Viatorinus

Grafsteen van VIatorinus (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

Een kleine zeven jaar geleden blogde ik over de romaanse kerken van Keulen. Tot de noordelijke godshuizen behoren de Sint-Ursula en de even verderop gelegen Sint-Gereon, beide gewijd aan laatantieke martelaren en beide gebouwd over een laatantiek grafveld. Ursula, die met een paar duizend maagden tegelijk de marteldood stierf, behoeft geen nadere discussie; het verhaal zal zijn ingegeven door de vondst van vele, vele skeletten. Gereon is een ander paar mouwen: de aan hem gewijde kerk lijkt in de vierde eeuw te zijn gebouwd op de plek waar een Romeinse soldaat is begraven. Dat hier inderdaad een soldatenkerkhof was, lijkt  te zijn bevestigd door bovenstaande inscriptie,noot EDCS-01200112. die op het kerkterrein is gevonden.

VIATORINVS PROT
ECTOR MITAVIT AN
NOS TRIGINTA O
CCISVS IN BAR
BARICO IVXTA D
IVITIA A FRANCO
VICARIVS DIVITESIM

Dit is niet helemaal het Latijn dat een hooggeletterde Romein zou hebben geschreven. Er zijn een paar letters weggevallen en een purist zou aan het einde nog een woord hebben verwacht. Als we dat alles toevoegen, staat er:

Viatorinus prot-
ector mi(li)tavit an-
nos triginta o-
ccisus in Bar-
barico iuxta D-
ivitia(m) a Franco
vicarius Divite(n)si(u)m (posuit)

Viatorinus de pro-
tector diende
dertig jaar en is
gedood in het Bar-
barenland bij Di-
vitia door een Frank.
De ondercommandant van het garnizoen van Divitia plaatste dit.

Een protector was oorspronkelijk een lijfwacht, maar het woord verwees in de late vierde eeuw naar een officier. Vermoedelijk was het de oppercommandant van het fort Divitia, ofwel het huidige Deutz. Dat lag tegenover Keulen en was met de stad verbonden door een beroemde brug. Op de oostelijke Rijnoever is Viatorinus dus door een Frank gedood. We proeven iets van de verontwaardiging, want de Franken waren in de tweede helft van de vierde eeuw meestal Romeinse bondgenoten.

Terug naar de ontbrekende letters. Het wonderlijke is dat het getal 30 niet is weergegeven als XXX, zoals in vrijwel alle Romeinse inscripties, maar is genoteerd als woord. De maker van dit monumentje wilde alles voluit schrijven. De vraag is dus waarom hij mitavit schreef en niet militavit, Divitia in plaats van Divitiam, en Divitesim in plaats van Divitensium. Hoewel het mogelijk is dat de steenwerker zijn dag niet had – en echt regelmatig zijn de letters natuurlijk niet – is het ook mogelijk dat de spelling de Rijnlandse uitspraak van het Latijn documenteert.

Het wegvallen van de slot-m bij Divitiam is bijvoorbeeld goed bekend: het Latijnse woord septem, “zeven”, werd (zoals hier is te lezen) in de Late Oudheid bijvoorbeeld geschreven als septe, wat de eerste stap is in de richting van het Franse sept. Ook het wegvallen van de /n/ voor de /s/ in Divitensium is een vrij normaal verschijnsel, net als de samentrekking van /iu/ tot /i/.

Viatorinus werd niet bij zijn fort in Barbarico begraven, maar ten noorden van Keulen, waar allerlei graven waren. En misschien was zijn laatste rustplaats een ereveld voor degenen die waren gesneuveld tijdens een gevecht, en leeft de herinnering aan die militaire graven voort in de verering van Sint-Gereon.

[Dit was het 521e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Deutz #Franken #Keulen #Latijn #SintGereon #UrsulaVanKeulen #Viatorinus

Heel oud Latijn

Inscriptie, in oeroud Latijn, gevonden onder de Zwarte Steen (Nationaal Museum, Rome)

Het Romeinse forum is een van de interessantste opgravingen die ik ken. De vondsten dateren vanuit de IJzertijd tot en met de huidige dag en de opgraver moet er rekening mee houden dat er – zoals overal natuurlijk – ook nog moedwillig dingen zijn weggehaald. Het Senaatsgebouw, dat er tegenwoordig uitziet als een bakstenen schoenendoos, had een eeuw geleden nog een decoratie van marmer en stucwerk die in opdracht van Mussolini is verwijderd: hij wilde een zakelijk gebouw, passend bij de geest van het fascisme.

Een andere complicatie is dat er allerlei teksten zijn, die enerzijds waardevolle informatie bieden, maar die we anderzijds niet kunnen evalueren. Aan het begin van de jaartelling wisten de Romeinen dat bepaalde huizen stonden op de plek waar ooit het koninklijke paleis had gestaan en archeologen hebben op die plek grote, oeroude woningen gevonden uit de Koningstijd (zevende tot en met zesde eeuw v.Chr.), maar we hebben geen idee of de herinnering een half millennium later correct was. Was dit een paleis? We weten het niet.

En dan zijn er nog vondsten die vooral puzzels zijn, zoals de inscriptie hierboven, in 1899 gevonden onder de zogeheten Zwarte Steen, niet ver van het Senaatsgebouw. Die zwarte steen zat in het uit de Keizertijd daterende plaveisel en markeerde vermoedelijk een heilige plaats, het Volcanal, waarvan de Romeinen al tijdens de Republiek niet goed meer wist wat die precies betekende. Men speculeerde dat het een graf was maar wist niet van wie.

Bij de opgravingen troffen de archeologen onder dat zwarte plaveisel een u-vormig altaar en een zuilbasis aan, samen met de oeroude inscriptie die u hierboven ziet. De steen is ongeveer een halve meter hoog en te zien in het Nationaal Museum in de Thermen van Diocletianus.

De tekst is bustrophedon geschreven, wat een jargonterm is om aan te geven dat de regels afwisselend van links naar rechts en van rechts naar links zijn geschreven. Dit is een heel oude manier van schrijven, maar veel preciezer kunnen we niet zijn: de tekst biedt weinig duidelijkheid en kan zeer oud en gewoon oud zijn. Het woord recei, “voor de koning”, kán betekenen dat de tekst stamt uit de Koningstijd (de zevende of de zesde eeuw v.Chr.), maar kan evengoed slaan op de republikeinse magistraat die bekendstaat als offerkoning. Dan stamt de tekst uit de vijfde of misschien wel vierde eeuw. De vondsten in de buurt van de inscriptie suggereren eerder een zesde- dan een vijfde-eeuwse datering, maar meer dan een suggestie is het niet.

Het Latijn vertoont oude trekken maar omdat dit een van de weinige voorbeelden is, en omdat de tekst vol gaten zit, konwn we niwt verder. Hier is de tekst. Puntjes geven aan wat niet te reconstrueren is.

  • QUOI HON…
  • … SAKROS ES-
  • SORD…
  • … A HAS
  • RECEI IO…
  • …EVAM
  • QUOS RE…
  • …M KALATO-
  • REM HAB…
  • …TOD IOUXMEN-
  • TA KAPIA DUO TAU…
  • AM ITER PE…
  • …M QUOI HA-
  • VELOD NEQ F…
  • …IOD OVESTOD
  • LOUQUIOD QO…
  • Veel valt er niet van te maken, maar interessant blijft het wel, dit moeilijk te begrijpen debuut van een wereldtaal.

    [De Lapis Niger was de 315e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

    #Comitium #ForumRomanum #LapisNiger #Latijn #Rome #Volcanal

    Welke Latijnse naamval vind jij het lastigst? 🤔
    In deze video leggen we de 1ste klasse stap voor stap uit – en geven we tips om ze eindelijk foutloos te leren!
    👉 https://youtu.be/F30pkF5H8bU?utm_source=mastodon&utm_medium=social&utm_campaign=fedica-videos-NL
    Reageer met jouw struikelblok!
    #Latijn #studietips #begrepen #onderwijs #eersteklasse
    De verbuigingen van de eerste klasse in het Latijn: vorming en instuderen van de naamvallen.

    YouTube
    In #Argus nr. 207 haalt Nop Maas herinneringen op aan het Rijke Roomse Leven: hoe hij als #misdienaar werktuigelijk #Latijn gebruikte en uit #bedelen werd gestuurd - en hoe volstrekt #normaal hij 't allemaal vond. Deze bijdrage is ook te lezen op https://arguspers.nl/gratis-artikel/het-rijke-roomse-bedelleven/

    Het Rijk van Toledo (2)

    Halssnoer uit de zesde of zevende eeuw (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

    [Tweede van vier blogjes over het Rijk van Toledo. Het eerste was hier en over de voorgeschiedenis leest u daar meer.]

    In 586 besteeg Leovigilds zoon Reccared de troon en omdat zijn vader had gefaald in het apaiseren van de aanhangers van het Credo van Chalkedon, besloot de nieuwe koning zich maar bij hen aan te sluiten. Daarmee aanvaardde het Rijk van Toledo het christendom zoals het ook in het Byzantijnse Rijk bestond.

    De kerk profiteerde ervan. Opgravingen (zoals deze recente) documenteren dat de kerkgebouwen bepaald geen nederige stulpjes waren. Tegelijk werd de kerk nu meer dan ooit een bestuursinstrument. Tot 704 vonden in Toledo achttien synodes plaats, die zijn te beschouwen als zowel kerkelijke als bestuurlijke landdagen. De vergaderingen hadden vérgaande wetgevende taken en de hier vastgestelde wetten lijken ook merendeels te zijn uitgevoerd. Ze beschrijven dus meestal reële situaties.

    Tiende-eeuwse afbeelding van een Synode van Toledo

    Checks and balances

    Zo werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het bezit van de koning als privépersoon en als vertegenwoordiger van de overheid. Deze laatste categorie, de kroondomeinen dus, was extreem belangrijk. De koning van Toledo beheerde niet alleen de domeinen die de Romeinse keizer Theodosius I al had bezeten, maar confisqueerde ook nog het een en ander, zodat de pachtopbrengsten een forse bijdrage vormden aan de staatsschatkist. Tegelijk had de vorst minder mogelijkheden om belasting op te leggen dan de keizer had gehad. Grootgrondbezitters ontsprongen sowieso de dans. Om het anders te zeggen: de grote omvang van de domeinen maakte dat de belastingen in het Rijk van Toledo lager konden zijn dan in de Romeinse wereld. Of om het nog anders te zeggen: doordat de rijken niet belast konden worden, moest de koning grote domeinen aanhouden.

    Belangrijk is verder dat de koningen van Toledo weliswaar golden als bron van recht, maar niet boven de wet stonden. Net als bij het onderscheid tussen kroondomeinen en ’s konings privébezit, kun je zeggen dat de Synodes de macht van de koning inperkten. Je zou de relatie tussen Synodes en vorst misschien, met een anachronisme, kunnen aanduiden als checks and balances.

    Kruis uit de zesde of zevende eeuw (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

    Antisemitisme

    Ik schreef dat de meeste wetten ook werden uitgevoerd. Het voornaamste terrein waarop dat niet het geval was, was de bestrijding van judaïserende christenen. Er waren op het Iberische Schiereiland veel joden; dat onlangs van een vierde-eeuwse kerk in Jaén werd vastgesteld dat het feitelijk een synagoge was, suggereert dat de joodse aanwezigheid nog wordt onderschat. Christenen hadden dagelijks contact met de joden, die daardoor aanzienlijke invloed hadden op hun stads- en dorpsgenoten. Een voorbeeld is het vasthouden de joodse paasdatum, een praktijk die is gedocumenteerd in diverse herderlijke brieven. Het cruciale punt is nu niet dat allerlei christenen niet zuiver waren in wat de geestelijkheid beschouwde als de enige juiste leer, maar dat de gelovigen zich konden beroepen op passages uit de Wet van Mozes. Ze bezaten dus boeken en deze mensen waren dus geen dagloners of slaven die niet beter wisten, maar rijke mensen. Dat maakte judaïsering een voor de kerk belangrijke kwestie.

    De Synodes van Toledo kondigden allerlei anti-joodse decreten af. De eerste aanzet was via het Breviarum Alaricianum geïmporteerd uit de Byzantijnse Codex Theodosianus, maar met het oog op de rijkseenheid bekrachtigden de Synodes deze maatregelen steeds opnieuw. De herhaling bewijst echter dat de maatregelen niet werden uitgevoerd. De decreten worden na 650 steeds feller en scherper, de straffen op ontduiking werden steeds inhumaner (o.a. scalperen als straf voor besnijden), en waar de wetgevende Synode zich ooit alleen maar had geërgerd aan de joodse religie, werden de decreten uiteindelijk ronduit racistisch.

    Laatantiek grafschrift van iemand die aan het hoofd stond van twee synagogen (Archeologisch museum, Mérida)

    In 654 vaardigde koning Recceswinth (r.649-672) het Liber Iudiciorum uit, dat was gebaseerd op de Codex Justinianus en, net als deze, verdeeld in twaalf boeken. Het laatste was geheel gewijd aan de bestrijding van jodendom, en er werd uiteindelijk bepaald dat alle joden een afschrift op zak dienden te hebben – wat overigens een aanwijzing is voor de graad van geletterdheid. Uiteindelijk werden door de Zeventiende Synode van Toledo (694) alle joden tot staatsslaaf verklaard. Opmerkelijk is overigens dat een elders gangbare anti-joodse wet, namelijk het verbod land te bezitten, in het Rijk van Toledo nooit is uitgevaardigd.

    [wordt vervolgd]

    #antisemitisme #arianisme #belastingen #BreviariumAlaricianum #CodexJustinianus #ConcilieVanChalkedon #Jaén #Latijn #LiberIudiciorum #paasdatum #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #SynodesVanToledo #Visigoten

    Het Rijk van Toledo (1)

    Decoratie uit Mérida

    Als we zouden afgaan op de bronnen, was de opvolgerstaat van het Rijk van Toulouse, het Rijk van Toledo, verdeeld over de vraag welk christendom het ware was: het ariaanse of dat van de keizer, zoals vastgelegd tijdens het Concilie van Chalkedon. Ik heb al verteld dat dit meer zegt over de aard van onze bronnen dan over wat er werkelijk speelde.

    Voor zover de kwestie betekenis heeft, is het omdat vroegere onderzoekers meenden dat de Hispano-Romeinse bevolking het keizerlijke christendom volgde, terwijl de Visigoten ariaans zouden zijn geweest. Als dit waar was, zou het inderdaad een belangrijk thema zijn, maar er zijn voldoende uitzonderingen bekend om te concluderen dat de religieuze en etnische grenzen niet parallel liepen. Waarbij ik in dan nog maar in het midden laat wat met “etnisch” bedoeld kan zijn, want lang niet alle mensen die op last van de Visigotische koningen naar Iberië trokken, hadden Germaanse voorouders. Waarbij we óók in het midden moeten laten wat Germanen dan eigenlijk zijn.

    De grenzen van het Rijk van Toledo

    De grenzen van het Rijk van Toledo lagen min of meer vast. In het noorden vormden de Pyreneeën de grens met het rijk van de Franken, waarbij Narbonne een Visigotische exclave was in de Languedoc. In het noordwesten, in Galicië, regeerde een dynastie die we doorgaans Suebisch noemen. De rest van Iberië werd bestuurd vanuit Toledo, met één uitzondering: rond het midden van de zesde eeuw wisten de Byzantijnen, profiterend van een Visigotische opvolgingsconflict, de havensteden aan de zuidkust te veroveren.

    Het Byzantijnse gezag zou echter gestaag afbrokkelen; het laatste Byzantijnse leger is kort voor 700 geattesteerd. Maar zolang het er was, had het Rijk van Toledo een eenvoudig contact met Italië, de Maghreb en Constantinopel. We lezen ook over pelgrims naar Jeruzalem, over Spaanse bisschoppen bij kerkelijke vergaderingen, over kooplieden, over internationale huwelijken en over ballingen: allemaal personenverkeer dat documenteert dat het Rijk van Toledo volop was geïntegreerd in de Mediterrane wereld.

    Leovigild

    In 568 herstelde koning Leovigild het centrale gezag én het internationaal aanzien. Via zijn nichten Brunhilde en Galswintha, getrouwd met de Frankische vorsten Sigebert I en Chilperik I, was hij verzekerd van rust in het noorden. Hij richtte zich tegen zijn tegenstanders op het Iberische Schiereiland: hij begon met de annexatie van de Byzantijnse havensteden in Andalusië en wist in 585 de Sueben te onderwerpen.

    Leovigild (Staatliche Münzsammlung, München)

    Meer dan eerdere vorsten presenteerde hij zich als soeverein heerser, onder meer door het gebruik van keizerlijke regalia. Toch was het Rijk van Toledo geen klein Romeins Rijk. Het bestuur was vereenvoudigd en voor een deel zelfs uitbesteed: de gemeentelijke administratie kwam steeds meer in handen van de geestelijkheid.

    We lezen ook weer ’ns over de ariaanse kwestie. Om de eenheid van het Rijk van Toledo te versterken trachtte Leovigild zijn onderdanen te overtuigen van een gematigd arianisme. Soortgelijke compromissen hingen in de Late Oudheid ook elders in de lucht: er is hier al eens geblogd over het monotheletisme dat in het Byzantijnse Rijk werd voorgesteld als voor iedereen aanvaardbaar compromis. Dat strandde op weerstand van de aanhangers van het Credo van Chalkedon, en zoiets gebeurde ook in het Rijk van Toledo. De Chalkedoniërs uit het rijk van de Vandalen in Africa hadden zich met succes verzet tegen hun overheid, en dat maakte dat ook de Chalkedoniërs in Iberië geen duimbreed toegaven.

    [wordt vervolgd]

    #arianisme #BreviariumAlaricianum #Brunhilde #ChilperikI #ConcilieVanChalkedon #Galswintha #hospitalitas #Languedoc #Latijn #Leovigild #monotheletisme #Narbonne #RijkVanToledo #SigebertI #Sueben #Visigoten

    Het Rijk van Toulouse (2)

    Gesp uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée de la romanité, Nîmes)

    Het Rijk van Toulouse, waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, was expansief. Aan de gebieden in Aquitanië die Theodorik I toegewezen had gekregen, voegden hij en zijn opvolgers het nodige toe. Ze hadden vooral belangstelling voor de Languedoc ofwel Narbonensis, waar ze toegang zouden krijgen tot de Middellandse Zee. Het was van begin af aan het beleid van de keizer (of wie er in Italië ook maar beleid maakte) om de verovering van de Languedoc te verhinderen, maar in 461 verwierf Theodorik II de voornaamste stad Narbonne desondanks toch. De Visigotische vorsten wisten bovendien de hand te leggen op andere delen van Zuidwest-Frankrijk.

    Tegelijk speelden ze een belangrijke rol in de verdediging van het Romeinse Rijk tegen minder geromaniseerde volken, waarvan de Hunnen het opvallendst zijn: in 451 vochten Visigotische troepen op de Catalaunische Velden voor de Romeins generaal Aetius tegen Attila. Niet veel later steunde Theodorik II keizer Avitus (r.455-457) door op het Iberische Schiereiland te strijden tegen de Sueben, die zich moesten terugtrekken naar Galicië in het noordwesten. De les die de Visigoten leerden was dat Iberië klaar lag om te worden veroverd.

    Naar Iberië

    Dat zou dan ook gebeuren, al is onduidelijk hoe de eerste machtsuitbreiding heeft plaatsgevonden. Wellicht zagen Theodorik II en zijn opvolger Eurik erop toe dat de hoogste, officieel door de keizer in de Iberische provincies benoemde magistraten kwamen uit hun eigen netwerk. Anders gezegd, het waren Gallo-Romeinen. We mogen aannemen dat de noordoostelijke gebieden als eerste in hun handen kwamen. Pas later strekte het gezag zich uit naar Andalusië. In elk geval is de hospitalitas waarmee de Visigoten Aquitanië hadden verworven, niet gedocumenteerd.

    Hoewel dus veel onduidelijk is, was dit het begin van wat het Rijk van Toledo zou zijn. Ik benadruk dat de nieuwe machthebbers ook in Iberië niet zozeer nieuwe heersers waren, als wel werden opgenomen in een bestaande laat-Romeinse structuur. Dat Theodorik en Eurik “koningen” worden genoemd, wilde niet zeggen dat ze soeverein waren; het was een persoonlijke titel, vermoedelijk niet heel anders dan de aloude titels van onze adel. Ze zeiden de keizer te dienen en dat was niet helemaal een fictie.

    De Visigoten-met-Germaanse-voorouders spraken immers allang Latijn, minimaal als tweede taal, en ze waren al christelijk. Dat ze niet de keizerlijke orthodoxie aanhingen, is een veelbesproken maar feitelijk niet zo belangrijke kwestie. En ook over het recht heb ik het al gehad: het rechtstelsel dat de Visigotische heersers meenamen naar Iberië stond heel sterk in een Romeinse traditie. Toen ze hun eigen munten gingen slaan, stond daarop de keizer van Constantinopel.

    Het einde

    Dat neemt niet weg dat Eurik, als hij zich door de keizer geschoffeerd voelde, wel degelijk de wapens tegen hem kon opnemen. Eén zo’n moment was toen keizer Anthemius (r.467-472) trachtte zijn greep op Gallië te versterken door samen met de Britten (uit Bretagne of Engeland?) het Rijk van Toulose aan te vallen. Eurik wist met de Britten af te rekenen. In deze tijd, of iets later, stuurde hij legers over de Pyreneeën, waarvan de manschappen zich vestigden in Pamplona, Zaragoza en Tarragona. De regio staat sindsdien bekend als Gotenland ofwel Catalonië. Ook veroverde Eurik Clermont-Ferrand – ik stipte dat in het vorige blogje al aan – en Arles, het voornaamste centrum van het Romeinse bestuur.

    Breviarum Alaricianum (©Bibliothèque nationale, Parijs)

    Euriks opvolger was Alarik II (r.484-507). Hij stuurde in 494 en 497 nieuwe groepen over de Pyreneeën, waarover we frustrerend weinig weten. Net als Eurik presenteerde hij zich als Romeins magistraat, onder andere door (in 506 of 507) een uittreksel te maken van de Codex Theodosianus, het op dat moment belangrijkste Romeinse wetboek. Dit Breviarum Alaricianum was overal van kracht tussen de Loire en de Straat van Gibraltar. Bovendien wilde Alarik zich bekeren tot het christendom zoals de keizer het voorstond en daartoe organiseerde hij in Agde in 506 een synode die de theologische disputen uit de weg moest ruimen.

    Tot bekering kwam het niet. Een jaar later, vlak voordat hij zich zou laten herdopen, sneuvelde Alarik in een oorlog tegen de Franken, die onder leiding van Childerik en Clovis al grote delen van Gallië in hun macht hadden gekregen. Daarmee kwam een abrupt einde aan het Rijk van Toulouse. Clovis nam het gebied over en een deel van de Visigoto-Gallo-Romeinse bewoners trok over de Pyreneeën naar het zuiden. Het moet om tienduizenden mensen zijn gegaan, die zich beriepen op hospitalitas – dit keer wel – en op vrij grote schaal landerijen onteigenden. Van de noordelijke gebieden behielden de Visigoten alleen Narbonne en omgeving, mede dankzij hulp van de heerser in Italië, Theodorik de Grote (r.493-526). Die wilde liever geen Franken aan de Middellandse Zee.

    Munt van Amalarik (Staatliche Münzsammlung, München)

    Wat na 507 resteerde voor de Visigotische vorsten: Iberië. Hun aanwezigheid daar was al een halve eeuw oud en had daardoor inmiddels een zekere vanzelfsprekendheid. Alariks zoon en opvolger Amalarik zal niet als vreemdeling zijn ervaren, al zullen de bewoners van het schiereiland de onteigeningen natuurlijk niet hebben toegejuicht. Niettemin: de dynastie kon worden voortgezet, met een nieuwe residentie in de centraal gelegen stad Toledo.

    [volgende week meer]

    #Aetius #AlarikII #Amalarik #Anthemius #arianisme #Arles #Attila #Avitus #BreviariumAlaricianum #CatalaunischeVelden #Catalonië #ClermontFerrand #Clovis #CodexTheodosianus #Eurik #Franken #Gallië #hospitalitas #Languedoc #Latijn #Narbonne #Pamplona #RijkVanToledo #RijkVanToulouse #RogerCollins #Sueben #SynodeVanAgde #Tarragona #TheodorikDeGrote #TheodorikI #TheodorikII #Visigoten #Zaragoza

    Het Rijk van Toulouse (1)

    In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)

    Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).

    Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.

    Anders gezegd: tegenover het rond 1990 al verouderde beeld dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan door aanvallen van Germanen en andere barbaren, waarna de Visigoten de macht hadden overgenomen in Spanje, kwam een nieuw beeld, dat de nadruk legde op de assimilatie van nieuwkomers. De etiketten die wij geven aan tijdvakken zijn zelden vrij van politieke connotaties (bijv. Sumerische Renaissance of Byzantijnse Rijk), maar we kunnen ze niet altijd meer vervangen, en zolang we ons bewust zijn van de connotaties, is het ook niet zo urgent. Maar de naam “Rijk van Toledo” is toch wel te verkiezen boven Hispania visigoda.

    Het Rijk van Toulouse

    Wat was eraan vooraf gegaan? Ik heb het al eens beschreven: in augustus 378 versloeg een leger van “barbaren”, gecommandeerd door Fritigern (r.376-380), het Romeinse leger van keizer Valens bij Adrianopel. Daarna zwierf dat leger over de Balkan, nu eens in dienst van de keizer, dan weer met een eigen agenda. Uiteindelijk kwam dit leger aan in Aquitanië, waar de soldaten land kregen. Het is gebruikelijk deze groep “Visigotisch” te noemen, hoewel er behalve Goten ook mensen bij waren met andere etnische achtergronden, en hoewel die naam pas later opduikt.

    De hoofdstad van koning Theodorik I (r.418-451) was Toulouse en zijn volgelingen kregen landerijen. Het Romeinse kadaster kende diverse categorieën, variërend van luxe paleisvilla’s tot simpele hoeven, en de nieuwkomers kregen 2/3 van de landgoederen uit de beste categorie. Het hiervoor gebruikte eufemisme was hospitalitas. We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden: grootgrondbezitters bezaten meestal diverse boerderijen, inclusief 100% van de iets minder goede landgoederen. Ze zullen bovendien hebben bedacht dat de nieuwkomers gevechtservaring hadden. Die barbaren konden nog eens nuttig zijn, zullen de superrijken hebben gedacht, als er eens een boerenopstand dreigde.

    Sarcofaag uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée Saint-Raymond, Toulouse)

    De culturele tegenstellingen tussen de Gallo-Romeinse bevolking en de immigranten waren minder groot dan wel aangenomen is geweest. De Belgische historicus Henri Pirenne wees er al in 1922 op dat de zwerftocht van de Visigoten archeologisch niet valt te documenteren. De mantelspelden en gespen die men weleens aanduidt als Germaans, kunnen door iedereen zijn gedragen, en als Franse musea het hebben over wisigothique, is dat een tijdperk en geen etnische duiding. De nieuwkomers beheersten het Latijn. Ze waren ook christelijk. Misschien dat een bisschop mopperde dat die vermaledijde Germanen vervloekte arianen waren, en uit de veelal christelijke bronnen zou je afleiden dat dit een urgente kwestie was, maar dit is vooral bias.noot Overigens is interessant dat Rechiar, de leider van een andere “Germaanse” groep, de Sueben, al vóór 448 het Credo van Nikaia onderschreef.

    Sidonius Apollinaris

    Een van de belangrijkste bronnen voor het leven in het Rijk van Toulouse is de brievencollectie van Sidonius Apollinaris. Hij lijkt wel wat op Synesios van Kyrene: voorname afkomst, geverseerd in de letteren en uiteindelijk, na een civiele loopbaan, benoemd tot bisschop. Dat laatste betekent niet dat zulke mannen een geestelijke roeping hadden; het was een manier om verantwoordelijkheid voor de samenleving te nemen en het aanzien te behouden waarop men recht meende te hebben.

    In Sidonius’ vroegste brieven vinden we nogal wat overdreven, stereotiepe opmerkingen over wilde barbaren. Later, als hij zijn bisschopsstad Clermont-Ferrand heeft verloren aan koning Eurik van Toulouse (r.466-484) en als hij enige tijd gedetineerd is geweest, blijkt hij echter een andere kijk te hebben op de vermeende woestelingen. Sidonius erkent dat Eurik en zijn hovelingen de feitelijke erfgenamen zijn van het keizerrijk. Deze koning, en zijn voorganger Theodorik II, hadden veel gedaan om zich als Romeins magistraat te presenteren, zoals het afkondigen van wetten in de (verloren) Codex Theodoricianus en de (als palimpsest gedeeltelijk bewaarde) Codex Euricianus.

    Even iets over die codificaties. Terwijl eerdere onderzoekers opperden dat deze wetgeving alleen gold voor de Romeinen in de door Theodorik II en Eurik beheerste gebieden, heeft Collins aannemelijk weten te maken dat de regels golden voor alle ingezetenen. Daarmee bewaarden deze codificaties de algemeenheid van het Romeins Recht die in Europa pas terugkeerde met het Allgemeines Landesrecht in Pruisen (1794) en de Code Napoleon (1804).

    Lepel uit Visigotisch Aquitanië met Latijnse inscriptie (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

    Terug naar Sidonius. Misschien is hij het meest overtuigend als hij zijn eigen culturele standaard als norm neemt en schrijft dat de Visigoten zo goed Latijn spraken en zelfs bereid waren zich te scholen in de letteren.noot Sidonius Apollinaris, Brief 5.17.2 en Brief 8.2.2. Het is tekenend dat de bisschop een gedicht aan Eurik wijdt dat alleen begrijpelijk is als deze heel goed Latijn kon.noot Sidonius Apollinaris, Brief 8.9.

    De Codex Theodoricianus en Codex Euricianus waren geschreven in het Latijn, niet in het Gotisch, wat betekent dat minimaal een deel van de Visigoten de bestuurstaal goed beheerste. Dit wil niet zeggen dat men die taal ook in het dagelijks verkeer benutte, maar het is opmerkelijk dat Sidonius nergens melding maakt van tolken en allerlei mensen met Germaanse namen aanschrijft in het Latijn.

    [wordt vervolgd]

    #arianisme #bisschop #ClermontFerrand #CodexEuricianus #CodexTheodoricianus #Eurik #Fritigern #Gallië #hospitalitas #Latijn #palimpsest #RijkVanToulouse #RogerCollins #RomeinsRecht #SidoniusApollinaris #SynesiosVanKyrene #TheodorikI #TheodorikII #Toulouse #Visigoten

    Welterusten. Hoop ik.

    1 dag rust en dan nog 1 dag de laatste reserves bij elkaar schrapen.

    #Eind #Latijn #BijnaVakantie #Onderwijs

    1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint

    Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

    Het is vandaag 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, de grote kerkelijke vergadering begon die bekendstaat als het Eerste Oecumenische Concilie. Nu zou het zomaar eens kunnen zijn dat u nog nooit een oecumenisch concilie hebt bijgewoond, dus leek het me zinvol eens te vertellen wat er zoal gebeurde. Hoewel de handelingen (actae) verloren zijn gegaan en we dus geen primaire bron hebben, zijn er redelijk wat secundaire bronnen, waarover ik later nog zal bloggen.

    Voorbereidingen

    Uiteraard werden eerst uitnodigingen verstuurd. Toevallig is een zo’n uitnodiging overgeleverd in een in de vijfde eeuw door een Armeense geleerde aangelegde verzameling. Het was Constantijn (en niemand anders) die de bisschoppen uitnodigde, en uitlegde dat de locatie in Nikaia was gekozen omdat de stad voor Italische bisschoppen makkelijk bereikbaar was, omdat er een gunstig klimaat was en omdat hij zelf ook van plan was vanuit Constantinopel langs te komen. De genodigden – zoals gezegd: niet iedereen die zich christen noemde – ontvingen behalve reisvouchers ook de agenda. Die is verloren, maar Eusebios van Caesarea vermeldt dat er reden was om te overleggen over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over bisschoppen die (zoals Meletios van Lykopolis) hun autonomie wilden handhaven en over de kwestie van de paasdatum.

    Vanuit het perspectief van de christenen, traditioneel geleid door autonome bisschoppen, was het, zoals gezegd, wat dubieus dat het concilie zich bevoegd achtte algemeen geldende regels op te stellen. De keizer had, als hoofd van de staatsgodsdienst, dit recht wel. Hij diende zichzelf echter niet aan als pontifex maximus, “hoogste priester”, zijn titel als hoofd van de staatsgodsdienst. In plaats daarvan benutte hij de meer christelijke titel episkopos. Dat woord betekent doorgaans bisschop, maar de oorspronkelijke betekenis was die van opzichter en het lijkt erop dat Constantijn dat heeft bedoeld. Dat hij zich echter met een voor christenen herkenbare titel presenteerde, suggereert een persoonlijke betrokkenheid.

    Evengoed was het uniek dat de keizer ingreep in christelijke aangelegenheden. Om de pil te vergulden, werden christelijke aanwezigen herinnerd aan een precedent: de vergadering in Jeruzalem die staat genoemd in de Handelingen van de apostelen. De apostelen hadden daar hun beslissing genomen “in overeenstemming met de heilige Geest”,noot Handelingen 15.28. en dat zou ook in Nikaia gelden: het mocht dan een keizerlijke ingreep zijn, aangezien er consensus groeide, was evident dat Gods zegen er desondanks op rustte. De Oostenrijkse oudheidkundige Günter Stemberger heeft er overigens op gewezen dat de bevoegdheden van het Concilie van Nikaia feitelijk waren geïnspireerd door het joodse Sanhedrin.

    20 mei 337

    Op 20 mei begonnen in het paleis van Nikaia, zes eeuwen eerder gebouwd door koning Nikomedes I van Bithynië, de voorbereidende besprekingen. Er waren gasten uit de hele wereld, dus niet alleen het Romeinse Rijk: ook uit Mesopotamië en Armenië kwamen bisschoppen.We weten niet precies hoeveel aanwezigen er waren: Eusebios stelt dat het er “meer dan 250” waren, andere auteurs noemen 270, “bijna 300” en zelfs 318. De diverse handschriften van het Synodikon, de lijst van deelnemers, bevatten tussen de 200 en 220 namen.

    De bisschop van Rome, Sylvester I, liet zich vertegenwoordigen door twee priesters. De verklaring is dat de paus al oud was, maar er speelt mogelijk meer: de bisschop van Rome claimde destijds al de eerste onder gelijke bisschoppen te zijn, en zou later het recht opeisen de beslissingen van elke kerkelijke vergadering te mogen bekrachtigen. Het kan zijn dat dit ook Sylvesters positie al was: hij liet anderen debatteren en zei dan na afloop ja of nee. Dataschaarste zijnde dataschaarste valt dit niet precies te weten. Overigens erkende het Concilie van Nikaia het gezag van de bisschop van Rome over alle Latijnse provincies – niet gering.

    Constantijn in Nikaia

    Drie dagen na het begin van de voorbesprekingen arriveerde Constantijn zelf – met alle op effect gerichte fanfare waarmee een antieke vorst zijn onderdanen kon overdonderen. Denk aan trompetgeschal en een presentatie die hem, aldus Eusebios, “deed lijken op hemelse gezant van God”. Het is wonderlijk dat de auteurs van onze bronnen deze epifanie opvatten als uiting van bescheidenheid. Het curieuze argument is dat een keizer traditioneel al op zijn troon zat als de gasten binnenkwamen, en dat het dit keer de bisschoppen waren die al zaten.

    Nu is de keizerlijke aanwezigheid misschien aanleiding tot vragen. In christelijke bronnen staat Constantijns aanwezigheid ook vermeld voor de Synode van Arles (314), hoewel we weten dat hij feitelijk een campagne leidde tegen de Franken. Dat Constantijns aanwezigheid in Nikaia eveneens een vroom verzinsel is, is dus denkbaar, maar we weten uit de wettencollectie die bekendstaat als Codex Theodosianus dat de keizer in deze tijd te Nikaia regelgeving heeft uitgevaardigd. Hij was er zeker.

    Het was óf Eusebios van Caesarea óf Eusthathios van Antiochië die de keizer welkom heette met een gebed voor ’s keizers gezondheid. Constantijn bedankte in het Latijn, de taal die de keizer altijd sprak aan het begin van een officiële plechtigheid. De eigenlijke beraadslagingen waren in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, de moedertaal van de meeste aanwezigen en de taal waarin ook de Latijnse, Armeense en Aramese bisschoppen uit de voeten konden.

    [wordt vervolgd]

    #Aramees #bisschop #CodexTheodosianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #GünterStemberger #GriekseTaal #Latijn #MeletiosVanLykopolis #NikomedesI #primaireBron #Sanhedrin #secundaireBron #SylvesterI #Synodikon

    Nicaea (İznik) - Livius