Een Gallische inscriptie uit Alesia

Gallische inscriptie uit Alesia (Bezoekerscentrum)

Gallische inscripties, die lees je niet dagelijks, en dat is ook logisch, want er zijn er niet veel. Het Gallische boek dat wij onderhand zo goed kennen,noot Xavier Delamarre, Dictionaire de la langue gauloise (2018); zie de stukjes over plaatsnamen, meer plaatsnamen, militaire termen, boerderijwoorden, kleding, andere Gallische woorden en nog meer Gallische woorden. biedt in een appendix een selectie van een stuk of zeventig korte en acht lange teksten. Een compleet overzicht verschijnt op de Recueil informatisé des inscriptions gauloises: een mooi gemaakte site waar je met plezier wat rondkijkt.

Alesia

De bovenstaande Gallische inscriptie is in 1839 gevonden in Alise-Sainte-Reine, en hielp om vast te stellen dat dat heuveldorp het antieke Alesia moest zijn geweest, waar Julius Caesar een belangrijke overwinning boekte op de Galliërs. De vorm is echter heel Romeins: een stuk kalksteen met daarin uitgehouwen een vierkant vlak, netjes omlijst met links en rechts twee driehoekige vleugeltjes. Zou het een Latijnse inscriptie zijn, dan zouden we het een tabula ansata noemen. De tekst is trouwens geschreven in Romeinse letters en een ligatuur, met leuke fleurons tussendoor, wat ook al bijdraagt aan het Romeinse aanzicht.

MARTIALIS DANNOTALI
IEURU UCUETE SOSIN
CELICNON ☙ ETIC
GOBEDBI DUGIIONTIIO
❧ UCUETIN ☙
IN ALISIIA

Martialis, de zoon van Dannotalos,
wijdde aan Ucuetis dit
bouwwerk ☙, samen met de
metaalsmeden, vererend
❧ Ucuetis ☙
in Alesia.

Ucuetis

Het heiligdom van Ucuetis bleek op dezelfde heuvel te liggen, nog geen honderd meter verderop. Er is daar een beeldje gevonden van een man met een hamer, dus Ucuetis zou weleens een smidsgod kunnen zijn. Daarvoor pleit ook dat Alesia beroemd was om zijn metaalwerkers. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere weet dat men

in de Gallische provincies heeft uitgevonden hoe koperen voorwerpen van een laagje wit lood voorzien kunnen worden en wel zó dat ze nauwelijks van zilver zijn te onderscheiden. Zulke voorwerpen noemen ze incoctilia (vertind gerei). Later begon men in de stad Alesia volgens hetzelfde procedé laagjes zilver aan te brengen, vooral op de versieringen van paarden en lastdieren en op jukken.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 34.162; vert. Van Gelder e.a.

Dat Ucuetis een Keltische god van de smeden was, wordt eveneens gesuggereerd door een tekst uit Ierland die bekendstaat als de Annalen van de vier meesters. Het gaat om vier franciscaner monniken die in de zeventiende eeuw een kroniek hebben gemaakt, gebaseerd op oudere teksten. Ze noemen daarin een koning Tighearnmas die zou hebben geregeerd van 1621 tot 1544 v.Chr., en tijdens zijn bewind

werd voor het eerst goud gesmolten in Ierland … Het was de ambachtsman Uchadan die het smolt. Het was dankzij hem dat voor het eerste bekers en mantelspelden werden bedekt met goud en zilver. Ook werden dankzij hem kleren paars, blauw en groen geverfd.noot Annalen van de vier meesters, jaar 3656.2.

De naam Uchadan lijkt wat op Ucuetis, dus ik noem het. Maar je zou voor de identificatie van de godheid als patroon van de smeden natuurlijk meer bewijs willen hebben dan een inscriptie, een beeldje en een zeventiende-eeuwse Ierse tekst.

De inscriptie uit Alesia is vervaardigd in het laatste derde van de eerste eeuw na Chr. Je vraagt je onwillekeurig af of Martialis en de metaalsmeden de Gallische taal hebben gebruikt om hun Gallische identiteit te benadrukken in een steeds Romeinser wordende wereld. En als dat zo is, valt op dat de man de goed-Latijnse naam Martialis droeg. Bijzonder is dat overigens niet. Mensen gaan immers pas oude identiteiten benadrukken op het moment dat nieuwe identiteiten al onmiskenbaar en onomkeerbaar aanwezig zijn.

[Dit was het 502e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Alesia #Frankrijk #Gallië #GallischeTaal #Ierland #inscriptie #PliniusDeOudere #Ucuetis #XavierDelamarre

Hercules van Magusa?

Hercules Magusanus (Museumpark Xanten)

In mijn vorige blogje besprak ik de mogelijkheid dat Hercules Magusanus een syncretisme was van een Romeinse halfgod en een Keltische of Germaanse godheid. Nu de andere mogelijkheid: Hercules Magusanus is de Hercules van Magusa, of iets dat daarop lijkt. Je kunt denken aan het Gallische woord magos, “veld”, dat in allerlei plaatsnamen is te herkennen, zoals Senomagus, “oud veld”, en Noviomagus, “nieuw veld”. Misschien brengt dit spoor ons verder, maar je zou dan willen weten wat het Keltische element is dat tot -anus verlatiniseerde.

Oude speculaties

De mogelijkheid dat Magusanus verwijst naar een plaats, is heel lang besproken geweest. Op de DNBL zijn vroegnegentiende-eeuwse publicaties te vinden vol vroegnegentiende-eeuws gespeculeer. Die hoeven niet per se onzin te zijn. Een van de eerste echte geleerden die zich ermee bezighield, Conrad Leemans, herhaalde in 1846 in Gedenkteekens van Hercules Magusanus de eerdere speculatie dat als het ging om de Hercules van deze of gene plaats, het zou kunnen gaan om Mecusa, ook bekend als Divodurum ofwel Metz. Ik denk dat dit moderne linguïsten niet overtuigt.

Wijding aan Hercules Magusanus uit Empel

Een tweede door Leemans geopperde mogelijkheid is het Magusa of Mahusa, dat hij kent uit een bezittingenlijst van de bisschop van Utrecht uit 866. Hij citeert die tekst als Fregimahusensa. Latere verwijzingen naar dezelfde bezittingenlijst noemen die plek Mahusenham en identificeren haar met een hofstede Muiswinkel, die aan de andere zijde van de Rijn ligt tegenover Wijk bij Duurstede. Daar stemden in elk geval Eduard Norden en Alexander Byvanck mee in, niet de geringste geleerden.

Het zou betekenen dat Germaanssprekenden op zeker moment een plaats genaamd Magusa tot hun heim maakten. Opnieuw weet ik niet of dit moderne linguïsten overtuigt, maar ik heb niet kunnen ontdekken waarom de hypothese dat Hercules Magusanus is vernoemd naar een plaats (Metz of Mahusenham of iets anders) inmiddels is ingeruild voor de hypothese dat de dubbele naam een syncretisme is.

Leemans, Norden, Byvanck: met Vollgraffnoot De man die Utrecht zijn Romeinse verleden gaf. erbij was dit de generatie die voor het eerst een wetenschappelijk te noemen synthese maakte van ons verre verleden. Even verdienstelijk is dat ze ook de zwakke punten van dat beeld al scherp in beeld hadden, zoals – in dit geval – de vreemde mis-match tussen de goden die we kennen uit inscripties (zoals Magusanus) en de Germaanse godenwereld die we kennen uit de literaire bronnen. Vollgraff wist in alle destijds bekende Romeinse inscripties met moeite één uit de literaire bronnen bekende Germaanse godheid aan te wijzen, Baldur, en Byvanck betwijfelde zelfs dat. Het fundamentele probleem bij Magusanusonderzoek is, heel voorspelbaar, dat de data schaars, ambigu en niet consistent zijn.

Wijding aan Hercules Magusanus uit Herwen (Collectie Gelderland)

Aangepaste interpretaties

En dus worden interpretaties voortdurend aangepast. Terwijl Leemans, Norden en Byvanck dachten dat Hercules Magusanus de Hercules was van deze of gene plek, is de interpretatie inmiddels verschoven naar de opvatting dat het een syncretisme was. Wat ik niet heb kunnen ontdekken, is de verklaring voor die ommekeer. Maar ik kan drie dingen verzinnen die mee kunnen hebben gespeeld.

Eén: misschien speelt de inscriptie uit Ruimel een rol, want de volgorde Magusanus Hercules laat zich beter met syncretisme rijmen dan met een plaatsnaam. Tegelijk: Norden, een van de grootste kenners van het Latijn, kende deze inscriptie en vond deze unieke volgorde blijkbaar niet belangrijk genoeg om te stoppen met zoeken naar een Hercules van een plek genaamd Magusa.

Twee: degenen die op zoek waren naar Magusa, waren zó gespitst op Mahusenham dat, toen in Muiswinkel niets werd aangetroffen, ze dachten dat deze hypothese was weerlegd en ze niet meer hoefden zoeken naar andere plaatsen. Uiteraard is dit een drogredenering, al was het maar omdat we de overgrote meerderheid van de antieke toponiemen überhaupt niet kennen. Als er een Magusa is geweest, is het het meest aannemelijk dat het niet is gedocumenteerd. Het kan niet vaak genoeg worden benadrukt dat oudheidkunde de wetenschap is van het gebrek aan data.

Drie: ik kan me ook voorstellen dat archeologen de oudere literatuur niet voldoende kennen en dat ze, toen iemand voor het eerst een etymologie voor een mogelijk Germaanse of Keltische godheid opperde, niet in de gaten hebben gehad dat de vraagstelling was verschoven. Dat gebeurt wel vaker.

Kortom: ooit meenden geleerden dat Hercules Magusanus de Hercules van Magusa was, inmiddels denken andere geleerden aan syncretisme, en ik kan niet ontdekken waarom. Ongetwijfeld is er ergens een belangrijke publicatie die ik, ondanks aller hulp, niet heb kunnen raadplegen. The truth is out there, voor ons verborgen, achter academische betaalmuren.

#AlexanderByvanck #Baldur #Bataven #ConradLeemans #EduardNorden #Empel #GallischeTaal #HerculesMagusanus #Herwen #historischeTaalkunde #WijkBijDuurstede #WilhelmVollgraff #Xanten

Museum Dorestad

Romeinse helm uit Wijk bij Duurstede (Rijkscollectie)

Deze blog bestaat vandaag veertien jaar en dat vier ik met het 500e blogje in onze reeks museumstukken. Dat moet natuurlijk een bijzonder museumstuk zijn, maar het is niet de helm hierboven. Ik blog over het museum waar die helm eigenlijk hoort te zijn, en wellicht nog eens komt. Alleen is dat museum nog niet geopend: het is Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede.

Ik blog daarover omdat een museum, waar ze artefacten tonen, ook zelf een artefact is. Ik heb eerder weleens geblogd over de landkaart van Italië die je kunt zien in het Museo della civiltà romana in Rome, en zo kun je ook kijken naar het museum waar de vondsten uit Dorestad te zien zullen zijn. Ik sprak erover met conservator Luit van der Tuuk.

Dorestad

Maar eerst: wat was Dorestad? Het betreft een nederzetting op de splitsing van Rijn en Lek. Deze is vooral in de achtste en negende eeuw na Chr. heel belangrijk geweest. De naam bewijst echter dat de nederzetting minstens een millennium ouder is, want het eerste element, duron, is goed Gallisch, en verwijst naar een door een poort afgesloten constructie: een burcht of kraal of marktplaats. We kennen dit element vooral in combinaties als Divodurum, “burcht van de goden” (Metz) of Durocortorum, “ronde markt” (Reims), dus misschien heeft de duron aan de Rijn en Lek ook ooit een langere naam gehad. Later hebben de Germanen er het element statha aan toegevoegd, “aanlegplaats”. “Markthaven” is niet de slechtste vertaling. Er zijn andere etymologieën voorgesteld, maar ze gaan allemaal uit van een Keltische naam – en dus voor-Romeinse bewoning.

In de Romeinse tijd lag hier (of eigenlijk: iets oostelijker) een fort, dat echter door de meanderende rivier is verspoeld. De helm hierboven is gevonden in het water en verder contextloos. In de Vroege Middeleeuwen was Dorestad echter een heel belangrijke handelsnederzetting, waar kooplieden heen kwamen uit alle richtingen: over de Rijn en zijrivieren als de Moezel vanuit het Frankische Rijk, over de Vecht en de Kromme Rijn uit Scandinavië, over de Oude Rijn of de Lek vanaf de Britse Eilanden. In de negende eeuw hebben Noormannen Dorestad enkele keren geplunderd. De plek werd verlaten, er kwam daarna weer een kasteel (Duurstede) en in de tweede helft van de vorige eeuw is Dorestad herontdekt met de grootste opgraving die ooit in Nederland heeft plaatsgevonden.

Mantelspelden (Museum Dorestad, Wijk bij Duurstede)

Feitelijk was Dorestad de eerste van de reeks havenplaatsen waar de Nederlandse economie zo van heeft geprofiteerd: Tiel, Dordrecht, Rotterdam. En juist omdat dit zo’n belangrijk deel van het Nederlandse verleden is, is het bizar dat het museum jarenlang gesloten is geweest en dat Dorestad geen deel uitmaakt van de Nederlandse geschiedeniscanon. Let wel: verstedelijking, in welke vorm dan ook, is een van de “rode draden”, de principes waarmee de vijftig vensters zijn gekozen.

Museale keuzes

Het goede nieuws is dat het museum eind dit jaar zal worden heropend in het voormalige raadhuis op de Markt in Wijk bij Duurstede. En een museum maakt keuzes. Ook de plek die cultuuruitingen toont, is een cultuuruiting.

Eerste keuze: het tonen van Dorestad. Dus niet: de geschiedenis van Wijk bij Duurstede, of de manier waarop de site is opgegraven, of de wijze waarop Dorestad de afgelopen halve eeuw eerst uitgroeide tot lieu de mémoire en vervolgens is weggemoffeld. Met dat laatste bedoel ik dat de Germaanssprekenden – of dat nu de bewoners waren van de zwervende erven bij Ede of de Franken – in de afgelopen dertig jaar uit Nederlands verleden zijn verwijderd. Kijk eventueel hier.

Draak (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Een tweede keuze: waar begin je? Het museum kiest ervoor de Keltische oorsprong te tonen met fragmenten van glazen armbanden, en ook het Romeinse verleden zal worden getoond. Een Romeins beeldje van de koopliedengod Mercurius is een voorafschaduwing van de handelmetropool die Dorestad zou zijn. Na deze voorgeschiedenis kan de bezoeker doorlopen naar een nagebouwd schip, dat een indruk geeft van de afmetingen van een vroegmiddeleeuws koopvaardijschip. Hier is een animatie te zien over Katla, een vrouw die in de negende eeuw vanuit Zweden op reis ging naar Dorestad. Haar reis en leven zijn te reconstrueren.

Ook deze keuze vertelt iets over musea in de eenentwintigste eeuw. Vaak gebruikt men deze of gene historische persoon als begin van een ander verhaal. Voor de Byblos-expositie waren dat bijvoorbeeld Ummahnu en Wen-Amun; voor Dorestad is het dus een Scandinavische bezoekster. Deze aanpak, modieus als ze is, vloeit voort uit het uitgangspunt Dorestad te tonen. Het museum had deze aanpak bijvoorbeeld niet kunnen gebruiken als het had willen focussen op de wijze waarop de nederzetting is opgegraven.

Munt uit Dorestad (Teylersmuseum, Haarlem)

Ook op de eigenlijke expositie is aandacht voor individuen die iets met Dorestad te maken hadden: denk aan de muntmeester Madelinus, denk aan de missionaris Bonifatius, denk aan de Noorman Rorik, die vanaf 850 regeerde over Dorestad.

Deze individuen vormen een van de gekozen thema’s. Andere thema’s zijn vanzelfsprekend handel, de relatie tussen Franken en Friezen (die allebei woonden in Dorestad), de ambachtslieden en de Noormannen. Het museum kiest voor een leuke presentatie waarbij je vanuit de ene hoek zo’n woeste Viking ziet (het negentiende-eeuwse clichébeeld) en vanuit een andere hoek een accurate reconstructie.

De expositie zal beginnen met een maquette die momenteel nog wordt gemaakt. Ik ben er blij mee, want een maquette veroudert niet en je kunt haar bekijken vanuit de hoek die jij wil. Maquettes zijn superieur aan de modieuze filmpjes, die door de snelle verbetering van de technologie al zijn verouderd voor ze zijn afgeleverd, en die je bovendien één perspectief opdringen.

Zomaar wat aardwerk in het depot

Een wonder

Zoals u merkt komen modieuze thema’s als religie en identiteit alleen indirect aan de orde. Dat zegt iets over de wijze waarop het museum dit erfgoed wil gaan tonen. Soms doet Museum Dorestad wat andere musea eveneens doen, soms doet het dat niet. Ook al is het museum niet heel groot, het waait niet met elke wind mee. Het heeft karakter.

Museum Dorestad moet het vooralsnog doen met een budget dat klein is in vergelijking tot het enorme belang van Dorestad. Als je dat in overweging neemt, is zich een wonder aan het voltrekken. Al sinds de Renaissance staat in Nederland het Germaanse verleden centraal en dat verleden is de afgelopen dertig jaar uitgegumd. Museum Dorestad geeft opnieuw aandacht aan die belangrijke traditie. Dat maakt het museum tot een cultuuruiting, een belangrijke cultuuruiting zelfs, en een waardige 500e aflevering in onze reeks museumstukken. Ik hoop er in de komende, vijftiende jaargang van deze blog nog eens over te kunnen schrijven.

#canon #Dorestad #Franken #Friezen #GallischeTaal #kasteel #Lek #lieuDeMémoire #LuitVanDerTuuk #MuseumDorestad #Noormannen #Rijn #vikingen #WijkBijDuurstede

De verdwijning van het Gallisch

Een in Griekse letters geschreven Gallische inscriptie uit Alesia

De Romeinen kwamen, zagen en overwonnen nogal eens, maar de overwinning had vele vormen. Rond 146 v.Chr. lijfden ze bijvoorbeeld Griekenland in, waar de taal van de overwonnen bleef bestaan. Syrië volgde in 64 v.Chr. en Egypte in 31 v.Chr., en ook daar overleefden de oorspronkelijke talen. Aramees wordt nog steeds gesproken, al is het marginaal, en het Koptisch bleef als schrijftaal bestaan tot de dertiende eeuw en als spreektaal tot in de zeventiende.

Elders bereidde de Romeinse overwinning echter de overheersing voor van het Latijn, zoals in de Keltische gewesten. De gestage verdwijning van het Gallisch is goed te volgen. Aan inscripties zie je dat de oude tweestammige namen plaats maken voor tria nomina. Dat proces was nog niet voltooid toen dat Romeinse namensysteem in onbruik raakte, maar dan herken je de verdwijning van het Gallisch aan bijvoorbeeld vertalingen. Zo vermeldt een inscriptie uit Trier dat een Artula, Gallisch voor “kleine berin”, een dochter Ursula had, wat in het Latijn hetzelfde betekent.noot EDCS-10600882. Hier werd een Keltische persoonsnaam aangepast aan het inmiddels dominante Latijn. De overgang duurde een paar eeuwen, maar het resultaat is daar: zowel Spanjaarden als Fransen spreken een romaanse taal.

Verklaringen

Een deel van de verklaring zal wel zijn dat het Latijn, als Italische taal, leek op het Keltisch. De Romeinse rex, “koning”, was de Gallische rix, en de Romeins taurus, “stier”, was de Gallische taruos. Er waren natuurlijk ook woorden en grammaticale regels die niet op elkaar leken, maar de overeenkomsten waren er en maakten het voor Kelten eenvoudiger om Latijn te leren.

Een tweede factor zal zijn geweest dat het Latijn vanaf de eerste dag de taal was van het gezag. De gouverneur, zijn ambtenaar, de soldaten: die spraken allemaal de taal van de Romeinen. Het gewicht van deze factor is vermoedelijk niet zo heel groot, want ditzelfde was het geval in de Maghreb, waar het Punisch nog in de Late Oudheid werd gesproken, wat later de arabisering vereenvoudigde. Dat heb ik althans eens gelezen, maar ik kan het niet beoordelen. Een ander voorbeeld: in het oosten verdrong de Romeinse bestuurstaal, het Grieks, het Aramees en Koptisch niet. Dus nee, dat iets de taal van de macht is, is niet de belangrijkste factor.

Een derde factor lijkt me belangrijker: het Latijn was niet alleen een gesproken, maar ook een geschreven taal. Nu kun je tegenwerpen dat de Kelten eveneens schreven. De Keltischsprekenden in Spanje benutten het Iberische alfabet, de Kelten op de Povlakte hanteerden de Etruskische letters en de Galliërs namen eerst het schrift over van de Grieken in de Provence en later dat van de Romeinen.

Dit is interessant. Het suggereert om te beginnen dat men vooral schreef om met de buren te communiceren. Zelf hadden de Kelten er blijkbaar niet zoveel behoefte aan. Hun munten hebben ook geen opschriften, alleen plaatjes. De verandering van schrift in Gallië duidt er bovendien op dat de schrijfcultuur, die dus wel bestond, geen erg sterk eigen karakter bezat.

Bovendien zijn de teksten doorgaans heel kort. Niemand in Iberië, Gallië, noordelijk Italië of het Donaugebied lijkt de noodzaak gevoeld te hebben wetten vast te leggen, hoewel dat in Griekenland en Italië zo’n beetje de eerste toepassing was van het schrift. Julius Caesar vermeldt dat het druïden verboden was hun leer op te schrijven.noot Caesar, Gallische Oorlog 6.14.

Een Gallisch overblijfsel

Het lijkt me dat de afwezigheid van een werkelijke schrijfcultuur bij de Keltischsprekende volken, terwijl het Latijn de taal was van het bestuur, de verklaring is voor de verdwijning van het Gallisch. Bij het Grieks, het Aramees en het Koptisch lag dat anders. Die hadden een veel sterkere eigen schrijfcultuur.

Een berin uit Trier (Landesmuseum)

Maar de verdwijning van de Keltische talen duurde eeuwen. De Trierse dame met de Keltische naam Artula die haar dochter in het Latijn Ursula noemde, leefde pas in de zesde eeuw. In de omgeving van Trier was dus nog een geïsoleerde groep Keltischsprekenden, die de taal pas opgaf in de Late Oudheid. De christelijke auteur Hieronymus noemt in zijn commentaar op PaulusBrief aan de Galaten dat er mensen in Trier waren die Gallisch konden spreken met Galaten uit Ankara. Ik heb dat altijd ongeloofwaardig gevonden, maar nu ik deze inscriptie ken, begin ik daar anders over te denken.

#druïden #GallischeTaal #Hieronymus #KeltischeTalen #Latijn #schrijftaal #spreektaal #triaNomina

146 v.Chr. (1) - Mainzer Beobachter

Latere generaties zouden zeggen dat in 146 v.Chr. een controle was weggevallen en dat het met Rome van kwaad tot erger was gegaan.

Mainzer Beobachter