Wie was Julius Caesar? (2)

Gem met portret van Julius Caesar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

[Tweede deel van de evaluatie aan het einde van mijn reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Het eerste deel was hier.]

Persoonlijkheidscultus

Ik noemde in het vorige blogje het Forum van Caesar. Dat is te lezen als een monument voor de autocratie, maar dat is niet het hele verhaal. Het was althans niet uniek. Machtige tijdgenoten richtten wel vaker zulke monumenten voor zichzelf op, zoals het theater dat Pompeius bouwde. Dat Julius Caesar de godin Venus adopteerde als stammoeder, was in zijn kringen ook de gewoonste zaak van de wereld. Ruim anderhalve eeuw eerder had Scipio Africanus al beweerd een lijntje te hebben met de goden.

Het is ook opvallend dat het vooral de senatoren zijn geweest die Julius Caesar het ene eerbewijs na het andere toekenden. Ploutarchos constateert dat de eerste daarvan, voorgesteld door Cicero, nog wel een zekere betekenis hadden, maar dat het doorsloeg.noot Ploutarchos, Caesar 57. Vaak denken we dat de Romeinen heel krijgszuchtig waren, zoals de Grieken artistiek zouden zijn geweest, de Perzen wreed, en de Feniciërs eeuwige koopvaarders. Die clichés zijn handig voor een eerste kennismaking, maar als je voor de Romeinen een cliché zoekt dat een karaktertrek benoemt die echt correct is, dan zou ik zeggen dat ze de ergste hielenlikkers uit de wereldgeschiedenis zijn geweest. De dictator heeft een paar eerbewijzen afgeslagen en je bent geneigd te denken dat de stroopsmeerderij zelfs Caesar te gortig werd.

Het koningschap

Wat veel over hem zegt, is zijn consequente weigering zichzelf te presenteren als koning. Hij kon boos worden als erop werd gezinspeeld, al deed hij het ook wel af met een grapje. Suetonius vermeldt dat toen mensen hem eens aanspraken als koning, rex, zijn laconieke antwoord was dat hij Caesar heette en geen Rex, pretenderend dat mensen de bijnaam van zijn overgrootvader hadden gebruikt.noot Suetonius, Caesar 79.

Maar hij was aan het einde van zijn leven natuurlijk alleenheerser en toen Suetonius die anekdote opschreef, was “Caesar” als titel heel wat voornamer dan “rex”. Misschien was dat de reden waarom Suetonius de anekdote noteerde: ze kon gelden als voorteken.

Ook Cicero schoof Caesar in de schoenen dat hij koning wilde zijn: “hij wilde koning zijn en werd het”.noot Cicero, Over de plichten 3.21.83. Ik heb niet de contemporaine kennis van een Cicero, maar vermoed dat deze observatie nou net niet waar is. Caesar heeft gezocht naar een constitutionele vorm van alleenheerschappij en dat werd de permanente dictatuur. Hij hechtte aan een zo normaal mogelijke, of een zo normaal mogelijk ogende, vorm van bestuur. En nogmaals: op de dag dat hij stierf waren alle ambten vervuld en functioneerde het staatsapparaat.

Maar tegelijkertijd: niemand heeft Caesar ooit gevraagd de Tweede Burgeroorlog te ontketenen. Hij hoefde zijn ego niet te laten prevaleren ten koste van duizenden gesneuvelde soldaten en honderdduizenden burgers met enorme problemen. In de Aeneis hekelt de dichter Vergilius Julius Caesar vanwege het leed dat hij veroorzaakte toen hij over de Alpen trok en de Tweede Burgeroorlog ontketende.noot Vergilius, Aeneis 6.829-830. Dat appelleert aan wat wij intuïtief denken bij een putschist.

[Wordt vervolgd]

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Cicero #dictator #ForumVanCaesar #GnaeusPompeiusMagnus #JuliusCaesar #koningsideologie #Ploutarchos #PubliusVergiliusMaro #ScipioAfricanus #Suetonius #TweedeBurgeroorlog

Blog-experiment: #RealTimeCaesar

Julius Caesar (Musée des beaux arts, Lyon)

Morgen wordt Julius Caesar vermoord. Als u deze blog dan volgt, kunt u de gebeurtenissen zowat op het kwartier nauwkeurig volgen. Het is de climax van een reeks blogjes die ik ben begonnen in 2020 en die tot en met Caesars begrafenis door gaat, waarop dan een evaluatie van ’s mans optreden volgt. Met een coda, voorzien voor mei, is de reeks #RealTimeCaesar dan echt afgelopen. Als u vandaag voor het eerst inhaakt, kunt u hier een samenvatting lezen van Caesars loopbaan, vindt u daar een overzicht van alle 176 blogjes en kunt u morgenochtend beginnen te lezen over de concrete situatie waarin moord een optie begon te lijken.

#RealTimeCaesar

Ik heb de lezers van deze reeks ruim vijf jaar lang tot op de dag nauwkeurig – en soms zelfs preciezer – laten volgen hoe Caesar tegen de Senaat oprukte, tegenstanders versloeg in Italië, Catalonië, Griekenland, Egypte, Turkije, Tunesië en Andalusië. Zijn relaties tot andere senatoren, zijn literaire productie en zijn bouwwerkzaamheden kwamen ook aan de orde, net als enkele militaire operaties van zijn bondgenoten en tegenstanders. Mijn mening is dat ook iemand die met succes een staatsgreep uitvoert, de staat moet besturen, en dat dit het dominante thema is in het beleid van de dictator.

De real-time-geschiedenis-blog is een vorm van wetenschapscommunicatie die bij mijn weten nooit eerder is beproefd. De dichtstbijzijnde parallel lijkt mij de mogelijkheid die er ooit is geweest om op Twitter e.d. de twee wereldoorlogen in tweetvorm te volgen. Maar een reeks waarin Twitter e.d. werden gebruikt om door te leiden naar speciaal geschreven blogs waarin niet alleen verslag van gebeurtenissen werd gedaan maar ook werd gewezen op methodische problemen, is bij mijn weten iets nieuws.

Wat ik leerde

Het experiment is niet helemaal geslaagd. Ik had stille hoop dat blogjes over Caesar, zijnde een redelijk populair onderwerp, zouden leiden tot meer reacties en vragen. Dat is niet echt gebeurd. Dezelfde mensen die altijd op deze blog reageren, bleven reageren, maar ik heb maar weinig anderen overtuigd dat oude geschiedenis een interessant discussiethema is. Ik heb wel geconstateerd dat de Mainzer Beobachter op “Caesardagen” wat meer lezers had; niet superveel, maar wel merkbaar. Ik was blij met de lezeres die me schreef dat de reeks haar had getoond dat Romeinse geschiedenis minder platgeslagen was dan ze de laatste jaren was gaan denken. Omgekeerd was er de reactie van iemand die vertelde dat dit de blogjes waren die hij oversloeg. Dat is overigens alleen maar logisch: afgezien van de eerste lezer (ook wel bekend als auteur) is er rond deze blog niemand die álles leest.

Als het doel “meer Romeinen met meer informatie en meer verdieping voor meer mensen” was, is dat doel dus slechts gedeeltelijk behaald. Desondanks heb ik plezier gehad en trek ik een conclusie: dit soort grote projecten, die zich uitstrekken over een paar jaar, zijn gewoon mogelijk. De digitalisering van de bronnen is een belangrijke voorwaarde, waaraan inmiddels is voldaan. Historici kunnen gewoon een wetenschapsblog maken over (de kenbaarheid van) de gebeurtenissen in pakweg de Patriottentijd, gedurende de Risorgimento of tijdens het Apolloproject.

Dat was de conclusie waar ook niet-oudheidkundigen hun voordeel van kunnen doen. Ik heb nog wat meer specialistische conclusies.

Wat ik leerde over Caesar

Eén: ik heb geleerd hoe ontzettend belangrijk chronologie is. Sommige gebeurtenissen worden echt begrijpelijker als je de moeite neemt de Romeinse republikeinse kalender om te rekenen naar onze jaartelling. Er zijn twee omrekeningssystemen: dat van Paul Ernst Groebe leek me betrouwbaarder vóór Caesars verblijf in Alexandrië, en dat van Urbain Le Verrier (ja, die) leek me het beste voor de gebeurtenissen daarna. Het lijkt me een mooi scriptieonderwerp voor een student: welk van de twee systemen is, met de kennis van nu, het betere?

Twee: ik leerde ook hoe vreselijk belangrijk de slag bij Munda is geweest. De gevechten waren grootschaliger en bloediger dan die bij Farsalos, waarvan je steeds leest dat dat het beslissend gevecht is geweest. Ik heb een theorie: die inschatting, fout als ze is, is ingegeven doordat (a) Caesars tegenstander bij Farsalos, Pompeius, beter bekend is dan zijn tegenstanders bij Munda, en (b) doordat de slag bij Farsalos prominent figureert in het onvoltooide gedicht van de Romeinse auteur Marcus Annaeus Lucanus. Maar hoe zou ons geschiedbeeld eruit hebben gezien als dat verder was gegaan tot Munda? Dit is volgens mij geen eens losse speculatie, want Lucanus is afkomstig uit de streek van Munda. Opnieuw: een mooi onderwerp voor een scriptie.

Drie: onze bronnen vermelden vaak dat er geruchten waren dat Caesar koning wilde worden. Dat klinkt op het eerste gezicht aannemelijk, omdat later Augustus werkelijk de monarchie stichtte. Ik denk echter dat het simpelweg niet waar is. Caesar was te groot voor dat: hij was geen Ambiorix, geen Vercingetorix, geen Ptolemaios, geen Farnakes, geen Juba, geen Bogud. De Senaat van Rome liet bezoekende koningen antichambreren vóór ze werden toegelaten tot de Senaatszaal. Caesar loste zijn constitutionele probleem niet op door het koningschap maar door de eeuwige dictatuur. En toen duidelijk werd dat hij een oplossing had gevonden, werden de messen geslepen.

Vanavond om 19:00 meer.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #bloggen #chronologie #dictator #GnaeusPompeiusMagnus #JuliusCaesar #koningschap #MainzerBeobachter #MarcusAnnaeusLucanus #monarchie #slagBijMunda #UrbainLeVerrier #wetenschapsblog

Spartacus (1)

Gladiatoren op een Italiaans reliëf uit de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr. (Glyptotheek, München)

[Tweede van vier stukjes over de slavenopstand van Spartacus. Het eerste was hier.]

We hebben twee bronnen over de opstand van Spartacus. Ploutarchos (46-c.122) beschrijft de oorlog in zijn Leven van Crassus, en een generatie later vertelt Appianus het verhaal in zijn Geschiedenis van de Burgeroorlogen. Omdat beiden min of meer dezelfde gebeurtenissen in dezelfde volgorde beschrijven, is het verleidelijk om een gedeelde bron achter hun verhalen aan te nemen, waarschijnlijk de (grotendeels verloren) Historiën van Sallustius of (iets minder waarschijnlijk) de verloren boeken 95, 96 en 97 van het geschiedwerk van Titus Livius. Het lijkt er daarbij op dat Appianus zijn verslag wat heeft ingekort, terwijl Ploutarchos verschillende verhalen over Spartacus’ wreedheid heeft weggelaten.

In 73 v.Chr. wisten achtenzeventig gladiatoren te ontsnappen uit de school van een zekere Gnaeus Lentulus Batiatus te Capua. Volgens Ploutarchos waren ze bewapend met niet meer dan keukengerei, maar al snel bemachtigden ze echte wapens. Van nu af aan waren ze zwaar bewapend en ze trokken zich in eerste instantie terug op een berg. Appianus vertelt ons dat dit de Vesuvius was.

Spartacus, Oinomaos en Krixos

Hij voegt toe dat de gladiatoren drie leiders kozen: Spartacus, Oinomaos en Krixos. Waarschijnlijk vertegenwoordigden zij etnische groepen: Thraciërs, Grieken en Germaan of Kelten. Volgens Ploutarchos

was Spartacus een Thraciër uit een nomadische stam. Hij was niet alleen dapper en sterk, maar was ook veel intelligenter en beschaafder dan je op grond van zijn lot zou hebben verwacht. Eigenlijk leek hij meer op een Griek dan op een Thraciër.

Twee kanttekeningen. Eén, “een Thraciër uit een nomadische stam”: ἀνὴρ Θρᾷξ τοῦ Νομαδικοῦ γένους. Plausibeler is τοῦ Μαιδικοῦ γένους, “een Thraciër uit de Maidische stam”. Een stam in het zuidwesten van het huidige Bulgarije, veertien jaar eerder door de Romeinen onderworpen. Twee, de intelligente barbaar is een gekend klassiek cliché. Van elke niet-Griek of Romein die iets bijzonders had gedaan, zei men dat hij intelligent was – voor een barbaar dan. Andere bronnen zeggen dat Spartacus zoveel succes had omdat hij ooit had gevochten in de Romeinse hulptroepen.

Al vroeg moeten weggelopen slaven en herders zich bij de gladiatorenbende hebben aangesloten. Weliswaar vermelden onze bronnen dit pas in een later stadium, maar alleen door een eerdere groei van de schare aan te nemen, valt te verklaren hoe de gladiatoren de militie konden overwinnen die de autoriteiten in Capua uitstuurden om af te rekenen met de weglopers. Het voornaamste resultaat van die operatie was dat de gladiatoren nu over nog meer echte wapens beschikten. Hun aantal groeide snel, omdat, zoals Appianus ons vertelt, Spartacus de buit eerlijk verdeelde.

Glabers expeditie

Rome moest nu ingrijpen, met grotere middelen dan waarover Capua kon beschikken. De Senaat stuurde propraetor Gaius Claudius Glaber met een leger van 3.000 pas gerekruteerde en slecht getrainde soldaten. Wellicht onderschatte men de gladiatoren op de Vesuvius, maar het is ook denkbaar dat Rome geen sterkere troepenmacht sturen kon. De Republiek was namelijk verwikkeld in twee grote oorlogen: generaal Pompeius streed in Hispania tegen Sertorius en generaal Lucullus was verwikkeld in een oorlog tegen koning Mithridates VI Eupator van Pontus, ver in het oosten. In de stad zelf was het bovendien onrustig doordat, mede door deze oorlogen, het graan schaars was geworden.

Hoewel hij een klein en ongetraind leger had, kwam Claudius Glaber dicht bij succes. Hij isoleerde de gladiatoren op een met wijnranken begroeide heuveltop, waar het leek alsof de belegerden kansloos waren. Ze maakten echter ladders van de wijnranken, daalden ’s nachts van de heuvel af en slaagden erin achter de vijandelijke linies te komen. De Romeinse soldaten raakten in paniek en vluchtten, waarna de gladiatoren het verlaten kamp plunderden. Wéér hadden ze wapens in handen gekregen, die ze konden uitdelen aan de weggelopen slaven die zich bij hen hadden gevoegd.

Varinius’ expeditie

Nu organiseerde Rome een tweede expeditie tegen de gladiatoren, ditmaal onder bevel van praetor Publius Varinius. Om onbekende redenen verdeelde hij zijn troepen, die gemakkelijk konden worden verslagen door gladiatorenleger. Het was vernederend. Varinius verloor het paard waarop hij reed, zijn lijfwachten werden gevangen genomen en Spartacus toonde hun fasces in zijn kamp.

De Romeinse auteur Publius Annius Florus, die een Samenvatting van Livius’ grote geschiedwerk publiceerde, vermeldt dat het leger van gladiatoren en slaven tekeer ging in Nola, Nuceria, Thourioi en Metapontion. De twee eerste steden liggen aan de voet van de Vesuvius, de andere twee in zuidelijk Italië. De herders uit deze streek, echte cowboys, sloten zich aan bij het leger van Spartacus. Van nu af aan kon hij ook cavalerie inzetten.

[Het bloedvergieten gaat morgenmiddag verder.]

#Appianus #Capua #GaiusClaudiusGlaber #gladiator #GnaeusLentulusBatiatus #GnaeusPompeiusMagnus #Krixos #MithridatesVIEupator #Periochae #Ploutarchos #PubliusAnniusFlorus #PubliusVarinius #slavernij #Spartacus #Thourioi #Vesuvius

Castor en Pollux in Rome (2)

De tempel van Castor en Pollux op de Forma Urbis (Nationaal Museum, Rome)

In het vorige stukje vertelde ik dat een generaal genaamd Postumius de tempel voor Castor en Pollux beloofde en dat zijn zoon die inwijdde. Archeologen hebben restanten teruggevonden van het heiligdom dat de Postumii bouwden. Ze hebben vastgesteld dat het podium waarop het heiligdom stond ongeveer even groot was als het enorme podium dat nu is te zien. Verder groeven ze een deel van de decoratie op, waarvan aannemelijk is dat het behoorde tot deze eerste bouwfase. Het moet voor Latijnse bezoekers, die ongetwijfeld vaak in Rome kwamen, pijnlijk zijn geweest te zien dat hun nederlaag met zo’n grandioos bouwwerk werd herdacht.

De bouwers gaven een vergelijkbaar politiek signaal af aan de Romeinse bevolking: dit was immers een cultus van aristocraten, die de massa’s duidelijk maakten dat zij sinds de val van de monarchie de macht in handen hadden. Het volk vergat het niet: de Postumii werden met dodelijke haat verafschuwd en we kennen anekdotes over generaals die werden gestenigd door hun manschappen. Het is maar een detail uit het conflict dat in de vijfde en vierde eeuw v.Chr. woedde en bekendstaat als de Standenstrijd.

Castor en Pollux als beschermers van de ruiterij (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Latere verschijningen

Ruim drie eeuwen later deden Castor en Pollux opnieuw dienst als bode. Volgens Valerius Maximus, een verzamelaar van historische anekdotes, brachten ze in 168 v.Chr. het nieuws van de slag bij Pydna:

Tijdens de Macedonische Oorlog meende Publius Vatienus, een man uit het district van Rieti die ’s nachts op weg was naar Rome, dat twee goedgebouwde jongemannen op schimmels hem tegemoetkwamen en hem opdroegen te melden dat Lucius Aemilius Paullus de voorafgaande dag koning Perseus had gevangengenomen. Toen hij dit aan de Senaat had verteld, werd hij in de cel geworpen omdat hij met zijn ijdele praatjes de hoogheid en het aanzien van het college had geschonden. Toen echter uit Paullus’ rapport bleek dat hij die dag Perseus inderdaad gevangengenomen had, werd Vatienus uit het gevang bevrijd en werd hem bovendien land en een belastingvrijstelling geschonken.

Een beeldengroep, vervaardigd in de jaren zestig van de tweede eeuw v.Chr., lijkt te horen bij bouwwerkzaamheden van kort na de slag bij Pydna. De beelden zijn te zien in het Antiquarium van het Forum.

Castor en Pollux en hun paarden (Antiquarium Forense, Rome)

Florus, een geschiedschrijver uit de Keizertijd, vertelt dat de Tweelingen in 101 v.Chr. meldden dat Marius de Kimbren had verslagen:

Het Romeinse volk ontving het zo vreugdevolle en zo gelukkige nieuws dat Italië was bevrijd en het imperium gered niet, zoals gewoonlijk, uit mensenhanden, maar, zo moeten we geloven, van de goden zelf. Want op de dag waarop de veldslag plaatsvond, is gezien hoe jongelingen bij de tempel van Castor en Pollux het overwinningsbericht overhandigden aan de praetor.

Na een restauratie in 74 v.Chr. schonk Pompeius de tempel een schilderij van zijn maîtresse Flora. Erg dankbaar betoonden de Tweelingen zich niet, want toen ze in 48 v.Chr. weer verschenen, was het om Pompeius’ nederlaag (en Caesars overwinning) bij Farsalos te melden.

Keizertijd

In 9 v.Chr. brandde het gebouw af, zodat keizer Augustus het moest herbouwen. Dat deed hij graag, want hij wilde de ridderstand zijn militaire rol teruggeven. Het leek Augustus een aardig idee de tempel te laten inwijden door zijn kleinzoons Gaius en Lucius: de zonen van Julia waren, net als Castor en Pollux, onafscheidelijke broers. Helaas stierven de jongens voordat de nieuwbouw was voltooid. Daarom werd de cultusplaats in 6 na Chr. ingewijd door Augustus’ opvolger Tiberius, mede uit naam van diens broer Drusus. Menigeen zal vreemd hebben opgekeken, want Drusus was overleden na een val van zijn paard.

Het hoge platform dat momenteel is te zien, behoort bij deze bouwfase. Daarboven stond het heiligdom zelf, waarvan dus drie opvallende zuilen resteren. Aan de voorkant was een sprekerspodium dat, net als het podium bij het Senaatsgebouw, was versierd met scheepsstevens. De trappen lagen daarom aan de zijkant, tot keizer Septimius Severus de opgang verplaatste naar de voorkant en het sprekerspodium verwijderde.

Onder de tempel waren enkele vertrekken, die waarschijnlijk werden gebruikt door het Romeinse ijkbureau. Andere kamers dienden als kluis. Vóór de tempel stonden de beelden van Castor en Pollux. Volgens Cassius Dio brachten ze keizer Caligula op een idee:

Hij liet de tempel van de Tweelingen op het Forum Romanum in Rome in tweeën delen door er dwars doorheen een ingang naar zijn paleis te maken, midden tussen de twee standbeelden door. Op die manier, zei hij steeds, konden de Tweelingen als zijn poortwachters fungeren.

De bron van Juturna

Misschien nog interessant om te weten: in de omgeving van de tempel van Castor en Pollux bevinden zich de Bron van Juturna, waar de Tweelingen hun paarden steeds drenkten, het christelijke Oratorium van de Veertig Martelaren en de Santa Maria Antiqua. Ze zijn alle drie jarenlang niet te bezichtigen geweest, maar inmiddels wel. Ik heb ze twee jaar geleden voor het eerst gezien en het was het wachten waard: de fresco’s zijn adembenemend mooi.

#BronVanJuturna #Caligula #CassiusDio #CastorEnPollux #Drusus #ForumRomanum #GaiusCaesar #GaiusMarius #GnaeusPompeiusMagnus #JuliusCaesar #Kimbren #Latijnen #LuciusCaesar #PubliusAnniusFlorus #Pydna #Rome #SeptimiusSeverus #slagBijFarsalos #Standenstrijd #Teutonen #Tiberius #ValeriusMaximus

XXII Deiotariana, het Galatische legioen

Legionairs van XXII Deiotariana werkten mee aan de bouw van het aquaduct van Alexandrië (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Van alle legioenen uit het Romeinse leger van de keizertijd heeft het Tweeëntwintigste Deiotariana de interessantste voorgeschiedenis. Die begint in de derde eeuw v.Chr., als groepen Keltische migranten, de Galaten, Anatolië binnentrekken. Een van die groepen stond bekend als de Tolistobogii, wat in het Gallisch misschien zoiets betekent als “zij die er graag op los slaan” zou kunnen betekenen. De groep vestigde zich ten westen van het huidige Ankara, rond Pessinos. Daar nam ze al snel de hellenistische cultuur over.

Het legioen van Deiotaros

Rond 70 v.Chr. was de leider van de Tolistobogii een zekere Deiotaros, wat “goddelijke stier” betekent (deiuo-tauros). Zijn bijnaam Filoromaios, “Romeinenvriend”, spreekt boekdelen. Hij vocht loyaal met generaals als Lucullus en Pompeius mee tegen Mithridates VI Eupator van Pontus. In 63 werd hij erkend als leider van alle Galatische groepen en was hij feitelijk de Romeinse zetbaas in Centraal-Anatolië. Zoals in die tijd gebruikelijk schoeide hij zijn leger op Romeinse leest. Er waren altijd wel Romeinse veteranen die als adviseurs wilden dienen. Het Galatische leger zou hebben bestaan uit 2000 ruiters en 12.000 man infanterie, verdeeld over dertig cohorten. Het equivalent van drie Romeinse legioenen.

Ze konden laten zien wat ze waard waren toen de Romeinen tegen zichzelf verdeeld raakten in de Tweede Burgeroorlog. Julius Caesar nam het op tegen de Senaat en versloeg zijn tegenstanders in 48 v.Chr. bij Farsalos. Vervolgens belandde hij in Alexandrië in een Ptolemaïsche burgeroorlog, die hij pas na vele maanden met succes wist af te ronden. Profiterend van de Romeinse verdeeldheid, keerde de zoon van Mithridates, Farnakes II, terug naar Anatolië. Deiotaros deed wat hem werd verwacht: met de lokale Romeinse leider Domitius Calvinus trok hij ten strijde – en werd verslagen. Hij hergroepeerde de overlevenden in één legioen, dat zich in de zomer van 47 v.Chr. schaarde zich aan de zijde van Caesar. Die kwam, zag en overwon op 2 augustus van dat jaar: de slag bij Zela. Het legioen van Deiotaros had zich bewezen.

Augustus’ legioen

Deiotaros overleed enkele jaren later, vermoedelijk in 40 v.Chr., maar zijn leger bleef bestaan. In 25 v.Chr. annexeerde keizer Augustus Galatië. Gouverneur Marcus Lollius integreerde het legioen nu in het Romeinse leger. De eenheid heette voortaan legioen XXII Deiotariana. Het nummer moet zijn gekozen omdat het totale aantal legioenen tot dan toe eenentwintig bedroeg. De bijnaam spreekt vanzelf.

XXII Deiotariana werd overgeplaatst naar Alexandrië, waar het meer dan een eeuw zou blijven. Het precieze moment van de overplaatsing is niet bekend, maar de oudste Egyptische documentatie dateert uit 8 v.Chr. Het Tweeëntwintigste deelde zijn basis met III Cyrenaica.

Het legioen had een afwijkende bevelstructuur. Augustus had bepaald dat geen enkele senator Egypte mocht bezoeken zonder zijn toestemming. Het land was te belangrijk voor de Romeinse voedselvoorziening en een senator zou in de verleiding kunnen komen de graantoevoer stop te zetten, Rome uit te hongeren en zichzelf uit te roepen tot keizer. Daarom stond XXII Deiotariana niet onder bevel van een senator, maar van een prefect uit de ridderstand.

Operaties

Soms moesten de Alexandrijnse legioenen de etnische conflicten in de stad, met Griekse en Egyptische en Joodse minderheden, met geweld onderdrukken. Een beschrijving van een uitbarsting van zo’n conflict vindt u hier.

Andere operaties vonden plaats buiten Egypte. Het is mogelijk dat XXII Deiotariana al deelnam aan de Romeinse aanval op Arabia Felix (Jemen) in 26-25 v.Chr., dus meteen na de annexatie van Galatië. Deze campagne verliep erg moeizaam. Erger nog, tijdens de afwezigheid van het Romeinse garnizoen in Egypte viel het Nubische koninkrijk Meroë Boven-Egypte aan. In 24 namen de Romeinen wraak. Onder bevel van Gaius Petronius marcheerden de legioenen stroomopwaarts langs de Nijl en bereikten Napata, de noordelijke hoofdstad van Nubië. Hoewel hun aanwezigheid niet is gedocumenteerd, kunnen soldaten van XXII Deiotariana aan deze campagne hebben deelgenomen.

Tot de meer vreedzame taken waarvoor documentatie bestaat, behoorde de constructie van een gebouw in Akfahas, ten zuiden van Memfis. Legionairs werkten ook in de steengroeven van Mons Claudianus, waar grijs graniet werd gewonnen. Andere mannen werden naar het uiterste zuiden gestuurd, waar ze hun handtekening achterlieten op de Memnonkolossen.

In 63 nam een ​​onderafdeling deel aan de Parthische expeditie van Domitius Corbulo, terwijl een andere onderafdeling vocht in de Joodse Oorlog van 66-70. De Joodse historicus Flavius ​​Josephus prijst de moed van de soldaten van het Alexandrijnse legioen. Tijdens de burgeroorlog van 69 kozen XXII Deiotariana en III Cyrenaica de kant van de pretendent Vespasianus, die keizer werd.

Verdwijning

Het legioen wordt voor de laatste keer vermeld in 119 (of misschien 123), toen het zich nog in Alexandrië bevond. Het wordt niet langer vermeld tijdens het bewind van keizer Marcus Aurelius. Mogelijk hebben de Joden het Tweeëntwintigste Legioen Deiotariana in de vroege jaren 130 vernietigd tijdens de opstand van de messiaanse leider Bar Kochba, maar dit is vooralsnog niet bewezen.

#AlexandrijnseOorlog #Ankara #Augustus #BarKochba #Deiotaros #FarnakesII #FlaviusJosephus #GaiusPetronius #Galaten #GnaeusDomitiusCalvinus #GnaeusDomitiusCorbulo #GnaeusPompeiusMagnus #IIICyrenaica #JoodseOorlog #JuliusCaesar #legioen #LuciusLiciniusLucullus #Memnonkolossen #Meroë #MithridatesVIEupator #Napata #NikopolisInArmenië #Pessinos #PontischeOorlog #RomeinsLeger #RomeinsParthischeOorlog #slagBijZela #Tolistobogii #TweedeBurgeroorlog #Vespasianus #XXIIDeiotariana

Titus Livius (4): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

[Vierde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

Avaritia & crudelitas

Ik was vanmorgen begonnen met een samenvatting van het geschiedwerk van Titus Livius en had de tweede eeuw v.Chr. bereikt. Nu volgt het conflict tussen twee rivaliserende Romeinse staatslieden: Marius en Sulla. De boeken 66-70 gaan over de opkomst van Marius en worden gevolgd door zes boeken over de Bondgenotenoorlog, waarin de Romeinen moeten vechten tegen hun Italische medestanders, die burgerschap eisen. Na een Romeinse zege voeren de Romeinen oorlog tegen koning Mithridates van Pontus, zonder hem te overwinnen. Generaal Sulla neutraliseert het probleem, keert terug naar Italië en bestuurt de republiek als dictator.

Dit deel van de geschiedenis van Rome vanaf de oprichting, dat de verdeeldheid van de Romeinse elite hekelt en eindigt met de dood van Sulla, werd waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling gepubliceerd. De Periochae maken duidelijk dat Livius vaak aangaf dat politieke vraagstukken werden opgelost per vim, “met geweld”. Andere terugkerende begrippen zijn avaritia en crudelitas, “gierigheid” en “wreedheid”. Het was dus geen opbeurende lectuur, al zal Livius hebben opgemerkt dat met Augustus alles beter was geworden.

De ondergang van de Republiek

De boeken 91-105, gepubliceerd rond 5 na Chr., gaan over de opkomst van Pompeius, Crassus en Julius Caesar. We vernemen hoe de jonge Pompeius met succes vecht tegen de rebellenleider Sertorius in Hispania, zich bindt aan Crassus en consul wordt, en later vecht tegen de Cilicische piraten, Mithridates en de Joden. Hierop volgt de formatie van het Eerste Driemanschap, door Livius getypeerd als “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Caesars sensationele Gallische oorlog eindigt met een climax: de Romeinen steken in Boek 105 niet alleen de Rijn maar ook het Kanaal over.  Deze ontknoping suggereert dat Livius’ boodschap was dat Romeinen, als ze hun verdeeldheid maar overwonnen, de grootste dingen konden bereiken. Het is interessant dat Boek 104 een digressie heeft gehad geweest over Germaanse gewoonten, wat suggereert dat Livius de rapporten heeft gelezen van de Romeinse generaals Drusus en Tiberius.

De volgende decade gaat over de staatsgreep van Caesar. Boek 106 begint met de dood van Julia, Caesars dochter en de echtgenote van Pompeius. Vanaf nu zijn de harmonieuze relaties tussen de Romeinse leiders verdwenen. Ramp volgt op een ramp. De Belgische leider Ambiorix verslaat de legioenen van Caesar en de Parthische commandant Surena verslaat de soldaten van Crassus in Carrhae. Er is onrust in Rome, Caesar wordt verslagen bij Gergovia, en hoewel hij in Boek 108 de Galliërs verslaat, verslechtert zijn relatie met Pompeius nog verder. De Tweede Burgeroorlog breekt uit. Ik citeerde in een eerder blogje al Livius’ jeugdherinnering aan een waarzegger die in Padua de uitkomst van de slag bij Farsalos “zag”. Boek 115, waarschijnlijk gepubliceerd in 8 na Chr., eindigt met Caesars viervoudige triomf. Het moet bemoedigend zijn geweest voor Livius’ tijdgenoten, die net ernstige militaire tegenslagen in Illyricum hadden geleden.

Boek 116 begint met het complot tegen Caesar. Livius’ oordeel over de dictator: “Het valt niet uit te maken of het beter was voor de republiek dat Caesar werd geboren of dat beter was geweest als hij nooit was geboren.” De hele pentade (dus de boeken 116-120) beschrijft dan het conflict tussen Marcus Antonius en Octavianus. Vijf boeken is veel ruimte voor slechts twee jaar, maar Padua, waar Livius is geboren, speelde in deze oorlog een rol en Livius had het meegemaakt. Hij zal de gebeurtenissen belangrijker hebben gevonden dan wij. Boek 120 beschrijft hoe de twee kemphanen met Lepidus het Tweede Driemanschap sluiten.

Augustus

Livius publiceerde deze pentade in ca.10 na Chr. en het is mogelijk dat hij opnieuw benadrukte dat heersers samenwerken, een thema dat in deze jaren steeds belangrijker was in de Augusteïsche propaganda. Uit deze jaren stamt een tempel voor Concordia en ook werd Tiberius ingewerkt als opvolger.

Maar ook al stemde Titus Livius in met de heerschappij van Augustus, hij wilde ook niet ontkennen dat diens regering met geweld was begonnen. Moderne oudheidkundigen wijzen wel op de opmerking in de Periochae dat Boek 121 en de volgende boeken zijn gepubliceerd “na de dood van Augustus”. Dat hoeft niet te betekenen dat Livius censuur vreesde; hij lag ongeveer op schema.

De boeken 121-133 vertellen over de oorlog van de Driemannen tegen Brutus en Cassius, culminerend in de Dubbele veldslag bij Filippoi (Boek 124). Daarop volgen Marcus Antonius’ oorlog tegen de Parthen (Boek 128) en Octavianus’ oorlogen tegen Sextus Pompeius en in Illyricum. Lepidus verdwijnt van het toneel (Boek 129) en Marcus Antonius ontmoet Kleopatra. De Zeeslag bij Aktion rondt het verhaal af.

Misschien was dit het oorspronkelijke eindpunt van Livius’ project. Hij was ooit begonnen met een geschiedenis van Rome, en had nu het moment bereikt waarop hij zich aan dat werk had gezet. Hij had toen gedacht dat na de burgeroorlogen een ethisch reveil mogelijk was. De Romeinse wereld was inderdaad vreedzamer geworden, maar hij moet hebben opgemerkt dat de republiek, met zijn publieke debatten, was veranderd in een monarchie, waar beslissingen werden genomen door één man. En in het geheim.

Livius was daardoor niet in staat iets te produceren zoals de voorgaande drieëndertig boeken, waarin hij vierentwintig jaar had beschreven. Na boek 134 verviervoudigt het tempo van zijn verhaal: hij beschrijft tweeëntwintig jaar in slechts negen boeken. Het verhaal was nu heel anders dan het voorafgaande en het is mogelijk dat Livius zijn belangstelling begon te verliezen. Het is waarschijnlijk dat boek 134 begon met de woorden van fragment 58:

Ik heb inmiddels genoeg roem verdiend en zou een punt achter mijn geschiedwerk kunnen zetten, maar mijn rusteloze geest voedt zich met het schrijven.

Titus Livius bleef dus schrijven. De Periochae van de laatste boeken zijn zeer kort en suggereren niet dat het opwindende lectuur was. Dat was niet Livius’ schuld. De tijden waren aan het veranderen. De trieste paradox van de geschiedschrijving is immers dat alleen oorlogen en rampen materiaal leveren voor een boeiend narratief. Als de laatste boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad wat saai waren, was het omdat Livius tot zijn geluk niet leefde in interessante tijden.

[wordt morgenochtend vervolgd]

PS

Het hing al een tijdje in de lucht, maar de universiteit van Cardiff sluit inderdaad alle oudheidkundige opleidingen. Een nieuwe bijdrage aan het lijstje hier.

#antiekeGeschiedschrijving #Augustus #DerdeBurgeroorlog #digressie #EersteDriemanschap #GaiusMarius #GallischeOorlog #GnaeusPompeiusMagnus #JuliaI #JuliusCaesar #KlassiekeGeschiedschrijvers #LuciusCorneliusSulla #MarcusLiciniusCrassus #MithridatesVIEupator #Octavianus #ParthischeRijk #Periochae #slagBijFarsalos #Tiberius #TitusLivius #TweedeBurgeroorlog #TweedeDriemanschap

De slag bij Farsalos (3)

De vlakte van Farsalos

[Derde deel van het verslag over de slag bij Farsalos. Het eerste was hier.]

De wijze waarop de antieke auteurs de spanning voor opdrijven voordat ze de slag bij Farsalos beschrijven, is alleszins begrijpelijk. Het was bepaald geen uitgemaakte zaak wie het gevecht en de Tweede Burgeroorlog zou winnen. Aan de ene zijde de Senaat met als opperste generaal Pompeius. Dit leger was niet alleen getalsmatig sterker, maar had bovendien nog maar kort geleden bij Dyrrhachion de overwinning geboekt. Het was goed gemotiveerd.

Aan de andere zijde stond Caesar, met een kleiner leger, nog onlangs verslagen. Het bestond echter uit veteranen, die bovendien wisten dat het er vandaag op aan zou komen. Als ze opnieuw zouden verliezen, was er geen enkele hoop – niet op een eindzege, zelfs niet op een rustige oude dag. Pompeius’ ondercommandanten, zoals Titus Labienus, hadden immers krijgsgevangenen laten executeren. Dat zullen wel mensen zijn geweest die het burgerrecht hadden verworven onder de Lex Roscia, maar ook voor “oude” Romeinse burgers leek capitulatie levensgevaarlijk. Men moest winnen, zo simpel.

Caesars eigen woorden

We zullen vandaag Julius Caesar zelf zoveel mogelijk aan het woord laten. Hij is onze uitgebreidste bron, hij was ooggetuige, en latere bronnen volgen hem. Ook moest hij, eenmaal alleenheerser, samenwerken met zijn voormalige tegenstanders. Hij kon ze niet typeren als laf of oneervol. Caesar zal als bron niet 101% betrouwbaar zijn, maar bij zijn verslag wist hij zich gehouden aan grenzen aan zijn vertekening.

Er zijn andere verslagen geweest, en het is belangrijk te constateren dat een Titus Livius pompeiaanse sympathieën zou hebben gehad, maar dit deel van Livius’ geschiedwerk is verloren gegaan, net als zijn bronnen. Wat latere auteurs hebben te melden, kan heel goed via een Livius teruggaan op een door hem geraadpleegd pompeiaans ooggetuigenverslag, maar we kunnen dat niet langer weten. Caesar schrijft (in de vertaling van Hetty van Rooijen):

Toen Caesar zijn troepen volgens krijgsgebruik tot de strijd aanspoorde, legde hij de nadruk op alles wat hij voor hen had gedaan. Hij wees er vooral op dat de soldaten voor hem konden getuigen hoe hardnekkig hij naar vrede had gestreefd … Nooit had hij nodeloos bloed van soldaten vergoten en evenmin had hij de staat van een van beide legers willen beroven. (Burgeroorlog 3.90)

Wat ik uit dit citaat heb weggelaten (op de …) is de vermelding van de diverse pogingen tot onderhandeling. Ik denk dat Caesar die alleen opnam in zijn verslag om zijn senatoriële lezers eraan te herinneren. Op de dag van Farsalos zal hij beknopter zijn geweest, want hij moet zijn praatje enkele keren hebben afgestoken, vier keer bij de vier cohorten die van elk van de negen legioenen de eerste linie vormden. Zesendertig toespraken dus, en ook nog een praatje bij de ruiterij op de rechtervleugel.

Crastinus

In Caesars verslag komen diverse officieren voor, die vaak woorden in de mond gelegd krijgen waarmee Caesar zichzelf indirect lof toezwaait. Die woorden kunnen heel goed werkelijk gesproken zijn, maar Caesar selecteert ze natuurlijk niet zonder reden.

In Caesars leger bevond zich de vrijwillig opgekomen veteraan Crastinus, die het jaar ervoor bij hem eerste centurio van het Tiende Legioen was geweest, een buitengewoon moedig man. Hij zei, toen het signaal was gegeven: “Mannen …, volg mij, en zet je in voor je bevelhebber, zoals je beloofd hebt! Alleen dit gevecht is nog over; daarna zal hij zijn oude aanzien terugkrijgen en wij onze vrijheid!”

En met een blik naar Caesar zei hij: “Bevelhebber, vandaag zal ik ervoor zorgen dat u mij bij leven of na mijn dood dankbaar kunt zijn!” Na deze woorden stormde hij als eerste uit de rechtervleugel vooruit, gevolgd door ongeveer honderdtwintig keursoldaten van de vrijwilligers. (Burgeroorlog 3.91)

Voor wie het nog niet door mocht hebben: als Caesar zegt dat iemand “buitengewoon moedig” was, heeft hij het meestal ook over loyaliteit.

[De strijd barst over een uur los. Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #GaiusCrastinus #GnaeusPompeiusMagnus #Griekenland #JuliusCaesar #slagBijFarsalos #Thessalië #TweedeBurgeroorlog #XGemina

Het einde van de Romeinse Republiek (2)

Een betere foto van Dyrrhachion heb ik niet

[Gisteren beschreef ik hoe Julius Caesar de aanval opende op de Romeinse Republiek, waar de Senaat Pompeius het oppercommando had toegekend.]

Het implosie van de Romeinse Republiek

De verovering van Italië was een simpele zaak. Zoals Titus Livius het verwoordde bestormde Caesar de wereld met het Dertiende Legioen, waarvan de soldaten aan hun negende dienstjaar begonnen. Pompeius beschikte over twee legioenen, die allebei ooit deel hadden uitgemaakt van Caesars Gallische leger: het Eerste, dat op het punt stond af te zwaaien, en het Vijftiende. Toen een groot deel van laatstgenoemde eenheid overliep naar de invaller, kon Pompeius niet anders doen dan Italië ontruimen en zich terugtrekken in het oosten. De Romeinse Republiek was geïmplodeerd. Wat resteerde was een conflict tussen twee generaals.

Caesar nam Rome in en analyseerde de situatie: Pompeius’ troepen waren in Spanje zonder generaal en Pompeius was in het oosten zonder troepen. Caesar lichtte niet minder dan vijftien nieuwe legioenen, stuurde ze als garnizoen naar Gallië en trok zelf naar Spanje, waar hij met zijn oude Gallische legioenen de Pompeianen versloeg. Tegelijk trok een van zijn ondercommandanten met het overgelopen deel van het Vijftiende en het nieuwe Zestiende naar Afrika, maar dit leger werd vernietigd door de troepen van de Senaatsgetrouwe gouverneur. Aan het eind van het jaar was Caesar terug in Italië, zag tussen de bedrijven door kans enkele economische maatregelen te nemen en lichtte nog eens vier legioenen. In het volgende jaar, 48 v.Chr., voegde hij er nog eens zeven aan toe, zodat alle nummers tot en met drieëndertig waren vertegenwoordigd, behalve XV en XVI.

Caesar deed verslag in zijn Aantekeningen bij de Burgeroorlog. Anders dan in zijn Aantekeningen bij de oorlog in Gallië kan de auteur dit keer zijn emoties niet altijd verbergen. Hoewel het te ver zou gaan de Oorlog in Gallië als objectief te beschouwen, heeft de auteur vaak een goed woord over voor zijn tegenstanders. De Burgeroorlog is een heel ander werk, waarin één boodschap centraal staat: niet Caesar maar de conservatieve senatoren waren verantwoordelijk voor de escalatie. Ook stelt hij voortdurend zijn eigen vergevingsgezindheid tegenover de onverzoenlijkheid en wreedheid van zijn vijanden.

De situatie in het oosten

Intussen was Pompeius in de hoofdstad van Macedonië, Thessaloniki, begonnen met het bijeenbrengen van een enorm leger, dat groot genoeg was om Caesar te dwingen nog in december met zeven legioenen over te steken naar de kust van het huidige Albanië. Hoe eerder hij ter plekke was, hoe groter de kans dat hij een verdere troepenopbouw kon verhinderen. Caesar liep regelrecht in de val die Pompeius had gezet: toen hij had ontscheept en zijn vloot was begonnen aan de terugkeer, verschenen de vijandelijke legioenen en vloot ten tonele. De laatste versloeg Caesars schepen en Pompeius’ legioenen blokkeerden hun tegenstander, maar Caesar was allerminst uit het veld geslagen. Snel marcheerde hij naar Pompeius’ basis Dyrrhachion (het huidige Dürres), slaagde er zelfs in Pompeius vast te zetten op de kust en begon een belegeringswal aan te leggen om diens kamp.

Ook al slaagde Marcus Antonius erin Caesar in de winter te versterken met vier extra legioenen, Pompeius verkeerde in een betere positie, want hij kon zich met behulp van zijn superieure vloot bevoorraden, en dat kon zijn tegenstander niet. Maar Pompeius hoefde het niet eens op een uitputtingsslag te laten aankomen, want tijdens een nachtelijke aanval brak hij door de linies van Caesar. Toen die zijn nederlaag onder ogen zag, marcheerde hij meteen het binnenland in, naar Thessalië. In feite was het een vlucht voorwaarts, want vanaf nu had hij geen contact meer met zijn bases in Italië. Daar stond tegenover dat hij in Thessalië mocht hopen graan te vinden.

Pompeius zette hem achterna en uiteindelijk stuitten de legers op elkaar bij het stadje Farsalos. De precieze locatie van het gevecht is omstreden, maar het staat vast dat Pompeius zijn kamp opsloeg op een heuvel en dat Caesar bivakkeerde op de vlakte langs de rivier de Enipeus, die hij aan zijn linkerhand had. Hier kwam het eerder tot een treffen dan Pompeius wilde. Omdat hij meende dat Caesars soldaten nog niet volledig uitgehongerd waren, wilde hij de slag uitstellen, maar de senatoren drongen erop ten strijde te trekken.

Volgens de Romeinse kalender was het 9 augustus, maar Caesars problemen met de proviandering suggereren een moment vóór de oogst van 48. Voor de weersomstandigheden maakt het overigens niet veel uit, want al in juni kan het heet zijn in Thessalië, dat behoort tot de warmste gebieden van Europa. Dit zou het theater zijn voor de eindstrijd van de Romeinse Republiek.

[Wordt vervolgd]

#Albanië #Dyrrhachion #GnaeusPompeiusMagnus #JuliusCaesar #TweedeBurgeroorlog #XIIIGemina

Pompeius bij Dyrrhachion

Pompeius (Louvre, Parijs)

Als ik u zeg dat het 9 april was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar 4 maart 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” En ook vandaag is hij niet de enige over wie we het moeten hebben. We  moeten het ook hebben over zijn rivaal, Gnaeus Pompeius Magnus, die de troepen commandeerde die de Senaat had geworven in de oostelijke provincies in de maanden waarin Julius Caesar de Iberische provincies onder de voet liep.

Pompeius

Lange tijd had Pompeius gegolden als Romes beste generaal. Hij had gevochten in de Eerste Burgeroorlog, waarin Sulla het had opgenomen tegen de Volksvergadering. Vervolgens had hij gestreden in Spanje en een rol gespeeld bij het onderdrukken van de opstand van Spartacus. Hij had een piratenoorlog beëindigd, was door het Nabije Oosten getrokken, had het Seleukidische Rijk geliquideerd en had Jeruzalem ingenomen. Boven alles was hij een constitutionele vernieuwer, die had bedacht dat je provincies kon besturen via vertegenwoordigers en dan zelf in Rome kon blijven, die het imperium maius verzon en die het idee had van een consul zonder collega. Hij legde zo de institutionele grondslag voor het keizerrijk van Augustus.

Lange tijd waren Pompeius en Caesar, samen met Crassus, politieke vrienden geweest: het eerste driemanschap of, zoals Titus Livius het verwoordde, “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Maar Crassus was gesneuveld en de familieband tussen Pompeius en Caesar was verbroken toen Caesars dochter Julia, Pompeius’ echtgenote, was overleden. Nu stonden ze tegenover elkaar. Je krijgt uit de bronnen de indruk dat ze het allebei niet hadden gewild. In elk geval: Pompeius had het beneden zijn waardigheid geacht de republiek niet te verdedigen toen Caesar de Tweede Burgeroorlog had ontketend.

Asparagium

Gedurende de winter hadden de legers van Pompeius en Caesar aan de rivier de Apsos tegenover elkaar gelegen, totdat Marcus Antonius met Caesars versterkingen was aangekomen in het noorden van het huidige Albanië. De drie legers waren naar de havenstad Dyrrhachion opgerukt, het huidige Durrës, waar Pompeius proviand en oorlogsmaterieel

had laten opslaan. In mijn voorvorige stukje gaf ik aan dat Pompeius een en ander had veiliggesteld door de bezetting van een plaats die Caesar Asparagium noemt, het huidige Rrogozhinë. Caesar schrijft:

Toen Caesar vernam dat Pompeius zich bij Asparagium bevond, vertrok hij met zijn leger ook daarheen. … Op de derde dag bereikte hij Pompeius en sloeg naast hem zijn legerkamp op. De volgende dag liet hij al zijn troepen uitrukken, stelde ze in slagorde op en bood Pompeius de gelegenheid tot een beslissende strijd. Toen hij bemerkte dat Pompeius bleef waar hij was, voerde hij zijn leger terug in het kamp en meende nu een andere tactiek te moeten volgen. Daarom vertrok hij de volgende dag met al zijn troepen in een grote omtrekkende beweging

langs een moeilijke smalle weg naar Dyrrhachion, in de hoop Pompeius ofwel naar Dyrrhachion te kunnen terugdringen of hem van die stad te kunnen afsnijden. (Burgeroorlog 3.41; vert. Hetty van Rooijen)

Dyrrhachion

Pompeius meende aanvankelijk dat Caesar te weinig voedsel had om de strijd voort te zetten en zijn leger daarom terug trok naar het zuiden of naar Thessalië, waar zijn adjudant Gnaeus Domitius Calvinus zich bevond. Ik noemde hem al. Pompeius’ verkenners namen het misverstand al snel weg en ook het leger van Pompeius trok nu naar Dyrrhachion.

Caesar spoorde zijn soldaten aan de inspanning gewillig te verdragen, onderbrak de mars die nacht maar even, bereikte vroeg in de ochtend Dyrrhachion, op het moment dat in de verte Pompeius’ voorhoede in zicht kwam, en sloeg daar zijn legerkamp op.

Hier staat dus feitelijk dat Caesar er niet in was geslaagd de voorraadbasis met een omtrekkende beweging per verrassing in te nemen. In tegendeel: Caesar had zijn leger geplaatst tussen een door Pompeius’ manschappen goed verdedigde stad en Pompeius’ eigen leger. Geniaal eufemisticus als hij is, weet Caesar er een bijzondere draai aan te geven: “Pompeius was nu van Dyrrhachion afgesneden.”

Kul natuurlijk.

Pompeius had immers de beste vloot. Zolang hij beschikte over een haven of een strand, kon hij zich laten bevoorraden vanuit Dyrrhachion. Hij liet dus een kamp aanleggen bij een hoogte die men Petra noemde, “rots”. Ook Caesar liet dus een kamp aanleggen: iets ten noorden van Petra, iets ten oosten van Dyrrhachion. Het zou komen tot een wekenlange stellingenoorlog, waarin Caesar zich bevoorraadde vanuit het binnenland en Pompeius van over het water.

[Dinsdag meer. Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Albanië #Asparagium #Durrës #Dyrrhachion #GnaeusDomitiusCalvinus #GnaeusPompeiusMagnus #JuliaII #JuliusCaesar #Rrogozhinë #TweedeBurgeroorlog

De tranen van Caesar

De zogenaamde “Zuil van Pompeius” in het Serapeion van Alexandrië: anders dan Caesar is Pompeius nooit in die stad geweest.

Afgelopen dinsdag vertelde ik hoe Pompeius bij de Berg Kasios op het strand was vermoord en ik kondigde aan dat ik het nog zou hebben over de reactie van Julius Caesar. Hij was ooit Pompeius’ schoonvader geweest en had aan het begin van de Tweede Burgeroorlog geprobeerd olie op de golven te gooien. Maar het was anders gelopen en op 2 oktober van het jaar waarin Caesar en Servilius Isauricus consuls waren, ofwel onze 19 september 48 v.Chr., vernam hij dat zijn rivaal was vermoord.

Caesar was al een paar dagen onderweg. Hij moet een kleine week eerder van Rhodos zijn vertrokken, richting Alexandrië. Uit deze simpele mededeling volgt dat hij op dat moment niet wist dat Ptolemaios XIII daar niet was. Caesar zal wel hebben geweten van de burgeroorlog tussen de Egyptische koning en zijn zus Kleopatra VII, maar dat hun legers ten oosten van Pelousion tegenover elkaar lagen, was hem onbekend.

Caesar in Alexandrië

Cassius Dio geeft de meest uitvoerige beschrijving van Caesars aankomst in de haven van Alexandrië. U moet zich voorstellen dat hij aan boord is van het vlaggenschip, gevolgd door een kleine vloot met aan boord niet meer dan 3200 man uit de legioenen VI Ferrata en XXVII.

Toen Caesar ontdekte dat de stadsbevolking in rep en roer was over de dood van Pompeius, wilde hij niet meteen aan land gaan. Hij bleef op zee en wachtte tot hij het hoofd en de vingerring van de vermoorde man zag, die Ptolemaios hem had toegezonden. Pas toen ging hij vol vertrouwen aan land. De menigte toonde zich echter geïrriteerd bij het zien van zijn lijfwachten en hij was blij dat hij zich in veiligheid kon brengen in het paleis. Van sommige van zijn manschappen waren wapens afgenomen en anderen bleven op zee totdat alle schepen de haven hadden bereikt.

Caesar heeft gehuild en geklaagd bij het zien van Pompeius’ hoofd. Hij noemde hem zijn landgenoot en zijn schoonzoon en hij somde alle weldaden op die ze elkaar hadden bewezen. Wat de moordenaars betreft, hij erkende niet dat hij hun een beloning was verschuldigd en maakte ze vooral verwijten. (Romeinse Geschiedenis 42.7)

Hypocrisie?

Tranen om je verslagen tegenstander: dit klinkt heel nobel. Maar Cassius Dio geeft (in een andere passage) al aan dat het niet helemaal vrij was van hypocrisie. De dichter Lucanus, die in zijn Pharsalia dezelfde bron volgt als Cassius Dio, vrijwel zeker Titus Livius, biedt een eigen interpretatie.

Toen Caesar het geschenk voor het eerst zag, veroordeelde hij het niet en ook wendde hij zich niet af. Zijn ogen bleven gericht op het gezicht tot hij echt zeker was. Toen hij het bewijs van de misdaad zo had bezien, wist hij dat het eindelijk veilig was om de liefhebbende bloedverwant te gaan spelen. Hij plengde krokodillentranen en weende – terwijl zijn hart zich verheugde. Alleen door te huilen kon hij zijn verrukking verbergen. (Pharsalia 11.1010-1043)

Het is inderdaad wat wonderlijk dat Caesar, die met droge ogen het slagveld van Farsalos had bezien en had opgemerkt dat de gevallenen het hadden gekregen zoals ze het hebben wilden, nu ineens huilde. Het kan opluchting zijn geweest nu een serieus gevaar voorbij was. Maar er is nog een verklaring denkbaar.

Een man met een plan

Wie was Caesar? Een oorlogsmisdadiger, zeker, ook naar antieke maatstaven. Iemand die zijn eigen eer hoger stelde dan de vrede van de gemeenschap, dat ook. Een dictator, in meer dan één betekenis. Maar ook een despoot wil zijn regime stabiliseren en Caesar had een visie. De laatste jaren van zijn leven zagen de ene hervormingsmaatregel na de andere, waarvan sommige zelfs goed uitpakten. Tijdens zijn tumultueuze eerste consulaat, vlak voor de Gallische Oorlog, had hij ook vernieuwingen nagestreefd en in deze reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” kwam de Lex Roscia al aan bod.

De Duitse oudhistoricus Mommsen meende dat Caesar van begin af aan hervormingen nastreefde. De Gallische Oorlog en de oorlog tegen de Senaat waren alleen voorwaarden geweest om te bereiken wat tijdens het eerste consulaat niet was gelukt. Je moet als oudheidkundige verdraaid sterk staan wil je het met Mommsen oneens zijn, maar ik verbeeld me dat ik het beter weet. Caesar wilde die hervormingen niet vanuit oprechte hervormingsgezindheid, maar omdat hij zijn regime wilden stabiliseren.

Hoe dat ook zij: hij had een visie. Daarin was hij anders dan bijvoorbeeld Alexander, die plezier beleefde aan harde gevechten, maar nauwelijks een visie had op de toekomst van het rijksbestuur. Om te kunnen vechten had hij Perzische soldaten nodig en dus Perzische bestuurders, maar verder is hij nooit gekomen.

De verloren vrede

Om zijn regime te stabiliseren moest Caesar de Tweede Burgeroorlog beëindigen. Het eenvoudigste middel was de capitulatie van Pompeius. Caesar, die clementie als beleid had, zou zijn voormalige schoonzoon begenadigen en voorname posities geven. Wellicht een gedeeld consulaat, misschien de censuur. Het leger waarmee Cato de Jongere op weg was naar Africa, het leger van Metellus Scipio, koning Juba van Numidië, de senatoriële vloot, en de opstandige legioenen in Andalusië zouden daarna een reden minder hebben om de strijd voort te zetten. De burgeroorlog zou ten einde zijn en de Mediterrane wereld kon tot rust komen.

Maar nu was Pompeius dood. De burgeroorlog zou eindeloos voortduren. Ik denk dat Caesar daar in de haven van Alexandrië moet hebben geweten dat de rust die zijn regime nodig had, nog niet in zicht was. Nog lang niet. Dat hij zich in Egypte in wespennest had gestoken, zou hij trouwens ook snel genoeg ervaren.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Alexandrië #CassiusDio #GnaeusPompeiusMagnus #JuliusCaesar #LegioXXVII #MarcusAnnaeusLucanus #TweedeBurgeroorlog #VIFerrata