De val van Cartagena (2)

Cartagena nu en toen

De stad Cartagena, waarover ik zojuist al blogde, was gebouwd op een schiereiland dat een grote baai in tweeën deelde. De zuidelijke helft staat nog altijd in verbinding met de zee en wordt nog altijd als haven gebruikt. Hier legde Scipio’s vloot aan. De noordelijke helft van de baai was een soort lagune, gevoed met zoet water vanuit een riviertje en van de zee gescheiden door het schiereiland met de eigenlijke stad. Toen het riviertje in de Nieuwe Tijd opdroogde, is deze lagune verzand; er ligt een moderne stadswijk die Ensanche heet, “de uitbreiding”.

Scipio sloeg zijn kamp op tegenover de plek ten oosten van het schiereiland, waar de stad met het land was verbonden. Hier ligt een hoge heuvel, de Cerro de los Moros, voorzien van een fort uit de Nieuwe Tijd. De volgende dag liet hij zijn mannen oprukken in de richting van de muren, die zijn opgegraven.

Cerro de los Moros

De Karthaagse verdedigers probeerden de Romeinen in het open veld tegen te houden, maar werden teruggedreven tot bij de stadspoort. Die is er niet meer, maar een deel van de Punische muur, gelegen tussen twee hoge heuvels die in de Oudheid met tempels waren bekroond, is er nog wel. Vervolgens plaatsten Scipio’s mannen stormladders tegen de muur, maar toen deze aanval geen succes had, liet Scipio zijn mannen terugtrekken.

Karthaagse stadsmuur

De aanval had namelijk zijn doel gediend: de Karthaagse soldaten weg lokken naar de oostelijke stadspoort. De rest van de stadsmuren was nu slecht verdedigd.

Inmiddels was het eb geworden. Een groep van zo’n 500 soldaten waadde nu door de lagune en bereikte de noordelijke stadsmuur. Had Neptunus niet beloofd de Romeinen te helpen? De Griekse geschiedschrijver Polybios, een vertrouweling van Scipio die de situatie ter plekke kende, noteerde:

De mannen die via de lagune de muur naderden en de borstweringen onbemand aantroffen, zetten niet alleen hun ladders ongehinderd overeind, maar klommen ook zonder strijd omhoog en bezetten de muur. De verdedigers moesten immers hun aandacht op andere punten richten, speciaal degenen die bij de landengte en de poort stonden.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.14; vert. Kassies.

Tegelijk voer de vloot de haven binnen en viel vanuit het zuiden de stad aan. Dit bewijst dat er verraad in het spel was, want midden in de baai lag een vrijwel onzichtbaar rif; alleen als Scipio beschikte over inside information, kon de vloot met succes de baai binnenvaren. De ondiepte is tegenwoordig een klein eilandje, zichtbaar middenin de foto hieronder, verbonden met het vasteland door een pier (links). Toen beide aanvallen succes hadden, gelastte Scipio zijn eigen mannen om de oostelijke poort opnieuw te bestormen.

De haven van Cartagena

Terreur

Toen Scipio schatte dat er voldoende Romeinen de stad waren binnengekomen, stuurde hij de meesten van hen, zoals dat bij de Romeinen de gewoonte is, op de inwoners van de stad af met het bevel iedereen die ze tegenkwamen te doden en niemand te sparen, maar niet te gaan plunderen voordat het signaal daartoe werd gegeven.

De Romeinen doen dit naar mijn mening om de mensen schrik aan te jagen. Bij de inname van een stad door de Romeinen kan men dan ook dikwijls niet alleen de lijken van gedode mensen zien, maar ook in tweeën gehakte honden en andere zwaar verminkte dieren. Door het grote aantal inwoners kwam dit soort dingen bij deze gelegenheid op grote schaal voor.

Zelf rukte Scipio met ongeveer duizend man op naar de burcht. Bij zijn nadering maakte [de Karthaagse commandant] Mago eerst aanstalten zich te verdedigen, maar toen hij eenmaal begreep dat de stad al volledig in handen van de vijand was, stuurde hij afgevaardigden om te spreken over een vrije aftocht voor hemzelf en gaf de burcht over. Pas daarna werd het signaal gegeven, waarop men het moorden staakte en begon aan de plundering.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.15; vert. Kassies.

Gecalculeerde terreur. Zoals ik al opmerkte, wil je de inname van een stad door een Romeins leger niet meemaken. De buit was enorm: de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius noemt 120 grote katapulten, 231 kleinere, drieëntwintig grote blijden, tweeënvijftig kleinere, goud, zilver, graan, slaven, drieënzestig schepen, brons, ijzer, zeilen… De voornaamste winst was echter diplomatiek: de drie Karthaagse commandanten zagen hun Iberische bondgenoten opnieuw deserteren, en dit keer voorgoed.

Baecula

In 209 of 208 viel Scipio, met een veel groter leger dan het jaar ervoor, Andalusië binnen, waar zijn vader en zijn oom twee jaar eerder waren gesneuveld. Aan de bovenloop van de Guadalquivir, zo’n honderd kilometer ten oosten van Córdoba, stuitte hij op Hasdrubal Barka, de broer van Hannibal, die numeriek superieur was en een sterke positie op een heuvel had ingenomen bij Baecula (het huidige Bailén), om daar te wachten op de twee andere legers.

Scipio redeneerde dat elk uur dat hij wachtte, door de Karthager zou worden benut om zijn stellingen te verbeteren, tot het moment kwam dat de andere generaals arriveerden. Hij liet meteen aanvallen en de Romeinse bestorming verliep succesvol. Dat blijkt niet alleen uit de bronnen, maar ook uit het opgegraven slagveld, waarover ik al eens blogde. Het hielp natuurlijk wel dat Hasdrubals olifanten schichtig werden en zich keerden tegen hun eigen troepen. De Karthager zelf wist te ontkomen en voegde zich bij de twee andere generaals. Ze spraken af dat Hasdrubal de Pyreneeën en Alpen zou overtrekken om Hannibal bij te staan in Italië, en dat de twee andere generaals zouden proberen de nu onvermijdelijk geworden Romeinse overname van Andalusië zoveel mogelijk zouden vertragen.

#Baecula #Cartagena #CarthagoNova #HasdrubalBarka #Polybios #ScipioAfricanus #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

De val van Cartagena (1)

Scipio Africanus (Capitolijnse Musea, Rome)

Tot de dingen die je in je leven niet wil meemaken, en die wij gelukkig ook niet meer mee zullen maken, is de inname van een stad door een Romeins leger. Dat overkwam de bewoners van Cartagena in 209 v.Chr. De stad heette destijds Qart Hadašt, “de nieuwe stad”, wat de Romeinen later zouden veranderen in Carthago Nova. Het was de residentie van de familie Barka, die hier namens het “echte” Karthago het gezag uitoefende. Eerst Hamilkar Barka, vervolgens Hasdrubal de Schone, die in Cartagena de residentie bouwde waarvan de resten een jaar of vijf geleden zijn geïdentificeerd, en daarna Hamilkars zoon Hannibal Barka. In de Tweede Punische Oorlog trok hij, zoals bekend, met het Spaanse leger over de Ebro, Pyreneeën, Rhône en Alpen naar de Povlakte.

Oorlog in Spanje

Bij het oversteken van de Rhône, ergens begin oktober 218 v.Chr., wist Hannibal al dat de Romeinen het plan hadden geraden en al op weg waren naar Spanje om zijn aanvoerlijnen af te snijden. Eind december zegevierden de Romeinse oud-consul Gnaeus Cornelius Scipio en diens broer, consul Publius Cornelius Scipio, in de slag bij Cissa, niet ver van het huidige Tarragona. Daarmee was Hannibals lot feitelijk bezegeld. Het Karthaagse leger in Italië boekte weliswaar spectaculaire successen, maar kon de weinige bondgenoten die het daar verwierf, nooit even krachtig beschermen als de Romeinen de opstandige steden konden bestraffen.

In de volgende jaren zetten de twee Scipio-broers Karthago’s Iberische troepen steeds verder onder druk. Ze wierven lokale bondgenoten, versloegen de Karthaagse vloot bij de monding van de Ebro, versloegen Hannibals broer Hasdrubal, consolideerden hun greep op de Iberische kust tot aan Saguntum en maakten zich eind 211 op voor een doorbraak naar het binnenland, naar de vallei van de Guadalquivir. Daar kwam aan hun geluk een einde: aan de bovenloop van de rivier wist Hasdrubal het Romeinse leger te verslaan. Beide Scipio’s kwamen om het leven, maar hun leger kon zich terugtrekken naar de Ebro.

Karthaagse munt uit Iberië (British Museum)

Een nieuwe Scipio

De Romeinen hadden weliswaar terrein moeten prijsgegeven, maar ze waren goed getraind en ze kregen een nieuwe leider, de zoon van de gesneuvelde Publius Cornelius Scipio, die eveneens Publius Cornelius Scipio heette (en later de bijnaam Africanus zou krijgen). Hij arriveerde in het voorjaar van 209 en toen hij vernam dat het Karthaagse leger, profiterend van de Romeinse terugtrekking, op drie verschillende plaatsen in het Iberische binnenland actief was om het Karthaagse gezag te herstellen, begreep hij dat hij niet moest wachten tot de drie vijandelijke legers zich konden verenigen.

De drie Karthaagse strijdmachten bevonden zich ver van Cartagena, en de jonge generaal rukte met zijn goed getrainde soldaten in zeven dagen op naar de Karthaagse hoofdstad. Dit was een huzarenstukje: elke dag legden ze vijfenzestig kilometer af. Er bestaan parallellen, maar ze zijn zeldzaam en de legionairs zouden het wellicht niet hebben gedaan als Scipio hun niet had verteld dat droomgezichten hem succes hadden voorspeld en dat hij mocht rekenen op de zeegod Neptunus. In zeven dagen presteerden de mannen het bijna onmogelijke. De Karthaagse commandant, een zekere Mago, was dan ook totaal verrast.

[Wordt vervolgd]

#Cartagena #CarthagoNova #Hannibal #HasdrubalBarka #ScipioAfricanus #slagBijCissa #TweedePunischeOorlog

Imperator, Mynkd, MNKDH

Een vroege Romeinse generaal in Spanje voert de titel inpeirator = imperator (Louvre, Parijs)

Romeinse keizers hadden de gewoonte om in inscripties aan hun namen ook een stuk of wat titels toe te voegen: zoveel keer consul, aangewezen voor een volgend consulaat, in het zoveelste jaar met de bevoegdheden van tribuun en zo-en-zo vaak imperator. Dat laatste woord betekent “bevelhebber”, en was een eretitel die een leger bij acclamatie kon verlenen aan een zegevierende generaal.

De eerste deze titel kreeg, was Scipio Africanus, nadat hij tijdens de Tweede Punische Oorlog de Karthaagse bezittingen in Iberië had veroverd.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.40.2-5. De Spaanse soldaten, die eerst de Karthagers hadden gediend maar naar de Romeinen waren overgelopen, wilden Scipio een titel geven die in onze Griekse en Latijnse bronnen wordt weergegeven met een woord dat “koning” betekent. Die titel was echter onaanvaardbaar voor een Romeinse republikein, en dus werd Scipio uitgeroepen tot imperator.

Hij was de eerste Romein met die titel, maar er was een antecedent. We lezen bij Diodoros van Sicilië dat vóór Scipio de Karthaagse generaal Hasdrubal de Schone van zijn manschappen een eretitel kreeg, die de Griekstalige geschiedschrijver weergeeft als strategos autokrator,noot Diodoros, Wereldgeschiedenis 25.12.1. wat de gangbare Griekse aanduiding is voor een buitengewoon bevelhebber. Ik heb er al eens over geblogd.

Punische en Numidische titels

Onlangs attendeerde Maarten Kossmann, die alles weet van de talen van de Maghreb, op een Punische inscriptie uit Lepcis Magna, waarop Imperator Caesar Augustus wordt vertaald met Mynkd Q‘ysr ‘Wgsṭs.noot Lepcis Magna N 14. (Het Punisch noteert geen klinkers.) Mynkd zou daarom het Karthaagse woord kunnen zijn geweest dat de soldaten van Hasdrubal gebruikten om hun generaal te eren en dat Diodoros weergaf met strategos autokrator.

Het leuke is nu dat Mynkd helemaal geen Punisch woord is, maar Numidisch: MNKDH. Dus het is denkbaar dat het oer-Romeinse imperator via een in Iberië verleende Karthaagse eretitel teruggaat op een Numidisch woord. Dat illustreert leuk de vervlochtenheid van de antieke culturen.

Bezwaren

Ik zou het graag concluderen, ook omdat ik er steeds meer van overtuigd raak dat Numidië een belangrijkere rol heeft gespeeld dan de antieke auteurs ons laten geloven. Er zijn met mijn theorietje echter wel wat problemen. Om te beginnen weten we niet precies wat een MNKDH is. Het woord kan “voorganger” betekenen, maar zeker is dat niet.

Bovendien is de geciteerde Punische inscriptie vrij jong: ze dateert uit de tijd van keizer Augustus. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, maar er is een aanwijzing dat voorname aanvoerders voordien een andere titel hadden. Een beroemde inscriptie uit Dougga noemt Massinissa namelijk een GLD, en de betekenis daarvan, “koning”, staat niet ter discussie.

Het beste dat ik er van kan maken is dus dat het denkbaar is dat imperator via-via teruggaat op een Numidische aanvoerderstitel die niet die is van de legitieme vorst. Maar om eerlijk te zijn: dat vind ik zelf te complex om serieus te nemen, maar ik vraag me af waarom de maker van een Punische inscriptie niet koos voor iets als ‘MPRTR en een numidisme prefereerde. Van de andere kant: zulke verbanden moeten we wel overwegen. Waar culturen naast elkaar bestaan, nemen ze immers zaken van elkaar over.

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

Zelfde tijdvak


Alpenpas gezocht

april 9, 2021
De Rostra

juli 12, 2024
Despotes hippon

april 22, 2025 Deel dit:

#dougga #hasdrubalDeSchone #imperator #lepcisMagna #maartenKossmann #massinissa #numidie #scipioAfricanus #tweedePunischeOorlog

Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

Een Romeinse Kybele (Museum Carnuntinum, Petronell)

De cultus van de moedergodin was, zoals ik in het vorige stukje schreef, in Anatolië eeuwenoud en de naam Kybele kwam uit het oosten van die regio. De Frygiërs, die in de IJzertijd Anatolië waren binnengetrokken en zich in het westen van Anatolië hadden gevestigd, namen de cultus over. Zo bezien is het grappig dat de Griekse en Romeinse auteurs de cultus van Kybele typeren als Frygisch. Frygië was echter alleen een halteplaats bij de verspreiding van de cultus naar het westen. Een andere halteplaats kan de Lydische hoofdstad Sardes zijn geweest, waar een tempel stond voor Kubaba.

Griekse godin

De Grieken meenden dat de Anatolische geboortegodin dezelfde was als hun eigen Rhea, de moeder van de Olympische goden en godinnen Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus. Deze gelijkstelling vergemakkelijkte de verspreiding van de cultus, die al in de zesde eeuw v.Chr. bekend was in Lokroi in Zuid-Italië. De Grieken waren geïntrigeerd door de extatische riten van “de grote moeder van de goden”, maar Kybele werd nooit deel van de gewone Griekse mythische wereld.

De meest voorkomende voorstelling van de godin was tot dan toe een reliëf geweest van een staande of zittende dame. In het laatste kwart van de vijfde eeuw v.Chr. schiep de beeldhouwer Agorakritos van Paros een nieuw type: een gekroonde Kybele met een tamboerijn in haar linkerhand, zittend op een troon, tussen twee leeuwen. Dit beeld, waarvoor Anatolische voorbeelden waren, was te zien in het Metroön van Athene. Het zou eeuwenlang een normale iconografie blijven.

Reliëf van Kybele uit Athene; meestal zijn er links en rechts leeuwen (Pergamonmuseum, Berlijn)

De twee leeuwen golden als de trekdieren van de strijdwagen van de godin. Rijdend daarop is ze te zien in Delfi en op de prachtige schijf uit het oostelijke Ai Khanum, waarover ik al eens schreef. Op dit hellenistische voorwerp staat ze afgebeeld, rijdend naar een zoroastrisch heiligdom, met aan de hemel een zon, maan en Venus in Babylonische stijl.

Kybele op het schathuis van de Sifniërs (museum van Delfi)

Toen deze schijf werd gemaakt, vielen Galatische stammen Anatolië binnen. Een daarvan, de Tolistobogii, veroverde Pessinos en maakte die tempelstad tot residentie (ca. 270 v.Chr.). In 238 en 230 werden de Galaten verslagen door koning Attalos I Soter van Pergamon. Het cultusbeeld van Kybele, de al genoemde baetyl, werd als buit overgebracht naar Pergamon. Daar stond het voorwerp in het Megalesion, het heiligdom van de Grote Moeder, gebouwd door de stichter van Attalos’ dynastie, Filetairos.

Naar Rome

Tijdens de Tweede Punische Oorlog hoorden de Romeinen van een orakel dat ze Hannibal niet zouden verslaan voordat de “Grote Moeder van de berg Ida” naar Rome was gebracht. Dus stuurden de Romeinen in 204 een gezantschap naar Pergamon en vroegen om de heilige steen, die inderdaad naar Rome werd gebracht. Omdat de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vertelt dat Romeinse dames, elk op hun beurt het heilige beeld dragend, de godin naar de tempel van Victoria droegen, is waarschijnlijk dat in feite slechts een deel van de heilige steen is overgebracht naar Rome.

Een latere sage vertelt dat een Romeinse dame genaamd Claudia Quinta, die was beschuldigd van onkuisheid, haar onschuld bewees door het schip met de godin eigenhandig van de zeehaven Ostia naar de rivierhaven van Rome te slepen.

Claudia Quinta (Nationaal Museum, Rome)

De steen bevond zich oorspronkelijk in de tempel van Victoria maar werd later overgebracht naar haar eigen heiligdom, de tempel van Kybele. Beide cultusplaatsen bevonden zich op de Palatijnse heuvel, hartje Rome. Het feit dat een vreemde cultus op zo’n centraal punt stond, zegt veel over de openheid van Rome voor buitenlandse goden en godinnen.

De tempel op de Palatijn

Feest voor Kybele

Voor veel Romeinen waren de extatische ceremonies een beetje al te veel. In eerste instantie was het Romeinse burgers verboden om als priester op te treden in deze on-Romeinse rituelen. Dit verbod werd na drie eeuwen opgeheven door keizer Claudius (r.41-54), die het Lentefeest op de Romeinse kalender zette. Een andere aanpassing was de hernoeming van de Grote Moeder: ze was nu de Grote Moeder van de berg Ida, waardoor ze van een algemeen Anatolische geboortegodin een Trojaanse godheid werd. En dus Romeinse verering waardig.

Kybeles strijdwagen (Metropolitan Museum, New York)

Naast het lentefeest van Kybele en Attis vierden de Romeinen de Megalensische Spelen. Op 4 april bracht een hoge stedelijke magistraat, de praetor urbanus, een offer, en daarna waren er feestmaaltijden. Lagere magistraten reden een zilveren cultusbeeld en de heilige steen in een wagen naar het beekje Almo (bij de Via Appia), waar ze het wasten.

De Romeinse volgelingen van Kybele lijken inwijdingsrituelen te hebben gekend. Deze werden geassocieerd met de taurobolium-ceremonie, waarover ik het ook al eens had. Of dit ritueel een Romeinse innovatie was of een overleving uit de Anatolische fase van deze cultus, is onduidelijk, maar er is in elk geval geen bewijs voor dit ritueel vóór de regering van Hadrianus (r.117-138.). Het ritueel werd door christelijke auteurs gepresenteerd als een bloedoffer, wat vrijwel zeker niet klopt,

Kybele op een kroon (Centraal Museum, Utrecht)

De cultus van Kybele is in wat afgelegen gebieden voortgezet tot in de vroege vijfde eeuw. In een van zijn brieven vergelijkt Synesios, een aristocraat uit Libië die nog bisschop zou worden, iemands hoofdtooi met die van Kybele, alsof iedereen de jaarlijkse processie van haar cultusbeeld nog kent. Het is een van de laatste vermeldingen van een cultus die op dat moment al minimaal twee millennia oud was.

#AgorakritosVanParos #AiKhanum #Athene #AttalosISoter #Attis #ClaudiaQuinta #Claudius #Delfi #FiletairosVanPergamon #Frygië #Galaten #Hadrianus #Ida #Kybele #LokroiEpizefyroi #Ostia #Palatijn #Pergamon #Pessinos #praetorUrbanus #Rhea #Rome #SynesiosVanKyrene #taurobolium #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

Hannibal: van Saguntum tot Cannae

Het slagveld bij het Trasimeense Meer

[Dit is het tweede van vier stukjes over het leven van de Karthaagse veldheer Hannibal. Het eerste was hier.]

Terwijl in Karthago diplomaten spraken over de uitlevering van Hannibal, was deze bezig met de voorbereiding van een grote oorlog. Iberische troepen werden overgeplaatst naar de Maghreb, Afrikaanse troepen werden het nieuwe garnizoen van Iberië. Hij benoemde zijn broer Hasdrubal tot bevelhebber in Iberië, en stak in de zomer van 218 v.Chr. de rivier de Ebro over. Het was oorlog, zoveel was duidelijk. Onmiddellijk stuurde Rome versterkingen naar Sicilië, waar de  oorlog naar verwachting zou ontbranden. De Romeinse vloot bleek oppermachtig, schakelde de Karthaagse vloot uit en verhinderde zo dat Hannibal overzee bevoorraad zou worden als hij in Italië was. Dit zou de komende jaren nauwelijks gebeuren.

Het was dus een waagstuk, dat Hannibal de Pyreneeën overstak om de oorlog naar Italië te brengen. Hij zou er op zichzelf zijn aangewezen. Of hij dit altijd van plan is geweest, zoals onze bronnen beweren, is moeilijk uit te maken. Ze vertellen het verhaal zoals Rome het graag zou hebben gezien. In elk geval: hij trok met een leger van 50.000 man infanterie, 9.000 man cavalerie en 37 olifanten door de Languedoc, stak de rivier de Rhône over (misschien bij Avignon), rukte op naar een plek die Het Eiland wordt genoemd en trok daarvandaan de Alpen over. Begin november 218 hadden 20.000 soldaten en 8.000 ruiters de vlakten langs de rivier de Po bereikt in de buurt van de stad Turijn.

De Povlakte werd bewoond door Galliërs die kort daarvoor door Rome waren onderworpen en die Hannibal maar al te graag verwelkomden. Hij zou ze helpen het Romeinse juk af te werpen. De Romeinen waren zich bewust van het gevaar en zonden onmiddellijk een leger om dit te voorkomen. In een cavaleriegevecht bij de rivier de Ticinus (ten oosten van Turijn) versloegen de Karthagers echter hun tegenstanders. Onmiddellijk meldden zich zo’n 14.000 Galliërs aan om onder Hannibal te dienen. Dankzij hun hulp behaalde Hannibal een tweede overwinning bij de rivier de Trebia (bij het huidige Piacenza).

In het vroege voorjaar van 217 verliet Hannibal zijn winterkwartier in Bologna, trok door de Apennijnen en verwoestte Etrurië. De Romeinen deden een tegenaanval met ongeveer 25.000 man, maar hun consul, Gaius Flaminius, werd verslagen en gedood in een hinderlaag tussen de heuvels en het Trasimeense Meer. Twee legioenen werden vernietigd.

Hannibal verwachtte dat de bondgenoten van Rome nu hun meesteres zouden verlaten en naar hem zouden overlopen. Dit gebeurde echter niet. De bestuurders van de Etruskische stadstaten moeten hebben geweten dat als Hannibal weg zou zijn, Rome er nog altijd wel was en dat Romes vermogen tot straffen groter was dan Hannibals bescherming. Dus was Hannibal gedwongen voor de tweede keer de Apennijnen over te steken, in de hoop een nieuwe basis te vestigen in Apulië, de “hak” van Italië. Intussen viel Rome Hannibals aanvoerlijnen aan door Catalonië te veroveren.

Hannibal moet hebben geweten dat hij de oorlog niet kon winnen. Hij kon totaal geen voorraden krijgen en Romes bondgenoten bleven Rome trouw. Desondanks probeerde de Karthaagse veldheer langs diplomatieke weg Romes bondgenoten tot afvalligheid te bewegen.

De Romeinen benoemden ondertussen Quintus Fabius Maximus tot dictator, een magistraat met buitengewone bevoegdheden. Deze achtervolgde de invaller, maar ontweek de strijd; de Romeinen vonden Fabius’ strategie onaanvaardbaar en zouden hem later “de treuzelaar” (Cunctator) noemen. Dit was niet helemaal eerlijk: Fabius had geen ervaren troepen en moest zijn leger nog trainen. En al die tijd bleven de Romeinse bondgenoten Rome trouw.

Cannae

In 216 besloot de Romeinse Senaat dat de tijd gekomen was om het probleem op te lossen met één grote, beslissende veldslag. Om geen enkel risico’s te nemen stelden de twee consuls een leger samen van niet minder dan 80.000 man, terwijl het leger van Hannibal ongeveer 50.000 man telde. De slag bij Cannae, die plaatsvond op 2 augustus, liep voor Rome uit op een catastrofe. In het centrum week Hannibals linie onder druk van de Romeinse troepen naar achteren, terwijl de Karthaagse cavalerie de Romeinen omcirkelde. Omdat de legionairs niet door het Karthaagse centrum konden breken, waren ze zelf aan alle kanten omcirkeld en volgde hun vernietiging.

Enkele Romeinse bondgenoten wisselden nu dan toch van partij. Sardinië kwam in opstand, al was Rome de situatie snel meester. Capua was een ernstiger probleem. Het werd Hannibals hoofdstad in Italië. De succesvolle Karthaagse bevelhebber was dertig jaar oud toen hij zijn nieuwe basis binnentrok, gezeten op zijn laatste overlevende olifant.

[Wordt vervolgd. Uiteraard is dit stukje reclame voor mijn komende boek, Hannibal in de Alpen, dat in januari verschijnt maar dat u hier alvast kunt bestellen.]

#Apennijnen #Avignon #dictator #Frankrijk #Hannibal #HannibalInDeAlpen #HasdrubalBarka #Italië #Piacenza #Placentia #Povlakte #QuintusFabiusCunctator #Saguntum #slagBijCannae #strategie #TrasimeenseMeer #TweedePunischeOorlog

Titus Livius (3): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Derde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad van Titus Livius was een zeer, zeer ambitieus werk. In totaal verschenen niet minder dan 142 boekrollen. De lengte van zo’n rol kwam overeen met pakweg vijfenzestig bladzijden in een modern pocketboek. De totale lengte van Livius’ geschiedwerk bedroeg dus een slordige 9.250 pagina’s ofwel eenendertig pocketboeken. Hij schreef dit alles in ongeveer vijfenveertig jaar, wat betekent dat hij elk jaar ruim drie rollen of 205 pagina’s publiceerde. Ook met een tekstverwerker is dat alleszins respectabel.

Er zijn twee gevolgen. Eén: dit werk was te groot om volledig tot ons te komen. We hebben alleen nog de boeken 1-10 en 21-45.  Misschien duikt nog eens iets op in de Egyptische woestijn of bij de papyri uit Herculaneum, waar inmiddels een boekrol is geïdentificeerd van een jongere Romeinse geschiedschrijver. Twee: het is duidelijk dat Titus Livius gebruik moest maken van eerdere geschiedwerken en zelden de mogelijkheid had tot archiefonderzoek. Dat had gevolgen, waarover we het nog zullen hebben.

Wat heeft Livius te vertellen? Er zijn dus maar 35 van 142 rollen over. De inhoud van de niet overgeleverde boeken (dus 11-20 en 46-142) is echter bekend uit een vierde-eeuws uittreksel, de beknopte Periochae. We kunnen bovendien iets weten over de verloren teksten omdat die door latere auteurs zijn benut. Zo is bijvoorbeeld Lucanus’ gedicht Pharsalia, een gedicht over de Romeinse burgeroorlogen waarin Pompeius de held is en Julius Caesar de schurk, vermoedelijk gebaseerd op Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad.

De vroege republiek

We weten dat het werk was georganiseerd in pentaden en decaden, groepen van vijf en tien rollen. De eerste pentade gaat over de oorsprong van Rome tot de zomer van 386 v.Chr.noot Of 390 volgens het chronologische systeem van Varro, dat Livius niet gebruikte. Anders dan sommige moderne geleerden begreep Livius de fouten daarvan. In het eerste boek vertelt hij de legendes van Rome als een koninkrijk; hij gaat verder met de oprichting van de republiek door Brutus en Valerius Publicola; en na een verslag van de moeilijke vijfde eeuw (boeken 2, 3 en 4) culmineert de eerste pentade in een adembenemend verslag van de inname van Veii, de plundering van Rome door de Galliërs, en de tweede stichting onder de auspiciën van Marcus Furius Camillus. De cirkel is gesloten.

Dit deel van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad is voltooid rond 26 v.Chr. Livius vermeldt namelijk Octavianus’ titel Augustus, die dateert uit 27 v.Chr., maar weet niets van de sluiting van de tempel van Janus in 25. Livius presenteert Camillus, zegevierend in oorlog en tweede stichter van de stad, als alter ego van Augustus. Het is interessant dat hij Camillus dux noemt, een titel die ook Octavianus had gebruikt.

De volgende tien boeken hadden betrekking op de verovering van Italië. De eerste helft – de tweede pentade dus – is over en daarover wil ik nog eens bloggen. Aanvankelijk moet Rome zich nog herstellen van de crisis, maar aan het einde van boek 10 hebben de Romeinen de Etrusken, de Umbriërs, de Galliërs en de Samnieten verslagen in de slag bij Sentinum (295 v.Chr.) Hoewel het verhaal van de eenwording van het Apennijnse schiereiland daarmee nog niet voorbij is – daarvoor was de volgende pentade – was de beslissende strijd gewonnen door de zelfopoffering van enkele beroemde Romeinen, zoals Publius Decius Mus. Dit is in lijn met de propaganda van Augustus.

De derde eeuw v.Chr.

De volgende vijf boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad zijn verloren. Uit de Periochae weten we dat deze pentade de eenwording van Italië omvatte, met onder meer de oorlog tegen koning Pyrrhos van Epirus. Als Livius schreef met zijn gewone tempo van ruim drie rollen per jaar, zal hij de boeken 6-15 rond 24 v.Chr. hebben afgerond.

In de boeken 16-20 werd het eerste conflict met Karthago beschreven: de Eerste Punische Oorlog, het langste en grootste militaire conflict in de oude wereld. De Tweede Punische Oorlog, een conflict van minder grote omvang, vormt het thema van de volgende tien boeken (21-30), waarvan de helft is gewijd aan de successen van de Karthaagse generaal Hannibal en de helft aan de successen van zijn Romeinse tegenstander Publius Cornelius Scipio Africanus.

Toen Livius zijn werk rond 19 v.Chr. voortzette, werd hij plotseling moe, als we althans het voorwoord van de volgende pentade mogen geloven:

Wanneer ik me realiseer dat drieënzestig jaren – want zoveel zijn het er vanaf de Eerste Punische Oorlog tot het eind van de Tweede – evenveel boeken bij mij in beslag hebben genomen als de 487 jaar vanaf de stichting van de stad tot het consulaat van Appius Claudius, die de eerste oorlog tegen de Karthagers begon, dan voorzie ik nu al wat me te wachten staat: net als iemand die zich laat verlokken door het ondiepe water langs de kust en de zee in waadt, kom ik met elke stap voorwaarts in veel grotere diepte, ja in een soort afgrond terecht, en het werk lijkt bijna toe te nemen, terwijl het door het voltooien van de eerste delen minder groot leek te worden.noot Livius 31.1.3-5; vert. Hetty van Rooijen.

Dat Livius zich realiseerde dat zijn werk eigenlijk te groot was, wordt ook gesuggereerd door het feit dat zijn digressies, de korte uitweidingen waarmee auteurs aanvullende informatie geven, vanaf dit punt korter worden. Hij moest zich haasten.

De midden-Republiek

De derde groep van vijftien boeken heeft betrekking op de verovering van het oostelijke Middellandse Zeegebied in de jaren 201-167. Drie machtige hellenistische koninkrijken verzetten zich tegen Rome: Macedonië, het Seleukidische Rijk in Azië en het Ptolemaïsche Rijk van Egypte. In de boeken 31-35 lezen we hoe de Romeinen met Macedonië omgingen en Griekenland “bevrijdden”.noot Ik zet “bevrijdden” tussen aanhalingstekens omdat de vrijheid van Romes Griekse bondgenoten met naast zich het Seleukidische Rijk vanzelfsprekend net zo’n bevrijding was als wanneer Donald Trump de Europese bondgenoten had bevrijd van hun bondgenootschap. Ik ben geen voorstander van historische parallellen, want al gauw herkent men lessen uit het verleden. Maar hier helpt het heden bij het begrip van het verleden. In de volgende pentade staat de oorlog tegen de Seleukidische koning Antiochos III de Grote centraal; en in de laatste vijf boeken wordt het Macedonische koninkrijk geliquideerd na de slag van Pydna. De climax is een Romeinse ambassade in Alexandrië, waar een Romeinse diplomaat koning Antiochos IV Epifanes, die op het punt staat Egypte te veroveren, gelast naar huis terug te keren. De lezer die dit punt had bereikt, wist dat Rome een supermacht was geworden.

Het volgende tiental boeken (46-55), inmiddels verloren, markeren het keerpunt in de Romeinse geschiedenis, althans volgens Livius. Ik heb weleens gedacht dat als de reeks eigenlijk rollen had moeten tellen, dit ook precies de helft was. Rome moest zich nu gedragen als een supermacht, maar kon de verantwoordelijkheden niet aan. Aanvankelijk kon het zijn wil nog opleggen aan enkele Ptolemaïsche vorsten, maar in boek 48 begint alles te veranderen. Eerst is er een nieuwe en onnodige oorlog: de Derde Punische Oorlog, die door de Romeinen wordt uitgelokt en leidt tot de ondergang van Karthago (in boek 51). Volgens de meeste Romeinse geschiedschrijvers verviel Rome nu tot decadentie en verloren de Romeinen hun voorouderlijke kwaliteiten.

Dit is al te zien in Boek 48, waarin generaal Servius Sulpicius Galba zich in Hispania ontpopt tot een oorlogsmisdadiger, en de lokale leider Viriathus de Romeinen bezighoudt tot in Boek 54. De Romeinen veroveren intussen Griekenland (Boek 52) en staan aan het einde van Boek 55 voor het eerst bij de Oceaan: de rand van de aarde. Livius bereikte dit punt in ca.11 v.Chr.

De volgende decade (56-65) valt uiteen in twee duidelijk herkenbare pentaden. De eerste gaat over een nieuwe reeks Spaanse oorlogen, culminerend in de verovering van de Keltiberische hoofdstad Numantia. Het centrale thema is echter de strijd tegen de hervormingen van Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. Het conflict waarin de laatste wordt gedood, betekent dat de Romeinen geweld beginnen te gebruiken tegen elkaar.

Ondertussen worden buitenlandse vijanden, zoals de  Numidische koning Jugurtha en enkele Germaanse stammen, onverwacht gevaarlijk. Titus Livius heeft hun successen waarschijnlijk gepresenteerd als gevolg van de morele ineenstorting van Rome. (Een verwijzing naar een toespraak over het huwelijk, in 9 v.Chr. gehouden door keizer Augustus, bewijst dat Boek 59 nadien is voltooid.) Boek 65 was, als de Periochae betrouwbaar is, een litanie van Romeinse rampen.

[wordt vanmiddag vervolgd]

#antiekeGeschiedschrijving #AntiochosIIIDeGrote #AntiochosIVEpifanes #DerdePunischeOorlog #digressie #EerstePunischeOorlog #GaiusSemproniusGracchus #Hannibal #Jugurtha #KlassiekeGeschiedschrijvers #MarcusFuriusCamillus #Periochae #Pydna #PyrrhosVanEpirus #ScipioAfricanus #Sentinum #TiberiusSemproniusGracchus #TitusLivius #TweedePunischeOorlog #Viriathus

De slag bij Zama

Het overwinningsmonument bij Kbor Klib

Op het gymnasium kregen we, behalve Latijn en Grieks, ook geschiedenisles over het oude Nabije Oosten, Griekenland en Rome. Het zal bij die lessen zijn geweest dat ik de naam “Zama” voor het eerst hoorde, waar de beslissende slag uit de Tweede Punische Oorlog had plaatsgevonden.

In oktober 202 v.Chr. hadden de Romeinse generaal Scipio en de Numidische koning Massinissa hier de Karthaagse generaal Hannibal verslagen. Het gevecht fascineerde me: de laatste, doembeladen slag van een grote oorlog. Zie ook de slag op de Catalaunische Velden, de slag bij Camlann, de ondergang van de Nibelungen of desnoods de slag bij Minas Tirith.

Titus Livius is op zijn best. Hij is niet de betrouwbaarste antieke geschiedschrijver, maar betrouwbaarheid was zijn doel ook niet. Hij was een moralist en wilde de Romeinen voorbeelden geven. Daarbij was een mooi, boeiend verhaal altijd prettig en daarom voegde hij mooie, boeiende toespraken in. Voor de slag bij Zama laat hij Hannibal zijn tegenstander ontmoeten. Hannibal is oud, oorlogsmoe. Scipio hoort het aan en stelt eisen. Hij ruikt bloed. Mooi en boeiend.

Waar het gevecht plaatsvond, was lange tijd onbekend. Eén probleem was dat er twee Zama’s waren. Kromayer en Veith, over wie ik het al eens heb gehad, wisten desondanks vrij redelijk te benaderen waar de slag was geweest: ergens langs de weg van het huidige Siliana naar Le Kef (het antieke Sicca Veneria). Het was pas in 2005 dat Duncan Ross zich realiseerde dat een al veel langer bekend Numidisch monument de plaats markeerde. Zama was immers net zozeer een Numidische als een Romeinse overwinning.

Hierboven ziet u de resten van het monument. Het is ooit gedecoreerd geweest met reliëfs van cavalerie- en infanterieharnassen, maar die zijn overgebracht naar het Bardo-museum in Tunis. Het is sinds de recente staatsgreep gesloten maar wordt vermoedelijk in december heropend. Ik heb er nu geen foto’s van. Dit is het eigenlijke slagveld:

Het slagveld bij Zama (klik=groot)

Het kamp van Scipio en Massinissa is in het groene gebied achteraan op de foto. Het heet tegenwoordig Seba Biar. Als Hannibal en Scipio elkaar hebben gesproken voor de slag, zal het bij de silo zijn geweest die daaronder is te zien. Toen de slag plaatsvond, stond Massinissa op de rechtervleugel van het Romeins-Numidische leger; van hieruit gezien links. Het monument kan staan op de plaats waar Massinissa zijn tegenstanders op de vlucht joeg, zijn paarden wendde en Hannibals infanterie in de rug aanviel.

De plek is dus al in 2005 geïdentificeerd en natuurlijk zijn er allerlei archeologen en krijgshistorici een kijkje wezen kijken. Een toeristische site is het bepaald niet. Wij kregen het advies / verzoek / opdracht een agent mee te nemen als begeleiding. Het was een kleine prijs om te betalen voor het privilege de eerst toeristen te zijn die er naartoe gingen. Ik stak een sigaret op. Ik was namelijk vergeten de Italiaanse sigaren mee te nemen die je bij dit soort gelegenheden dient te roken, temeer omdat Hannibal ook altijd sigaren opstak als hij zei “I love it when a plan comes together”.

#Hannibal #KborKlib #Massinissa #ScipioAfricanus #TitusLivius #TweedePunischeOorlog #Zama

Was Hannibal bij Rochefort?

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, heb ik de coronacrisis gebruikt om twee boeken over Karthago te schrijven. Het tweede – chronologisch het eerste – verschijnt in maart, heet De vergeten oorlog en gaat over de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.). Het eerste boek – chronologisch het tweede – heet Hannibal in de Alpen en gaat over de onmogelijkheid vast te stellen waar de Karthaagse generaal met z’n olifanten de Alpen is overgestoken. Het verschijnt min of meer nu.

Voor het goede begrip: de vraag waar Hannibal de Alpen overstak, is irrelevant. Het heeft desondanks niet aan wetenschappers ontbroken die beweerden de locatie van Hannibals Kraftakt te kennen. Meestal hadden ze al vastgesteld welke pas het moest wezen, en bogen ze daarna de weinige data zo dat die bij hun hypothese paste. Men redeneerde dus naar een conclusie toe. Aangezien de data niet alleen schaars zijn maar ook ambigu, passen ze bij elke hypothese en is er dus nul bewijs voor wat dan ook. Dit is gewoon slechte wetenschap.

In juli reisde ik met mijn zakenpartner door de Franse Alpen om nog een keer de diverse locaties te bekijken. Gekleed in een Tunesisch gewaad maakte ik zeven filmpjes, die er dankzij Kees Huijser ook nog een leuk uitzien. Eén ervan presenteerde ik al. Daarin leg ik uit dat we niet weten waar Hannibal de Rhône overstak, wat jammer is, omdat een noordelijke oversteekplek een sterk argument zou zijn tegen de hypothese dat hij altijd langs de Durance heeft willen trekken.

Vandaag een tweede filmpje, opgenomen bij Rochefort. Onze auteurs, Polybios en Livius, noemen allebei de stam der Allobrogen. Maar waar woonde die in 218 v.Chr.? Als we het heel zeker wisten konden we misschien concluderen dat Hannibals mannen langs de Isère en Arc naar de Mt Cenis zijn gegaan, Maar we hebben zoveel zekerheid niet.

U bestelt Hannibal in de Alpen hier.

[Wordt vervolgd]

#Allobrogen #boek #Durance #filmpje #Frankrijk #Hannibal #HannibalInDeAlpen #Isère #Polybios #Rochefort #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

De Tweede Punische Oorlog (9)

De stadsmuur die Rome tijdens de Tweede Punische Oorlog beschermde

[Dit is het negende stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het achtste deel lazen we hoe de Karthaagse generaal Hannibal de Romeinen versloeg bij Cannae.]

Na de veldslag bij Cannae, zo vertelt Livius, vergaderden de Karthaagse commandanten, en de meesten waren het erover eens dat het leger eerst een dag mocht uitrusten. De aanvoerder van de cavalerie, Maharbal, dacht er anders over: als de overwinnaars nu op Rome marcheerden, zouden ze over vijf dagen dineren op het Capitool. Toen Hannibal aarzelde, repliceerde Maharbal dat de goden nooit alles aan één mens gaven en dat Hannibal beter wist hoe een veldslag te winnen dan te benutten. “Velen geloven dat het uitstel op die dag de redding heeft betekend van Rome en het Romeinse Rijk,” meende Livius.

Over die analyse is sindsdien uitgebreid gediscussieerd en de meeste geleerden wijzen erop dat de strategische realiteit maar weinig was veranderd sinds het moment waarop de Karthagers Italië waren binnengevallen. De Romeinen beheersten de zee en dat betekende dat Hannibals aanvoerlijnen zich uitstrekten over de Pyreneeën en de Alpen. Tot nu toe had dat geen probleem opgeleverd omdat hij zich snel door Italië verplaatste en zich voortdurend uit nieuwe gebieden kon bevoorraden, maar aan de belegering van de formidabele muren van Rome, waarbij tienduizenden manschappen moesten worden gevoed, viel niet te denken zolang er niet op grote schaal graan kon worden aangevoerd. Daarvoor was een haven noodzakelijk, en zolang de Romeinen over een betere vloot beschikten, was het uitgesloten dat de Karthagers ongestoord voedsel konden aanvoeren. Anders gezegd: de door Livius weergegeven inschatting is onjuist.

Maar zijn opmerking vormt een dwaalspoor. Hannibal wilde het Romeinse bondgenotenstelsel ontmantelen en er op die manier voor zorgen dat het westelijke Middellandse Zeegebied een Karthaagse binnenzee werd. Om dat doel te bereiken hoefden de Karthagers de vijandelijke hoofdstad niet in te nemen. Het was voldoende Romes bondgenoten ertoe te bewegen hun loyaliteit te verleggen. In de weken na de zege bij Cannae zegden verschillende stadstaten en stamfederaties hun steun aan Rome inderdaad op en Hannibal mocht hopen dat het Italiaanse imperium uiteen zou vallen.

Maar dat bleek te optimistisch. Romes bondgenotenstelsel kende verschillende soorten allianties. Grosso modo waren er drie groepen. In de eerste plaats waren er de Romeinen zelf, die woonden in de stad, in geannexeerde gebieden en in koloniën. De tweede groep bestond uit de Latijnen. Oorspronkelijk waren dat de aan de Romeinen verwante bewoners uit de omgeving van de stad, maar later waren Latijnse rechten gegeven aan andere groepen in Italië. Voor hun binnenlandse politiek waren ze autonoom, maar ze hadden weinig speelruimte in het buitenlandse beleid en moesten Rome in oorlogstijd – en wanneer was dat niet? – soldaten leveren. In ruil daarvoor kregen ze een aandeel in de buit. Een Latijn die naar Rome verhuisde, kon zijn oude burgerrecht omzetten in het Romeinse. Tot slot waren er de socii, die meestal geen Latijn spraken en het recht niet hadden Romein te worden. Het effect van de slag bij Cannae was dat de socii uit het zuiden van Italië overliepen naar de Karthagers, terwijl de Latijnen en de noordelijke socii Rome bleven steunen of, zoals Livius iemand laat zeggen, de oorlog eigenlijk van Rome overnamen.

Rome kon de oorlog op dit moment niet winnen, maar hoefde evenmin concessies aan Hannibal te doen. Die werd nu geconfronteerd met de luxe van een teveel aan bondgenoten, die allemaal bescherming vergden. De snelle campagne die hij tot dan toe had gevoerd, kwam daarmee ten einde. Hij had in feite de oorlog gewonnen, maar werd geconfronteerd met een tegenstander die weigerde dat toe te geven. Wat restte, was een uitputtingsoorlog.

Uitputting: de Karthagers meenden dat het verstandig was de vijand te dwingen zijn krachten te verdelen en sloten daarom een bondgenootschap met de Macedonische koning Filippos V, die van Karthago de toezegging kreeg dat hij de Romeinse bezittingen aan de Dalmatische kust mocht overnemen. De Romeinen reageerden hierop door het sluiten van een verdrag met de steden uit het westen van Griekenland, die de Macedoniërs de oorlog verklaarden en daarmee verhinderden dat Filippos Dalmatië veroverde. De Romeinse troepeninzet bleef minimaal. Hannibal boekte wel succes op Sicilië, waar hij door een alliantie met Syracuse zijn vijanden dwong troepen te zenden.

Ondertussen bleef het Romeinse expeditieleger in Catalonië succesvol, al klaagden de aanvoerders dat ze onvoldoende steun kregen. Hun smeekbeden hadden een zekere urgentie, want de Karthaagse regering had, nu de oorlog in Italië zo voorspoedig verliep, de herovering van het Iberische schiereiland prioriteit gegeven en versterkingen naar Andalusië gestuurd. Ondanks de sterkere tegenstand hielden de Romeinse successen in Spanje aan.

Met achttien legioenen onder de wapenen waren de Romeinse middelen uitgeput en daar kwam nog een economische crisis bij. In 217 was de munt met de helft gedevalueerd en in het jaar van Cannae was de waarde nog verder afgenomen. Zelfs nu Rome op deze manier geld schiep, was een belastingverhoging noodzakelijk en rond 214 ging het hele muntstelsel op de schop. Hiermee zou uiteindelijk de strijd door Rome worden gewonnen. Ik legde hier al uit waardoor Rome de oorlog wél inflatoir kon financieren en waardoor Karthago het niet kon:

Rome kon de oorlog op deze wijze financieren doordat het weinig behoefde te importeren en dus zelden iets in het buitenland hoefde kopen tegen een hoger geworden prijs. Voor Romes dienstplichtigen gold dus dat de boodschappen op de markt precies hetzelfde kostten als voorheen en dat de soldij niet minder waard was dan voor de oorlog.

Er was ook inflatie bij de Karthagers, die echter steunden op buitenlandse huurlingen. Karthago moest, om zo te zeggen, soldaten importeren en een in waarde verminderde munt maakte de huurlingen duurder. Dat maakte het moeilijk de oorlog inflatoir te financieren. Daar kwam nog bij dat Karthago strategisch belangrijke producten tegen steeds hogere prijzen moest importeren, terwijl Rome altijd toegang behield tot de metaalmijnen in Toscane.

[Wordt vervolgd]

#Catalonië #Hannibal #Italië #ServiaanseMuur #slagBijCannae #soldij #Spanje #TweedePunischeOorlog

De Tweede Punische Oorlog (13)

Numidisch ruiterzwaard, zoals gebruikt in de Tweede Punische Oorlog (Musée de Cirta, Constantine)

[Dit is het voorlaatste stukje in een reeks over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. In het twaalfde deel behandelde ik Scipio’s landing in Afrika.]

Die winter deed Syfax een vredesvoorstel dat erop neerkwam dat de Romeinen zich uit Afrika en Hannibal zich uit Italië zou terugtrekken. Dat liet Rome in het bezit van Spanje: een formidabele winst.

Scipio was echter niet uit op vrede en wilde de eer van de eindzege. De onderhandelingen boden hem evenwel een kans het kamp van Syfax en de Karthaagse commandant te verkennen, en toen de onderhandelingen op niets waren uitgelopen, had hij genoeg gezien. Hij keerde ’s nachts terug, omsingelde het kamp, stak het in brand en vernietigde het complete leger. Hierop besloten Syfax en de Karthaagse generaal, die het inferno hadden overleefd, in Numidië een tweede leger op de been te brengen, maar Scipio trok het tegemoet. Op de plaats waar de rivier de Mejerda vanuit Numidië het Karthaagse gebied binnenstroomde, ruwweg bij het huidige Suq el-Khemis, kwam het tot een veldslag. Scipio behaalde een eenvoudige overwinning op zijn vijanden, merendeels rekruten. Terwijl de Romeinse bondgenoot Massinissa zijn rivaal Syfax achtervolgde en gevangennam, deed Scipio een vredesvoorstel aan de Karthagers. Livius werd geconfronteerd met bronnen die elkaar tegenspraken:

Ze moesten de krijgsgevangenen, overlopers en weggelopen slaven teruggeven, hun legers terugtrekken uit Italië, afzien van Spanje en van alle eilanden tussen Italië en Afrika, alle oorlogsschepen uitleveren op twintig na en 500.000 schepel tarwe en 300.000 schepel gerst leveren. Over de som geld die hij oplegde bestaat geen overeenstemming: bij de een vind ik 5000 talenten genoemd, bij een ander 5000 pond zilver, bij weer anderen dat dubbele soldij voor de soldaten werd opgelegd.

Dit voorstel was zwaarder, maar niet zo heel veel, dan het voorstel van Syfax. Scipio wilde niet overvragen. Hij had bij Utica ervaren dat het belegeren van een stad niet zo eenvoudig was, en vermoedde dat het veroveren van Karthago, waarvan hij de hoge muren op een afstand had zien liggen, nog moeilijker zou zijn. De Karthaagse regering stemde in met het verdrag, er werd een wapenstilstand gesloten en een gezantschap naar Rome gestuurd.

Daar werd het voorstel aanvankelijk afgewezen, maar toen het nieuws kwam dat Hannibal Italië had verlaten en aan land was gegaan in het oosten van Tunesië, ging ook de Senaat akkoord. De Tweede Punische Oorlog leek ten einde te zijn.

Het geweld laaide echter weer op toen een aantal Romeinse graanschepen uit de koers raakte en op een kilometer of twintig van Karthago aan de grond liep. De bemanning verliet de vaartuigen en na enige discussie besloten de Karthagers ze op te brengen. Het is niet duidelijk waarom dit gebeurde. De bronnen, Livius en de tweede-eeuwse historicus Appianus van Alexandrië, zijn pro-Romeins en schrijven dat de bevolking van Karthago weinig te eten had en van het verdrag af wilde. Het kan waar zijn. Maar als er hongersnood heerste, komt de vraag op waarom Scipio nog pas enkele weken daarvoor de belegering van de stad niet had aangedurfd. De Romeinse generaal zou nog hebben geprobeerd escalatie van het conflict te voorkomen, maar toen er ook gezanten werden gemolesteerd, was het duidelijk dat er nog een keer gevochten zou moeten worden, en wel tegen de laatste generaal die de Karthagers nog hadden: Hannibal.

De logische plaats voor de beslissende veldslag zou ergens in het oosten van het huidige Tunesië zijn geweest, bijvoorbeeld omdat Scipio Hannibal tegemoet trok, of omdat deze oprukte naar Scipio’s Kasteel. In plaats daarvan trokken beide legers naar het gebied waar Massinissa heerste. Geen bron biedt een verklaring. In elk geval stuitten de twee legers in oktober 202 op elkaar bij een plaats die Zama heette, ergens ten westen van het huidige Siliana. Daar kwamen beide generaals overeen dat ze elders met elkaar zouden spreken. Die plaats wordt door Polybios aangeduid als Margaron en door Livius als Naraggara; het enige wat daar verder van kan worden gezegd is dat het gaat om verbasteringen van het Punische Nahrgara en dat niemand weet waar het ligt. Daarom spreken oudhistorici gemakshalve van de slag bij Zama.

Het gesprek tussen de generaals leverde weinig op. “Een tijdlang zwegen ze bij het zien van elkaar, bijna verlamd van wederzijdse bewondering,” schrijft Livius, die vervolgens Hannibal een van de mooiste toespraken uit de Romeinse letteren in de mond legt en hem het voorstel van Syfax laat herhalen. Scipio’s antwoord was simpel: het was te gek voor woorden dat de vertegenwoordiger van een stad die een wapenstilstand had geschonden verbeterde vredesvoorwaarden kwam bedingen. Met een beroep op een “heilige, gerechtvaardigde oorlog” maakte de Romein een einde aan het gesprek. Toen Scipio de volgende dag zijn troepen opstelde, had hij volgens Livius “zo’n blij gezicht dat je zou denken dat de Romeinen al overwonnen hadden”. Hij vertrouwde volledig op zijn goede gesternte, of pretendeerde het.

[Wordt nog één keer vervolgd; de vertaling uit Livius is van Hetty van Rooijen.]

#GroteVlakten #Massinissa #ScipioAfricanus #soldij #Syfax #Tunesië #TweedePunischeOorlog #Zama