De Thraciërs (2)

De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)

[Dit is het tweede van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Sociale stratificatie

De in het vorige blogje genoemde handel en de exploitatie van goudmijnen zorgden voor rijkdom. En rijkdom schiep sociale stratificatie: koning, adel, krijgers, boeren. Het is geen toeval dat de Odrysen, die het dichtst bij het Perzische Rijk en de Griekse stadstaten woonden, in de vijfde eeuw v.Chr. als eersten een eigen koninkrijk bouwden. Zij hadden de beste mogelijkheden om handel te drijven. Later volgden ook de andere gebieden.

Maar de maatschappelijke verschillen zijn al eerder gedocumenteerd. Toen de Perzen tegen het einde van de zesde eeuw de regio onderwierpen, was er al een archeologisch herkenbare elite die pronkte met Griekse en Perzische voorwerpen. (Ik blogde al eens over de Rogozen-schat, gevonden bij de Triballiërs in het noordwesten, waar een kruikje bij zit waarvan de decoratie lijkt te zijn geïnspireerd door de Perzische leeuw-stier-reliëfs.) Niet dat de Thraciërs zelf geen kunst maakten. In de vorstelijke residenties was emplooi voor edelsmeden. Hun producten zijn aangetroffen in tal van graftombes (tumuli in jargon) en zijn beeldschoon.

Een opvallend detail is dat als het koningschap eenmaal is ontstaan, de vorst afstand neemt tot zijn onderdanen: hij leefde apart, in een citadel. De adel woonde er in de buurt, in het dorp woonden boeren die druiven, gerst, rogge en tarwe verbouwden; en de herders zwierven daarbuiten. Deze ruimtelijke indeling was in de oude wereld uiteraard heel gangbaar.

Koningsmasker van goud uit Svetitsa (Archeologisch museum, Sofia)

Godsdienst

De Thraciërs waren grotendeels ongeletterd, maar zoals ik al schreef hebben Griekse auteurs over hen geschreven. Omdat ze een Indo-Europese taal spraken, mogen we ook de historische taalkunde in stelling brengen, en de conclusies daarvan zijn bevestigd door de archeologie.

Het lijkt erop dat bij de Thraciërs de koning een soort middelaar is geweest tussen de goden en de mensen. Daarom had hij allerlei priesterlijke taken. Hij stamde ook af van de goden – Herodotos identificeert de koninklijke stamvader als Hermesnoot Herodotos, Historiën 5.8. – en was daarom onverslaanbaar in oorlogstijd. Dat was althans de ideologie, die we denken te herkennen in de decoratie van het edelsmeedwerk.

Dezelfde Herodotos meldt dat de Thraciërs alleen de goden Artemis, Dionysos en Ares vereren.noot Herodotos, Historiën 5.8. Dit zijn Griekse namen. Van de twee eerste is bekend dat ze corresponderen met de natuurgodin Bendis en een (inderdaad Dionysos-achtige) zoon van de oppergod genaamd Zagreus. Ik heb niet kunnen achterhalen welke oorlogsgod schuil gaat achter Herodotos’ Ares, maar het ontbreekt niet aan Thracische reliëfs van ruiters. Daarover zo meteen meer.

Romeinse afbeelding van de Thracische Orfeus (Archeologisch museum, Stara Zagora)

Orfiek

Een van Zagreus’ leerlingen was Orfeus, die – net als de koning – bemiddelde tussen mensen en goden. Aan hem schreven de Thraciërs al hun wijsheid toe, die de vorm had van allerlei bezweringen, wapendansen en rituelen, waarmee de deelnemers zouden kunnen delen in de onsterfelijkheid van de goden. Een mooi voorbeeld is de man die begraven is met de cocon van een rups. Bij die rituelen zou het draaien om een cyclisch proces van leven, sterven en herleven, wat in de kunst tot uiting zou worden gebracht door herhaalde motieven (meanders, spiralen…) en ook een steeds herhaalde afwisseling van kleuren: rood voor het sterven, zwart voor het graf en wit voor de hernieuwing.

En goud! Goud representeerde al sinds de Bronstijd de zon, de bron van alle leven. Archeologen maken – volgens mij terecht – heel veel van de associatie tussen zonneschijn en goudglans, maar ik noteer wel dat Herodotos geen zonnegod vermeldt dat alleen de hellenistische – dus: vrij late – auteur Alexandros Polyhistor beweert dat de Thraciërs Dionysos/Zagreus gelijkstelden aan de zonnegod.

Thracische Ruiter (Letnitsa-schat, Regionaal Historisch museum, Lovech)

De Thracische Ruiter

Een van de opvallendste afbeeldingen uit de Thracische kunst staat bekend als de Thracische Ruiter. Er moeten er honderden zijn, misschien wel duizenden. Steeds zien we een bewapende ruiter, die nu eens op jacht is en bijvoorbeeld een everzwijn achtervolgt, dan weer een slang bij een boom aanvalt, of terugkeert van het front met het hoofd van een verslagen tegenstander in z’n bagage. Zo nu en dan draagt hij een hoorn des overvloeds, wat dan wellicht het symbool is van de onderwereld. Reliëfs als deze zijn ook bekend uit Roemenië, en daaruit kennen we de naam van de Thracische Ruiter: Ἥρως, “Heros”. Dat is overigens ook het Griekse woord voor held, dus het kan ook een titel zijn, of een als eigennaam gebruikte titel.

In de diverse gebieden lijkt de Thracische Ruiter met diverse goden of mythologische figuren te zijn geassocieerd: de Griekse genezende godheid Asklepios, de orakelgod Apollo, Dionysos/Zagreus, en wellicht ook Ares. Die is immers (volgens Herodotos althans) belangrijk geweest, past goed bij de bewapende ruiter en is niet ergens te plaatsen. Afbeeldingen zijn er tot ver in de derde eeuw na Chr. en wellicht is er een verband met de dubbele “ruiters van de Donau” waarover ik eerder blogde.

En misschien is de Thracische Ruiter ook wel een weergave van de oppergod. Herodotos noemt Zalmoxis, waarvan hij zegt dat die ook wel Gebeleïzis heet. Die laatste naam wordt ook anders gespeld, maar het gaat zeker om dezelfde Indo-Europese naam als die waarvan Zeus en Jupiter zijn afgeleid: de donderende hemelgod die aan het hoofd van het pantheon stond. Dat Zalmoxis in de hemel verbleef, blijkt uit (alweer) Herodotos, die vertelt dat de Geten

om de vier jaar een man uitloten die aan Zalmoxis al hun wensen en verlangens van dat tijdstip kenbaar moet maken. Dat gaat als volgt in zijn werk: zij wijzen een aantal mannen aan die ieder drie speren vasthouden. Dan wordt door een groep anderen de persoon die de boodschap aan Zalmoxis moet overbrengen aan handen en voeten beetgepakt en in de lucht gegooid zodat hij op de speerpunten terechtkomt. Komt hij bij die val om, dan betekent dit volgens hen dat de god hun welgezind is.noot Herodotos, Historiën 4.94; vert. Hein van Dolen.

Of dit werkelijk zo is gegaan, waag ik te betwijfelen. Het past me net iets te goed bij Herodotos’ tendens om de Thracische barbarij wat aan te dikken. Maar het bevestigt wel dat Zalmoxis in de hemel was.

[Wordt morgen vervolgd]

#AlexandrosPolyhistor #Ares #Artemis #barbaren #Bendis #Dionysos #goud #grafheuvel #Hermes #HerodotosVanHalikarnassos #IndoEuropeseTalen #koningschap #LetnitsaSchat #Odrysen #Orfiek #RogozenSchat #ruitersVanDeDonau #Thracië #ThracischeRuiter #Triballiërs #Zagreus #Zalmoxis #zon

De Thraciërs (1)

Thracisch alssnoer uit de IJzertijd (Historisch Museum, Sofia)

De Thraciërs wisten zelf niet dat ze bestonden. “Thraciërs” was oorspronkelijk de naam die de Grieken gaven aan de bewoners van het gebied ten noorden van de Egeïsche Zee. Toen er later Griekse steden ontstonden aan de westkust van de Zwarte Zee, duidden de bewoners hun buren in het achterland eveneens aan als Thraciërs. Uiteindelijk ging het om een regio die iets groter was dan het huidige Bulgarije. Zelf hebben de mensen die daar woonden, zich nauwelijks herkend als één volk. De Griekse onderzoeker Herodotos kent de namen van een stuk of tien groepen die hij beschouwt als Thracisch, latere auteurs kennen nog meer namen.

Of die werkelijk corresponderen met de zelfaanduidingen, is maar de vraag. Het is niet plausibel dat er in historische tijden een groep bestond met de legendarische, aan Homeros ontleende naam Kikonen, terwijl ook Melinofagoi, “giersteters”, niet klinkt als een authentieke Thracische naam. Sinds de thracologie een echte wetenschap is – laten we zeggen sinds de jaren zeventig – worden meestal vier groepen aangewezen: twee ten noorden van het Balkangebergte, dat als een horizontale lijn van oost naar west door Bulgarije loopt, en twee in het zuiden. Het zijn:

  • in het noordoosten de Geten, op beide oevers van de Donau, dus ook in Roemenië;
  • in het noordwesten de Triballiërs, vanaf de Geten bezien stroomopwaarts aan de Donau, deels in Servië;
  • de Bessers in het zuidwesten, in het Rhodopegebergte, in de richting van Griekenland;
  • de Odrysen op de vlakte van de Maritsa (de antieke Hebros) in het zuidoosten, ook in Turkije.

De Thracische cultuur

Hoewel de Thraciërs dus verdeeld waren, is het nou ook weer niet zo dat er helemaal niets was dat ze verbond. Om te beginnen spraken ze dezelfde Indo-Europese taal. Of Indo-Europese talen, meervoud. Het taalkundig bewijs is erg mager. Maar toch: dankzij enkele korte inscripties, een grote hoeveelheid persoons- en plaatsnamen en zo’n tachtig notities in antieke woordenboeken is voldoende bekend om er zeker van te zijn dat het Thracisch behoorde tot de Indo-Europese familie. Zo kennen we woorden als bria, “versterking”, broutos, “bier”, midne, “huis”, en para, “voorde”. Het is te weinig om de plek van het Thracisch in de grote Indo-Europese stamboom te bepalen, maar voldoende om te bepalen dat de taal daarin hoort.

De Thraciërs deelden ook dezelfde mythen en godsdienst (de “Orfiek”) en hadden een overeenkomstige levenswijze. Ze zouden nogal krijgszuchtig zijn geweest – althans volgens de Griekse auteurs, voor wie de Thraciërs niet zelden golden als “de” barbaar par excellence. Die vooringenomenheid leidde tot vertekening. Herodotos vertelt bijvoorbeeld dat de Thracische groep die hij Trausers noemt, huilden bij de geboorte van een baby, omdat ze wisten hoeveel verdriet er is in een mensenleven, en dat ze lachten bij de dood, omdat de ellende eindelijk voorbij was. noot Herodotos, Historiën 5.4. Dit is evident omkering van de Griekse norm en dus het “scheppen” van de barbaar. De nadruk die de Griekse auteurs leggen op tatoeages en kleding van dierenhuiden (bijv. leren broeken en mutsen van vossenbont) documenteert dezelfde attitude: de Thraciër was een woesteling.

Tegelijk zijn er voldoende archeologische aanwijzingen voor meer vreedzame betrekkingen. Veel Thraciërs leefden als herders. Akkerbouwers leefden in dorpen die lange tijd geen muren of palissades hadden. In de loop der eeuwen groeide de handel met de Griekse havensteden in het zuiden en oosten: als exportproducten worden allerlei soorten metaal, pelzen en slaven genoemd. Natuurlijk was er ook handel met andere buurvolken: met de Macedoniërs en de Illyriërs in het westen, met de Skythen in het noordoosten en met het Perzische Rijk. Dat Perzische teksten de Thraciërs aanduiden als één volk, suggereert overigens dat niet alleen de Grieken overeenkomsten zagen tussen de diverse bevolkingsgroepen.

Perzische afbeelding van een Thraciër (Persepolis)

Volk zonder geschiedenis?

Kenden we hun eigen verhalen maar! De Thraciërs zijn echter “people without history”, wat wil zeggen dat er onvoldoende eigen geschreven bronnen zijn. Uiteraard hebben ze mondeling wel verhalen doorgegeven, maar die zijn voorgoed verloren. We moeten het doen met archeologische vondsten, die voor de Bronstijd en IJzertijd zelfs het enige bewijsmateriaal vormen. En hoewel archeologische vondsten nogal wat interpretatie vergen, vertellen ze wel een verhaal.

Daarnaast zijn er, zoals gezegd, de Griekse teksten. Die zijn er vanaf het moment waarop de Grieken zich op de kusten vestigden: eerst in het zuiden, aan de Egeïsche Zee, in de zevende en zesde eeuw v.Chr. ook in het oosten, aan de Zwarte Zee. Afgezien van enkele opmerkingen bij Homeros, die bijvoorbeeld de Thracische koning Rhesos in de Ilias noemt als bondgenoot van Troje, vormen vermeldingen bij vroege dichters het eerste tekstuele bewijs, en pas halverwege de vijfde eeuw v.Chr. krijgen we met twee redelijk lange passages in Herodotos’ Historiën enig bewijsmateriaal.noot Herodotos, Historiën 4.93-94 en 5.3-8.

[Wordt zo meteen vervolgd]

#Balkangebergte #barbaren #Bessers #Geten #HerodotosVanHalikarnassos #Homeros #IndoEuropeseTalen #Odrysen #Orfiek #peopleWithoutHistory #tatoeage #Thracië #Triballiërs

De Frygiërs van koning Midas

Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.

Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.

Frygiërs in Centraal-Anatolië

Wanneer vond die migratie plaats? Troje VIIb wordt meestal tussen pakweg 1150 en 950 v.Chr. gedateerd: een aanwijzing dat de Frygiërs in de twaalfde eeuw begonnen aan de oversteek van Europa naar Azië. Ze zouden zich uiteindelijk vestigen in het westen van de Anatolische hoogvlakte, maar er zijn aanwijzingen dat Frygische groepen aanvankelijk ook veel oostelijker waren. De Assyrische koning Tiglath-Pileser I (r.1114-1076) verwijst namelijk naar “Muški” die hij versloeg in de buurt van de Eufraat. De Assyriërs zouden deze naam later gebruiken om de Frygiërs aan te duiden. Natuurlijk is het denkbaar dat de Assyriërs een en hetzelfde woord gebruikten voor twee verschillende Anatolische volken, maar het valt ook niet uit te sluiten dat een vroege groep Frygiërs uitzwermde tot aan de Eufraat.

Frygisch aardewerk (Archeologisch Museum, Kayseri)

Misschien vinden we ook in de loop van de achtste eeuw v.Chr Frygiërs in het zuidoosten van de Anatolische hoogvlakte, in Tyana. Het bewijs is echter zwak: het gaat alleen om een man genaamd Mit-ta-a, genoemd in Assyrische bronnen, die dezelfde zou zijn als de legendarische Frygische koning Midas. De naamovereenkomst is opvallend, maar ook niet méér. Over Midas straks meer.

Frygiërs in West-Anatolië

De belangrijkste groep bouwde een koninkrijk in de buurt van Gordion, een kleine honderd kilometer ten westen van Ankara. Een andere groep Frygiërs bleef in de buurt van de Hellespont en clusterde rond het latere Daskyleion. (Er zijn dus eigenlijk twee Frygiës.) Het staat vast dat de immigranten allerlei gewoontes overnamen van de eerdere bevolking, zoals de verering van de grote godenmoeder, die we ook wel kennen als Kybele.

Beeld van Matar (Museum van Gordion)

De Frygiërs van Gordion heersten over een groot deel van westelijk Turkije. Dit koninkrijk had de trekken van een vroege staat, dus geen stamsamenleving. Ruim 250 inscripties bewijzen dat er een geletterde elite was; ook zien we dat de vorsten een internationaal netwerk onderhielden. Er waren contacten met Delfi in het westen, noot Herodotos, Historiën 1.14. en met Urartu en Assyrië in het oosten. Daarmee was Gordion verbonden via de Koninklijke Weg.

De beroemdste koning van Frygië was Midas, die bekend is uit Griekse sagen. Het hoeft niet per se één man te zijn geweest: het kan gaan om een titel. Ook Assyrische bronnen verwijzen naar een Mit-ta-a. Die vertellen dat tijdens diens regeringsperiode de nomadische Kimmeriërs Anatolië binnenvielen. In 710/709 zag Mit-ta-a zich gedwongen hulp te vragen bij de Assyrische koning Sargon II. Helaas bleek dat onvoldoende. In 696/695 pleegde Mit-ta-a, die een veldslag had verloren, zelfmoord. Het moet niettemin een machtig man zijn geweest, die de middelen had gehad om voor zijn voorganger een enorme grafheuvel te laten opwerpen. Een bezoek aan de grafkamer is een hoogtepunt bij elke reis naar Turkije.

De grote tumulus van Gordion

Perzisch Frygië

De Kimmerische plundertochten zorgden voor een halve eeuw van verwarring, waarin Frygië uiteenviel in kleine vorstendommen. Uiteindelijk wist de Lydische koning Gyges (ca. 650 v.Chr.) de orde te herstellen. Een van zijn opvolgers, Alyattes, veroverde het voormalige Frygië – zowel dat rond Gordion als dat rond Daskyleion – en versterkte Gordion. Vanaf nu was Frygië geen politieke eenheid meer maar slechts een geografisch begrip.

Toen de Perzische koning Cyrus de Grote rond het midden van de zesde eeuw Anatolië onderwierp, werd Frygië een satrapie. Of beter: twee, want de ene lag rond Gordion en de andere (“Hellespontijns Frygië”) rond Daskyleion. Er was  continuïteit in de architectuur en de taal (150 inscripties), in de wijze waarop men landbouw bedreef (vooral veeteelt) en in de religie: de cultus van de grote godenmoeder was nog eeuwen te vinden in de stad Pessinos.

Het Perzische garnizoen in Gordion was daar nog in de laatste maanden van 334 v.Chr., toen de Macedonische commandant Parmenion, de rechterhand van Alexander de Grote, de stad bezette. Het verhaal van de Gordiaanse Knoop heb ik al eens verteld.

Frygië maakte nadien deel uit van enkele hellenistische rijken en kwam uiteindelijk in handen van de Romeinen. De regio raakte opgenomen in de grotere wereld en de mensen begonnen de grote talen van de Oudheid te spreken: Grieks en wellicht ook wat Aramees. Het is dan ook verrassend dat er in de vijfde eeuw na Chr. nog mensen waren die nog steeds Frygisch spraken.noot Sokrates, Kerkgeschiedenis 5.23.

#AlexanderDeGrote #AnatolischeTalen #CyrusDeGrote #Daskyleion #Frygië #GordiaanseKnoop #Gyges #HellespontijnsFrygië #historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #Kimmeriërs #KoningMidas #KoninklijkeWeg #Kybele #LuwischeTalen #Lydië #Muški #Parmenion #Pessinos #SargonII #satrapie #TiglatPileserI #Tyana

De Finno-Oegrische talen

Deze door Cornelis de Bruijn getekende Samojeed sprak een Oeraalse taal.

Even een blogje, in allerijl geschreven. Het nieuwtje is te leuk om te laten liggen, hoewel ik deze vrijdagavond eigenlijk iets anders te doen heb. In haast dus. Hop.

Finno-Oegrische talen

David Reich, een van de bekendste DNA-onderzoekers (Nobelprijs 2028), heeft een artikel gepubliceerd waarin hij aantoont dat de Finno-Oegrische talen heel ver uit het oosten komen. Dit verdient wel even wat toelichting.

Om concreet te beginnen: probeer de Netflix-serie Sorjonen eens te volgen zonder ondertiteling. De gemiddelde Nederlander of Vlaming zal er geen woord van begrijpen, terwijl diezelfde TV-kijker vroeg of laat wel wat woorden herkent in een Franse, Duitse of Italiaanse TV-serie. Dat komt omdat Sorjonen in het Fins is, omdat het Fins (net als het Ests en het Hongaars) een Finno-Oegrische taal is, en wij in Europa gewend zijn aan Indo-Europese talen. Finno-Oegrische talen zijn buitenbeentjes en doet roept de vraag op naar de herkomst.

Het was al bekend dat die in het oosten moet worden gezocht, want de Finno-Oegrische talen behoren tot de grotere familie van de Oeraalse talen. Die worden gesproken in Noord-Rusland. Reich c.s. hebben nu vastgesteld dat de sprekers van de Finno-Oegrische talen niet uit die regio komen, maar uit een veel oostelijker gebied, zeg maar Siberië. Verder lijkt het erop dat de eerste sprekers van Finno-Oegrische proto-taal daar tot 2000 v.Chr. woonden. Toen begon een westwaartse migratie, waarvan de laatste fase de aankomst van de Magyaren in Hongarije was, ergens in de tiende eeuw na Chr..

Wat is nou zo interessant?

Nu worden dit soort claims wel vaker gedaan. Ruim een jaar geleden was er de claim dat het Proto-Indo-Anatolisch, de “moeder” van de Indo-Europese en de Anatolische talen, via DNA-bewijs kon worden geplaatst bezuiden de Kaukasus. Dat was van begin af aan een heel rare claim, omdat het een zeer ongebruikelijke migratieroute (noordwaarts over de Kaukasus) veronderstelde. Bovendien was het DNA-bewijs gebaseerd op veertien mensen, en weerlegden de aanhangers van de nieuwe hypothese de argumenten voor een meer conventioneel “land van herkomst” niet. Een half bewijs dus maar – ik legde het hier uit.

Reichs onderzoek is beter. Het is namelijk gebaseerd op het genetisch materiaal van een kleine 1200 mensen. Minstens even belangrijk is dat de route die de mensen naar het westen hebben gevolgd, een bekende is: we weten al heel lang dat nomaden vrijwel altijd westwaarts trekken door Eurazië, zeg maar van het droge Siberië naar het aantrekkelijker Oekraïne. Er zijn, vergeleken met de wonderlijke claim van vorig jaar, geen gekke zaken verondersteld.

Dit wil niet zeggen dat we Reich nu meteen moeten geloven. De relatie tussen taalkunde, geschiedenis en archeologie is lange tijd wat onhandig geweest en nu komt het DNA erbij. De claim over het Proto-Indo-Anatolisch toont al dat de verschillende soorten bewijsmateriaal nog steeds niet goed op elkaar zijn afgestemd en dat er ook onvoldragen onderzoek wordt gepubliceerd.noot Dat is het immers, als je wel argumenten vóór je stelling aandraagt maar niet ingaat op de argumenten er tegen. En bedenk: een taal kan zich verspreiden zonder migratie. Allemaal complicaties, allemaal zaken waarover vast nog zal worden gesproken. Maar Reichs claim is gebaseerd op redelijk veel data en veronderstelt bovendien geen gekke routes. Dit is een interessante claim.

#AnatolischeTalen #DavidReich #DNAOnderzoek #Estland #Finland #FinnoOegrischeTalen #Hongarije #IndoEuropeseTalen #Magyaren #OeraalseTalen #Rusland #Siberië #taalkunde

Een onbekende taal op Sicilië

Inscriptie uit Mendolito

Niet ver van het theater, amfitheater en het grote altaar van Syracuse, recht tegenover de wonderlijk mooie kerk van Onze Lieve Vrouwe van Tranen, bevindt zich het archeologisch museum. Naar goed Italiaans gebruik is het vernoemd naar een verdienstelijke archeoloog, in dit geval Paolo Orsi. De museale collectie is vermoeiend groot, en waanzinnig interessant.

Neem bovenstaande inscriptie uit Mendolito, een dorpje ten zuidwesten van de Etna. De vondstomstandigheden zijn duidelijk: dit zandstenen blok is in 1962 bij een officiële opgraving aangetroffen en maakte deel uit van een versterking uit het midden van de zesde eeuw v.Chr. Er staan zo’n vijftig letters op, die we van rechts naar links moeten lezen. Het interessante is dat we, ruim zestig jaar na de ontdekking, maar nauwelijks een idee hebben wat er staat.

Alfabet

Dat is in de eerste plaats omdat het geen gewone West-Griekse letters zijn. Het Griekse alfabet is afgeleid van een Fenicisch schrift, en daar heeft het nog wat trekjes van. Op de bovenste regel is bijna helemaal links nog een soort F te zien: dat is een wau, die in het klassieke Griekse alfabet niet meer als letter voorkwam, maar in de West-Griekse alfabetten nog wel. De > valt niet met zekerheid te identificeren en sommige tekens lijken helemaal nergens op. Elke onderzoeker die ernaar heeft gekeken, lijkt er andere letters in te hebben herkend.

ΔΗϜΧ>ΣΛ?ΕΑΑΚΣΑΠͰΠΕΜΑΡΑΚΑΜΑΙ
ΑΛAΘA?ΑΚI?ΗΝΕΙA>?ΛΕΣΟΤΥΕΤ
??ΕͰ

Een tweede probleem is de taal. Hoewel spaties ontbreken zijn er drie herkenbare woorden. De tekst begint et ΙΑΜ ΑΚΑΡΑΜ. Dat lijkt wel wat op andere talen uit het vroege Italië en zou in klassiek Latijn hanc arcem zijn, “deze versterking”. De tweede regel begint met ΤΕΥΤΟΣ, en dat is te herleiden tot een van de allerbekendste Proto-Indo-Europese woorden, *teuta, wat zoiets als gemeenschap betekent.

De strekking van de inscriptie zal dus zijn dat de bewoners van zesde-eeuws Mendolito een versterking hebben gebouwd. In de rest van de tekst zal wel een god of godin worden aangeroepen om het bouwwerk te beschermen. Of er wordt een vloek uitgesproken over wie over de muur klimt. Zoiets. Maar dit is dus gespeculeer. Feitelijk hebben we nauwelijks een idee van de inhoud.

Onbekende taal

Resteert de vraag welke taal dit is. De drie geïdentificeerde woorden en de locatie brengen ons in de richting: we zitten in de Italische tak van de Indo-Europese taalfamilie. De antieke bronnen noemen Sicaniërs als oudste bevolking van het eiland, en zij zouden naar het westen zijn gedreven door immigrerende Siculiërs. Men neemt daarom wel aan dat er twee pre-Griekse, Italische talen zijn geweest: Sicanisch in het westen en Siculisch in het oosten. De tekst uit Mendolito zou tot die laatste taal moeten hebben behoord.

Dat wil ik best geloven, maar er zijn maar heel weinig teksten uit deze twee talen bekend en bovendien heb ik het altijd wat raar gevonden dat de twee taalnamen zo sterk op elkaar lijken. Zo groot is het verschil tussen de /n/ en de /l/ nou ook weer niet (“Nabonidus” is bijvoorbeeld in het Grieks “Labynetos”). Ik sluit niet uit dat het verschil tussen de twee talen niet groter is dan dat de Grieken in het westen van het eiland de naam van het oorspronkelijke volk anders hebben verstaan dan de Grieken in het oosten.

Enfin. Hoe dat ook zij: de inscriptie van Mendolito documenteert een taal die we nauwelijks kennen en begrijpen. Leuk toch?

[Dit was het 477e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #Mendolito #PaoloOrsi #Sicilië #Syracuse

Een geschiedenis van Syracuse (1) - Mainzer Beobachter

Gesticht in de late achtste eeuw v.Chr. groeide Syracuse uit tot een van de voornaamste centra van de Griekse cultuur.

Mainzer Beobachter