouwde een waterklok en hield zich bezig met astronomie.

De eerste vliegenier

Hij is echter beroemd geworden als de eerste mens die het luchtruim zou hebben gekozen. De Arabische auteur Ahmad al-Maqqari schrijft:

In Firnas bekleedde zich met veren, maakte een vleugelpaar aan zijn lichaam vast en wierp zich vanaf een verhoging in de lucht. Volgens verscheidene betrouwbare bronnen, die ooggetuigen zijn geweest, vloog hij zelfs een aanzienlijke afstand, alsof hij een vogel was. Toen hij echter landde bij zijn vertrekpunt, bezeerde hij zijn rug, omdat hij onvoldoende had begrepen dat vogels op hun staart neerkomen en was vergeten zich daarmee uit te rusten.

Welke betrouwbare ooggetuigen Al-Maqqari citeert, is niet bekend, maar er is een gedichtje van Ibn Firnas’ tijdgenoot Mu’min ibn Said die de gebeurtenis eveneens vermeldt. Wat er concreet is gebeurd, is niet bekend. Met vogelvleugels klapwieken is fysiek niet mogelijk. Dat Ibn Firnas een soort zweefvliegtuig heeft gebouwd, is speculatie en valt uit de bronnen niet op te maken. Er is echter wel iets voorgevallen: de gebeurtenis is voldoende gedocumenteerd. Eén van de twee bronnen is immers contemporain en op de uiteindelijke valpartij is het criterium van de gêne is van toepassing.

Een pan-Arabische held

Mij gaat het om iets anders. We kunnen flauwe grappen maken dat het nogal omineus is een reisbureau te vernoemen naar iemand die neerstortte en dat het raar is een beeld van een brokkenpiloot te plaatsen bij een vliegveld. (Hoewel het niet vreemder is dan reisbureaus die Odysseus of Xenofon heten.) Maar er is ook een serieuzere observatie mogelijk: ’s mans populariteit in Bagdad. Ibn Firnas woonde namelijk in het Emiraat van Córdoba. Hij was geen Irakees. Het standbeeld is in feite een uiting van panarabisme: de hele Arabische natie is één en elke Arabier mag elders geleverde grootse prestaties beschouwen als die van zijn volksgenoten.

Het standbeeld had evengoed ook buiten de Arabische wereld kunnen staan. Zoals nieuwsgierigheid een eigenschap is van alle mensen, zo is kennis werelderfgoed. Ze is niet het eigendom van Andalusië, niet van Irak, niet van de Arabische wereld, niet van West-Europa. Kennis is van iedereen.

#AhmadAlMaqqari #Andalusië #Bagdad #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #IbnFirnas #Irak #panarabisme #waterklok