Gaius Marius

De zogenaamde “Marius” (Glyptothek, München)

Op donderdag blog ik meestal over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld. Soms heb ik commentaar, soms vat ik samen, soms breid ik uit, zoals toen ik het had over Jugurtha of over de hervormingen die Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus hadden voorgesteld.

De aanhangers van laatstgenoemde waren in opdracht van Lucius Opimius gewelddadig opgeruimd en de boodschap was duidelijk: wie een rol van betekenis wilde spelen in de Romeinse politiek, had gewapende steun nodig. In de komende decennia zouden in snelle opeenvolging, met toenemende agressie en met afnemende legitimiteit een half dozijn politici de top bereiken. En een voor een kwamen Gaius Marius, Lucius Cornelius Cinna, Lucius Cornelius Sulla, Pompeius de Grote, Julius Caesar en Marcus Antonius ten val.

Gaius Marius

De eerste in het rijtje was Gaius Marius (157-86). Omdat hij afkomstig was uit de ridderstand, de financiële elite, sprak het niet vanzelf dat hij doordrong tot de senatoriële, bestuurlijke elite. In de regel zorgden de senatoren ervoor dat alleen hun eigen zonen voor magistraturen in aanmerking kwamen. Maar Marius had ooit, in de oorlog tegen de Keltiberische stad Numantia, in een duel een vijandelijke leider gedood. Romeinse kiezers beschouwden dat als voldoende kwalificatie voor om het even welk ambt. Bovendien genoot Marius de steun van de machtige familie der Caecilii Metelli, die wel meer talentvolle ridders ondersteunde.

Marius’ verdere carrière verliep spectaculair. Hij was volkstribuun, praetor en provinciegouverneur, trouwde met Julia (een meisje uit de verarmde aristocratische familie der Julii Caesares) en bekleedde in 107 het consulaat. Dat ambt gebruikte hij om zich door de Volksvergadering naar de oorlog tegen de Numidische vorst Jugurtha te laten sturen.

Hij was dus een popularis. Marius versloeg de Numidiër, wist hem in handen te krijgen en liet hem terechtstellen. Het was het zoveelste hoogtepunt in een fenomenale loopbaan en Marius deed er alles aan om te benadrukken dat hij zijn carrière zélf had gemaakt, en niet dankte aan een senatoriële vader. Hij gold nu als Romes beste generaal.

Kimbren en Teutonen

In 105 v.Chr. leden de Romeinen bij Orange een enorme nederlaag tegen de Germaanse Kimbren en Teutonen. (Een legioenkamp uit deze tijd is hier geïdentificeerd.) Er kwamen die dag meer mensen om het leven dan bij Cannae. In paniek koos de bevolking Marius tot consul voor het jaar 104. Dit was illegaal, want tussen twee consulaten moesten minimaal tien jaren verstrijken. Maar de senatoren konden er niets tegen doen, want Marius was populair bij de Volksvergadering. Hij zou de hoge magistratuur vijf jaar onafgebroken bekleden.

In afwachting van het beslissende treffen met de Germanen trainde Marius het leger. Historici hebben daar vroeger veel van gemaakt. Eigenlijk zijn alle verschillen tussen het leger van de vroege tweede eeuw v.Chr. en dat van Julius Caesar wel een keer verklaard met een beroep op de veronderstelde hervormingen van Marius. Inmiddels zien krijgshistorici dat de veranderingen allemaal wat minder abrupt zijn geweest.

Een re-enactor demonstreert hoe een soldaat in de tijd van Marius eruit zag.

Feit is dat de legers na Marius minder dan voordien werden gerekruteerd uit dienstplichtige boeren, en meer uit het stedelijk proletariaat. Nieuw was dat niet. Er was al een quasi-professionele kern voor de Romeinse legers. Sommige centuriones dienden wel twintig jaar. Echte beroeps dus. Er is wel op gewezen dat we in deze tijd steeds minder horen over de aristocratische tribunen en meer over de wat volksere centuriones, en dat er een sociale omwenteling was. Misschien is dat waar.

Met dit leger kon Marius de Teutonen in de Provence (102) en de Kimbren bij de Po (101) verslaan. Om deze overwinning te herdenken bouwde Marius’ medeconsul een tempel voor het Geluk van deze Dag en offerde de opgeluchte bevolking aan de goden en aan Marius.

Ondertussen was zo’n beroepsleger gevaarlijk. De soldaten eisten dat ze aan het eind van hun diensttijd land zouden krijgen en waren daarom trouw aan hun generaal. Niet aan Rome. En er was nog een probleem: het nieuwe leger was duur. Ik had me dat niet zo gerealiseerd, maar De Blois en Van der Spek schrijven:

De nieuwe lasten die op de staatskas drukten, bevorderden het Romeinse imperialisme. Rome ging op zoek naar nieuwe belastbare gebieden.

Saturninus

Al eerder had Marius gebruikgemaakt van de diensten van volkstribuun Lucius Appuleius Saturninus, die een wet door de Volksvergadering had geloodst om land in het huidige Tunesië ter beschikking te stellen aan Marius’ veteranen. In 100 werkten de twee mannen samen aan een soortgelijke wet.

Appuleius, de politieke erfgenaam van de gebroeders Gracchus, had geconcludeerd dat zijn hervormingsmaatregelen alleen succes konden hebben als hij beschikte over militaire steun. Toen Marius in de gaten kreeg dat Appuleius land zocht voor de veteranen om zo een privéleger te creëren, was het te laat. Met geweld herstelde Marius de orde waarvoor hij als consul verantwoordelijk was. Appuleius werd vermoord in het Senaatsgebouw.

Inscriptie ter ere van Marius (afgietsel; Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Dit was het voorlopige einde van Marius’ rol in de Romeinse politiek. Hij had zich gekeerd tegen de Volksvergadering waaraan hij zijn carrière dankte. Voor een popularis was dit politieke zelfmoord. In de Senaat raakte hij eveneens geïsoleerd. Hij had een beroep kunnen doen op zijn veteranen, maar zag daarvan af. Zijn loopbaan had meer dan eens op gespannen voet gestaan met het Romeinse staatsrecht, maar Gaius Marius was in zijn hart geen revolutionair.

Al snel zou Rome echter een revolutie én een contrarevolutie aanschouwen. Daarover volgende week.

[Een overzicht van deze reeks over het handboek oude geschiedenis is hier.]

#DeBloisEnVanDerSpek #GaiusMarius #GaiusSemproniusGracchus #handboek #Jugurtha #JuliaI #Kimbren #LuciusAppuleiusSaturninus #LuciusOpimius #Numantia #Orange #populares #RomeinseRevolutie #Teutonen #TiberiusSemproniusGracchus #volksvergadering

De valse Marius

Romeins portret (Capitolijnse Musea, Rome)

Als ik u zeg dat het was in het jaar waarin Julius Caesar zonder collega het consulaat bekleedde en als ik uitleg dat wij dat jaar 45 v.Chr. noemen, dan weet u dat u bent beland in een aflevering van het feuilleton “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Alleen gaat het vandaag niet over hem maar over een familielid. Of beter, een soort van familielid.

De gens Julia

Hoe zat het ook alweer met Caesars familie? De gens Julia, de familie Julius, stamde uit Troje, dat was algemeen bekend. Troje heette immers ook Ilion of Ilios, en daarvandaan was het maar een kleine stap naar Julius. Duidelijke zaak. Mythologisch dan. We zijn op historisch betrouwbaarder grond als we constateren dat de familie behoorde tot de aloude aristocratie, het patriciaat, en dat rond 115 v.Chr. een dochter Julia trouwde met Gaius Marius, een aanstormend talent, afkomstig uit de provincie. Marius zou niet minder dan zeven keer het consulaat bekleden. De broer van Julia, en de zwager van Marius, was de vader van Julius Caesar.

Gaius Marius en Julia hadden een zoon, Marius Junior, die in 82 v.Chr. om het leven kwam in de Eerste Burgeroorlog, nog maar zesentwintig jaar oud. Tijdens Caesars lange afwezigheid in Spanje bleek echter dat Marius Junior een zoon had gehad. Deze Marius iuvenissimus (de allerjongste) was dus een achterneef van Julius Caesar, even nauw met hem verwant als de Sextus Julius Caesar wiens gouverneurschap in Syrië zo catastrofaal was verlopen.

Marius in Rome

Terwijl Julius Caesar dus in het verre westen was, maakte deze Marius ineens naam in Italië. Omdat het met zijn vader zo slecht was afgelopen, had hij moeten onderduiken en pas nu een verwant de macht had, durfde hij weer in openbaarheid te komen. De Romeinse auteur Valerius Maximus, een tijdgenoot van keizer Augustus, weet te vertellen dat

veel veteranenkolonies en vooraanstaande steden, alsmede bijna alle gilden hem vroegen als hun beschermheer (patronus).noot Valerius Maximus, Opmerkelijke daden en gezegden 9.15.2.

In de late zomer keerde Octavius terug uit Spanje en hij kwam de Tiber opvaren naar de villa van Caesar, die niet ver van het huidige spoorwegstation Trastevere lag. Daar ontmoette hij zijn verwant. Nikolaos van Damascus weet meer:

Toen hij bij Rome de Janiculum bereikte, kwam hem een man tegemoet die beweerde de zoon van Gaius Marius Junior te zijn. Met hem kwamen een grote menigte mensen en ook enkele vrouwen die familie waren van Caesar. Hij wilde graag in de familie worden opgenomen en zij getuigden van zijn afkomst. Hij was er echter niet in geslaagd om [Octavianus’ moeder] Atia of haar zus ertoe te brengen een soortgelijke verklaring over de familiebanden af te leggen. De families Julius en Marius waren nauw verbonden en deze man leek helemaal geen familie. Hij kwam dus met een grote schare naar Octavianus toe en probeerde ook op zijn gezag in de familie opgenomen te worden. De burgers die hem vergezelden waren er ook zeker van dat hij de zoon was van Marius Junior.

Octavianus zat in een lastig parket. Hij vroeg zich af wat te doen. Het was moeilijk om een vreemdeling als familielid te begroeten, iemand van wie hij de afkomst niet kende en voor wie zijn moeder niet instond. Anderzijds zou het lastig zijn … om de man en zijn aanhangers af te wijzen. Octavianus zei dus dat Caesar én het hoofd van de familie was én het hoofd van de staat én van de hele Romeinse wereld. De man kon daarom beter naar hem toe gaan en de verwantschap uitleggen. Als hij Caesar kon overtuigen, zouden hij en de andere verwanten, volledig overtuigd, zich bij die beslissing neerleggen. … In de tussentijd zou hij niet naar Octavianus moeten komen en moest hij niets vragen alsof ze verwanten waren. Zo verstandig antwoordde Octavianus en iedereen prees hem. Desondanks volgde de kerel hem de hele weg naar huis.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 14.

We zullen nog zien dat Julius Caesar de man beschouwde als bedrieger en wegstuurde uit Italië, wat een opmerkelijk lichte straf is. De auteurs van onze bronnen – naast Valerius Maximus en Nikolaos van Damascus ook Appianus – weten zeker dat de man een bedrieger was, die eigenlijk Amatius of Herophilus heette en oogarts was. noot Valerius Maximus, Opmerkelijke daden en gezegden 9.15.2. Onze auteurs behandelen hem echter wel heel respectvol. De man had bovendien voldoende aanhang om nog terug te keren.

Hoe vals was “de valse Marius”?

Feitelijk is het oordeel van onze bronnen ook niet relevant. Toen Caesar de man wegstuurde uit Italië, had hij al besloten dat Octavianus hem als familiehoofd zou opvolgen. Een extra, volwassen familielid was niet praktisch. Vanaf dat moment zou elk oordeel dus negatief zijn, ongeacht de waarheid. Het is vergelijkbaar met de “Pseudo-Filippos”, een Macedonische pretendent die zijn troonstrijd verloor en dus de geschiedenis in ging als bedrieger. Omgekeerd geldt de Abd al-Rahman die zich medio achtste eeuw aandiende in Córdoba als laatste overlevende van de Umayyaden-dynastie uit Damascus, wel als echt. En ook dat kunnen we helemaal niet zeker weten. Historici die zulke typeringen zomaar overnemen, maken zich schuldig aan de redenatiefout die bekendstaat als “naïef positivisme”.

Enfin. De man die zich tijdens Caesars verblijf in Spanje opwierp als zijn verwant, is de geschiedenisboeken ingegaan als “de valse Marius”. We komen hem nog tegen, want hij zou nog een extreem belangrijke rol spelen.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar. En een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #AbdAlRahmanIVanCórdoba #Atia #EersteBurgeroorlog #GaiusMarius #JuliaI #JuliusCaesar #naïefPositivisme #NikolaosVanDamascus #Octavianus #PseudoFilippos #SextusJuliusCaesar #ValeriusMaximus #ValseMarius

Titus Livius (4): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

[Vierde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

Avaritia & crudelitas

Ik was vanmorgen begonnen met een samenvatting van het geschiedwerk van Titus Livius en had de tweede eeuw v.Chr. bereikt. Nu volgt het conflict tussen twee rivaliserende Romeinse staatslieden: Marius en Sulla. De boeken 66-70 gaan over de opkomst van Marius en worden gevolgd door zes boeken over de Bondgenotenoorlog, waarin de Romeinen moeten vechten tegen hun Italische medestanders, die burgerschap eisen. Na een Romeinse zege voeren de Romeinen oorlog tegen koning Mithridates van Pontus, zonder hem te overwinnen. Generaal Sulla neutraliseert het probleem, keert terug naar Italië en bestuurt de republiek als dictator.

Dit deel van de geschiedenis van Rome vanaf de oprichting, dat de verdeeldheid van de Romeinse elite hekelt en eindigt met de dood van Sulla, werd waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling gepubliceerd. De Periochae maken duidelijk dat Livius vaak aangaf dat politieke vraagstukken werden opgelost per vim, “met geweld”. Andere terugkerende begrippen zijn avaritia en crudelitas, “gierigheid” en “wreedheid”. Het was dus geen opbeurende lectuur, al zal Livius hebben opgemerkt dat met Augustus alles beter was geworden.

De ondergang van de Republiek

De boeken 91-105, gepubliceerd rond 5 na Chr., gaan over de opkomst van Pompeius, Crassus en Julius Caesar. We vernemen hoe de jonge Pompeius met succes vecht tegen de rebellenleider Sertorius in Hispania, zich bindt aan Crassus en consul wordt, en later vecht tegen de Cilicische piraten, Mithridates en de Joden. Hierop volgt de formatie van het Eerste Driemanschap, door Livius getypeerd als “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Caesars sensationele Gallische oorlog eindigt met een climax: de Romeinen steken in Boek 105 niet alleen de Rijn maar ook het Kanaal over.  Deze ontknoping suggereert dat Livius’ boodschap was dat Romeinen, als ze hun verdeeldheid maar overwonnen, de grootste dingen konden bereiken. Het is interessant dat Boek 104 een digressie heeft gehad geweest over Germaanse gewoonten, wat suggereert dat Livius de rapporten heeft gelezen van de Romeinse generaals Drusus en Tiberius.

De volgende decade gaat over de staatsgreep van Caesar. Boek 106 begint met de dood van Julia, Caesars dochter en de echtgenote van Pompeius. Vanaf nu zijn de harmonieuze relaties tussen de Romeinse leiders verdwenen. Ramp volgt op een ramp. De Belgische leider Ambiorix verslaat de legioenen van Caesar en de Parthische commandant Surena verslaat de soldaten van Crassus in Carrhae. Er is onrust in Rome, Caesar wordt verslagen bij Gergovia, en hoewel hij in Boek 108 de Galliërs verslaat, verslechtert zijn relatie met Pompeius nog verder. De Tweede Burgeroorlog breekt uit. Ik citeerde in een eerder blogje al Livius’ jeugdherinnering aan een waarzegger die in Padua de uitkomst van de slag bij Farsalos “zag”. Boek 115, waarschijnlijk gepubliceerd in 8 na Chr., eindigt met Caesars viervoudige triomf. Het moet bemoedigend zijn geweest voor Livius’ tijdgenoten, die net ernstige militaire tegenslagen in Illyricum hadden geleden.

Boek 116 begint met het complot tegen Caesar. Livius’ oordeel over de dictator: “Het valt niet uit te maken of het beter was voor de republiek dat Caesar werd geboren of dat beter was geweest als hij nooit was geboren.” De hele pentade (dus de boeken 116-120) beschrijft dan het conflict tussen Marcus Antonius en Octavianus. Vijf boeken is veel ruimte voor slechts twee jaar, maar Padua, waar Livius is geboren, speelde in deze oorlog een rol en Livius had het meegemaakt. Hij zal de gebeurtenissen belangrijker hebben gevonden dan wij. Boek 120 beschrijft hoe de twee kemphanen met Lepidus het Tweede Driemanschap sluiten.

Augustus

Livius publiceerde deze pentade in ca.10 na Chr. en het is mogelijk dat hij opnieuw benadrukte dat heersers samenwerken, een thema dat in deze jaren steeds belangrijker was in de Augusteïsche propaganda. Uit deze jaren stamt een tempel voor Concordia en ook werd Tiberius ingewerkt als opvolger.

Maar ook al stemde Titus Livius in met de heerschappij van Augustus, hij wilde ook niet ontkennen dat diens regering met geweld was begonnen. Moderne oudheidkundigen wijzen wel op de opmerking in de Periochae dat Boek 121 en de volgende boeken zijn gepubliceerd “na de dood van Augustus”. Dat hoeft niet te betekenen dat Livius censuur vreesde; hij lag ongeveer op schema.

De boeken 121-133 vertellen over de oorlog van de Driemannen tegen Brutus en Cassius, culminerend in de Dubbele veldslag bij Filippoi (Boek 124). Daarop volgen Marcus Antonius’ oorlog tegen de Parthen (Boek 128) en Octavianus’ oorlogen tegen Sextus Pompeius en in Illyricum. Lepidus verdwijnt van het toneel (Boek 129) en Marcus Antonius ontmoet Kleopatra. De Zeeslag bij Aktion rondt het verhaal af.

Misschien was dit het oorspronkelijke eindpunt van Livius’ project. Hij was ooit begonnen met een geschiedenis van Rome, en had nu het moment bereikt waarop hij zich aan dat werk had gezet. Hij had toen gedacht dat na de burgeroorlogen een ethisch reveil mogelijk was. De Romeinse wereld was inderdaad vreedzamer geworden, maar hij moet hebben opgemerkt dat de republiek, met zijn publieke debatten, was veranderd in een monarchie, waar beslissingen werden genomen door één man. En in het geheim.

Livius was daardoor niet in staat iets te produceren zoals de voorgaande drieëndertig boeken, waarin hij vierentwintig jaar had beschreven. Na boek 134 verviervoudigt het tempo van zijn verhaal: hij beschrijft tweeëntwintig jaar in slechts negen boeken. Het verhaal was nu heel anders dan het voorafgaande en het is mogelijk dat Livius zijn belangstelling begon te verliezen. Het is waarschijnlijk dat boek 134 begon met de woorden van fragment 58:

Ik heb inmiddels genoeg roem verdiend en zou een punt achter mijn geschiedwerk kunnen zetten, maar mijn rusteloze geest voedt zich met het schrijven.

Titus Livius bleef dus schrijven. De Periochae van de laatste boeken zijn zeer kort en suggereren niet dat het opwindende lectuur was. Dat was niet Livius’ schuld. De tijden waren aan het veranderen. De trieste paradox van de geschiedschrijving is immers dat alleen oorlogen en rampen materiaal leveren voor een boeiend narratief. Als de laatste boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad wat saai waren, was het omdat Livius tot zijn geluk niet leefde in interessante tijden.

[wordt morgenochtend vervolgd]

PS

Het hing al een tijdje in de lucht, maar de universiteit van Cardiff sluit inderdaad alle oudheidkundige opleidingen. Een nieuwe bijdrage aan het lijstje hier.

#antiekeGeschiedschrijving #Augustus #DerdeBurgeroorlog #digressie #EersteDriemanschap #GaiusMarius #GallischeOorlog #GnaeusPompeiusMagnus #JuliaI #JuliusCaesar #KlassiekeGeschiedschrijvers #LuciusCorneliusSulla #MarcusLiciniusCrassus #MithridatesVIEupator #Octavianus #ParthischeRijk #Periochae #slagBijFarsalos #Tiberius #TitusLivius #TweedeBurgeroorlog #TweedeDriemanschap

Gaius Julius Caesar (1): consul

Vroeg portret van Julius Caesar (Museum van Korinthe)

In de donderdagse reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag een stukje dat ik vreesde: Julius Caesar. Over hem – of beter: over de door hem ontketende Tweede Burgeroorlog – heb ik het immers al zo vaak in mijn reeks #RealTimeCaesar. En over zijn Gallische Oorlog heb ik het ook al vaker gehad, zoals hier en hier en hier en hier en daar. Maar vandaag dan toch: wat ging vooraf aan de Gallische Oorlog en de Tweede Burgeroorlog?

De opkomst van Julius Caesar

Caesar werd een bekende Romein in het jaar 69 v.Chr., toen zijn tante Julia overleed, de weduwe van Gaius Marius. Het jaar daarvoor hadden Pompeius en Crassus de rechten van de door Sulla gekortwiekte Volksvergadering hersteld. Daarover blogde ik al eens. In zijn grafrede bracht Caesar de aanwezigen Marius’ verdiensten in herinnering. Zo verwierf Caesar, die al een reputatie had als oorlogsheld, vrij eenvoudig een eigen achterban. Het betekende ook dat hij voor zijn verdere politieke loopbaan veroordeeld was tot een bestaan als popularis.

En hij werd almaar populairder. In 65 organiseerde indrukwekkende spelen, werd gekozen in 63 tot opperpriester, bepleitte steeds opnieuw de zaken van het stedelijke proletariaat, en kreeg daardoor in de Volksvergadering alles gedaan. Zijn schulden waren echter astronomisch en brachten hem in de sfeer van de schatrijke maar weinig geliefde Marcus Licinius Crassus, die instond voor Caesars financiën, maar politieke steun eiste.

In 61 was Caesar gouverneur in Andalusië. Daar heerste onrust en onder het mom van het herstel van de orde bezette Caesar verschillende steden, plunderde die en leidde vervolgens een bliksemcampagne langs de westkust van het Iberische Schiereiland naar de zilvermijnen van Galicië. Wanneer een belegerde stad – of het nu in Portugal was of in Romeins Andalusië – zich overgaf, liet Caesar die toch plunderen en verwoesten. Dit maakte hem tot een oorlogsmisdadiger, ook naar antieke begrippen, en vanaf nu moest Caesar permanent een ambt bekleden om onschendbaar te zijn.

Consul

De oorlog op het Iberische Schiereiland maakte Caesar gevaarlijk rijk. Behoudende senatoren als Marcus Porcius Cato probeerden hem te isoleren. Caesar kon weliswaar lobby’s financieren voor zowel het consulaat als een triomftocht, maar moest nu kiezen. De triomf zou hem de meeste populariteit opleveren, maar kon alleen plaatsvinden als hij nog aan het hoofd stond van een leger. Maar dan kon hij geen kandidaat zijn voor het consulaat, dat hij nodig had om een rechtszaak te vermijden. Caesar koos er dus voor om voor het consulaat te lobbyen. Zijn tegenstanders wisten te bereiken dat de populaire politicus in elk geval een tegenstander als collega kreeg: Marcus Calpurnius Bibulus.

Het jaar 59 verliep dramatisch. De twee consuls spraken niet met elkaar en op een gegeven moment zou Caesar zijn partner zelfs van het Forum hebben laten wegsturen. De volgende dag zou deze zijn beklag hebben gedaan in de Senaat, maar Caesars gewapende lijfwacht zorgde ervoor dat niemand de arme consul durfde te steunen. De berichten over dit incident kunnen wat overdreven zijn, maar het is zeker dat Caesar meer invloed had dan zijn collega. Mensen grapten dat dit het jaar was waarin Julius en Caesar consuls waren. Desondanks kwamen Caesar en Bibulus ook tot positieve resultaten, zoals een reorganisatie van sommige belastingen, een wet tegen afpersing en de regel dat de handelingen van de Senaat openbaar moesten zijn.

[Wordt vervolgd; een overzicht van deze reeks over het handboek oude geschiedenis is hier.]

Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

Zelfde tijdvak


Leuke migranten: flora en fauna

april 5, 2019
Maës, de antieke Marco Polo (3)

september 7, 2022
B6: Boeddhisme als oosterse filosofie

juni 9, 2024 Deel dit: #RealTimeCaesar #CatoDeJongere #DeBloisEnVanDerSpek #GaiusMarius #handboek #JuliaI #JuliusCaesar #LuciusCorneliusSulla #MarcusCalpurniusBibulus #MarcusLiciniusCrassus #populares #RomeinseRevolutie #volksvergadering