Stedelijke rechten

Agrippa, de stichter van Nijmegen (Altes Museum, Berlijn)

Ik had er eigenlijk niet over willen bloggen, maar het onderwerp dook in vier dagen drie keer op: wat is de oudste stad van Nederland? Die vraag leeft nogal in Maastricht (dat ooit toeristen lokte met de slagzin “Maastricht staat op zijn Romeinse verleden”), in Nijmegen (dat elk decennium een ander stichtingsjaar heeft en in Tongeren (waar alle bewijs bestaat uit een inscriptie die niemand ooit heeft gezien).

De eeuwige negentiende eeuw

Als ik het goed zie, is het in feite een negentiende-eeuws discussie. Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, is er te weinig informatie over de oude wereld en spelen de vooronderstellingen van de oudheidkundige een belangrijke rol bij de interpretatie van de schaarse data. Dat is de aard van het vak, maar als je niet oppast neem je de vooronderstellingen van je voorgangers over. En dat lijkt hier te zijn gebeurd: in de negentiende eeuw ging men ervan uit dat er zoiets was geweest als Romeins stadsrecht, zoals dat in de Middeleeuwen ook had bestaan.

Ten dele is dat waar. De Romeinen verleenden weleens aan een gemeente de rang van colonia, wat wilde zeggen dat zo’n stad een miniatuur-Rome werd. Alle burgers kregen het Romeinse burgerrecht en de stad kreeg een Capitool-tempel om de voornaamste Romeinse goden gepast te vereren. In steden als Keulen en Xanten is aan de burgers dus een rechtenpakket toegekend. Dat lijkt inderdaad wat op de middeleeuwse stedelijke privileges.

Municipia en naamsveranderingen

Er zijn echter nog twee verschijnselen. Om te beginnen gaan in de loop van de Keizertijd steeds meer gemeentes zichzelf aanduiden als municipium. Daarnaast is er een gewoonte dat steden de naam van de vorst aannemen: Nijmegen gaat zich aanduiden als Ulpia Noviomagus (naar keizer Marcus Ulpius Trajanus) en Voorburg wordt Forum Hadriani (naar keizer Hadrianus).

Deze gegevens zijn (voor zover ik kan nagaan: in de jaren twintig van de vorige eeuw) samengebracht in een soort theorie-van-alles. Volgens die theorie zou het Romeinse staatsbestel drie rangen van gemeentes hebben gekend.

  • Er waren civitates, wat zowel “stad” als “stam” kan betekenen; de Griekse stadstaten (poleis) hadden vergelijkbare rechten;
  • civitates en poleis konden de municipium-status verwerven, wat inhield dat de burgers een lager soort burgerrecht kregen (het Latijnse burgerrecht);
  • en tot slot konden ze colonia worden.

Daarnaast konden gemeentes gelden als bondgenoot of worden vrijgesteld van belastingen, zodat er een enorme verscheidenheid was aan rechtenpakketten. Verdeel en heers.

De problemen

Tot zover de reconstructie. Er waren complicaties. Er was bijvoorbeeld de vraag of een naamaanpassing – zoals Nijmegen dat zich Ulpia Noviomagus ging noemen – eigenlijk wel duidde op een statusverandering. Het twintigste-eeuwse Nijmegen heeft die vraag met ja beantwoord. De stad kreeg dus een Trajanusplein met een beeld van keizer Trajanus, omdat men ervan uitging dat de naamsverandering duidde op de verlening van stadsrechten. Maar dat is dus allerminst zeker.

Een tweede complicatie is dat er slechts één verlening van een municipiumstatus expliciet is gedocumenteerd. Dat betreft Praeneste en speelt ten tijde van keizer Tiberius. Zoals we zo meteen zullen zien, bewijst die het tegengestelde van wat men denkt.

Wanneer oudheidkundigen zeggen dat een stad een municipium werd, is dat dus niet gebaseerd op een akte of zo. Hoewel we tienduizenden inscripties kennen, is er niet één document waaruit blijkt dat deze of gene bestuurder municipale rechten verleent aan deze of gene gemeente. We hebben te maken met circumstantial evidence:

  • Enerzijds inscripties waaruit blijkt dat de stad zich municipium is gaan noemen.
  • Anderzijds inscripties die erop duiden dat een stad de naam van een keizer heeft aangenomen (zoals in Nijmegen).

In beide gevallen is de aanname dat de juridische status veranderde precies dat: een aanname. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een naamsverandering méér is geweest dan de gebruikelijke Romeinse hielenlikkerij. Uit Sabora in Andalusië hebben we de correspondentie over: de gemeente vraagt om zich naar keizer Vespasianus te mogen noemen, deze staat dit toe en herinnert eraan dat financiële overeenkomsten niet nietig worden nu de tenaamstelling niet langer klopt.

Nog een kanttekening: blijkens de inscripties uit de Maghreb gaan municipia zich daar na verloop van tijd res publica noemen. Je zou, als de theorie-van-alles klopt, verwachten dat ook dit een statusverandering inhoudt, maar ik ben niet op de hoogte van iemand die zoiets heeft geclaimd. Ik heb echter niet alle relevante literatuur kunnen lezen.

Nog een probleem: wat is een municipium eigenlijk?

Er is nog een beslissend bezwaar: we hebben de definitie van een municipium gewoon over. Het is een stad die voorvaderlijke rechten heeft. Dat is natuurlijk het enige wat de Romeinse overheid niet kan verlenen. Kijken we naar Praeneste, dan zien we dat de aan die stad verleende municipium-status geen promotie is van civitas naar municipium, maar het terugdraaien van een colonia-status. De stedelingen hadden het Romeinse burgerrecht gekregen maar vonden hun oude rechten aangenamer, waarop keizer Tiberius besloot dat als de goede mensen van Praeneste het geschenk liever niet hadden, hij het hun niet zou opdringen.

Ik sla de standaardisering van de gemeentewetten, de status van bondgenoot en de belastingvrijstellingen (civitas libera) even over. Ook heb ik het niet over de laatste reddingsboei van de fans van het municipium-idee, het bestaan van “virtuele municipia”: typisch een hulphypothese die niet zou zijn verzonnen als het niet was om een weerlegd idee te handhaven. En dat dus in strijd met het Scheermes van Ockham. Waar het om gaat is dat het hele idee van een municipium-status een fata morgana is.

Samenvattend

Vier conclusies zijn relevant.

  • Het aannemen van een keizerlijke naam betekent niets.
  • Het is denkbaar dat het Latijnse jargon veranderde en dat de term civitas, die riekte naar een stamsamenleving, in de loop van de tweede eeuw werd ingeruild voor municipium en (nog later) (hier en daar) in res publica. Vergelijk het met het Nederlandse woord “departement”, dat steeds meer plaatsmaakt voor “ministerie”.
  • De status van colonia is wél een reëel gegeven.
  • Postuleer geen complexe juridische structuren zolang Romeinse stroopsmeerderij alles verklaart.
  • Kortom: zolang er geen bewijs is dat Nijmegen, Tongeren of Voorburg de rang van colonia hebben gekregen, lijkt er geen aanleiding te zijn om aan te nemen dat hun status is veranderd.

    Wat waren Nijmegen, Tongeren en Voorburg dan wel?

    Nijmegen, Voorburg of Tongeren waren echter – en dit is belangrijk – wél de voornaamste nederzettingen binnen de gemeente. Hier kwam de gouverneur op bezoek om recht te spreken. Rijke mensen bouwden hier hun stadsvilla’s. Hier stonden de voornaamste tempels. Kooplieden kwamen naar deze nederzettingen omdat ze hun waren konden slijten. Als het bewijsmateriaal uit Italië mag worden geëxtrapoleerd naar de Lage Landen, was er een cyclus van markten, elke weekdag ergens anders. (Marktrechten, ook wel verondersteld als argument om Nijmegen van stadsrechten te voorzien, waren voor zover ik weet niets bijzonders.)

    Trajanus moet Agrippa zijn

    Tot slot: het stichtingsjaar van Nijmegen. De militaire basis bij Nijmegen lijkt in 19 v.Chr. te zijn ontstaan. Op dat moment moet er een civitas van de Bataven zijn geweest. Nijmegen had in 1982 zijn 2000-jarig bestaan kunnen vieren. De gouverneur die in 19 v.Chr. verantwoordelijk was voor het Rijnland en aan wie Nijmegen zijn bestaan heeft te danken, was Agrippa. Het standbeeld voor Trajanus eert iemand die voor Nijmegen niet bijzonder veel heeft gedaan.

    Kunnen we in het volgende decennium dan wéér een ander stichtingsjaar verzinnen voor Nijmegen? Dat denk ik niet. De datering van de militaire basis, gebaseerd op munten, is redelijk hard, terwijl onze kennis van het Romeins bestuursrecht in de loop van de twintigste eeuw is gegroeid. Maar misschien is ergens een specialist in Romeins bestuursrecht die kan uitleggen waarom al het bovenstaande onzin is.

    Literatuur

    Fergus Millar, The Roman Emperor (1977)

    PS

    Tongeren beweert al een halve eeuw of zo dat er een inscriptie is die de stad vermeldt als municipium. Dat bewijst, zoals gezegd, niets, maar belangrijker: zelfs de mevrouw die de officiële publicatie deed, heeft de inscriptie niet gezien. Wél is bekend dat de steen is gevonden op het terrein van een medewerker van het Gallo-Romaans Museum die beeldhouwen had als hobby, en die de vondst nooit heeft aangemeld bij de archeologische autoriteiten. De harde conclusie is dat hij de archeologische regelgeving, waar hij als museummedewerker van op de hoogte was, heeft overtreden. De vriendelijke conclusie is dat het gaat om een uit de hand gelopen grap.

    #civitasLibera #colonia #FergusMillar #gemeentewet #Maastricht #municipium #Nijmegen #Praeneste #RomeinsRecht #RomeinseStadsrechten #ScheermesVanOckham #stadsrechten #Tongeren #UlpiaNoviomagus #Voorburg

    Faits divers (41)

    Muzikanten uit ZIncirli (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

    Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers: ook dit keer een verzameling van berichtjes die mijn aandacht trokken. Niet per se het belangrijkste nieuws, niet per se belangrijk, niet per se nieuws.

    Muziek!

    Het eerste artikel begrijp ik eerlijk gezegd niet tot in detail, maar wat ik wel denk te begrijpen is dat muziek in Bronstijd-Ugarit en India vergelijkbaar klonk. Een en ander valt af te leiden uit het in Ugarit gevonden lied “De bruiloft van Nikkel en Yarich” en de Indische Rig-Veda.

    Assyrië

    In de IJzertijd lagen er in wat nu Israël/Palestina heet diverse grote steden, zoals Samaria, Jeruzalem en ook Lachis. De inname van de laatste stad werd in de Assyrische propaganda groots gevierd. Een interessante studie suggereert dat die laatste stad lange tijd een voorname handelspartner was van Damascus, de stadstaat die het hardnekkigst weerstand bood tegen de Assyriërs. Dat zou kunnen betekenen dat de Assyrische aanval op Lachis niet zozeer was gericht tegen het koninkrijkje Juda, als wel een soort opruimoperatie was na de val van Damascus.

    Keltisch Europa

    Een van de belangrijkste Keltische opgravingen is die bij Manching. De grote ronde stad bevindt zich op het terrein van de Audi-fabriek en een vliegveld. Het onderzoek loopt al jaren en levert nog altijd leuke vondsten op, die overigens geen grote sociaalwetenschappelijke vragen beantwoorden. Eerlijk is eerlijk: nieuwswaardig is het niet. Persoonlijk lees ik het graag, omdat het mijn vak nou eenmaal is en ik data wil kennen, maar het behoeft niet in de krant.

    Zelftrivialisering

    Daarmee komen we op het pijnlijke punt: archeologen willen vooral dát er over ze wordt gesproken en zijn minder geïnteresseerd in de juistheid van het gebodene of de feitelijke informatiebehoefte. Neem een recent ontdekt laatantiek grafveld in Nijmegen. Een leuke vondst, zeker, maar oef, hoe het in het nieuws komt… Hier is de slotzin:

    De archeologen onderzoeken de overige schatten de komende tijd met röntgenapparatuur.

    Er is een wereld gewonnen als journalisten zouden ophouden alle data “schatten” te noemen en als onderzoekers geen publiciteit zouden zoeken voordat het onderzoek was afgerond. Onvoldragen nieuwsberichten als dit zijn schadelijk, omdat ze de echte inzichten onzichtbaar maken: u zoekt iets, u vindt trivia, en het echte nieuws ligt bedolven onder de onvoldragenheden. Dit verschijnsel staat bekend als junk news en beperkt zich niet tot Nederland, zoals blijkt uit voorbeelden uit Egypte, Italië, Syrië of Ierland. Geen van deze berichtjes bevat zelfs maar een begin van nieuws.

    Tongeren

    Wil het voorgaande nou zeggen dat je als archeoloog helemaal geen trivia naar buiten mag brengen? Natuurlijk mag dat wel. Mits het berichtje verder leidt naar verdieping. Dat kan methodische uitleg zijn, of werkelijke informatie over de antieke wereld. Dat is goed gedaan in Tongeren, waar men Romeinse schrijftabletjes heeft gevonden. Nu het onderzoek is afgerond en gepubliceerd, kan men naar buiten treden met allerlei informatieve stukken. Een voorbeeld is hier en er is nog meer daar.

    De Pest

    Wetenschappers vermoedden al heel lang dat de grote epidemie rond het midden van de zesde eeuw na Chr. geen ander was dan de Pest (Yersinia pestis). Inmiddels lijkt het bewijs dat het inderdaad zo was, definitief te zijn geleverd.

    De grote wereld

    DNA-onderzoek, zo lezen we, bewijst de aanwezigheid van mensen uit West-Afrika in post-Romeins Afrika. Dit soort berichten lezen we nu alweer tien jaar, dus de vraag is: voor wie is dit nieuws? Geen wetenschapsjournalist zal zwaartekrachtgolven (ook tien jaar oud) nog typeren als iets nieuws, maar als het over de Oudheid gaat, laten wetenschapsjournalisten de innovatie onbesproken.

    Ik wil geen brompot zijn

    En zo rond ik deze mopperige faits divers af. Ik wil niet steeds de brompot uithangen, en daarom ga ik niet uitgebreid in op de open deuren die hier worden ingetrapt. Het is echter triest dat het vakgebied dat me lief is, keer op keer in het nieuws komt met gebeuzel & geneuzel. Terwijl er écht interessante dingen gebeuren, waar het publiek in geïnteresseerd is. Journalisten denken echter dat het te moeilijk is en wetenschappers laten het daarom ook maar onbesproken.

    Het gevolg van alle rondgepompte trivialiteiten is dat de oudheidkunde lijkt op een orkest dat de mooiste muziek maakt naast een heimachine. En dat is een probleem, want onderzoek dat verborgen blijft, is verspilling van talent, energie en tijd. De inzichten moeten bereikbaar zijn, zeker in een vakgebied met een grote groep enthousiaste liefhebbers. En het kan beter. Zoals ik al schreef: we winnen een wereld als onderzoekers pas publiciteit zoeken als het onderzoek is afgerond en als journalisten clichés gaan vermijden. Zo moeilijk is het allemaal niet.

    #Lachis #Manching #migratie #muziek #Nijmegen #Pest #Tongeren #Ugarit #wetenschapsjournalistiek #zelftrivialisering

    This Saturday we’re rocking Tongeren @Pumpkes! The finest riffs and the best beer in town… We heard, if Ambiorix were still around, you can bet he’d march straight to our gig.

    https://fb.me/e/34TYbFFJo

    #teacheroffools #indierock #gig #concert #livemusic #leuven #tongeren #alternativerock

    Het Gallo-#Romeins Museum in #Tongeren-Borgloon organiseert dit najaar voor het eerst een cursus ‘#archeologie voor beginners’. De cursus bestaat uit 4 lessen en richt zich op iedereen vanaf 16 jaar met interesse in het werk van een #archeoloog.
    https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/07/23/archeologiecursus-gallo-romeins-museum-tongeren-borgloon/
    Zelf altijd al archeoloog willen zijn? Gallo-Romeins Museum in Tongeren-Borgloon komt met cursus voor beginners | VRT NWS: nieuws

    Het Gallo-Romeins Museum in Tongeren-Borgloon organiseert dit najaar voor het eerst een cursus "archeologie voor beginners". De cursus is voor iedereen die altijd al wilde weten wat archeologie echt inhoudt en wordt gegeven door dr. Sam Cleymans. Hij is wetenschappelijk medewerker bij het museum en docent met ervaring in het veldwerk. Op het einde van de lessenreeks mogen de cursisten zelf aan de slag met opgravingsmateriaal.

    VRT NWS

    De gouden helm van Coțofenești

    De gouden helm van Coțofenești

    Eigenlijk wilde ik al een hele tijd een blogje schrijven over de gouden helm van Coțofenești, die onlangs is gestolen van de Dacië-expositie in het Drents Museum in Assen, samen met enkele armbanden waarover ik al eens blogde. Het kwam echter almaar niet van dat blogje. Maar overmorgen is hier een gastblogger die naar de diefstal zal verwijzen, dus nu kan ik het niet langer uitstellen. Zomaar wat vragen die bij mij opkwamen.

    Vragen

    Om te beginnen: waar komt het ding nou vandaan, hoe oud is het en is het wel afkomstig uit Dacië? De laatste weken lezen we dat de helm komt uit Coțofenești, maar toen die in 2019/2020 stond opgesteld in de Dacië-expositie in Tongeren, was hij nog afkomstig uit Vărbilău. En terwijl we nu lezen dat het voorwerp stamt uit het midden van de vijfde eeuw v.Chr., dateerde het in Tongeren nog uit 425 tot 375 v.Chr.

    De vraag naar de herkomst is simpel te beantwoorden. Coțofenești maakt deel uit van de gemeente Vărbilău, zo’n negentig kilometer benoorden Boekarest. De vraag naar de ouderdom is lastiger. Er is namelijk nauwelijks archeologische context. De helm is door een kind gevonden – in 1926? in 1927? in 1929? – en archeoloog Ioan Andrieșescu heeft op diens aanwijzingen de vindplaats geïdentificeerd, maar vond er alleen aardewerkfragmenten van tegen het einde van de Hallstatt-periode. Als het nou een koningsgraf was geweest, dan lagen er bijvoorbeeld munten of geïmporteerd Grieks aardewerk. Dat zou dateerbaar zijn geweest.

    Waarmee we komen bij de vraag of de helm wel Dacisch is. De Assense tentoonstelling heet Dacia. Rijk van goud en zilver, maar dat is een tikje misleidend. De regio was vanouds bewoond door de Thracische groep die we aanduiden als Geten. Daar kwamen vanaf de zesde eeuw v.Chr. Skythen bij en in de vierde eeuw v.Chr. Kelten. De Hallstatt-cultuur kun je opvatten als voor- of vroeg-Keltisch. Dus we hebben een gouden helm uit een cultureel pluriforme regio met voor-Keltische of vroeg-Keltische invloeden. Scherper krijgen we het niet; vandaar de wat wisselende datering. Vandaar de vraag of het wel Dacisch is, want de Daciërs verschijnen pas later op het toneel.

    In de vroege tweede eeuw v.Chr. voltrok zich in Centraal-Roemenië een proces van staatsvorming. De Keltische elite verdwijnt en een nieuwe elite ontstaat. Nu duikt ook het woord “Daciërs” op, voor zover ik weet voor het eerst bij Pompeius Trogus, die de Daciërs presenteert als afstammelingen van de Geten.noot Pompeius Trogus, Geschiedenis 32.4. De vraag of je de gouden helm van Coțofenești als Dacisch mag aanduiden, is dus gerechtvaardigd. Het voorwerp behoort bij een eerdere cultuurfase.noot Het museum in Assen gebruikt in de online-uitleg en op het expositiebordje het woord Dacisch dan ook niet.

    Wat is het?

    De hamvraag is natuurlijk wat het is. Welke Hallstatter heeft z’n gouden helm laten liggen? Of beter: helm van electrum, want het is geen zuiver goud, maar een alliage van goud en zilver.

    De afbeeldingen passen in de “animal style”, de gedeelde kunst van zo’n beetje alle antieke volken tussen de Hongaarse poesta en Manchurije. Van de Skythen tot de Avaren hebben edelsmeden roofdieren en dergelijke afgebeeld.

    Sfinxen en gevleugelde griffioenen

    Dat blijkt het duidelijkst op het achterhoofd van de gouden helm, waar we onderaan drie gevleugelde, paardachtige wezens zien, waarvan er twee een dierenpoot in de bek hebben. Daarboven zitten vier aapachtige, gevleugelde wezens. De onderste drie heten gewoonlijk griffioenen en de apen heten vier sfinxen, maar ik ben er niet zo zeker van of we met die namen de wezens niet te veel beschrijven met een Grieks vocabulaire en daardoor het eigene miskennen.

    Het slachten van een ram

    Op de wangen zijn twee mannen afgebeeld die op het punt staan met een dolk een ram te doden. Men vergelijkt ze wel met de stierendodersscènes (tauroktonieën) uit de mysteriën van Mithras, maar (a) een stier is geen ram, (b) er zit een half millennium tussen deze soorten afbeeldingen, en (c) wie een ram slacht, doet het sowieso in deze houding. Dat heb ik althans in Iran zo gezien. Kortom, mithraïsche parallellen lijken me vergezocht.

    De gouden helm van Coțofenești

    Op het voorhoofd van de helm zijn twee ogen afgebeeld. Zoiets geldt in de hele antieke Oudheid als kwaadafwerend: denk aan het oog op de boeg van een Fenicisch of Grieks schip, denk aan de turquoise amuletten van de Assyriërs, denk aan de blauwe kralen die je tegenwoordig in Griekenland en het Midden-Oosten ziet. Het kan natuurlijk ook zijn dat de drager van de helm wilde aangeven dat hij dubbel zo goed zag.

    Boven de ogen zitten mooie noppen. De punt van de helm is verloren, zodat we niet weten of er nog iets bovenaan stond. Er zijn verder nog wat rozetten, driehoeken en spiralen: normale vlakvulling.

    Eén ding is zeker: wie een kleine kilo goud op z’n hoofd kon dragen, was een voornaam persoon. Verder weten we niks. Het is een intrigerend voorwerp dat we wel kunnen beschrijven maar niet kunnen begrijpen. Was de drager een koning, een priester? Of iemand die als een ram gedood zou worden, waarna zijn ledematen voor de vogels werden geworpen? We hebben weer eens geen idee, het is immers oudheidkunde.

    Vergunningen

    Tot slot: ik las dat de directeur van het Nationaal Museum in Boekarest was ontslagen, omdat hij een bruikleencontract met het Drents Museum zou hebben gesloten zonder toestemming van de Roemeense regering.

    Maar weet je: die helm is al jaren op weg. We hebben de helm van Coțofenești al in 2019/2020 in de Lage Landen gezien, in 2021 was het voorwerp in Madrid en vorig jaar in Rome. Ik sluit allerminst uit dat het Roemeense ministerie van Cultuur toestemming heeft verleend voor de reizende expositie, en dat men, nu het opportuun is een Barbertje op te hangen, vindt dat voor elke expositie apart een vergunning gevraagd had moeten zijn.

    Tot hier en niet verder. Overmorgen nog een gestolen helm, en nog meer Balkan.

    [Dit was het 482e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

    #AnimalStyle #Assen #Dacië #diefstal #DrentsMuseum #Geten #goudenHelmVanCoțofenești #griffioen #Hallstatt #helm #IoanAndrieșescu #Skythen #tauroktonie #Tongeren
    In het Gallo-Romeins Museum in #Tongeren houdt deskundige Nico Roymans woensdagavond een lezing over Keltische elites in de Lage Landen. De kennis daarover is afkomstig uit #elitegraven van de #Kelten zoals die onder andere zijn gevonden in #Wijshagen in België en #Heumen in Nederland.
    https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20250113_96516121
    Limburg en Maasdal waren noordelijke uitloper van Keltische topcultuur

    In het Gallo-Romeins Museum weidt specialist Nico Roymans woensdagavond uit over Keltische elites in de Lage Landen. De Keltische grafvondst in Wijshagen (Oudsbergen) speelt daarin een belangrijke rol.

    nieuwsblad.be

    De Franken van Nebisgast tot Elegast

    Eindelijk, eindelijk, eindelijk: er is een nieuw boek over de Franken. Het heet De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen en is geschreven door de Vlaamse historicus Jeroen Wijnendaele. Niet dat er helemaal nooit iets wordt gepubliceerd over de mensen die ik gemakshalve even “onze voorouders” zal noemen. We hebben bijvoorbeeld het boek van Luit van der Tuuk. Maar de Franken, die lange tijd toch golden als het begin van de Nederlandse identiteit, hebben het de laatste twintig jaar publicitair moeten afleggen tegen de Romeinen. Een boek over de Franken is daarom welkom.

    En niet uit nostalgie naar een traditioneler geschiedbeeld. De Late Oudheid is belangrijk en krijgt de laatste tijd eindelijk de aandacht die ze verdient. Recent onderzoek leidt tot nieuwe inzichten, zoals de muntschat die in 2017 is ontdekt bij Lienden: nog in 461 had Rome invloed in het Nederlandse rivierenlandschap. De Franken zijn echter niet alleen wetenschappelijk “hot”, ze zijn ook belangrijk. De ondertitel van Wijnendaeles boek mag dan klinken als goedkope hype, al in de inleiding is duidelijk waarom ze accuraat is: Clovis schiep in een versnipperd politiek landschap een West-Europese eenheid – en dat ideaal is sindsdien blijven bestaan. En van idealen kan vormende werking uitgaan. Kortom, een belangrijk boek.

    Frankische schijffibula (Rheimisches Landesmuseum, Bonn)

    Geen recensie

    Nu ben ik bevooroordeeld, want ik was meelezer bij dit boek. Ik sta zelfs geciteerd op de achterflap. Maar in alle bescheidenheid denk ik dat het niet mijn vooringenomenheid is die me ertoe brengt u De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen aan te bevelen. U zult de komende tijd allerlei positieve besprekingen zien van auteurs die zeggen “eindelijk, eindelijk, eindelijk”.

    Vooringenomen als ik ben, zal ik het boek niet recenseren. Maar ik kan wel iets vertellen over een mogelijk vervolg: wat zou het leuk zijn als er een mooie expositie kwam over de Franken. Er is heel veel materiaal te kiezen, en de laatste tentoonstellingen zijn óf alweer een tijdje geleden (“Verloren Grens”, eind jaren tachtig in Tongeren) óf kleiner dan het onderwerp verdient, zoals de Gouden Vrouwen die u nog één week in Rhenen kunt bezoeken. Het is gewoon hoog tijd voor een overzichtstentoonstelling “Van Nebisgast tot Elegast”.

    Een verouderde reconstructie van een Frank (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

    De vierde eeuw

    Als ik gastconservator was, zou ik beginnen met wat valse noties. Dus eerst bovenstaande, een eeuw oude reconstructie van een besnorde krijger met de verkeerde mantelspeld. Misschien toonde ik ook wat oude schoolboeken en de onderwijsposters die nog steeds worden vervaardigd omdat verouderd beeldmateriaal nou eenmaal rechtenvrij is.

    Dan een zaal over de Late Oudheid. Het missorium van Theodosius is hier de eerste van twee blikvangers. Het illustreert het meerhoofdig keizerschap van de vierde eeuw. Aan een muur is een visualisatie van de bevolkingsneergang, ter verklaring van de afname van het aantal archeologische vindplaatsen en -vondsten. Ook is er iets te zien over klimaatreconstructie en het einde van het Romeinse Klimaatoptimum, om te tonen waardoor de Romeinse overheid minder middelen had. De tweede blikvanger is de Peelhelm, die toont dat het Romeinse leger, ondanks een afname van rekruten en materiële middelen, nog altijd functioneerde. Andere voorwerpen illustreren de brug bij Cuijk, foederati en laeti, de forten langs de Chaussée Brunehaut en uiteraard Sint-Maarten.

    Francisca uit Wijster (Drents Museum, Assen)

    Er volgt een zaal over de Germanen. Natuurlijk zijn er veel archeologische voorwerpen, te beginnen met Wijster en andere Drentse vondsten – denk aan een francisca. Denk ook aan de voorwerpen uit oostelijk Nederland en aan de ijzerwinning op de Veluwe. Verdere inspiratie: de tentoonstelling in Bonn. Ik zou aandacht besteden aan de stereotypen in onze bronnen. Het Amsterdamse Caesar-handschrift ligt in deze zaal op een ereplaats, opengeslagen bij de beschrijving van de Germanen.

    In een volgende, kleine zaal zou ik twee poppen willen zien. Aan de ene zijde een reconstructie van de Chamaaf Nebisgast, aan de andere zijde de Romeinse generaal Julianus. Ze stonden in 358 echt tegenover elkaar en lijken meer op elkaar dan je weleens zou denken. De voorwerpen er omheen tonen de bezoeker waarop de reconstructie is gebaseerd. De re-enactors van Fectio kunnen hier een enorme museale meerwaarde zijn. De grafsteen van Viatorinus uit Keulen illustreert de Franken als tegenstanders van de Romeinen, maar er is ook aandacht voor de Franken als bondgenoten.

    Julianus (Bodemuseum, Berlijn)

    Meervoudige identiteiten

    Ik denk dat de cultuur van laatantiek Gallië in een volgend deel van de expositie centraal moet staan. Hier zijn dus volop voorwerpen uit Luik, Reims, Straatsburg en Saint-Germain-en-Laye. De meervoudigheid van de identiteiten staat hier centraal. Er is aandacht voor het talige contact. De bezoeker verneemt bijvoorbeeld dat de Frankische en dus Nederlandse zuivelterminologie aan het Latijn is ontleend en dat dit taalcontact vérstrekkende implicaties heeft. Ook moet er aandacht zijn voor vijfde-eeuws Xanten, omdat nogal wat Frankische sagen wortelen in de regio Xanten/Nijmegen (Hagen von Tronje, Siegfried, de Zwaanridder en – als je het mij vraagt – Brunhilde). Maquettes van het grensfort Deutz en een hoogteversterking als Furfooz.

    Verder is in dit deel van de tentoonstelling de inscriptie EDCS-28600036 te zien. Die komt weliswaar uit Boedapest en dus niet uit Gallië, maar illustreert mooi de meervoudige identiteiten.

    Francus ego cives Romanus miles in armis.

    Ik ben een Frank, een Romeins burger, een soldaat onder de wapenen.

    Grafsteen van de Frank Batimodus (Archeologisch Museum Xanten)

    Het pièce de résistance is in deze zaal de muntschat van Lienden, die toont dat het Romeinse Rijk nog altijd invloed had. Een piramidevormige animatie biedt uitleg van het beleid van keizer Majorianus, van zijn rechterhand Aegidius, en via een man als Childerik verder naar “de heer van Lienden”. Ook is er uitleg van een Frankische Gefolgschaft – denk aan de heer van Morken, denk aan Bodi, al zijn beide eigenlijk een tikje te jong. Er zijn voorwerpen uit de militaire graven uit Nijmegen en ook is de grafsteen van Batimodus uit Xanten te zien.

    In een volgende, kleine zaal draait het om het graf van Childerik in Doornik. Die voorwerpen zijn natuurlijk allemaal gestolen, maar er zijn replica’s te zien uit het museum van Mainz. Childeriks opvolger Clovis is moeilijk te illustreren, maar er zijn voldoende vroegchristelijke voorwerpen bekend om in elk geval iets te doen rond zijn doop. Een animatie toont de uitbreiding van zijn machtsgebied.

    Applique uit Furfooz (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

    De zesde en zevende eeuw

    Het slot van “Van Nebisgast tot Elegast” zou ik inrichten zoals ik onlangs in München zag: diverse graven documenteerden daar de herkomst van mensen die in de zesde en zevende eeuw woonden in Beieren. Voor onze contreien kun je dus denken aan de graven uit Tongeren, die de laat-Romeinse tradities voortzetten, maar ook aan Germaanse wapengraven, aspecten van de Noordzeecultuur én aanwijzingen voor handelscontacten met de mediterrane wereld. Denk aan het grafveld van Rhenen, denk aan de koptische schaal uit Ewijk en denk aan samenwerking met Erve Eme.

    Nu het verschijnsel identiteit voor de Late Oudheid is genuanceerd, zou ik eindigen met een zaal waarin ons eigen beroep op de oude wereld als bron van identiteit wordt genuanceerd. Onze taal is laat-Frankisch, het monotheïsme verving in de Frankische tijd de oudere culten en de oudste laag van onze literatuur is eveneens Frankisch. Denk aan de magische kant van Elegast, denk aan Cunera, denk aan de Zwaanridder. Toch is Nederlands Germaanse verleden de afgelopen kwart eeuw verdwenen, zodat “Van Nebisgast tot Elegast” kan eindigen met de vraag voor welke Nederlandse mensen taal, religie en literatuur er eigenlijk nog toe doen.

    Gedecoreerde boog uit Glons (Grand Curtius, Luik)

    Maar goed. Ik ben geen gastconservator en ik heb de indruk dat de verwijdering van Nederlands Germaanse verleden inmiddels een voldongen feit is. Deze tentoonstelling zal er niet komen. Maar we hebben in elk geval het boek van Jeroen Wijnendaele, De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen, dat u moet lezen als u bent geïnteresseerd in de Late Oudheid en ook als u daar nog niet in bent geïnteresseerd.

    #Aegidius #agency #Batimodus #beeldmateriaal #ChausséeBrunehaut #Childerik #Clovis #CuneraVanRhenen #ErveEme #Ewijk #francisca #Franken #JeroenWijnendaele #KarelEndeElegast #KoptischeSchaal #Lienden #Majorianus #Nebisgast #Nijmegen #Noordzee #ReEnactmentgroepFectio #Rhenen #SintMaarten #TheodosiusI #Tongeren #Vetera #Viatorinus #vormendeWerking #Xanten #Zwaanridder
    De Belgische gemeente #Tongeren heeft de plek van een #Romeinse #tempel in de stad onthard en ingezaaid met #bloemen. Hiervoor is een in 2014 gebouwde #reconstructie van de funderingen verwijderd.
    https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20240428_96170620
    Tongeren zaait bloemen op Romeinse tempelsite

    De Romeinse tempelsite in de Keversstraat in Tongeren wordt onthard en voorzien van bloemenvelden. Afgelopen weekend werd er ingezaaid

    nieuwsblad.be
    De Belgische gemeente #Oudsbergen heeft #Keltische vondsten uit elitegraven en andere graven uit de vijfde en vierde eeuw v. Chr. geschonken aan het Gallo-Romeins #Museum in #Tongeren. Het gaat onder andere om een cista a cordoni, een cilindrisch gevormd geribd #bronzen #vat, en om een #situla ook een soort vat van brons. Daarnaast gaf de gemeente Romeinse en steentijdvondsten aan het museum. (bron foto's: Gallo-Romeins Museum)
    https://historiek.net/unieke-vondsten-uit-keltische-elitegraven-geschonken-aan-gemeente-tongeren/163374/
    Unieke vondsten uit Keltische elitegraven geschonken aan gemeente Tongeren | Historiek

    Onder enkele grafheuvels in het gehucht De Rieten, tegenwoordig onderdeel van de gemeente Wijshagen, stuitten archeologen in de jaren tachtig op drie elitegraven uit de vijfde en vierde eeuw voor Christus. De vondsten bleken uniek voor België.

    Historiek