Een metafoor voor het verleden

Aristoteles (Huis van de Europese Geschiedenis, Brussel)

Zonder Aristoteles zouden we geen debat hebben gehad over de val van het Romeinse Rijk, schreef ik geen blogjes over de Eerste Tussenperiode en hoefden we ook de Zeevolkencrisis niet te bediscussiëren. Hadden wetenschappers daarentegen wat meer Ovidius gelezen, dan was ons een hoop bespaard gebleven. Helaas is het niet zo en nou zitten we dus met de brokken.

Groei, bloei en neergang

De moeilijkheid is te illustreren aan de hand van een van Aristoteles’ bekendste werken, de Poëtika, waarvan het overgeleverde deel is gewijd aan tragedies. (Een slothoofdstuk over komedies ontbreekt.) De auteur beschrijft hoe het genre zich stap voor stap ontwikkelde, tot het zijn eindvorm bereikte. Aristoteles gebruikt dus een botanische metafoor: de tragedie groeide steeds meer naar wat de filosoof beschouwde als natuurlijk einddoel.

Griekse en Romeinse auteurs gebruikten dezelfde metafoor als het ging om beeldende kunst. Die groeide en bloeide tot ze de klassieke vorm had bereikt. Uit de lucht gegrepen was deze wijze van beschrijven niet: denk maar aan de ontwikkeling van de archaïsche kouroi naar de klassieke beeldhouwkunst van de vijfde en vierde eeuw. Maar nu het probleem: als je eenmaal werkt met de organische metafoor van groei en bloei, dan is de volgende fase die van neergang. Cessavit ars, schrijft Plinius de Oudere, “de kunst hield op te bestaan”. Gelukkig – voor Plinius althans – volgde op de herfst en winter van de kunst weer een nieuwe lente, die kunsthistorici weleens aanduiden als neoclassicisme.

De metafoor van groei, bloei en verval is hardnekkig gebleven. Laat-Romeinse historici gebruikten die voor Republiek, het vroege Keizerrijk en de periode die wij de Crisis van de Derde Eeuw noemen, zodat ze de vierde eeuw konden aanduiden als een nieuw begin. En de metafoor bleef het ook na de Oudheid goed doen. Het vijftiende-eeuwse idee van een “renaissance” veronderstelt een Romeinse bloeitijd, een middeleeuwse winter en een nieuw begin, letterlijk een wedergeboorte.

En zo zijn latere geschiedkundigen in de val gelopen die Aristoteles ongewild had opengezet. Montesquieu en Gibbon schreven in de achttiende eeuw over een neergang van het Romeinse Rijk, hoewel de Romeinen de vierde eeuw zeker niet zo hebben ervaren. Toen de negentiende-eeuwse oudheidkundigen na de ontcijfering van de hiëroglyfen de geschiedenis van Egypte reconstrueerden, zagen ze af van het antieke beeld van een opeenvolging van een stuk of dertig dynastieën, maar onderscheidden ze bloeitijden (Oude Rijk, Middenrijk, Nieuwe Rijk) en eeuwen van verval (de Tussenperioden). Het einde van de Bronstijd werd opgevat als een enorme crisis, die de oudheidkundigen ophingen aan de migratie van de Zeevolken. Het is de verdienste van latere oudheidkundigen dat ze bewezen dat er in deze “vervaltijden” minstens zo veel continuïteit als verandering was.

Structuur en continuïteit

Begrijp me niet verkeerd: die veranderingen waren er wél. De “val” van Rome mag dan geen “val” zijn geweest, het zegt natuurlijk wel iets als je hoofdstad in een eeuw tijd driemaal wordt geplunderd en als er een demografische neergang is. En ik zou niet graag in twaalfde-eeuws Enkomi hebben gewoond. Er zijn natuurlijk volop dingen veranderd. Maar niet elke verandering kun je zomaar typeren als een neergang of een breuk. Ging het Hittietenrijk “ten onder” of was er sprake van decentralisatie?

Ik denk dat we beter kunnen zeggen: alles verandert voortdurend. All is flux. Wie een andere metafoor zoekt, zou Ovidius’ Metamorfosen kunnen nemen: daarin is de hele schepping voortdurend aan het veranderen is. Maar je kunt natuurlijk ook gewoon het probleem verwoorden met het instrumentarium van de sociale wetenschappen: alles verandert, maar soms veranderen ook de structuren. Dat heet dan een breuk in de geschiedenis. Of een stroomversnelling, om een hydrologische metafoor te gebruiken.

We zouden wat meer moeten kijken naar de wijze waarop we de continuïteit en discontinuïteit van een historische structuur vaststellen. En nu oudheidkundigen, na de “linguistic turn” in de sociale wetenschappen, anders moeten denken over het structuurbegrip, is daarvoor de situatie eigenlijk gunstiger dan ooit.

Ouwe, dooie Griekse man

En overigens: we zien hier dat het nadenken over een ouwe, dooie Griekse man zo nu en dan nuttig is. Het doet je begrijpen (hoop ik) welke mal je eigen denken gedachten helpt vormen. Anders gezegd, kennis van de Griekse cultuur helpt je zo nu en dan (en minder vaak dan oudheidkundigen claimen) doorgronden waarom je denkt zoals je denkt. En als je dat snapt, kun je je ervan losmaken en betere gedachten gaan formuleren. De geesteswetenschappen zijn best zinvol.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#aristoteles #charlesDeMontesquieu #edwardGibbon #eersteTussenperiode #linguisticTurn #metafoor #pliniusDeOudere #publiusOvidiusNaso #structuur #valVanHetRomeinseRijk #zeevolken

De grenzen van de Oudheid

Jan Collaert, “Nieuwe ontdekkingen” (1600)

Ik blogde onlangs over de ruimtelijke grenzen van de Oudheid. Volgens mij is de traditionele verdeling naar op taal gebaseerde culturen – dus Griekenland, Egypte, Perzië enz. – inmiddels achterhaald en is het nu zinvoller het verleden te bestuderen aan de hand van maatschappijtypen. Immers, het maatschappijtype stelt grenzen aan wat een gegeven cultuur vermag en het eigene blijkt uit de binnen die grenzen gemaakte keuzes. Er is echter nog een tweede afbakening van de Oudheid: de begrenzing in de tijd. Ook die is historisch gegroeid.

Drie tijdperken, twee transities

Ik heb ooit geweten wie de verdeling Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijdnoot Die laatste wordt weer verdeeld in Nieuwe Tijd en Nieuwste Tijd, maar dat laat ik even buiten beschouwing. heeft bedacht; het was een geestelijke die werkzaam was op Corsica, als ik me goed herinner. Feit is in elk geval dat men ten tijde van de Italiaanse Renaissance het idee had dat er een nieuwe tijd was begonnen en dat er twee verledens waren om uit te kiezen: de Romeinse tijd (goed) en de Middeleeuwen (slecht). In allerlei opzichten zocht men aansluiting bij de Oudheid. Men zocht antieke teksten, men probeerde de oude filosofie te doen herleven, men zette gebouwen neer met quasi-antieke façades, en men streefde naar herstel van het vroegste christendom.

Inderdaad vond in de vijftiende en zestiende eeuw een enorme transitie plaats, maar het was een transitie naar een nieuwe tijd, en geen terugkeer naar een (sowieso geïdealiseerd) verleden. De gravure van Jan Collaert hierboven vat het mooi samen: de Amerika’s, het scheepskompas, geschut, het uurwerk, guiacum, distillatie-instrumenten, zijde, verbeterde stijgbeugels en vooral: de drukpers. Wij zouden vermoedelijk boekhoudtechnieken, de aardappel, de filologie en de prijsrevolutie toevoegen, maar het beeld is duidelijk.

En het zal u ook duidelijk zijn dat het een overgangsperiode is geweest, waarbij men niet op 31 december 1500 besloot dat de Middeleeuwen voorbij waren. De meeste mensen wisten sowieso niet wat de datum was. Ik denk wel dat je kunt zeggen dat de jaren 1485-1520 even ingrijpend waren als 1785-1820, maar scherper valt de transitie niet te dateren.

De eerste transitie

Van de weeromstuit is gedacht dat de overgang van Oudheid naar Middeleeuwen dan ook wel een ingrijpende transitie zou zijn geweest. Daarover discussieert men al sinds Montesquieu.  Daar komt ons idee vandaan dat er een door “barbaren” veroorzaakte “val” van het Romeinse Rijk zou zijn geweest – waarmee men eigenlijk bedoelt dat het keizerlijk hof in West-Europa niet meer de plek was om politiek te bedrijven en dat het keizerlijk bestuursapparaat plaats maakte voor kleinere bestuurlijke eenheden. Dit zou tussen pakweg 450 en 480 zijn beslag hebben gehad, met het jaar 476 als jaartal voor in de geschiedenisboekjes.

Dat het Romeinse Rijk zou zijn “gevallen” door toedoen van “barbaren” is echter al zeker een eeuw geleden gecorrigeerd. Wat we wel zien, is een stroomlijning van het christendom, aanpassingen in de militaire structuur, sterke bevolkingsafname, grotere sociale mobiliteit, veranderingen in het staatsapparaat en nog zo het een en ander. Deze processen zijn al in de derde eeuw ingezet en gingen door tot de Arabische veroveringen in de zevende eeuw. Wie de feitelijke transitie zou willen dateren kan het niet scherper doen dan tussen 540 en 645.

Vier tijdperken

Maar het is complexer dan dat. In die Arabische veroveringen culmineren eerdere processen: het ontstaan van een Arabisch monotheïsme, de integratie van de Arabische wereld en de professionalisering van de Arabische krijgskunst. Terwijl die de Arabische wereld sterker maakten, verzwakten de in de vorige alinea genoemde, gelijktijdige processen de Romeinse wereld. In combinatie vormen zij het grandioze slotakkoord van de antieke cultuur. Daarom is de oude driedeling Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijd inmiddels vervangen door een vierdeling: Oudheid – Late Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.

Kortom: de eindgrens van de Oudheid is verschoven, in onze richting, naar boven. En dit gebeurde in de negentiende eeuw nog een keer, alleen toen de andere kant op, naar onderen: namelijk toen de hiërogliefen en het spijkerschrift werden ontcijferd. Rond 1800 duurde Oudheid van koning David tot koning Clovis, dus zeg maar van 1000 v.Chr. tot 500 na Chr. Inmiddels is het van 3000 v.Chr. tot 650 na Chr.

Je kunt het ook anders zien. De Oudheid is de periode waarover we naast de archeologie wél geschreven teksten hebben, maar eigenlijk te weinig voor normale geschiedschrijving – dat wil zeggen het zoeken naar de oorzaken van gebeurtenissen. Het is juist deze onmogelijkheid die het vak zo uitdagend maakt, of maken kan.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#ArabischeVeroveringen #CharlesDeMontesquieu #grenzenVanDeOudheid #JanCollaertII #RomeinsKeizerschap

Winckelmann in Dresden

Winckelmann (Japanisches Palast, Dresden)

Genieën worden gewoon geboren, net als iedereen. Ze worden pas geniaal als ze een onderwerp hebben waarop ze hun genialiteit kunnen uitleven. Dat geldt ook voor de kunsthistoricus Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), die een heel arme jeugd heeft gehad. Toen hij eenmaal wat geld verdienen kon met het geven van bijles, moest hij de helft afstaan aan zijn ouders in het armenhuis. Hij kon echter een Latijnse school bezoeken en wist genoeg te sparen om twee jaar te studeren in Halle en twee jaar in Jena. Evengoed leefde hij van de bedeling. Een baan als huisleraar volgde, en een betrekking als conrector van een Latijnse school was de volgende stap. Het was een leven van hard werken en roofbouw op zijn gezondheid, maar hij ontgroeide de armoede.

Bibliotheekmedewerker

Alles veranderde in 1748, toen hij als bibliotheekmedewerker in dienst trad van graaf Heinrich von Bünau. Deze had zich drie jaar eerder teruggetrokken uit het openbare leven en leefde nu in kasteel Nöthnitz op een anderhalf uur wandelen van de barokstad Dresden. Daar werkte hij aan een Genaue und umständliche teutsche Kayser- und Reichshistorie, waarvan al vier banden waren verschenen. Nu hij alle tijd had, wilde hij het geschiedwerk afronden en hij was inmiddels bezig met de geschiedenis van de in de tiende eeuw aangetreden Ottoonse Dynastie. Veel succes heeft hij niet gehad bij die arbeid, want er is geen nieuw deel van de Reichshistorie meer verschenen.

Friedrich August II (Zwinger, Dresden)

Winckelmann, dertig jaar oud, solliciteerde in juni 1748 bij de geleerde edelmannoot Een door Hein van Dolen en Eric Moormann gemaakte vertaling van de sollicitatiebrief is opgenomen in Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven (1993). en werd aangenomen. In de ochtend gaf de graaf zijn bibliothecarissen – de twee andere waren de oudheidkundige Christian Gottlob Heyne en de boekwetenschapper Johann Michael Francke – opdracht om bepaalde gegevens te controleren, waar ze enige tijd mee bezig waren. Bovendien kreeg Winckelmann in 1751 opdracht de bibliotheek, niet minder dan 42.000 boeken, te inventariseren. Hoewel er geen vijfde deel van de Reichshistorie is verschenen, beschikken we wel over de door Winckelmann uitgeschreven aantekeningen, zodat we weten wat Von Bünau over de Ottonen heeft willen vertellen. De aantekeningen zijn gedigitaliseerd en hier te vinden.

Ik ben momenteel in Dresden. De stad was rond het midden van de achttiende eeuw een van de grootste culturele centra van Europa; de schilderijen van Bernardo Bellotto (Canaletto II) documenteren hoe het eruitzag op dat moment. Het is niet moeilijk te begrijpen dat Winckelmann er inspiratie kon opdoen. 42.000 boeken in het kasteel, en deur keurvorstelijke verzameling antieke sculptuur (inclusief de “Herkulanerinnen”) op anderhalf uur wandelen. Ik heb zelf geprobeerd naar Nöthnitz te komen, maar fietsen is hier niet makkelijk: je moet vaak over de stoep rijden, zodat je moet letten op voetgangers en afvalbakken, waardoor je niet op je route kunt letten. Na twee keer te zijn verdwaald was mijn humeur niet meer bestand tegen ook nog de beklimming van een forse heuvel en vond ik het welletjes. Ik ben hier niet om aan sport te doen.

Theobald von Oer, “Winckelmann in Nöthnitz” (1874)

Toekomstplannen

Terug naar Winckelmann in Nöthnitz. Hij maakte er kennis met het werk van Voltaire en, nog belangrijker, met de cultuurhistorische benadering van Montesquieu. Hij bezocht de Gemäldegalerie en zag de sculpturen van de Antikensammlung, en nam tekenlessen bij de schilder Adam Friedrich Oeser. Die liet Winckelmann kennismaken met de wereld van cameeën en gemmen. Ook ontmoette hij de pauselijke nuntius, die Dresden een verschrikkelijk oord vond maar in Winckelmann een prettige gesprekspartner herkende.

De pauselijke gezant deed Winckelmann een aanbod: hij kon een betrekking krijgen in Rome, waar een kardinaal een bibliothecaris zocht voor een bibliotheek die zeven keer zo groot was als die van graaf Von Bünau. De enige voorwaarde was dat de Lutherse Winckelmann katholiek moest worden; hij werd op in de zomer van 1754 herdoopt. Dat betekende tevens het einde van zijn werkzaamheden in Nöthnitz; Winckelmanns excuusbrief aan de graaf, geschreven in september, vormt onprettige lectuur.noot Eveneens opgenomen in Hein van Dolen en Eric Moormann, Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven (1993).

Winckelmanns debuut

Winckelmann trok een maand later in bij de schilder Oeser, die leefde in wat toen de Frauengaße was en nu de Frauenstraße heet. Die is in de Tweede Wereldoorlog weggebombardeerd, maar ze is herbouwd, en enkele huizen zien er opnieuw uit zoals in Winckelmanns tijd: vlak voor de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) een einde maakte aan de bloeiperiode van het keurvorstendom Saksen. In het Dresdense stadsmuseum is een maquette van de omgeving van de Frauenkirche in de achttiende eeuw, waarop een deel van deze straat is te zien.

Frauenstrasse, Dresden

In de Frauengaße schreef Winckelmann zijn eerste werk: Gedancken über die Nachahmung der Griechischen Wercke in der Mahlerey und Bildhauer-Kunst. De oplage van het vierenveertig bladzijden lange traktaatje bedroeg vijftig exemplaren, en Winckelmann legde hierin uit dat en waarom de Griekse kunst – en dus niet de Romeinse – volmaakt was geweest en dat de enige hoop voor de huidige generatie kunstenaars was de Grieken na te volgen. Je vraagt je af of hoe Winckelmanns voorkeur voor classicisme zich verhield tot de barokstad waarin hij schreef.

Pamfletten

Het geschriftje verscheen begin 1755, was opgedragen aan keurvorst Friedrich August II van Saksen en sloeg in als een bom. Er verscheen een pamflet waarin Winckelmann werd verweten dat hij slordig had geciteerd en vervolgens was er nog een tweede pamflet. Heel Dresden was nu geïnteresseerd in de man en de keurvorst zegde hem een jaargeld toe: “Dieser Fisch soll in sein rechtes Wasser kommen”. Voorwaarde was wel dat Winckelmann in Italië, waar de opgravingen van de door de Vesuvius bedekte steden was begonnen, kunstvoorwerpen zou kopen voor de Antikensammlung.

Königsstrasse 10, Dresden

Oeser en Winckelmann waren inmiddels verhuisd naar de Königstraße 10 aan de andere kant van de Elbe. Ik ben er wezen kijken en bovenstaande foto toont de huidige situatie, maar het gebouw is feitelijk nieuwbouw en ik weet niet zeker of het huidige huisnummer 10 ook toen huisnummer 10 was.

In elk geval is Winckelmann er niet lang geweest. In september 1755 verliet hij de stad waar hij zijn werkterrein en zijn roeping had gevonden en waar hij de eerste blijken van zijn genialiteit had gegeven. Pas later kwam uit dat hij de twee pamfletten waarmee zoveel aandacht voor zijn Nachahmung was ontstaan, zelf had geschreven.

#AdamFriedrichOeser #Barok #BernardoBellottoCanalettoII_ #CharlesDeMontesquieu #ChristianGottlobHeyne #Dresden #Duitsland #FriedrichAugustII #HeinrichVonBünau #Herkulanerinnen #JohannJoachimWinckelmann #JohannMichaelFrancke #Nöthnitz #Voltaire #ZevenjarigeOorlog

Ach ja, de val van Rome

Zo verliep de val van Rome in elk geval NIET.

Ineens werd een batterij vragen op me afgevuurd. En ze zijn te interessant om niet te beantwoorden. Maar eerst het begin. Er was weer eens een politicus, Axel Ronse (N-VA), die de val van Rome van stal haalde. Knack citeert hem:

Ik hoop dat deze geopolitieke crisis ons ook economisch wakker schudt. We hebben echt niet meer de luxe om het West-Romeinse Rijk in verval na te spelen. Het moet afgelopen zijn met de decadentie.

Daarmee kun je het eens of oneens zijn, maar het tweede zinnetje is irritant. De Oudheid is er niet als voorbeeld voor het heden. Niet dat analogieën geheel onmogelijk zijn. Er bestaat iets dat vergelijkingstheorie heet en ik kan u verklappen dat je een voorindustriële samenleving niet zomaar kunt vergelijken met een postindustriële. Daar komt nog bij dat het zinloos is om in een samenleving waarover we robuuste informatie hebben, de onze dus, de politiek te laten leiden door inzichten, gebaseerd op samenlevingen waarover we geen robuuste informatie hebben. Het is geen kenniswinst het slecht kenbare te gebruiken bij het duiden van het beter kenbare.

So far, so good. De Gentse oudhistoricus Jeroen Wijnendaele (die van dat mooie boek over Clovis) reageerde op Ronse, en ik vroeg me op de sociale media af waarom er toch zo weinig oudheidkundigen zijn die terugschrijven. Als ik op deze blog iets onverstandigs schrijf over DNA-onderzoek, dan is er een vriendelijke biologe die me corrigeert; als ik iets doms zeg over fysica, dan is er een voormalige natuurkundeleraar die me adviseert. Ik weet dat ook kranten en tijdschriften correcties toegezonden krijgen, die niet altijd worden geplaatst, maar doorgaans wel op de redactie worden besproken. Je kunt als oudheidkundige dus gewoon je academisch gezag in de strijd werpen.

***

Dat was de korte inhoud van het voorafgaande en ik kreeg dus een batterij vragen. Ik zal proberen ze te beantwoorden.

Zijn vergelijkingen inherent pogingen tot manipulatie, of zijn ze dat omdat zij door politici gemaakt werden?

Ik denk het eerste. Politici zijn ook maar mensen. Onze kennis bestaat uit generaliseringen van waarnemingen, gedaan in het verleden; en in nieuwe situaties vallen we daarop terug. We denken dus historisch. Als we problemen zien, benutten we voor de analyse onvermijdelijk het verleden. Als over een onderwerp dan weinig robuuste informatie bestaat, zoals de transformatie van de Romeinse wereld in de vijfde eeuw, dan kun je die in elke gewenste richting buigen en altijd iets herkenbaars scheppen. Zo komt het dat er inmiddels al zó lang is gesproken over “de val van Rome” dat het moeilijk is je los te maken van dat ondergangsframe.

(Ik ben er zelf niet vrij van. Toen ik in de jaren negentig het internet opzocht, zag ik mezelf als zo’n middeleeuwse kopiist die boeken overschreef. Zoals een Cassiodorus de mensheid, op weg van Oudheid naar Middeleeuwen, nog iets te lezen meegaf, zo wilde ik de mensen op weg van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw nog iets meegeven. Die impliciete vergelijking met de val van Rome is zinledig, maar ik ben dus niet vrij van het ondergangsframe.)

Het nut van de geschiedkunde heette ooit te zijn, dat we van onze geschiedenis kunnen leren. Hoe kunnen wij leren als we geen vergelijkingen mogen trekken?

Ik betwijfel dat we van oude geschiedenis iets kunnen leren. Daarvoor zijn de data te weinig robuust. Kennis van de Oudheid is echter leuk en dat is voldoende. Genot is haar eigen beloning.

Onder welke condities zijn nog wel geldige vergelijkingen te maken?

Van de twintigste eeuw zou wel iets te leren kunnen zijn. Vuistregel: vergelijk industriële samenlevingen met industriële samenlevingen; vergelijk agrarische imperia (zoals het Romeinse Rijk) alleen met andere agrarische imperia (zoals Han-China). De bestudering van de Oudheid is een sociale wetenschap en dus is het sociaalwetenschappelijke instrumentarium relevant.

Wanneer oudheidkundigen op foute vergelijkingen reageren, is dat dan uit de oprechte wens om misvattingen te corrigeren, of ook uit chagrijn omdat een leek het gewaagd heeft zich op Oudheidkundig Terrein te begeven?

Mensen worden classicus, archeoloog, historicus vanuit liefde voor hun vak. Men wil dat er eerlijk over wordt gesproken. Ik heb niet de indruk dat oudheidkundigen leken van het eigen terrein willen weren. Sterker nog, ik denk dat ze dat zo nu en dan best eens mogen doen. Geen mens gaat naar een amateur-tandarts, maar iedereen kan zich historicus noemen en over het verleden een mening ten beste geven. Oudheidkundigen mogen wel iets meer op hun strepen staan. Dat is een van de redenen waarom ik methoden uitleg: dan weten mensen dat er methoden bestaan en dat een opleiding nut heeft.

En kan ook meespelen dat die politicus er een van de verkeerde kleur was?

Enerzijds denk ik dat de meeste oudheidkundigen zich aan elke misrepresentatie ergeren, ongeacht de politieke opvattingen van de spreker. Anderzijds heb ik de indruk dat spreken over de val van Rome vooral een hobby is van Nieuw Rechts: Bart De Wever in België, Thierry Baudet en Mark Rutte in Nederland. De feitelijke vraag is mijns inziens niet of iemand links of rechts is; Renate Rubinstein toonde al in de jaren tachtig aan hoe onzinnig die etiketten zijn.noot Eerlijk is eerlijk: de woorden “links” en “rechts” zijn soms nuttig, want als je ziet dat iemand ze gebruikt, weet je dat verder lezen tijdverspilling is. Het gaat om waarheidsliefde.

Waar komt die foute opvatting over decadentie als oorzaak van Romeins verval vandaan?

Montesquieu.

Als die foute opvatting zo alomtegenwoordig is, zou de oorzaak dan ook niet in het geschiedkundig onderwijs – de eigen boezem – gezocht moeten worden?

Ja en nee. Nee: ik weiger kritiek te hebben op onderwijzers en leraren. Zij kunnen niet helpen dat er minder uren beschikbaar zijn voor geschiedenisles. En als Mark Rutte zijn macht misbruikt om desinformatie over vluchtelingen en het Romeinse Rijk te propageren, dan kan geen leerkracht daar iets tegen doen.

Ja: er is weinig waarheidsliefde bij instellingen die beter moeten weten. Bijvoorbeeld bij de erfgoedsector met het mantra van de beleefbaarheid, zodat stukken verleden worden gebouwd waar nooit iets was (lees maar). Of aan de universiteiten, met veel te specialistische onderzoekers. Ik gebruik weleens de metafoor van de piano: classici spelen alleen op de witte toetsen en archeologen alleen op de zwarte, terwijl ze allemaal zeggen dezelfde antieke cultuur te bestuderen. Het voortbestaan van niet-objectadequate opleidingen bewijst dat de universiteiten hun prioriteiten niet weten te stellen. Daarom stellen accountants tegenwoordig de academische prioriteiten.

#AxelRonse #BartDeWever #CharlesDeMontesquieu #framing #HanDynastie #JeroenWijnendaele #MarkRutte #RenateRubinstein #ThierryBaudet #ValVanHetRomeinseRijk #vergelijkingstheorie

Axel Ronse - Wikipedia

Cornelis de Bruijn (13) Het einde

Prinsengracht, Amsterdam; Cornelis de Bruijn leefde in het tweede, derde of vierde huis van links

Dit is het laatste stukje over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Reizen over Moskovie

Het lijkt erop dat Cornelis de Bruijn rusteloos was. In de volgende jaren woonde hij op diverse plaatsen in de Republiek. In 1709-1710 leefde hij in een huis aan de Hartenstraat in Amsterdam, waar hij onder meer zijn weldoener Nicolaes Witsen ontving en Gisbert Cuper, de man die hem het schilderij van Palmyra had laten kopiëren. Cuper en De Bruijn wisselden later brieven uit over het spijkerschrift uit Persepolis. Het is verder bekend dat de kunstenaar in 1711 woonde aan de Prinsengracht in Amsterdam; in 1712 woonde hij even buiten Haarlem.

Al deze tijd was De Bruijn bezig met zijn meesterwerk: Reizen over Moskovie, door Persie en Indie. Toen hij het in 1711 publiceerde, droeg hij het op aan een Duitse bibliofiel uit Frankfurt, Zacharias Conrad von Uffenbach (1683-1734). Dat is enigszins verrassend: Nicolaes Witsen had immers veel gedaan voor De Bruijn en stond erom bekend dat hij dit soort opdrachten op prijs stelde.

Cornelis de Bruijn, Reizen over Moskovie, door Persie en Indie; een zogenaamde tweede druk

Reizen over Moskovie, door Persie en Indie is een stuk ambitieuzer dan Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Asia. Het nieuwe boek telde 482 pagina’s en 300 illustraties, waaronder diverse uitklapplaten. De tekeningen waren uitstekend: tot de eerste fotografen Persepolis in de twintigste eeuw bezochten, behoorden de De Bruijns tekening tot het beste dat er was. Ervan overtuigd dat dit boek een nog groter succes zou zijn dan zijn eersteling, liet De Bruijn meteen duizend exemplaren drukken.

Teleurstellingen

Reizen over Moskovie, door Persie en Indie had een succes kunnen zijn. De recensies in de Acta eruditorum en Journal des Savants waren opnieuw lovend, maar toch werden er in drie jaar tijd slechts 240 exemplaren verkocht. Eén reden was de dubbele oorlog. De Spaanse Successieoorlog was nog in volle gang en in de Grote Noordse Oorlog had de Republiek haar monopolie op goedkoop Pruisisch graan verloren. De Gouden Eeuw was voorbij. En de mensen wisten het. Er was weinig animo voor een duur boek.

Bovendien had De Bruijn concurrenten. In Persepolis hadden ook de Franse reizigers Jean de Thévenot (1633-1667) en Jean Chardin (1643-1713) onderzoek gedaan. De onzorgvuldige opmerkingen van Thévenot waren al in 1664 gepubliceerd (zonder illustraties), maar Chardins Voyages en Perse et autres lieux de l’Orient, dat de claims van Thévenot uitwerkte, verscheen tegelijk met De Bruijns Reizen over Moskovie, door Persie en Indie. Een jaar later, in 1712, publiceerde een Duitse natuurkundige genaamd Engelbert Kämpfer (1651-1716) weer een ander verslag van Persepolis, Amoenitates Exoticarum. De drie gelijktijdig verschenen boeken richtten zich tot hetzelfde publiek, en als gevolg daarvan verkocht geen van hen echt goed. De Bruijn geloofde niet dat een Franse vertaling mogelijk was. De enige winst was dat er nu wel belangstelling was voor Perzië. Montesquieus Lettres Persanes zouden ondenkbaar zijn geweest zonder de reisverslagen.

In 1713 legde Gisbert Cuper aan De Bruijn de vraag voor waarom er verschillen waren tussen zijn tekeningen van Persepolis en die van Chardin en Kämpfer. Voor De Bruijn was dit een gelegenheid om een ​​derde boek te publiceren, een klein boek dit keer, Aenmerkingen Over de Printverbeeldingen van de Overblijfzelen van het Oude Persepolis (1714). De Bruijn liet op overtuigende wijze zien hoe de andere auteurs, die geen professionele tekenaars waren en Persepolis slechts kort hadden bezocht, fouten hadden gemaakt.

Faillissement

Vanaf dit moment is het leven van Cornelis de Bruijn moeilijk te reconstrueren, maar het lijkt erop dat hij na de teleurstellende verkoop van zijn tweede boek in financiële moeilijkheden verkeerde. Toen Nicolaes Witsen in 1717 stierf, bezat hij verschillende tekeningen van De Bruijn, wat suggereert dat deze een manier had gevonden om wat geld aan de kunstenaar toe te schuiven zonder dat het leek op een aalmoes.

Het is bekend dat De Bruijn in 1714 alle onverkochte exemplaren naliet aan een boekhandelaar genaamd Hendrik Wetstein, die 468 exemplaren van de Franse vertaling van de Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Asia kon verkopen. Hij liet 760 exemplaren van de Reizen over Moskovie, door Persie en Indie opnieuw binden en prees die aan als tweede druk nadat de eerste druk zou zijn uitverkocht. Er was inmiddels ook een “echte” tweede druk van mindere kwaliteit, die snel uitverkocht raakte. In 1718 volgde toch een Franse vertaling van de Reizen over Moskovie, door Persie en Indie.

In 1719-1720 lijkt De Bruijn weer in Den Haag te hebben gewoond, want hij wordt vermeld in de archieven van de Accademie van de Teyken-Const. Een volgende vermelding vinden we in een biografieënverzameling van de hand van Jacob Campo Weyerman (1677-1747), een van de woordvoerders van de Nederlandse Verlichting. Die weet dat de beroemde Cornelis de Bruijn in een klein huisje woonde in Vianen en gedwongen was de draad van zijn leven verder uit te spinnen met minder comfort dan zijn leeftijd vereiste.

Dit is wat cryptisch. Hoewel de heerlijkheid Vianen middenin de Republiek lag, behoorde het tot het Duitse graafschap Lippe. Het viel dus buiten de jurisdictie van de Staten-Generaal en was daarom een ​​berucht toevluchtsoord voor criminelen en schuldenaren. De Bruijn was failliet.

Zijdebalen in 2024

Het einde

De laatste reis van de 73-jarige ging van Vianen naar het buitenhuis van zijn vriend David van Mollem. Het heette Zijdebalen en lag even ten noorden van Utrecht. Hier bracht De Bruijn zijn dagen door tot hij stierf in 1726 of 1727. Weyerman zegt dat Van Mollem de vermoeide en totaal uitgeputte reiziger gaf wat hij nodig had, maar dat naastenliefde onvoldoende is om een ​​man werkelijk rust te geven. Een andere biograaf, Jan van Gool, vertelt dat De Bruijn zich aan het eind van zijn leven zo vreemd en eigenzinnig gedroeg dat zijn gezelschap onaangenaam werd.

Desondanks ben ik van mening dat er een straat in Den Haag, een brug in Amsterdam of een plantsoen in Utrecht zou moeten worden vernoemd naar Cornelis de Bruijn. Liefst alle drie.

#AccademieVanDeTeykenConst #ActaEruditorum #CharlesDeMontesquieu #CornelisDeBruijn #DavidVanMollem #EngelbertKämpfer #GisbertCuper #GroteNoordseOorlog #Haarlem #HendrikWetstein #JacobCampoWeyerman #JeanChardin #JeanDeThévenot #JournalDesSavants #NicolaesWitsen #Persepolis #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #ReizenOverMoskovieDoorPersieEnIndie #RepubliekDerZevenVerenigdeNederlanden #Saratov #SpaanseSuccessieoorlog #spijkerschrift #Utrecht #Verlichting #Vianen #ZachariasConradVonUffenbach #Zijdebalen

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter
I have read descriptions of Paradise that would make any sensible person stop wanting to go there
#CharlesDeMontesquieu
The less men think, the more men talk
#CharlesDeMontesquieu