De slag bij Kadesh (4)

Hittitisch-Egyptisch verdraag (Archeologisch museum van Istanbul)

[Laatste van vier blogjes over de Egyptisch-Hittitische Oorlog in Syrië, maar er is nog een PS. Het eerste was hier.]

De strijd bij Kadesh was begonnen toen Hittitische strijdwagens de Orontes waren overgestoken, de Egyptische Ra-divisie in de flank hadden aangevallen en waren afgebogen naar het kamp van de Egyptische Amon-divisie, waar farao Ramses II zich bevond.

De strijd om het kamp

Zoals ik in het vorige blogje aangaf, kan het aantal Hittitische strijdwagens dat door de Ra-divisie heen brak, nooit groot zijn geweest, en toen die wagens aankwamen bij het Egyptische kamp, kon Ramses snel instructies geven voor een tegenaanval. In zijn eigen verslag beweert de Egyptische koning weliswaar dat er geen officier, geen wagenmenner, geen soldaat, geen schilddrager meer bij hem was, maar dat is onzin. Tegenover hooguit enkele honderden zware strijdwagens zette hij evenveel snellere strijdwagens en duizenden infanteristen. De Hittieten werden bedolven onder een regen van pijlen en hadden geen schijn van kans.

Het lijkt erop dat Muwatalli, de Hittitische koning, heeft geweten hoe zijn strijdwagens in de problemen waren gekomen. Hij moest op een of andere manier interveniëren: was het niet om alsnog de Egyptenaren te verslaan in een veldslag die hij niet op deze manier had gepland, dan was het wel om de Egyptenaren te dwingen hun aandacht te verdelen, zodat de strijdwagens een kans kregen terug te keren. Hij zond dus troepen uit Aleppo en Karchemiš, die deel uitmaakten van het Hittitische leger, naar het Egyptische kamp.

Voor een moment leek het alsof de Hittitische versterkingen de Egyptenaren in de problemen zouden brengen, maar korte tijd later arriveerden vanuit het westen de Ne’arin. Zoals ik al aangaf, weten we niet wat deze “jonge mannen” van onderdeel waren, maar hun aankomst deed de balans definitief doorslaan in het voordeel van de Egyptenaren. De Hittieten moesten zich terugtrekken naar de oostelijke oever van de Orontes; de mannen die op de strijdwagens waren vervoerd, stegen af en probeerden zwemmend aan de overzijde te komen, bestookt door de Egyptische boogschutters, die in alle rust konden prijsschieten.

Het gevecht in de rivier, zoals afgebeeld in het Ramesseum (klik=groot)

Naspel

Het gevecht was voorbij, maar zoals wel vaker is het maar de vraag wie had gewonnen. Ramses had in elk geval een tactische overwinning behaald: de Hittitische aanval was afgeslagen en het vijandelijke leger had aanzienlijke schade geleden. In de Egyptische propaganda gold de slag bij Kadesh dan ook als een overwinning zonder weerga. Wat er niet bij staat is dat het operationele doel, de inname van Kadesh, niet was gehaald. Nu twee van zijn divisies verliezen hadden geleden, kon Ramses de door de Hittieten versterkte stad niet langer belegeren en restte slechts de aftocht richting Damascus.

Dat wil niet zeggen dat Muwatalli de slag had gewonnen. Hij was er bepaald niet in geslaagd Ramses voor eens en altijd diets te maken wie de baas was. Hij liet zijn broer Hattusili, de latere koning, achter om de regio te verdedigen. De strijd om Syrië golfde nog enkele jaren op en neer, waarbij de Hittieten wat vaker in het voordeel waren dan de Egyptenaren. Feitelijk hadden beide partijen echter dezelfde les geleerd: men kon het eigen leger veilig inzetten tegen vazalkoningen, maar de confrontatie met een supermacht was een ander paar mouwen.

Wat geen van beide partijen wilde, was dat er een derde supermacht zou opstaan. Maar dat was wel wat gebeurde: de Assyriërs dienden zich aan. Bovendien moest Hattusili III, die inmiddels Muwatalli was opgevolgd, zich te weer stellen in een conflict met een neef. In het eenentwintigste regeringsjaar van Ramses en het veertiende jaar van Hattusili, wellicht 1259 v.Chr., kwam het dus tot een vredesverdrag. We bezitten beide versies van de tekst, die op slechts één punt verschillen: de Egyptische versie zegt dat dat Hittieten om vrede verzochten, terwijl de Hittitische versie het omgekeerde beweert.

[Appendix volgt]

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

Zelfde tijdvak


Andronovo

augustus 27, 2015
Astarte

januari 7, 2016
De slag bij Kadesh (1)

december 24, 2025 Deel dit: #Aleppo #HattusiliIII #Hittieten #Karchemiš #krijgsgeschiedenis #LateBronstijd #MuwatalliII #Orontes #RamsesII #slagBijKadesh #Syrië

Het vroegste Cilicië

De kust van het Rauwe Cilicië

De noodzaak van spellingsregels is verzonnen door mensen die dachten dat u en ik niets beters te doen hebben. Desondanks hanteer ik toch wel een paar principes. Regel één: gij zult niet invisibiliseren. We proberen immers een beetje inclusief te zijn. Ik probeer dus, al is het maar bij benadering, een naam weer te geven in een spelling die de taal van de betrokkene benadert. Homeros was een Griek en heette geen Homerus. Niet dat het altijd lukt een naam zelfs maar bij benadering correct weer te geven. Het wordt wat gek Julius Civilis aan te duiden als *Kivilaz. En een Latijnse naam geef ik aan in het Latijn. Appianus zal zijn naam zelf wel hebben geschreven als Appianos, maar ik houd het desondanks maar op Appianus.

Regel twee: sommige namen zijn te ingeburgerd. Zolang we niet al te veel invisibiliseren, moeten we die maar handhaven. Jezus, Plato, Hannibal, en Alexander Grote dus maar. De namen van de Romeinse provincies moeten ook maar zo blijven. Ik weet het: je zou Epeiros moeten schrijven, maar laten we het toch maar houden op Epirus. En ook liever Cilicië dan Kilikia. Waarmee ik eindelijk ter zake ben.

Topografie

Cilicië is de antieke naam van het zuiden van het huidige Turkije. Zeg maar het deel tegenover Cyprus. Het bestond uit twee delen: het ontoegankelijke en bergachtige westelijke en noordelijke deel, ook bekend als “het rauwe Cilicië”, en de zuidoostelijke vlakte, waar diverse rivieren zorgden (en zorgen) voor een rijke graanoogst.

Het Taurusgebergte vormt de grens met Cappadocië, dat destijds een veel groter gebied besloeg dan de wonderlijke rotslandschappen die tegenwoordig zo heten. De verbinding tussen Cappadocië en Cilicië is een bergpas, de Cilicische Poort. Naar het oosten toe ligt Syrië, bereikbaar over de bergpas die bekendstond als Syrische Poort. Er was destijds geen kustweg naar het westen en als u bovenstaande foto bekijkt, begrijpt u waarom die pas in de twintigste eeuw is aangelegd.

Hittieten en Neo-Hittieten

De twee delen van Cilicië horen al sinds mensenheugenis bij elkaar. Al in de tweede helft van het tweede millennium v.Chr. vormde de regio, die toen Kizzuwatna heette, één onderdeel van het Hittitische Rijk. De bronnen uit die tijd vermelden de twee belangrijkste steden op de vlakte: Tarca, dat later Tarsos zou heten, en Adanija ofwel Adana. Men sprak in Kizzuwatna Luwisch, een Anatolische taal, en de voornaamste bestuurder was een prins uit de koninklijke familie, die in de bronnen simpelweg “priester” heet.

Neo-Hittitische sfinx uit Karatepe

Het Hittitische Rijk overleefde de Zeevolkentijd niet. Lange tijd was de periode na pakweg 1200 v.Chr. een “dark age”, maar duisternis trekt onderzoek aan en oudheidkundigen, vooral afkomstig uit Duitsland, hebben in de tweede helft van de twintigste eeuw de duisternis deels laten optrekken. De twee gebieden maakten deel uit van een Hittitische opvolgersstaat die bekendstaat als Tarhuntassa, waarvan de hoofdstad ergens in het westen in Pamfylië lag. We noemen Tarhuntassa, net als het meer oostelijk gelegen Karchemiš, een Neo-Hittitische staat omdat het feitelijk een voortzetting was van de aloude Hittitische bestuursstructuur, zij het dat de centrale overheid er niet langer was.

Assyrië

De Assyrische bronnen maken onderscheid tussen het vruchtbare oostelijke gebied Qu’e (met als belangrijkste steden Karatepe en Adana) en het berggebied Hilakku. Van dit laatste woord is ons Cilicië afgeleid.

De vlakte van Qu’e was het eerste deel dat in Assyrische handen viel. Koning Tiglat-pileser III (r.744-727 v.Chr.) benoemde een gouverneur, die resideerde in Adana. Qu’e was echter geen vanzelfsprekend onderdeel van het Assyrische Rijk: na de dood van koning Sargon II in 705 keerde de oude dynastie terug, het huis van Muksa. Over de stichter daarvan zal ik bij gelegenheid nog eens bloggen, want dat is de Mopsos die volgens Griekse bronnen na de Trojaanse Oorlog een stad in Cilicië had gesticht.

De Assyrische koning Esarhaddon (r.680-669) heroverde Qu’e, maar Hilakku bleef onafhankelijk. De Assyriërs waren niet voldoende geïnteresseerd in het arme berggebied. Tijdens de regering van Aššurbanipal (r.668-631 v.Chr.) werd Hilakku echter bedreigd door de Kimmeriërs, een nomadenstam die het koninkrijk Urartu al onder de voet had gelopen. Daarom plaatste Hilakku zich onder Assyrische bescherming.

[Wordt vervolgd]

#Adana #AnatolischeTalen #Aššurbanipal #Cilicië #CilicischePoort #DarkAges #Esarhaddon #Hilakku #Hittieten #KaratepeAslantaş #Karchemiš #Kimmeriërs #Kizzuwatna #LuwischeTalen #Mopsos #NeoHittieten #Pamfylië #QuE #SargonII #SyrischePoort #Tarhuntassa #Tarsos #Taurus #TiglatPileserIII #Zeevolken

Kybele in Anatolië

Kybele op een reliëf uit Karchemiš (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

De diverse volken in de Oudheid aanbaden vele, vele goden en godinnen. Een van de allerbekendste was de grote godenmoeder: de godin die ooit de andere goden, de eerste mensen, de dieren en de wilde natuur had gebaard. Kortom: de universele moeder. De mensen in Anatolië, zeg maar het huidige Turkije, vereerden haar onder diverse namen. Uit Hittitische bronnen kennen we haar onder de naam Hepat.

Uit het eerste millennium v.Chr. kennen we bijvoorbeeld de Leto van de Lyciërs en de Artemis van Efese. Matar, Agdistis en Kybele zijn de Frygische namen van de godin. De laatste naam zou gaan vanaf de vijfde eeuw v.Chr. gaan overheersen.

Voor ik verder ga ruim ik nog even een misverstand uit de weg: als godin van de geboorte was Kybele – of hoe we haar ook noemen – niet de godin van de vruchtbaarheid zelf. Een vruchtbaarheidsgodin is geen geboortegodin en vice versa.

Moedergodin uit Çatalhöyük (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Prehistorie?

Het is niet ondenkbaar dat de geboortecultus teruggaat tot de Steentijd. Beeldjes van vrouwen met grote borsten en buiken, gevonden in Çatalhöyük en Hacilar, suggereren dat moedergodinnen al in het zevende en zesde millennium voor Christus werden vereerd. Een Chalcolithisch beeldje van een vrouw in barensnood, gevonden in Mosfilia op Cyprus, kan bewijs zijn voor de verspreiding van deze cultus.

De eerste hoofdwet van de archeologie, dat je alles wat je niet kunt interpreteren maar religieus moet noemen, is echter wel van toepassing. Andere interpretaties zijn zeker denkbaar. Ik wijs er bovendien op dat een religieuze continuïteit van meerdere millennia makkelijker aan te nemen dan te bewijzen is. Oudheidkunde zijnde oudheidkunde en dataschaarste zijnde dataschaarste, weten we weer eens minder dan we weleens denken.

Beeld van Matar (Museum van Gordion; meer)

De Anatolische Kybele

Het eerste onbetwiste bewijs voor de cultus van Kybele, nog steeds Kubaba genoemd, komt uit Karchemiš, een belangrijke Neo-Hittitische stad aan de Eufraat. Een ander vroeg cultuscentrum was de berg Dindymon in het oosten van Frygië. In het nabijgelegen Pessinos, aan de voet van de berg, werd de godin, Matar en Agdistis genaamd, vereerd in de vorm van een grote zwarte steen. (Zo’n steen heet een baetyl en we kennen zulke culten ook uit bijvoorbeeld Oud-Pafos, waar de Cyprioten Afrodite vereerden.) Hoewel Frygië achtereenvolgens werd geregeerd door de koningen van Gordion, door de Lydische koningen in Sardes, door de Achaimenidische Perzen en door de Seleukiden, wisten de priesters van Kybele in Pessinos tot in de Romeinse tijd hun onafhankelijkheid te bewaren.

Misschien introduceerden de Frygiërs, die in de Vroege IJzertijd vanuit Thracië naar Anatolië waren gekomen, aspecten van de Thracische cultus van Dionysos. In elk geval hadden de rituelen voor Kybele een extatisch karakter. Dat was natuurlijk ook passend voor een godin van de wilde natuur. Een van deze rituelen was de zelfcastratie van sommige van de priesters, de galli, die berucht was in de antieke wereld. Ze deden dit om Attis na te doen, de geliefde van Kybele, die zijn geslachtsdelen had afgesneden in een staat van religieuze razernij. Zittend onder een pijnboom was hij doodgebloed. Of deze zelfcastratie altijd werkelijk plaatsvond of eerder symbolisch was, zoals christenen die het lichaam en bloed consumeerden van Christus, is weer eens niet uit te maken. Ik weet het althans niet.

Pessinos

Een van de belangrijkste ceremonies, het best bekend uit Griekse en Romeinse bronnen, werd gevierd aan het begin van de lente, in maart. De vereerders hakten dan een pijnboom om en brachten die naar de tempel. Hier werd de stam versierd met viooltjes, die druppels bloed van Attis voorstelden. De hogepriester sneed dan in zijn arm en offerde zo wat bloed aan de godin. De andere priesters dansten en sloegen zichzelf, totdat druppels van hun bloed waren gevallen op de heilige dennenboom.

[Wordt vervolgd]

#ArtemisVanEfese #Attis #Çatalhöyük #baetyl #Dindymon #EersteHoofdwetVanDeArcheologie #Frygië #galli #Gordion #Hacilar #Hittieten #Karchemiš #Kybele #Leto #Lydië #Mosfilia #NeoHittieten #OudPafos #Pessinos #Sardes #vruchtbaarheidsgodin