De gesel Gods (6)

Een Frankische krijger: de Heer van Morken (Johnny Shumate)

[Voorlaatste deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en behandelde het begin van de veldslag op de Catalaunische Velden.]

De anekdote over de stroom bloed waarmee het vorige stukje eindigde oogt onwaarschijnlijk, maar zwaardwonden zijn over het algemeen vrij groot en antieke veldslagen lijken buitengewoon bloedig te zijn geweest. Als er ook nog paarden zijn doodgebloed, is er geen enkele reden om te twijfelen aan Jordanes’ macabere beschrijving.

Het landschap is licht glooiend en toen de Visigotische en Romeinse ruiters hun tegenstanders achternazetten, raakten ze het contact met de Hunnen kwijt, bijvoorbeeld door aan de andere zijde langs een heuvel te rijden. Bij het vallen van de avond bleken ze het kamp van de Hunnen te zijn gepasseerd. Thorismund, de zoon van de gesneuvelde Visigotische koning Theodorik, reed in de nacht argeloos het kampement van zijn vijanden binnen en werd maar met moeite door zijn volgelingen bevrijd. Het woord is opnieuw aan Jordanes (in de vertaling van Hein van Dolen).

Bij het aanbreken van de volgende dag zagen de Romeinen dat de velden met lijken waren bezaaid en dat de Hunnen niet durfden uit te breken. Daarom beschouwden zij zich als overwinnaars, ofschoon ze beseften dat Attila pas na een definitieve nederlaag de strijd zou staken. Ondanks de genadeslag had hij de moed niet opgegeven, maar hij liet de wapens kletteren en op de krijgstrompetten blazen om te dreigen met een aanval. Hij gedroeg zich als een leeuw die door jachtspiesen is doorboord en vóór de ingang van zijn hol op en neer loopt. Toespringen durft hij niet, maar tegelijk schrikt hij de omstanders onophoudelijk af met zijn gebrul.

Zo joeg de in het nauw gedreven, van strijdlust bezeten vorst zijn overwinnaars angst aan. Met het oog hierop verzamelden de Visigoten en de Romeinen zich om te overleggen wat ze met de verslagen Attila aan moesten. Ze besloten hem door een belegering af te matten omdat hij niet over een voedselvoorraad beschikte, terwijl hij vanwege de regen aan pijlen die door de boogschutters de palissaden van zijn kamp in werden afgeschoten, onmogelijk kon aanvallen. Er wordt verteld dat de koning ondanks de wanhopige situatie tot op het laatst moedig standhield en een brandstapel van paardenzadels had laten oprichten om zich in de vlammen te werpen als de vijanden op hem zouden losstormen. Want hij gunde niemand het genoegen hem te verwonden, en als heerser over zoveel volken wilde hij niet in de handen vallen van zijn tegenstanders.

Thorismund wilde de dood van zijn vader wreken en het kamp van de Hunnen bestormen, maar Aetius hield hem tegen. Nu de vijand was verslagen, moest de generaal diplomaat zijn en denken aan de toekomst. Zou Thorismund zijn zin krijgen, dan zou deze een te grote reputatie verwerven en misschien het Romeinse oppergezag niet meer erkennen. Ook de Hunnen konden nog eens nuttig zijn. Dus suggereerde Aetius zijn bondgenoot dat hij naar Aquitanië moest terugkeren voordat zijn broers zich meester hadden gemaakt van de troon.

Toen ook de Franken waren teruggekeerd, kon de Romein onderhandelen met de leider der Hunnen, die zoveel gezag had verloren hij moeite zou hebben zijn federatie bijeen te houden. Rome kon hem daarbij helpen en als Attila dat aanbod eenmaal had aangenomen, zou hij verstrikt raken in het netwerk der Romeinse diplomatie en geleidelijk worden ingekapseld: een beproefde methode om van vijanden bondgenoten te maken. De latere Byzantijnse diplomatie zou in deze sporen treden.

[Wordt morgen afgerond]

#Aetius #Attila #CatalaunischeVelden #Franken #Frankrijk #Gallië #Hunnen #Jordanes #Visigoten #warLord

De gesel Gods (5)

Catalaunische Velden, waar Aetius het opnam tegen Attila

[Vijfde deel van een zevendelige reeks over Attila de Hun. Het eerste deel was hier en ik was gekomen tot Attila’s inval van Gallië in 451 na Chr. Hij had niet al zijn doelen kunnen bereiken en zocht een plaats om slag te leveren tegen een coalitie van de Romeinen en hun Germaanse bondgenoten, geleid door generaal Aetius.]

Attila meende dat hij een goed slagveld had gevonden op de eindeloze grasvlakte tussen het huidige Troyes en Châlons-en-Champagne: de Catalaunische Velden. Alles draaide om het bezetten van een heuvelrug. Als de soldaten van de Romeinse coalitie die als eersten bezetten, zouden hun bogen een draagwijdte krijgen waarmee ze gelijk kwamen aan de Hunnen; omgekeerd, als Attila’s krijgers de heuvelrug bezetten, dan restte de tegenstanders niets anders dan de aftocht. Jordanes, die in de zesde eeuw een Geschiedenis van de Goten schreef, doet verslag van de veldslag die hier op 20 juni 451 plaatsvond. De fragmenten zijn vertaald door Hein van Dolen.

Theodorik bezette met de Visigoten de rechtervleugel en Aetius met de Romeinen de linker. Ze lieten Sanguibanus in het midden plaatsnemen (hij was de aanvoerder van de Alanen). Dat gebeurde uit strategische voorzorg om de man in wiens moed zij weinig fiducie hadden door een massa getrouwen te omringen. Immers, wie nauwelijks kans krijgt te vluchten, strijdt noodgedwongen mee.

Kroon uit het graf van een Hunnenleider (Nationaal Museum van Hongarije, Boedapest)

Dit waren niet alle troepen uit de coalitie. Het is bekend dat helemaal links Franken en Bourgondiërs stonden.

Aan de andere kant waren de gelederen van de Hunnen zo geplaatst dat Attila en zijn dapperste krijgers zich in het midden bevonden. Met deze opstelling had de koning zijn eigen veiligheid voor ogen omdat de positie te midden van het volk hem beschermde tegen het dreigende gevaar. De talrijke volken en allerlei stammen die hij aan zich had onderworpen, bezetten de vleugels. Onder hen blonk het leger van de Ostrogoten uit, dat onder bevel stond van de broers Valamir, Theodemir en Videmer […]. De wijdvermaarde koning van de Gepiden, Ardarik, was met een ontelbare schare ook van de partij. Vanwege zijn voorbeeldige toewijding aan Attila werd hij gekend in diens plannen. Want Attila had met zijn vooruitziende blik een afweging gemaakt en hij was op hem en Valamir, de koning van de Ostrogoten, meer gesteld geraakt dan op de andere leiders. Valamir kon namelijk geheimen voor zich houden, had een fluwelen tong en was heel gewiekst, terwijl Ardarik, zoals gezegd, zijn goede naam dankte aan zijn trouw en beleid. Op hen kon Attila met een gerust hart rekenen wanneer ze tegen hun stamgenoten, de Visigoten, zouden strijden. Alle andere koningen – als we hen zo mogen betitelen – en de hoofden van verschillende stammen bedienden Attila slaafs op zijn wenken. Zodra hij maar met de ogen had geknipperd, stond iedereen hem zonder morren en met angst en beven terzijde. Zonder mankeren werd elk van zijn bevelen uitgevoerd.

Toen de strijd losbarstte, slaagden de soldaten van de Romeinse coalitie er als eersten in de heuvelrug te bezetten. De naderende Hunnen werden teruggeslagen en in hun vlucht verstoorden ze ook de afdelingen van hun bondgenoten. Attila herstelde echter de orde.

Ondanks de penibele situatie nam de aanwezigheid van de koning alle twijfel weg en gingen ze een gevecht aan van man tegen man. De strijd was verschrikkelijk, verwarrend, wreed en langdurig. In de geschiedenis heeft nooit iets vergelijkbaars plaatsgevonden. Zulke krijgsverrichtingen zou een held die dit spektakel had moeten missen, zijn hele leven lang niet meer kunnen meemaken. Want als we de generaties vóór ons mogen geloven, trad de beek, die met een lage bedding door de bovengenoemde vlakte stroomde, vanwege het bloed uit de wonden van de slachtoffers buiten haar oevers. Ze was niet als gewoonlijk door de regenval gezwollen, maar het wassen had een abnormale oorzaak als gevolg van de groeiende hoeveelheid bloed waardoor een woeste rivier ontstond. De gewonden waren daar gedwongen hun brandende dorst te lessen met het vervuilde water; in hun ellende dronken zij het bloed dat volgens hen uit hun eigen kwetsuren was gevloeid.

Hier werd koning Theodorik, die heen en weer reed om zijn leger aan te vuren, van zijn paard geworpen en vertrapt onder de voeten van zijn eigen mannen. Zo vond de hoogbejaarde man zijn levenseinde. […]

Op dat moment verwijderden de Visigoten zich van de Alanen om de troep Hunnen aan te vallen. Bijna hadden ze Attila omgebracht, maar die was bijtijds weggevlucht en had zich met zijn gevolg teruggetrokken binnen de omheining van zijn kamp, dat hij met karren had verschanst. De omwalling was kwetsbaar, maar toch probeerden zij daarachter hun leven te redden.

[Wordt later vandaag vervolgd]

#Aetius #Alanen #Attila #CatalaunischeVelden #ChâlonsEnChampagne #Frankrijk #Gallië #Gepiden #Hunnen #Jordanes #Visigoten #warLord

De gesel Gods (4)

Bourgondische gesp (Musée d’Archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

[In dit vierde deel van deze zevendelige reeks over Attila de Hun maakt hij dan eindelijk zijn opwachting. Het eerste deel was hier. Ik behandelde de geleidelijke desintegratie van het West-Romeinse Rijk tot 444.]

Dat de afstammelingen van de Germaanse migranten die zich in Gallië hadden gevestigd, merendeels loyaal waren, bleek in 451, toen ze mede in het krijt traden om de Romeinse wereld te verdedigen tegen de Hunnen. De kern van deze stammenfederatie was door Oekraïne en Roemenië naar het westen getrokken, had aanvallen uitgevoerd op het Oost-Romeinse Rijk en had zich gevestigd in het gebied dat eeuwen later, toen de Magyaren dezelfde route aflegden, werd vernoemd naar hun vijfde-eeuwse voorgangers: Hunnenland ofwel Hongarije.

Door isotooponderzoek is bevestigd hoe fluïde deze etnische groep was. Daar waren al aanwijzingen voor, zoals een anekdote van de Byzantijnse auteur Priscus over een bewoner van een stad aan de Donau die erkend werd als Hunse krijger, maar nu zijn er dus ook laboratoriumresultaten die bevestigen dat mensen met een akkerbouwersvoedingspatroon hun sedentaire bestaan inruilden voor een leven als nomadische ruiter, en vice versa. Het is hoe het eeuwenlang is gegaan op de Centraal-Euraziatische steppe.

De Hunnen golden als gevaarlijk, want ze waren in staat grote bogen te hanteren terwijl ze te paard zaten. Zo konden ze hun vijanden van grotere afstand beschieten en aanvallen zonder te worden aangevallen.

In 451 trokken de Hunnen en de mensen die zich bij hen hadden aangesloten, zoals de Ostrogoten, naar Gallië. Hun leider was koning Attila, die in de Middeleeuwen de bijnaam flagellum dei zou krijgen, “de gesel Gods”. Het leger stak de Rijn over, veroverde Metz en rukte op naar Orléans. Het doel van de tocht was niet zozeer het plunderen of het verwerven van land, als wel het tonen dat de Hunnen overal konden toeslaan waar ze wilden. Na terugkeer kon dan worden onderhandeld met de Romeinen over de hoogte van de jaarlijks te betalen afkoopsom.

Attila’s tegenstander was de Romeinse generaal Aetius, die zich verzekerde van de hulp van de (afstammelingen van) Germanen in Gallië. Een eerste succes boekte de coalitie in de zomer, toen de Hunnen op het punt stonden Orléans in te nemen. Een gecombineerd Romeins-Visigotisch ruiterleger kwam op het laatste moment ter plaatse aan en dwong Attila terug te keren, want hoe efficiënt zijn ruiters ook waren, als hij werd belegerd in de veroverde stad, had hij daar weinig aan. Dus maakte hij rechtsomkeert, in de hoop ergens slag te kunnen leveren met zijn tegenstanders en zijn bewegingsvrijheid te herwinnen.

[Wordt later vandaag vervolgd]

#Aetius #Attila #Frankrijk #Gallië #Hunnen #warLord #WestRomeinseRijk

Een Gallische inscriptie uit Alesia

Gallische inscriptie uit Alesia (Bezoekerscentrum)

Gallische inscripties, die lees je niet dagelijks, en dat is ook logisch, want er zijn er niet veel. Het Gallische boek dat wij onderhand zo goed kennen,noot Xavier Delamarre, Dictionaire de la langue gauloise (2018); zie de stukjes over plaatsnamen, meer plaatsnamen, militaire termen, boerderijwoorden, kleding, andere Gallische woorden en nog meer Gallische woorden. biedt in een appendix een selectie van een stuk of zeventig korte en acht lange teksten. Een compleet overzicht verschijnt op de Recueil informatisé des inscriptions gauloises: een mooi gemaakte site waar je met plezier wat rondkijkt.

Alesia

De bovenstaande Gallische inscriptie is in 1839 gevonden in Alise-Sainte-Reine, en hielp om vast te stellen dat dat heuveldorp het antieke Alesia moest zijn geweest, waar Julius Caesar een belangrijke overwinning boekte op de Galliërs. De vorm is echter heel Romeins: een stuk kalksteen met daarin uitgehouwen een vierkant vlak, netjes omlijst met links en rechts twee driehoekige vleugeltjes. Zou het een Latijnse inscriptie zijn, dan zouden we het een tabula ansata noemen. De tekst is trouwens geschreven in Romeinse letters en een ligatuur, met leuke fleurons tussendoor, wat ook al bijdraagt aan het Romeinse aanzicht.

MARTIALIS DANNOTALI
IEURU UCUETE SOSIN
CELICNON ☙ ETIC
GOBEDBI DUGIIONTIIO
❧ UCUETIN ☙
IN ALISIIA

Martialis, de zoon van Dannotalos,
wijdde aan Ucuetis dit
bouwwerk ☙, samen met de
metaalsmeden, vererend
❧ Ucuetis ☙
in Alesia.

Ucuetis

Het heiligdom van Ucuetis bleek op dezelfde heuvel te liggen, nog geen honderd meter verderop. Er is daar een beeldje gevonden van een man met een hamer, dus Ucuetis zou weleens een smidsgod kunnen zijn. Daarvoor pleit ook dat Alesia beroemd was om zijn metaalwerkers. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere weet dat men

in de Gallische provincies heeft uitgevonden hoe koperen voorwerpen van een laagje wit lood voorzien kunnen worden en wel zó dat ze nauwelijks van zilver zijn te onderscheiden. Zulke voorwerpen noemen ze incoctilia (vertind gerei). Later begon men in de stad Alesia volgens hetzelfde procedé laagjes zilver aan te brengen, vooral op de versieringen van paarden en lastdieren en op jukken.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 34.162; vert. Van Gelder e.a.

Dat Ucuetis een Keltische god van de smeden was, wordt eveneens gesuggereerd door een tekst uit Ierland die bekendstaat als de Annalen van de vier meesters. Het gaat om vier franciscaner monniken die in de zeventiende eeuw een kroniek hebben gemaakt, gebaseerd op oudere teksten. Ze noemen daarin een koning Tighearnmas die zou hebben geregeerd van 1621 tot 1544 v.Chr., en tijdens zijn bewind

werd voor het eerst goud gesmolten in Ierland … Het was de ambachtsman Uchadan die het smolt. Het was dankzij hem dat voor het eerste bekers en mantelspelden werden bedekt met goud en zilver. Ook werden dankzij hem kleren paars, blauw en groen geverfd.noot Annalen van de vier meesters, jaar 3656.2.

De naam Uchadan lijkt wat op Ucuetis, dus ik noem het. Maar je zou voor de identificatie van de godheid als patroon van de smeden natuurlijk meer bewijs willen hebben dan een inscriptie, een beeldje en een zeventiende-eeuwse Ierse tekst.

De inscriptie uit Alesia is vervaardigd in het laatste derde van de eerste eeuw na Chr. Je vraagt je onwillekeurig af of Martialis en de metaalsmeden de Gallische taal hebben gebruikt om hun Gallische identiteit te benadrukken in een steeds Romeinser wordende wereld. En als dat zo is, valt op dat de man de goed-Latijnse naam Martialis droeg. Bijzonder is dat overigens niet. Mensen gaan immers pas oude identiteiten benadrukken op het moment dat nieuwe identiteiten al onmiskenbaar en onomkeerbaar aanwezig zijn.

[Dit was het 502e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Alesia #Frankrijk #Gallië #GallischeTaal #Ierland #inscriptie #PliniusDeOudere #Ucuetis #XavierDelamarre

Het Rijk van Toulouse (2)

Gesp uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée de la romanité, Nîmes)

Het Rijk van Toulouse, waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, was expansief. Aan de gebieden in Aquitanië die Theodorik I toegewezen had gekregen, voegden hij en zijn opvolgers het nodige toe. Ze hadden vooral belangstelling voor de Languedoc ofwel Narbonensis, waar ze toegang zouden krijgen tot de Middellandse Zee. Het was van begin af aan het beleid van de keizer (of wie er in Italië ook maar beleid maakte) om de verovering van de Languedoc te verhinderen, maar in 461 verwierf Theodorik II de voornaamste stad Narbonne desondanks toch. De Visigotische vorsten wisten bovendien de hand te leggen op andere delen van Zuidwest-Frankrijk.

Tegelijk speelden ze een belangrijke rol in de verdediging van het Romeinse Rijk tegen minder geromaniseerde volken, waarvan de Hunnen het opvallendst zijn: in 451 vochten Visigotische troepen op de Catalaunische Velden voor de Romeins generaal Aetius tegen Attila. Niet veel later steunde Theodorik II keizer Avitus (r.455-457) door op het Iberische Schiereiland te strijden tegen de Sueben, die zich moesten terugtrekken naar Galicië in het noordwesten. De les die de Visigoten leerden was dat Iberië klaar lag om te worden veroverd.

Naar Iberië

Dat zou dan ook gebeuren, al is onduidelijk hoe de eerste machtsuitbreiding heeft plaatsgevonden. Wellicht zagen Theodorik II en zijn opvolger Eurik erop toe dat de hoogste, officieel door de keizer in de Iberische provincies benoemde magistraten kwamen uit hun eigen netwerk. Anders gezegd, het waren Gallo-Romeinen. We mogen aannemen dat de noordoostelijke gebieden als eerste in hun handen kwamen. Pas later strekte het gezag zich uit naar Andalusië. In elk geval is de hospitalitas waarmee de Visigoten Aquitanië hadden verworven, niet gedocumenteerd.

Hoewel dus veel onduidelijk is, was dit het begin van wat het Rijk van Toledo zou zijn. Ik benadruk dat de nieuwe machthebbers ook in Iberië niet zozeer nieuwe heersers waren, als wel werden opgenomen in een bestaande laat-Romeinse structuur. Dat Theodorik en Eurik “koningen” worden genoemd, wilde niet zeggen dat ze soeverein waren; het was een persoonlijke titel, vermoedelijk niet heel anders dan de aloude titels van onze adel. Ze zeiden de keizer te dienen en dat was niet helemaal een fictie.

De Visigoten-met-Germaanse-voorouders spraken immers allang Latijn, minimaal als tweede taal, en ze waren al christelijk. Dat ze niet de keizerlijke orthodoxie aanhingen, is een veelbesproken maar feitelijk niet zo belangrijke kwestie. En ook over het recht heb ik het al gehad: het rechtstelsel dat de Visigotische heersers meenamen naar Iberië stond heel sterk in een Romeinse traditie. Toen ze hun eigen munten gingen slaan, stond daarop de keizer van Constantinopel.

Het einde

Dat neemt niet weg dat Eurik, als hij zich door de keizer geschoffeerd voelde, wel degelijk de wapens tegen hem kon opnemen. Eén zo’n moment was toen keizer Anthemius (r.467-472) trachtte zijn greep op Gallië te versterken door samen met de Britten (uit Bretagne of Engeland?) het Rijk van Toulose aan te vallen. Eurik wist met de Britten af te rekenen. In deze tijd, of iets later, stuurde hij legers over de Pyreneeën, waarvan de manschappen zich vestigden in Pamplona, Zaragoza en Tarragona. De regio staat sindsdien bekend als Gotenland ofwel Catalonië. Ook veroverde Eurik Clermont-Ferrand – ik stipte dat in het vorige blogje al aan – en Arles, het voornaamste centrum van het Romeinse bestuur.

Breviarum Alaricianum (©Bibliothèque nationale, Parijs)

Euriks opvolger was Alarik II (r.484-507). Hij stuurde in 494 en 497 nieuwe groepen over de Pyreneeën, waarover we frustrerend weinig weten. Net als Eurik presenteerde hij zich als Romeins magistraat, onder andere door (in 506 of 507) een uittreksel te maken van de Codex Theodosianus, het op dat moment belangrijkste Romeinse wetboek. Dit Breviarum Alaricianum was overal van kracht tussen de Loire en de Straat van Gibraltar. Bovendien wilde Alarik zich bekeren tot het christendom zoals de keizer het voorstond en daartoe organiseerde hij in Agde in 506 een synode die de theologische disputen uit de weg moest ruimen.

Tot bekering kwam het niet. Een jaar later, vlak voordat hij zich zou laten herdopen, sneuvelde Alarik in een oorlog tegen de Franken, die onder leiding van Childerik en Clovis al grote delen van Gallië in hun macht hadden gekregen. Daarmee kwam een abrupt einde aan het Rijk van Toulouse. Clovis nam het gebied over en een deel van de Visigoto-Gallo-Romeinse bewoners trok over de Pyreneeën naar het zuiden. Het moet om tienduizenden mensen zijn gegaan, die zich beriepen op hospitalitas – dit keer wel – en op vrij grote schaal landerijen onteigenden. Van de noordelijke gebieden behielden de Visigoten alleen Narbonne en omgeving, mede dankzij hulp van de heerser in Italië, Theodorik de Grote (r.493-526). Die wilde liever geen Franken aan de Middellandse Zee.

Munt van Amalarik (Staatliche Münzsammlung, München)

Wat na 507 resteerde voor de Visigotische vorsten: Iberië. Hun aanwezigheid daar was al een halve eeuw oud en had daardoor inmiddels een zekere vanzelfsprekendheid. Alariks zoon en opvolger Amalarik zal niet als vreemdeling zijn ervaren, al zullen de bewoners van het schiereiland de onteigeningen natuurlijk niet hebben toegejuicht. Niettemin: de dynastie kon worden voortgezet, met een nieuwe residentie in de centraal gelegen stad Toledo.

[volgende week meer]

#Aetius #AlarikII #Amalarik #Anthemius #arianisme #Arles #Attila #Avitus #BreviariumAlaricianum #CatalaunischeVelden #Catalonië #ClermontFerrand #Clovis #CodexTheodosianus #Eurik #Franken #Gallië #hospitalitas #Languedoc #Latijn #Narbonne #Pamplona #RijkVanToledo #RijkVanToulouse #RogerCollins #Sueben #SynodeVanAgde #Tarragona #TheodorikDeGrote #TheodorikI #TheodorikII #Visigoten #Zaragoza

Het Rijk van Toulouse (1)

In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)

Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).

Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.

Anders gezegd: tegenover het rond 1990 al verouderde beeld dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan door aanvallen van Germanen en andere barbaren, waarna de Visigoten de macht hadden overgenomen in Spanje, kwam een nieuw beeld, dat de nadruk legde op de assimilatie van nieuwkomers. De etiketten die wij geven aan tijdvakken zijn zelden vrij van politieke connotaties (bijv. Sumerische Renaissance of Byzantijnse Rijk), maar we kunnen ze niet altijd meer vervangen, en zolang we ons bewust zijn van de connotaties, is het ook niet zo urgent. Maar de naam “Rijk van Toledo” is toch wel te verkiezen boven Hispania visigoda.

Het Rijk van Toulouse

Wat was eraan vooraf gegaan? Ik heb het al eens beschreven: in augustus 378 versloeg een leger van “barbaren”, gecommandeerd door Fritigern (r.376-380), het Romeinse leger van keizer Valens bij Adrianopel. Daarna zwierf dat leger over de Balkan, nu eens in dienst van de keizer, dan weer met een eigen agenda. Uiteindelijk kwam dit leger aan in Aquitanië, waar de soldaten land kregen. Het is gebruikelijk deze groep “Visigotisch” te noemen, hoewel er behalve Goten ook mensen bij waren met andere etnische achtergronden, en hoewel die naam pas later opduikt.

De hoofdstad van koning Theodorik I (r.418-451) was Toulouse en zijn volgelingen kregen landerijen. Het Romeinse kadaster kende diverse categorieën, variërend van luxe paleisvilla’s tot simpele hoeven, en de nieuwkomers kregen 2/3 van de landgoederen uit de beste categorie. Het hiervoor gebruikte eufemisme was hospitalitas. We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden: grootgrondbezitters bezaten meestal diverse boerderijen, inclusief 100% van de iets minder goede landgoederen. Ze zullen bovendien hebben bedacht dat de nieuwkomers gevechtservaring hadden. Die barbaren konden nog eens nuttig zijn, zullen de superrijken hebben gedacht, als er eens een boerenopstand dreigde.

Sarcofaag uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée Saint-Raymond, Toulouse)

De culturele tegenstellingen tussen de Gallo-Romeinse bevolking en de immigranten waren minder groot dan wel aangenomen is geweest. De Belgische historicus Henri Pirenne wees er al in 1922 op dat de zwerftocht van de Visigoten archeologisch niet valt te documenteren. De mantelspelden en gespen die men weleens aanduidt als Germaans, kunnen door iedereen zijn gedragen, en als Franse musea het hebben over wisigothique, is dat een tijdperk en geen etnische duiding. De nieuwkomers beheersten het Latijn. Ze waren ook christelijk. Misschien dat een bisschop mopperde dat die vermaledijde Germanen vervloekte arianen waren, en uit de veelal christelijke bronnen zou je afleiden dat dit een urgente kwestie was, maar dit is vooral bias.noot Overigens is interessant dat Rechiar, de leider van een andere “Germaanse” groep, de Sueben, al vóór 448 het Credo van Nikaia onderschreef.

Sidonius Apollinaris

Een van de belangrijkste bronnen voor het leven in het Rijk van Toulouse is de brievencollectie van Sidonius Apollinaris. Hij lijkt wel wat op Synesios van Kyrene: voorname afkomst, geverseerd in de letteren en uiteindelijk, na een civiele loopbaan, benoemd tot bisschop. Dat laatste betekent niet dat zulke mannen een geestelijke roeping hadden; het was een manier om verantwoordelijkheid voor de samenleving te nemen en het aanzien te behouden waarop men recht meende te hebben.

In Sidonius’ vroegste brieven vinden we nogal wat overdreven, stereotiepe opmerkingen over wilde barbaren. Later, als hij zijn bisschopsstad Clermont-Ferrand heeft verloren aan koning Eurik van Toulouse (r.466-484) en als hij enige tijd gedetineerd is geweest, blijkt hij echter een andere kijk te hebben op de vermeende woestelingen. Sidonius erkent dat Eurik en zijn hovelingen de feitelijke erfgenamen zijn van het keizerrijk. Deze koning, en zijn voorganger Theodorik II, hadden veel gedaan om zich als Romeins magistraat te presenteren, zoals het afkondigen van wetten in de (verloren) Codex Theodoricianus en de (als palimpsest gedeeltelijk bewaarde) Codex Euricianus.

Even iets over die codificaties. Terwijl eerdere onderzoekers opperden dat deze wetgeving alleen gold voor de Romeinen in de door Theodorik II en Eurik beheerste gebieden, heeft Collins aannemelijk weten te maken dat de regels golden voor alle ingezetenen. Daarmee bewaarden deze codificaties de algemeenheid van het Romeins Recht die in Europa pas terugkeerde met het Allgemeines Landesrecht in Pruisen (1794) en de Code Napoleon (1804).

Lepel uit Visigotisch Aquitanië met Latijnse inscriptie (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

Terug naar Sidonius. Misschien is hij het meest overtuigend als hij zijn eigen culturele standaard als norm neemt en schrijft dat de Visigoten zo goed Latijn spraken en zelfs bereid waren zich te scholen in de letteren.noot Sidonius Apollinaris, Brief 5.17.2 en Brief 8.2.2. Het is tekenend dat de bisschop een gedicht aan Eurik wijdt dat alleen begrijpelijk is als deze heel goed Latijn kon.noot Sidonius Apollinaris, Brief 8.9.

De Codex Theodoricianus en Codex Euricianus waren geschreven in het Latijn, niet in het Gotisch, wat betekent dat minimaal een deel van de Visigoten de bestuurstaal goed beheerste. Dit wil niet zeggen dat men die taal ook in het dagelijks verkeer benutte, maar het is opmerkelijk dat Sidonius nergens melding maakt van tolken en allerlei mensen met Germaanse namen aanschrijft in het Latijn.

[wordt vervolgd]

#arianisme #bisschop #ClermontFerrand #CodexEuricianus #CodexTheodoricianus #Eurik #Fritigern #Gallië #hospitalitas #Latijn #palimpsest #RijkVanToulouse #RogerCollins #RomeinsRecht #SidoniusApollinaris #SynesiosVanKyrene #TheodorikI #TheodorikII #Toulouse #Visigoten

Opnieuw: Pytheas

StableDiffusion reconstrueert Pytheas

Hé, dit is leuk: een nieuw boek over Pytheas van Marseille, de Griekse ontdekkingsreiziger die rond 325 v.Chr. de Atlantische Oceaan en de Noordzee bevoer. Hij bereikte een plek die hij Thule noemt en geeft ook aan op welke breedte dat lag. Het moet gaan om IJsland of  – volgens een theorie van de beroemde poolreiziger Fridtjof Nansen – om de kust van het huidige Noorwegen. Bovendien bereikte Pytheas de plaatsen waar tin en barnsteen vandaan kwamen. Er zijn al eerder boeken over de Griekse ontdekkingsreiziger geschreven, zoals dat van Barry Cunliffe (heel informatief) en dat van Lionel Scott (teleurstellend). En nu is er het zojuist verschenen boek van François Herbaux, Pythéas. Explorateur du Grand Nord. Als u meer wil weten over de man, dan is dit het boek om mee te beginnen.

Het boek van Pytheas, De Oceaan, is verloren gegaan, maar er zijn allerlei citaten. Herbaux noemt er achtendertig. Scott heeft er meer, waaronder twee passages van de Romeinse aardrijkskundige Pomponius Mela, die zouden teruggaan op Pytheas. Daarover is echter bepaald geen consensus en Herbaux is terughoudender. Hij is wel op de hoogte van Scotts werk, maar alle verwijzingen naar Mela in Pythéas. Explorateur du Grand Nord zijn terzijdes. Herbaux lijkt zijn manuscript al grotendeels af gehad te hebben toen het Engelse boek in 2022 verscheen en hij heeft zich beperkt tot enkele verstandige inlassen. Ik denk terecht.

Locaties


Veel Pytheasliteratuur concentreert zich op de vraag waar hij zoal is geweest. Zijn aanwezigheid aan de Franse westkust en in de wateren rond de Britse eilanden zijn bewezen. Herbaux kan het thema niet vermijden en negeert de meer excessieve locaties. Het barnsteen kwam van Helgoland, niet vanuit het Oostzeegebied (zoals Scott opperde). Dat maakt Pytheas’ reis korter en plausibeler. Herbaux zoekt Thule op IJsland, omdat het door Pytheas vermelde ijs bij de Poolcirkel alleen daar kan zijn waargenomen; in Noorwegen zou hij veel noordelijker hebben moeten varen. Wel wijst Herbaux erop dat Pytheas mensen vermeldt bij de Poolcirkel, wat een tweede reis suggereert, die dan wel richting Noorwegen kan zijn geweest.

En dan is er de kwestie-Metuonis. De naam is af te leiden van het Oud-Germaanse woord *Mēþwōniz: drassig gebied waar gras groeit. Herbaux plaatst het aan de kust van Jutland, en hoewel ik voor mij denk aan de Waddenzee, lijkt Denemarken me al een stuk correcter dan Scotts plaatsing aan de Oostzee.

Pytheas in context

De identificaties vormen echter niet het zwaartepunt van Herbaux’ boek. Hij heeft meer te vertellen. Hij gaat bijvoorbeeld in op het idee dat Pytheas’ reis, net zoals die van zijn jongere tijdgenoot Euhemeros, weleens een fictie zou kunnen zijn geweest. Herbaux concludeert van niet, maar het is een goede vraag. Ook maakt hij korte metten met het idee dat Pytheas een complete vloot ter beschikking heeft gehad. Eén schip of meereizen met bestaande schepen is voldoende om alles te verklaren wat we weten uit de overgeleverde teksten.

Ik vond het verder leuk hoe uitgebreid hij inging op Pytheas’ wereldbeeld: wat verwachtte een Griek te vinden? Zo horen we dus over de Hyperboreërs, een mythisch volk dat voorbij de noordenwind zou wonen, en het Eiland van de Gelukzaligen.

Een interessant gegeven is dat de Grieken in de eerste helft van de vierde eeuw v.Chr. de bolvorm van de aarde ontdekten. Uiteraard wisten ze al veel langer dat de zon op het midden van de dag niet altijd even hoog staat. De filosoof Bion van Abdera, een leerling van Demokritos, had al geconcludeerd dat er dus plaatsen moesten zijn waar één dag zes maanden kon duren. De bevestiging van dit inzicht is precies wat onze bronnen toeschrijven aan Pytheas.

Het boek van Herbaux is al met al een stuk voorzichtiger en breder dan dat van Scott. Er is nog een verschil. Het Engelse boek kost pas nu er een paperback is, ongeveer €35. Het was meer dan €100. Pythéas. Explorateur du Grand Nord kost €17,90. Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het Engelstalige, kapitalistische model waar zo veel universiteiten voor kiezen, funest is voor de wetenschap en dat er in Europa betere alternatieven zijn.

#aardrijkskunde #AtlantischeOceaan #barnsteen #BarryCunliffe #BionVanAbdera #bolvormVanDeAarde #bronnenuitgave #EilandVanDeGelukzaligen #Euhemeros #FrançoisHerbaux #FridtjofNansen #Gallië #Helgoland #Hyperboreërs #IJsland #LionelScott #Metuonis #Noordzee #Noorwegen #PomponiusMela #Pytheas #Thule #tin #Waddenzee

Romeins Lyon

Het altaar van de drie Gallische provincies in Lyon (Thermenmuseum, Heerlen)

Ik ben gisteravond aangekomen in Lyon. Een oude stad, met een voor-Romeins verleden. Er zijn hier twee Keltische nederzettingen geïdentificeerd, waarschijnlijk bewoond door de stam van de Segusiavi; ze gaan terug op de vroege La Tène-tijd, zeg maar 450 v.Chr. De ene nederzetting was een oppidum, een heuvelfort, op de westelijke oever van de Saône; deze locatie staat bekend als Fourvière. De andere nederzetting lag op de landtong tussen de Saône en de Rhône. Deze vroege stad heette mogelijk Lugudunon (“heuvel van Lugus”). Die naam is in elk geval aangetroffen op een munt uit 42 v.Chr. Het moge duidelijk zijn dat de Latijnse naam Lugdunum daarvan is afgeleid.

Het vroege Lyon lag dus aan de samenvloeiing van twee belangrijke rivieren. De Saône verbond de regio met de Moezel en de Rijn, en de Rhône leidde in de richting van de Boven-Donau. We kunnen ons het vroege Lyon voorstellen als een handelscentrum. Dat wordt bevestigd door de aanwezigheid van Italische amforen en Grieks aardewerk.

Romeinse verovering

De Romeinen veroverden de vallei van de Rhône vanuit het zuiden en onderwierpen rond 120 v.Chr. de Allobrogen. Toen ze het gebied onder controle hadden, stichtten de Romeinen eerst de stad Vienna, het huidige Vienne. Dit werd het centrum waar kooplieden elkaar ontmoetten, maar na een Allobrogische opstand in (ik meen) 61 v.Chr. verplaatsten de Italische kooplieden hun kantoren van Vienne naar Lugdunum. In het volgende jaar, 60 v.Chr., kondigden de Helvetiërs aan dat ze stroomafwaarts langs de Rhône zouden trekken om zich in Aquitanië te vestigen. Ze zouden dus langs Lyon komen. Dat was voldoende voor de Romeinse generaal Julius Caesar om in te grijpen. In 58 veroverde hij de heuvel Fourvière, die verder een van zijn bases zou zijn tijdens de daaropvolgende oorlog in Gallië.

Lucius Munatius Plancus (Lugdunum musée, Lyon)

De stad werd in 43, na de dood van Caesar, door Lucius Munatius Plancus formeel georganiseerd als een colonia, een volksplanting. De nieuwe inwoners moeten veteranen uit de legioenen van Caesar zijn geweest. Lyon had enige tijd het privilege om zilveren munten te slaan, wat het noodzakelijk maakte om de stad te te voorzien van een garnizoen dat haar tegen overvallers beschermde. De Cohors XIII urbana zou twee eeuwen lang in Lyon blijven.

In de jaren dertig van de eerste eeuw v.Chr. reorganiseerden de Romeinen de Gallische gebieden die Caesar had veroverd. Ze maakten er drie provincies van en legden een netwerk van wegen aan. Generaal Agrippa, de rechterhand van Caesars opvolger Octavianus, legde belangrijke wegen aan: één van Lyon naar Bordeaux in het westen, één van Lyon naar Genève en Augst in het noordoosten, en één van Lyon naar het noorden. Deze laatste route splitst in een weg naar Reims in het noordwesten en een weg naar Trier en Keulen in het noordnoordoosten.

In 12 v.Chr. wijdden de Romeinen een altaar aan Roma en Augustus op de heuvel Croix-Rousse.noot Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 54.32.1. Elk jaar kwamen Gallische leiders hier samen om zaken te bespreken. De verovering was voorbij; Lyon was de hoofdstad van de Drie Galliës geworden.

De matres (Lugdunum musée, Lyon)

De Romeinse stad

Hoewel Lyon een belangrijk centrum van het Romeinse bestuur was, werd het nooit een stad zoals Karthago, Efese, Antiochië of Alexandrië. Toch besloeg het ongeveer 350 hectare en had het meer dan 30.000 inwoners (twee keer zo groot als Pompeii en ongeveer evenveel als Keulen), en werd het beschouwd als de grootste stad in Gallië na Narbo.noot Strabon, Geografie 4.3.2. Lyon had een forum, een tempel van Roma en Augustus, een heiligdom voor Kybele, een aquaduct, een theater, een odeon, een amfitheater en een circus voor wagenrennen. Het was echter vooral de plek waar allerlei handelaren en kooplieden elkaar ontmoetten.

Verschillende keizers en prinsen bezochten de stad. Toen Drusus de stad bezocht in 10 v.Chr., beviel zijn vrouw Antonia van een zoon, Claudius (de toekomstige keizer). Keizer Caligula verbleef in Lyon tijdens zijn noordelijke rondreis. In 68 na Chr. was de stad het centrum van de opstand van Vindex, die werd onderdrukt maar leidde tot de val van keizer Nero. Trajanus en Hadrianus, die de stad in 119 bezocht, bouwden monumenten. In 185 werd de toekomstige keizer Caracalla in Lyon geboren.

Het odeon

Een internationale stad als Lyon trok immigranten. Soms onvrijwillig, zoals Herodes Antipas, de Romeinse vazalvorst in Galilea, die hier in ballingschap moest. Van anderen weten we niet waarom ze zich vestigden in Lyon, al zal handel een reden zijn geweest. De christelijke gemeenschap, in 177 wreed vervolgd, was voor een groot deel Griekstalig.

Na de ongelukkige regering van Publius Helvius Pertinax (in de eerste maanden van 193) en de coup van Didius Julianus, was er de tegencoup van Septimius Severus, die een rivaal had in het westen, Clodius Albinus. Severus versloeg Albinus in een veldslag bij Lyon. Omdat het garnizoen van Lyon, de Cohors XIII urbana, de kant van de laatste had gekozen, beval Septimius Severus onderafdelingen van twee legioenen (VIII Augusta en XXII Primigenia) om voortaan als garnizoen van Lyon te dienen.

Christelijke grafsteen (Lugdunum musée, Lyon)

Late Oudheid

Na het midden van de derde eeuw werd de Rijngrens bedreigd en werd de zetel van de Romeinse regering verplaatst naar het noordoosten, waar Keulen, Mainz en Trier steeds belangrijker werden. Voor Lyon was dit het begin van een gestage neergang. Er was geen geld om het aquaduct, dat zo belangrijk was voor een grote stad, te herstellen. Toch werd de stad nog steeds bezocht door keizers (bijv. Constantijn de Grote) en usurpatoren (bijv. Magnentius, die in Lyon zelfmoord pleegde). Vienne overvleugelde Lyon.

Lyon groeide uit tot een belangrijk christelijk centrum, met een bisschoppelijk paleis aan de oevers van de Saône, een doopkapel en een kerk die was gewijd aan Johannes de Doper (de huidige kathedraal). Op de oude begraafplaatsen buiten de muren werden verschillende grafbasilieken gebouwd.

In 460 werd Lyon de residentie van de Bourgondiërs, die uiteindelijk in 532 door de Franken werden veroverd. Maar dat is een ander verhaal.

#Allobrogen #Augustus #Bourgondiërs #Caracalla #Claudius #ConstantijnDeGrote #Gallië #Helvetiërs #Kybele #LuciusMunatiusPlancus #LugdunumLyon_ #Lyon #Magnentius #MarcusVipsaniusAgrippa #martelarenVanLyon