De Frygiërs van koning Midas

Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.

Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.

Frygiërs in Centraal-Anatolië

Wanneer vond die migratie plaats? Troje VIIb wordt meestal tussen pakweg 1150 en 950 v.Chr. gedateerd: een aanwijzing dat de Frygiërs in de twaalfde eeuw begonnen aan de oversteek van Europa naar Azië. Ze zouden zich uiteindelijk vestigen in het westen van de Anatolische hoogvlakte, maar er zijn aanwijzingen dat Frygische groepen aanvankelijk ook veel oostelijker waren. De Assyrische koning Tiglath-Pileser I (r.1114-1076) verwijst namelijk naar “Muški” die hij versloeg in de buurt van de Eufraat. De Assyriërs zouden deze naam later gebruiken om de Frygiërs aan te duiden. Natuurlijk is het denkbaar dat de Assyriërs een en hetzelfde woord gebruikten voor twee verschillende Anatolische volken, maar het valt ook niet uit te sluiten dat een vroege groep Frygiërs uitzwermde tot aan de Eufraat.

Frygisch aardewerk (Archeologisch Museum, Kayseri)

Misschien vinden we ook in de loop van de achtste eeuw v.Chr Frygiërs in het zuidoosten van de Anatolische hoogvlakte, in Tyana. Het bewijs is echter zwak: het gaat alleen om een man genaamd Mit-ta-a, genoemd in Assyrische bronnen, die dezelfde zou zijn als de legendarische Frygische koning Midas. De naamovereenkomst is opvallend, maar ook niet méér. Over Midas straks meer.

Frygiërs in West-Anatolië

De belangrijkste groep bouwde een koninkrijk in de buurt van Gordion, een kleine honderd kilometer ten westen van Ankara. Een andere groep Frygiërs bleef in de buurt van de Hellespont en clusterde rond het latere Daskyleion. (Er zijn dus eigenlijk twee Frygiës.) Het staat vast dat de immigranten allerlei gewoontes overnamen van de eerdere bevolking, zoals de verering van de grote godenmoeder, die we ook wel kennen als Kybele.

Beeld van Matar (Museum van Gordion)

De Frygiërs van Gordion heersten over een groot deel van westelijk Turkije. Dit koninkrijk had de trekken van een vroege staat, dus geen stamsamenleving. Ruim 250 inscripties bewijzen dat er een geletterde elite was; ook zien we dat de vorsten een internationaal netwerk onderhielden. Er waren contacten met Delfi in het westen, noot Herodotos, Historiën 1.14. en met Urartu en Assyrië in het oosten. Daarmee was Gordion verbonden via de Koninklijke Weg.

De beroemdste koning van Frygië was Midas, die bekend is uit Griekse sagen. Het hoeft niet per se één man te zijn geweest: het kan gaan om een titel. Ook Assyrische bronnen verwijzen naar een Mit-ta-a. Die vertellen dat tijdens diens regeringsperiode de nomadische Kimmeriërs Anatolië binnenvielen. In 710/709 zag Mit-ta-a zich gedwongen hulp te vragen bij de Assyrische koning Sargon II. Helaas bleek dat onvoldoende. In 696/695 pleegde Mit-ta-a, die een veldslag had verloren, zelfmoord. Het moet niettemin een machtig man zijn geweest, die de middelen had gehad om voor zijn voorganger een enorme grafheuvel te laten opwerpen. Een bezoek aan de grafkamer is een hoogtepunt bij elke reis naar Turkije.

De grote tumulus van Gordion

Perzisch Frygië

De Kimmerische plundertochten zorgden voor een halve eeuw van verwarring, waarin Frygië uiteenviel in kleine vorstendommen. Uiteindelijk wist de Lydische koning Gyges (ca. 650 v.Chr.) de orde te herstellen. Een van zijn opvolgers, Alyattes, veroverde het voormalige Frygië – zowel dat rond Gordion als dat rond Daskyleion – en versterkte Gordion. Vanaf nu was Frygië geen politieke eenheid meer maar slechts een geografisch begrip.

Toen de Perzische koning Cyrus de Grote rond het midden van de zesde eeuw Anatolië onderwierp, werd Frygië een satrapie. Of beter: twee, want de ene lag rond Gordion en de andere (“Hellespontijns Frygië”) rond Daskyleion. Er was  continuïteit in de architectuur en de taal (150 inscripties), in de wijze waarop men landbouw bedreef (vooral veeteelt) en in de religie: de cultus van de grote godenmoeder was nog eeuwen te vinden in de stad Pessinos.

Het Perzische garnizoen in Gordion was daar nog in de laatste maanden van 334 v.Chr., toen de Macedonische commandant Parmenion, de rechterhand van Alexander de Grote, de stad bezette. Het verhaal van de Gordiaanse Knoop heb ik al eens verteld.

Frygië maakte nadien deel uit van enkele hellenistische rijken en kwam uiteindelijk in handen van de Romeinen. De regio raakte opgenomen in de grotere wereld en de mensen begonnen de grote talen van de Oudheid te spreken: Grieks en wellicht ook wat Aramees. Het is dan ook verrassend dat er in de vijfde eeuw na Chr. nog mensen waren die nog steeds Frygisch spraken.noot Sokrates, Kerkgeschiedenis 5.23.

#AlexanderDeGrote #AnatolischeTalen #CyrusDeGrote #Daskyleion #Frygië #GordiaanseKnoop #Gyges #HellespontijnsFrygië #historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #Kimmeriërs #KoningMidas #KoninklijkeWeg #Kybele #LuwischeTalen #Lydië #Muški #Parmenion #Pessinos #SargonII #satrapie #TiglatPileserI #Tyana

Het vroegste Cilicië

De kust van het Rauwe Cilicië

De noodzaak van spellingsregels is verzonnen door mensen die dachten dat u en ik niets beters te doen hebben. Desondanks hanteer ik toch wel een paar principes. Regel één: gij zult niet invisibiliseren. We proberen immers een beetje inclusief te zijn. Ik probeer dus, al is het maar bij benadering, een naam weer te geven in een spelling die de taal van de betrokkene benadert. Homeros was een Griek en heette geen Homerus. Niet dat het altijd lukt een naam zelfs maar bij benadering correct weer te geven. Het wordt wat gek Julius Civilis aan te duiden als *Kivilaz. En een Latijnse naam geef ik aan in het Latijn. Appianus zal zijn naam zelf wel hebben geschreven als Appianos, maar ik houd het desondanks maar op Appianus.

Regel twee: sommige namen zijn te ingeburgerd. Zolang we niet al te veel invisibiliseren, moeten we die maar handhaven. Jezus, Plato, Hannibal, en Alexander Grote dus maar. De namen van de Romeinse provincies moeten ook maar zo blijven. Ik weet het: je zou Epeiros moeten schrijven, maar laten we het toch maar houden op Epirus. En ook liever Cilicië dan Kilikia. Waarmee ik eindelijk ter zake ben.

Topografie

Cilicië is de antieke naam van het zuiden van het huidige Turkije. Zeg maar het deel tegenover Cyprus. Het bestond uit twee delen: het ontoegankelijke en bergachtige westelijke en noordelijke deel, ook bekend als “het rauwe Cilicië”, en de zuidoostelijke vlakte, waar diverse rivieren zorgden (en zorgen) voor een rijke graanoogst.

Het Taurusgebergte vormt de grens met Cappadocië, dat destijds een veel groter gebied besloeg dan de wonderlijke rotslandschappen die tegenwoordig zo heten. De verbinding tussen Cappadocië en Cilicië is een bergpas, de Cilicische Poort. Naar het oosten toe ligt Syrië, bereikbaar over de bergpas die bekendstond als Syrische Poort. Er was destijds geen kustweg naar het westen en als u bovenstaande foto bekijkt, begrijpt u waarom die pas in de twintigste eeuw is aangelegd.

Hittieten en Neo-Hittieten

De twee delen van Cilicië horen al sinds mensenheugenis bij elkaar. Al in de tweede helft van het tweede millennium v.Chr. vormde de regio, die toen Kizzuwatna heette, één onderdeel van het Hittitische Rijk. De bronnen uit die tijd vermelden de twee belangrijkste steden op de vlakte: Tarca, dat later Tarsos zou heten, en Adanija ofwel Adana. Men sprak in Kizzuwatna Luwisch, een Anatolische taal, en de voornaamste bestuurder was een prins uit de koninklijke familie, die in de bronnen simpelweg “priester” heet.

Neo-Hittitische sfinx uit Karatepe

Het Hittitische Rijk overleefde de Zeevolkentijd niet. Lange tijd was de periode na pakweg 1200 v.Chr. een “dark age”, maar duisternis trekt onderzoek aan en oudheidkundigen, vooral afkomstig uit Duitsland, hebben in de tweede helft van de twintigste eeuw de duisternis deels laten optrekken. De twee gebieden maakten deel uit van een Hittitische opvolgersstaat die bekendstaat als Tarhuntassa, waarvan de hoofdstad ergens in het westen in Pamfylië lag. We noemen Tarhuntassa, net als het meer oostelijk gelegen Karchemiš, een Neo-Hittitische staat omdat het feitelijk een voortzetting was van de aloude Hittitische bestuursstructuur, zij het dat de centrale overheid er niet langer was.

Assyrië

De Assyrische bronnen maken onderscheid tussen het vruchtbare oostelijke gebied Qu’e (met als belangrijkste steden Karatepe en Adana) en het berggebied Hilakku. Van dit laatste woord is ons Cilicië afgeleid.

De vlakte van Qu’e was het eerste deel dat in Assyrische handen viel. Koning Tiglat-pileser III (r.744-727 v.Chr.) benoemde een gouverneur, die resideerde in Adana. Qu’e was echter geen vanzelfsprekend onderdeel van het Assyrische Rijk: na de dood van koning Sargon II in 705 keerde de oude dynastie terug, het huis van Muksa. Over de stichter daarvan zal ik bij gelegenheid nog eens bloggen, want dat is de Mopsos die volgens Griekse bronnen na de Trojaanse Oorlog een stad in Cilicië had gesticht.

De Assyrische koning Esarhaddon (r.680-669) heroverde Qu’e, maar Hilakku bleef onafhankelijk. De Assyriërs waren niet voldoende geïnteresseerd in het arme berggebied. Tijdens de regering van Aššurbanipal (r.668-631 v.Chr.) werd Hilakku echter bedreigd door de Kimmeriërs, een nomadenstam die het koninkrijk Urartu al onder de voet had gelopen. Daarom plaatste Hilakku zich onder Assyrische bescherming.

[Wordt vervolgd]

#Adana #AnatolischeTalen #Aššurbanipal #Cilicië #CilicischePoort #DarkAges #Esarhaddon #Hilakku #Hittieten #KaratepeAslantaş #Karchemiš #Kimmeriërs #Kizzuwatna #LuwischeTalen #Mopsos #NeoHittieten #Pamfylië #QuE #SargonII #SyrischePoort #Tarhuntassa #Tarsos #Taurus #TiglatPileserIII #Zeevolken

Lycië in de Bronstijd

De rotsachtige kust van Lycië

De zuidgrens van het huidige Turkije wordt gedomineerd door een enorme bergketen, de Taurus. De Afrikaanse tektonische plaat botst hier tegen de Euraziatische plaat. Hoewel er kustvlaktes zijn, zoals Cilicië en Pamfylië, rijzen de bergen op veel plaatsen bijna meteen op uit de Middellandse Zee, waardoor het land weinig toegankelijk is en de rotskust gevaarlijk. Een van de beruchtste kusten was Lycië, in het zuidwesten (landkaart).

Lukka

De /c/ in Lycië danken we aan het Latijn, dat zo de /k/ weergaf. Ik blogde al eens over de laatantieke klankverandering. Maar je sprak het dus uit als Lukia, en zo heet het gebied dan ook in de oudste, Hittitische bronnen: Lukka. Die bronnen noemen nooit vorsten en er zijn ook geen staatsverdragen bekend, wat suggereert dat de Bronstijd-Lyciërs niet waren georganiseerd als koninkrijk. Dat wordt bevestigd door het feit dat monumentale architectuur ontbreekt: er was geen staatsapparaat. De mensen leefden als nomaden in een stamsamenleving.

Officieel was Lukka onderworpen aan de grote koning in Hattusa, maar even vaak lezen we over Lukka-mensen als tegenstanders. Ze worden evneens genoemd als piraten, ook in de Egyptische bronnen over de Zeevolken.

Homeros

In Homeros’ Ilias, die door latere Grieken werd opgevat als beschrijving van gebeurtenissen uit de dertiende eeuw v.Chr., heten de Lycische commandanten Glaukos en Sarpedon. De laatste was een zoon van Zeus en Europa en een broer van koning Minos van Kreta, die hem in ballingschap zou hebben gestuurd. Dit oude verhaal werd door latere generaties uitgelegd als bewijs dat de Lyciërs oorspronkelijk Kretenzers waren.

Bellerofon en Pegasos (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

De Ilias bevat nog een ander verhaal over het vroegste Lycië: het gaat over Bellerofon, die de monsterlijke Chimaira bestreed. Het is een traditioneel drakendoderssprookje, geassocieerd met een gasbron in het oosten van de regio. Vermoedelijk gaat het verhaal uit de Ilias terug op een veel oudere mythe, maar in de klassieke tijd gold de Korinthische afkomst van Bellerofon als bewijs voor een Griekse oorsprong van de Lyciërs. Kortom: Homeros gold als bewijs voor een herkomst uit zowel Kreta als Korinthe, en in beide gevallen waren de Lyciërs verwant met de Grieken.

De gasbron Chimaira

Luwisch en Lycisch

Hun taal, bekend uit ongeveer 200 teksten uit de vijfde en vierde eeuw, suggereert iets anders. Die stamt af van het Luwisch, de dominante taal in het westen van Anatolië in de Bronstijd. Zo heet de Luwische stormgod Tarkhunt in het Lycisch Trqqas; hij zou nog met Zeus worden geïdentificeerd. Een ander voorbeeld van Luwisch-Lycische religieuze continuïteit is de cultus van de “moeder van de goden”, die in klassieke bronnen bekendstaat als Leto, de moeder van Apollo en Artemis.

[wordt vervolgd]

#Bellerofon #Chimaira #Glaukos #Hittieten #Homeros #Ilias #Leto #LuwischeTalen #Lycië #Minos #Sarpedon #tektonischePlaat

Het rijk van de Lydiërs

De Paktolos

De Lydiërs waren een IJzertijdvolk is het westen van wat tegenwoordig Turkije heet. Ik noem ze op deze blog regelmatig, maar heb nooit uitgelegd wie het nu eigenlijk waren. Dat moet maar eens veranderen.

Mira

Het land van de Lydiërs ligt aan weerszijden van de rivier de Hermos, waar ze hun hoofdstad Sardes bouwden op de plaats waar een ander riviertje zich met de Hermos verenigt: de Paktolos, die goudpoeder met zich meevoert. Met vruchtbaar land, water en goud was het succes van Sardes feitelijk al verzekerd. Al in de Bronstijd had hier een machtig koninkrijk gelegen, Mira, dat als hoofdstad Abasa had gehad, ofwel Efese.

Hoewel Mira aan het begin van de twaalfde eeuw v.Chr. – daar zijn de Zeevolken weer – verdwijnt uit de geschreven geschiedenis, is er aanzienlijke continuïteit tussen Mira en Lydië. De Lydische taal, die we kennen uit ongeveer honderd inscripties, is afgeleid van het Luwisch, dat in Mira de schrijftaal was geweest.

Gyges

De eerste Lydische vorst waarover we horen, was koning Gyges, de stichter van de dynastie der Mermnaden. Zijn regering wordt wel gedateerd tussen 680 en 644 v.Chr., en het laatste jaar is zeker omdat het ook wordt genoemd in een Assyrische bron. Het eerste jaar zal wel nattevingerwerk zijn geweest. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos schrijft dat Gyges de macht greep ten koste van een eerdere dynastie, die ruim een half millennium had geregeerd. Als alle jaartallen kloppen, begon die eerdere dynastie ruwweg waar Mira ophoudt, maar dat is vermoedelijk toeval.

Sardes

In feite is de geschiedenis van Lydië vóór de Mermnaden gewoon onbekend, hoewel de Hermosvallei op een bepaald moment deel moet hebben uitgemaakt van het koninkrijk Frygië, dat zich wat oostelijker bevond. Het ging in het eerste kwart van de zevende eeuw v.Chr. ten onder, toen de Kimmeriërs de Frygische hoofdstad Gordion verwoestten. Gyges zal daarvan hebben geprofiteerd, en kan de Kimmeriërs hebben afgeslagen.

Archeologen hebben vastgesteld dat Sardes in het tweede kwart van de zevende eeuw, dus een generatie na Gyges, al een indrukwekkende stad was met mooie huizen, bedekt met dakpannen. Niet zo vreemd natuurlijk, met een goudrivier binnen handbereik en een havenstad als Kolofon in het westen, aan de Egeïsche Zee. Gestaag wist Gyges zijn macht uit te breiden over westelijk Anatolië.

De Mermnaden

Gyges’ succes was tijdelijk. Hoewel de koning van de Lydiërs zich had verbonden met Assyrië, moest hij toezien dat de Kimmeriërs in 644 terugkeerden. Hij werd verslagen en sneuvelde, maar Sardes bleef veilig en het waren de Griekse steden die de ellende te verduren kregen. Het nieuwe koninkrijk was echter sterk genoeg om de gewelddadige dood van de stichter te overleven. Gyges’ zoon Ardys volgde hem op en begroef zijn vader op de vlakte benoorden Sardes, die in het Turks Bin Tepe heet, “de duizend heuvels”.

Bin Tepe

Ardys ging verder waar zijn vader was gebleven. en zette het beleid van zijn vader voort: met veroveringen en verdragen breidde hij de Lydische invloedssfeer uit. In het westen veroverde hij bijvoorbeeld de Griekse stad Priene en sloot hij een verdrag met Milete. Maar het belangrijkste is dat Ardys – zo lijkt het; er is wat discussie – als eerste muntstukken liet slaan, vermoedelijk omdat een vaste coupure het eenvoudig maakte huurlingen te betalen. Bijna elke munt toont een leeuw, wat waarschijnlijk het heraldische symbool was van de Mermnaden.

Rond 625 v.Chr. volgde Sadyattes zijn vader Ardys op, maar hij is nauwelijks meer dan een naan. Zijn zoon en opvolger Alyattes is veel beter bekend. In het westen kon hij Smyrna veroveren, in het oosten nam hij Gordion en hij maakte ook voorgoed een einde aan de dreiging van de Kimmeriërs. De rivier de Halys, ten oosten van het huidige Ankara, was nu de grens van de Lydische invloedssfeer. Hier stuitte zijn leger op 28 mei 585 v.Chr. op de Meden. Omdat er een zonsverduistering was, werd de strijd afgebroken en aanvaardden beide partijen de rivier als afbakening van hun invloedssferen.

Kroisos versus Cyrus

Alyattes liet zijn rijk – zeg maar de westelijke helft van Turkije – na aan zijn zoon Kroisos, die vrijwel alle nog onafhankelijke Griekse steden aan de Egeïsche kust onderwierp. In Efese bouwde hij het beroemde heiligdom van Artemis, of Artimus, zoals de Lydiërs zeiden. Kroisos’ hof was beroemd om de luxe en pracht; tot degenen die er op bezoek zouden zijn geweest, behoren de Griekse fabeldichter Aisopos en de Atheense staatsman Solon.

Lydische munt

Goudrijk als het rijk van de Lydiërs was, was het een natuurlijk doelwit voor de legers van Cyrus, de koning van Perzië. Als we Herodotos mogen geloven, besloot Kroisos de Perzische aanval vóór te zijn en stak hij de Halys over, Cyrus tegemoet. Hij zou zich hebben verbonden met de farao van Egypte, Amasis, en met de Spartanen in Griekenland. Misschien behoorde ook koning Nabonidus van Babylonië tot de anti-Perzische alliantie.

Cyrus versloeg Kroisos ergens ten oosten van de Halys, belegerde zijn tegenstander in Sardes en nam de stad in vóór de Spartanen of Egyptenaren de Lydiërs te hulp konden komen. De Babylonische Naboniduskroniek maakt duidelijk dat Cyrus zijn tegenstander liet executeren, en de Griekse dichter Bakchylides geeft dat indirect ook aan als hij zegt dat Kroisos was weggenomen naar de mythische Hyperboreërs in het uiterste noorden – naar een paradijselijk dodenrijk, met andere woorden. Een deel van Kroisos’ onderdanen lijkt te zijn gedeporteerd naar Nippur in Babylonië, waar kleitabletten een Lydische gemeenschap vermelden.

[Wordt vervolgd]

#Alyattes #AnatolischeTalen #Ardys #Artemis #Bakchylides #BinTepe #CyrusDeGrote #Efese #EgeïscheZee #Frygië #Gordion #Gyges #Hermos #Hyperboreërs #Kimmeriërs #Kolofon #Kroisos #LuwischeTalen #Lydië #Mermnaden #Milete #MiraBronstijdrijk #muntgeld #Naboniduskroniek #Paktolos #Priëne #Sadyattes #Sardes #schrijftaal #slagAanDeHalys #Zeevolken #zonsverduistering