De islam in Europa (2)

Troonzaal in het Zisa-paleis, Palermo

[Tweede van vier blogjes over Crucible of Light van Elizabeth Drayson. Het eerste blogje was hier.]

Onvolledige bewijsvoering

De factchecker die ik in het vorige blogje opperde, zou Crucible of Light overigens niet hebben gered, want het probleem met dit boek zit dieper dan de vele onjuistheden. Drayson wil tonen dat de islam een rol speelde bij de vorming van de Europese cultuur, maar is onduidelijk over wat Europa is, over wat de islam is en over wat vorming is.

Eerst haar Europa. Op het eerste gezicht ligt het voor de hand dat ze zich beperkt tot landen waar de islam op zeker moment voetafdruk heeft gekregen, maar zo logisch is dat niet. Wat Europa ook moge zijn, Scandinavië hoort erbij. Je zult, als je een uitspraak wil doen over islamitische invloed op de Europese cultuur, ook moeten vertellen hoe Noorwegen, Zweden en Finland die invloed ondergingen. We lezen echter vrijwel niets over die landen. Drayson beperkt zich tot gebieden waar ze haar stelling kan onderbouwen, negeert de gebieden waar dat niet kan (de confirmation bias) en doet desondanks een algemene uitspraak over de Europese cultuur. Anders gezegd: een te snelle generalisering.

Ten tweede: Draysons islam. Die is al even ongedefinieerd en daardoor hangt ze er zaken aan op die er weinig mee van doen hebben. De Barbarijse kapers waren inderdaad moslims en hun gevangenen waren inderdaad christenen, maar dat wil niet zeggen dat kaapvaart heel religieus was gemotiveerd. De Noord-Afrikaanse staten voerden soms oorlog tegen Europese staten, en tot ver in de negentiende eeuw was ten tijde van oorlog kaapvaart normaal. Het had meer met economie en handel dan met religie van doen. De joodse kapers die vanaf Curaçao Spaanse en Franse schepen aanvielen, voerden ook geen joods-christelijke oorlog.

De islam is bovendien méér dan een religie, en dat meerdere is soms juridisch van aard en soms politiek. Je kunt eveneens naar de islam kijken als een verzameling gebruiken en ideeën. Ik ken gelovigen die zeggen dat de kern bestaat uit het gemeenschappelijke gebed, ik ken iemand die de mystieke godservaring centraal stelt, en ik heb juristen gesproken die zeggen dat alles draait om de sharia. Ik vermoed dat ze allemaal zullen zeggen dat de mening van de anderen weliswaar niet het eigen oordeel is, maar wel respectabel.

Niets van deze ambiguïteit bij Drayson. Haar islam is een monoliet. Ze had ook “de Saracenen” kunnen schrijven, alsof het allemaal één pot nat is, alsof iedereen dezelfde essentie erkent.

Historisch jargon

En nu moet ik twee termen uit het historisch jargon introduceren. Alleen daarmee kan ik uitleggen dat Drayson niet duidelijk aangeeft wat ze bedoelt met forging, “vorming”.

De eerste term is ontologisch holisme. Die verwijst naar de mogelijkheid dat een bovenindividueel iets (het liberalisme, de Verlichting, de maatschappij, de Nederlandse taal, de islam) een eigen wezen heeft dat niet valt te herleiden tot de opvattingen van individuele leden. Drayson is onmiskenbaar zo’n ontologisch holist. Misschien heeft ze daarin gelijk en misschien bezit de islam een in al zijn verschijningsvormen wezenlijke kern, maar je kunt ook stellen dat de islam daarvoor te gevarieerd is. Hierover is discussie mogelijk, maar Drayson veronderstelt simpelweg dat de islam een alom aanwezige kern bezit en neemt dus aan wat ze moet bewijzen.

De tweede vakterm is methodisch collectivisme, wat wil zeggen dat die bovenindividuele essentie gebeurtenissen kan bewerkstelligen. Gaat er vormende werking van die kern uit, heeft die agency? Als Drayson wil bewijzen dat de islam instrumenteel was bij the forging of Europe, zal ze moeten bewijzen hoe die bovenindividuele islamitische essentie de individuele moslims heeft bewogen bij het forgen van de Europese cultuur. Ook dat bewijs ontbreekt.

Mustansiriya-madrasa, Bagdad

De madrasa en de universiteit

In plaats daarvan somt ze gebeurtenissen op waarbij moslims betrokken zijn geweest. Dat heeft ze allemaal vlot opgeschreven; dat leest makkelijk weg; er zitten, zoals gezegd, goede portretten en schetsen tussen. Maar nergens bewijst ze dat al die constructieve, creatieve, gewelddadige, toevallige of geplande gebeurtenissen voortkwamen uit de islam als islam.

Had het anders gekund? Ja: door te kijken naar zaken die zijn ontstaan in de islam, alleen zijn ontstaan in de islam, wezenlijk zijn voor de islam, enige tijd aanwezig zijn geweest in de islam, en voldoende agency hebben gehad om te worden opgenomen in de westerse cultuur. Eén voorbeeld is de madrasa, de als gilde gestructureerde, onafhankelijke school voor rechtsgeleerden, die het model vormde voor de als gilde gestructureerde, onafhankelijke Europese universiteit. (De overeenkomsten betreffen ook zaken als de financiering, de argumentatieleer en wat dies meer zij.) Doordat een norm van wetenschappelijkheid gekoppeld raakte aan financiële middelen, verwierf deze institutie continuïteit en kon ze helpen bij de vorming van eerst de islamitische cultuur en later Europa. Maar over zulke zaken schrijft Drayson niet.

[Deze bespreking, eerder gepubliceerd op VersTwee, wordt vervolgd.]

#agency #boek #confirmationBias #CrucibleOfLight #ElizabethDrayson #madrasa #methodischCollectivisme #ontologischHolisme #sharia #universiteit #vormendeWerking

Een geschiedenis van El-Andalus (1)

Deze zomer blogde ik enkele keren over de geschiedenis van El-Andalus, zoals ik het zuidelijke deel van het Iberische Schiereiland in de Middeleeuwen noem. Dat je het niet Spanje kunt noemen, is logisch: er is immers ook Portugal. Dat je het niet Arabisch Iberië kunt noemen, is ook logisch, want ook al was Arabisch de kanselarijtaal, er leefden ook Berbers en mensen die ik maar even “post-Romeins” zal noemen. Daaronder waren mensen die zichzelf identificeerden als Visigoten en Byzantijnen.

Islamitisch Spanje?

Je kunt El-Andalus ook aanduiden als “islamitisch Spanje”, maar ik heb nooit veel gezien in die naam. Toen ik begin jaren negentig mijn scriptie schreef over de romanisering en arabisering van Iberië, had ik niet het idee dat de islam erg belangrijk was. Eén reden is dat onze bronnen de Arabische verovering van El-Andalus nergens typeren als een overwinning voor het geloof. Het was een extreem succesvolle plundercampagne, niet méér.

Een andere reden was dat religie, als aspect van de menselijke identiteit, precies dat is: een aspect. Het is minstens even belangrijk of je rijk of arm bent, of je leeft in een stad of op het platteland, en of je woonplaats homogeen is of heterogeen. Daarmee bedoel ik de mate waarin de bewoners contact maken met andere soorten mensen. Religie is maar één aspect van wie je bent, en daaruit volgt dat de tegenstelling tussen christendom en islam maar één factor was in de reeks middeleeuwse oorlogen in Iberië. En inderdaad: christenen en moslims leefden vaker in vrede dan dat ze elkaar bestreden; christelijke vorsten vochten vaker tegen andere christelijke vorsten dan tegen islamitische; en wie gebied veroverde, liet vrijwel altijd de bewoners met rust. Oorlog was kostbaar, je verjoeg je meest waardevolle buit natuurlijk niet: nieuwe belastingbetalers.

Religie heeft nauwelijks agency

En er is nog iets: religie heeft vrijwel geen agency. Anders gezegd: godsdiensten worden meer gevormd door de samenleving waarin ze belanden dan dat ze die samenleving vormen.noot Dit is ook waarom dat rare boek van Tom Holland over de invloed van het christendom zo onzinnig is. Natuurlijk zijn op die stelling nuanceringen aan te brengen; als ik nog eens een opsomming maak van wat iedereen over de geschiedwetenschap moet weten (analoog aan wat de Neerlandici hebben), staat Webers Protestantische Ethik op dat lijstje. Uiteraard hebben levensbeschouwingen enige invloed op de ordening van de samenleving, maar zeker in het geval van de islam is het omgekeerde méér het geval.

De islam ontstond in een hiërarchische stamsamenleving en de profeet Mohammed bood een nieuwe visie, waarin alle mensen als gelijken zouden opgaan in één groep (de umma). Als godsdienst veel agency zou hebben, zouden we in het Kalifaat en latere staten met islamitische heersers dus een egalitaire samenleving moeten aantreffen, maar het tegendeel is waar: de oude stamstructuren bleven bestaan en de Arabische legers namen die mee op hun veroveringen. De Iberische burgeroorlog rond het midden van de achtste eeuw was een soort stammenoorlog.

Muslim Spain Reconsidered

Ik noem dit omdat ik net Muslim Spain Reconsidered (2014) van de Britse mediëvist Richard Hitchcock heb gelezen, en omdat ik niet herken wat er nu reconsidered is als hij beweert dat er lange tijd te veel aandacht is geweest voor het religieuze aspect. Dat was rond 1990 voor een student in Nederland geen nieuws meer.noot Dat zeg ik niet omdat ik zo slim was. Ik haalde aan de VU in Amsterdam gemiddeld een 8 voor mijn tentamens; in Leiden was dat ineens een 9, en omdat in Leiden destijds is gefraudeerd, houd ik het erop dat ik een redelijke 8 ben, en geen 9.

Het reconsidered in de titel doet een beetje denken aan die malle claims van historici dat ze “het” westen nu minder centraal stellen dan vroeger: iets wat al gebeurde in de jaren zeventig. Als je historicus bent, houd dan op met je onderzoek te meten aan wat lang geleden eens het geval is geweest, en vertel wat er de afgelopen drie, vier jaar aan vakinhoudelijke innovatie is geweest. Je bent een wetenschapper hoor.

[wordt vervolgd]

#agency #boek #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #RichardHitchcock #Spanje #vormendeWerking

De ruimtelijke grenzen van de Oudheid (1)

Een oudheidkundige analyse waar India, China en Japan deel van uitmaken (meer)

Een leuke, problematische en terechte vraag, afgelopen donderdag bij de mail:

Waarom beperkt de oudheidkunde zich tot het gebied rond de Oriënt en Middellandse Zee en niet bijvoorbeeld India, China en Japan waar ook al heel lang geschreven geschiedenis bestaat?

Terechte vraag

Dat de vraag leuk is, spreekt vanzelf. Waarom ’ie terecht is, vertel ik zo meteen. Het problematische is de aanname dat oudheidkunde beperkt zou zijn tot Oriënt en Middellandse Zee. Dat is echter niet het geval. Neem de definitie van “Antiquity” op de Wikipedia:

Ancient history is a time period from the beginning of writing and recorded human history through late antiquity. The span of recorded history is roughly 5,000 years.

Als eindgrens presenteren de Wiki-auteurs “the expansion of Islam”, en daarna beschrijven ze de Oudheid op alle continenten. Wiki is in deze uitwerking niet uniek. Pak er maar een nummer bij van Archeologie Magazine. Of kijk eens in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, waar de Mediterrane en Levantijnse wereld worden aangeboden met ook de andere culturen van de wereld, Paaseiland inbegrepen.noot En, verwijzend naar eigen werk: tot het eerste dat ik schreef voor Livius.org behoorde een pagina over de Zijderoute (1997). Ik schreef hier 107 blogs over Centraal-Eurazië, 57 over Sub-Saharaal Afrika en 46 over Nubië, 50 over de Indusbeschaving, 48 over China en 21 over Precolumbiaans Amerika. Het kan ook niet anders. Het datagebrek waarmee oudheidkundigen kampen, dwingt ze hun netten breed uit te werpen.

Desondanks is de gestelde vraag terecht. De Nederlandse evenknie van het Brusselse museum is bijvoorbeeld ooit gesplitst in een Rijksmuseum van Oudheden en een Volkenkundig Museum (tegenwoordig Wereldmuseum). Nu zitten wij met de gebakken peren, want we bestuderen oude en niet-westerse culturen immers om dezelfde reden: ontdekken dat onze eigen opvattingen niet de enig denkbare zijn om zo onze eigen keuzes beter te begrijpen.

Ook is het aanbod aan de universiteit traditioneel nogal beperkt – daarover in het volgende blogje meer. En dan is er het gymnasium, waar het aloude Europese aanbod van talen die een geleerde behoorde te kennen (Latijn, Grieks, Hebreeuws) in de negentiende eeuw is beperkt tot Latijn en Grieks. De beperking van de oudheidkunde tot het Middellandse Zee-gebied is dus historisch gegroeid. Dat vormt echter geen rechtvaardiging. Wie erin berust, berust in onwetenschappelijkheid. Ik heb echter begrepen dat dat tegenwoordig geen bezwaar meer is.

Een eerste antwoord

Wat bewoog vroegere geleerden tot die inperking? Feitelijk: omdat ze een andere vraag stelden dan wij.

Vanouds hebben mensen zich afgevraagd waar de eigen groep vandaan komt, en in Europa is die vraag vanaf de Renaissance beantwoord door een beroep te doen op de joods-christelijke en de Romeinse traditie. Dat ik “joods-christelijk” schrijf is geen politieke correctheid. Van een werkelijk geschoold mens werd toen verwacht dat ’ie naast Latijn en Grieks ook Hebreeuws kende.

In de loop van de achttiende eeuw begon dat beeld te veranderen. Iemand als Winckelmann begon het Griekse verleden te benadrukken. Deze nieuwe, vooral op kunst gebaseerde visie op het Europese verleden is rond 1800 gesystematiseerd door Friedrich August Wolf en geïnstitutionaliseerd door de Pruisische onderwijshervormer Wilhelm von Humboldt (over wie in een toekomstig blogje nog eens meer). Dit was ook het moment waarop de joods-christelijke traditie naar de achtergrond begon te schuiven. De Zwitserse historicus Jacob Burckhardt schreef in Die Kultur der Renaissance in Italien (1867) dat tijdens de Renaissance een sluier van onwetendheid werd weggetrokken en meende dat de Grieks-Romeinse cultuur herleefde.

Wat is eigenlijk een erflater?

Ik vat het hierboven wat kort door de bocht samen, maar het komt er (nog korter door de bocht samengevat) op neer dat het beeld van joods-christelijk-Romeinse wortels voor de Europese cultuur veranderde in een beeld van Grieks-Romeinse wortels. Beide zijn beelden van hoe de eigen, West-Europese cultuur is ontstaan, en beide veronderstellen dat het latere voortkomt uit het eerdere.

Dat laatste is geen onzin, maar als je zegt dat de ene samenleving (de antieke) de andere samenleving (de hedendaagse) beïnvloedt, doe je een sociaalwetenschappelijke uitspraak over vormende werking, die je dus sociaalwetenschappelijk moet onderbouwen. Je kunt daarbij niet volstaan met trivialiteiten als dat het Amsterdamse Concertgebouw een klassieke façade heeft of dat Archimedes opduikt in een film over Indiana Jones, want zulke ontleningen vertellen slechts hoe latere samenlevingen reageerden op eerdere samenlevingen. De inzet is omgekeerd: het gaat er feitelijk om hoe eerdere samenlevingen invloed hadden op latere samenlevingen – en dus moet je

  • structurerende elementen aanwijzen
  • die in Griekenland of Rome zijn ontstaan,
  • die niet tevens daarbuiten zijn ontstaan en
  • die daarna in elke generatie documenteerbaar een rol hebben gespeeld.
  • Literaire inspiratie voldoet niet aan voorwaarde één, dat de wetenschap in Griekenland is ontstaan voldoet niet aan voorwaarde twee én voorwaarde drie, en dat “onze” democratie uit Athene komt is in strijd met voorwaarde vier. Kortom: het is zo makkelijk nog niet de wortels van onze cultuur in de Grieks-Romeinse Oudheid te zoeken.

    Als we met het hedendaagse sociaalwetenschappelijk instrumentarium zoeken waar de wortels van de westerse cultuur liggen, krijgen we overigens heel andere antwoorden. Hier is een tabel uit mijn Vergeten erfenis.

    (klik=groot)

    U hoeft het met deze tabel niet eens te zijn. Het gaat om de vraag waarom de oudheidkunde zich nogal eens beperkt tot de Middellandse Zee en, als je mazzel hebt, de Oriënt. Dat mag dan historisch zo zijn gegroeid, het valt wetenschappelijk niet te onderbouwen. Reactionair als ik ben, vind ik dat we daarin niet mogen berusten. Gelukkig zijn er alternatieven.

    [wordt vervolgd]

    #grenzenVanDeOudheid #KoninklijkeMuseaVoorKunstEnGeschiedenis #MiddellandseZee #RijksmuseumVanOudheden #vormendeWerking #Wereldmuseum

    1700 jaar Nikaia (6): bronnen

    Ik heb in de voorafgaande blogjes al een paar keer verteld dat de handelingen (actae) van het Concilie van Nikaia verloren zijn gegaan en dat de deelnemerslijst (Synodikon) een reconstructie is. Die is bovendien overgeleverd in uiteenlopende talen en versies, wat ons confronteert met een uitdagend tekstkritisch probleem. We zijn voor onze informatie over de kerkvergadering aangewezen op andere bronnen. Gelukkig zijn die er.

    Antieke geschiedschrijving

    Om te beginnen is er het boek dat Eusebios van Caesarea veertien jaar na de gebeurtenissen publiceerde: het Leven van de zalige keizer Constantijn. Deze terugblik is een invloedrijke tekst, die ook ten grondslag ligt aan de legende dat Constantijn aan de vooravond van de veldslag tegen zijn rivaal Maxentius aan de hemel een lichtend kruis zou hebben gezien en zich na dat visioen tot het christendom zou hebben bekeerd.

    Voor zover ik kan overzien heeft Eusebios over het Concilie van Nikaia nergens gelogen, maar is hij wel selectief. Dat komt deels doordat hij Constantijn portretteert als ideale heerser en deels doordat hij liever onvermeld laat dat hij zelf aanvankelijk sympathiseerde met Areios. Eusebios liet zich tijdens de vergadering echter overtuigen en stuurde na afloop een brief naar huis waarin hij de geformuleerde geloofsbelijdenis toelichtte.

    Die brief is een van de weinige primaire bronnen over het Concilie van Nikaia. We beschikken daarnaast, zoals in eerdere blogs aangegeven, over de Armeense tekst van een deel van de uitnodiging. Verder is er wat correspondentie: de brief die de vergadering van bisschoppen stuurde naar de kerk in Egypte en twee brieven van Constantijn. Een derde keizerlijk schrijven betreft de verbanning van twee bisschoppen uit Bithynië. Deze correspondentie wordt geciteerd door de kerkhistorici Sokrates en Theodoretos.

    Daarnaast kennen we de in Nikaia genomen beslissingen (de canones) in een bewerkte, Byzantijnse versie en in een ingekorte versie van de kerkhistoricus Rufinus. De beste versie lijkt de Aramese te zijn, te vinden in de Armeense collectie waar ook de uitnodiging toe hoort. Het besluit over de paasdatum is volledig overgeleverd in de Latijnse vertaling van bisschop Caecilianus van Karthago.

    Alles bij elkaar hooguit vijf of zes A4tjes: meer primaire bronnen zijn er niet. Met Athanasios van Alexandrië en Eusthathios van Antiochië, allebei onverzoenlijke tegenstanders van Areios, komen we al in de sfeer van de terugblik. En met de vier kerkhistorici Rufinus, Sokrates, Sozomenos en Theodoretos zitten we driekwart eeuw later. Dit zijn secundaire bronnen. Dat zij het echter eens zijn over bepaalde zaken die niet bij Eusebios te vinden zijn, suggereert dat er minimaal één andere door dit viertal gedeelde bron is geweest die zij betrouwbaar achtten. Vermoedelijk waren het meer bronnen.

    Ze zijn echter, zoals zo vaak in de Oudheid, verloren gegaan. We mogen nog wel hopen op de publicatie van Armeens en Aramees materiaal, want dat is nog lang niet allemaal uitgegeven.

    Moderne geschiedschrijving

    Als ik afga op de bezoekersaantallen, dan zijn de voorafgaande vijf blogjes u goed bevallen. De stof is boeiend genoeg. Ongeacht wat men denkt van het moderne christendom: in 325 is dat ontstaan in een voor ons herkenbare vorm. Dat geeft het onderwerp een zeker belang.

    Het is daarnaast ook wetenschappelijk interessant, want we kunnen de continuïteit van toen tot nu documenteren. Ik houd niet van claims dat in de Oudheid dingen zijn ontstaan die nog steeds bestaan, want de bewering dat een aspect van de ene, antieke samenleving de andere, moderne samenleving beïnvloedt, is sociaalwetenschappelijk van aard, terwijl oudheidkundigen zulke claims zelden met het sociaalwetenschappelijk instrumentarium onderbouwen. Anders gezegd: menig oudheidkundige bedrijft simsalabimsociologie. In dit geval is echter overtuigend aan te tonen dat een gebeurtenis uit een oude cultuur vormende werking (agency) heeft op onze cultuur.

    Tel uit je winst. Als je als oudheidkundige eens wil tonen wat je vak inhoudt, dan heb je met het Concilie van Nikaia een dijk van een thema. Het onderwerp heeft belang en is boeiend. De continuïteit is overtuigend bewijsbaar. Je kunt vertellen wat oudheidkundige tekst- en bronkritiek is. De wezenlijke vraag of individuen als keizer Constantijn de geschiedenis vormgeven, of dat er daarnaast dieperliggende processen zijn, valt mooi te illustreren. De meertaligheid van de oude wereld is hier mooi zichtbaar. Je kunt uitleggen dat het mogelijk is een narratief te baseren op bronnen maar dat zoiets desondanks onvolledig is zonder reflectie op welke informatie verloren is gegaan. Je kunt een knipoog geven naar Nikolaas van Myra. Het gaat over de Late Oudheid, die momenteel sterk in de belangstelling staat. En vooral: het publiek vraagt om niet vanuit kerkelijk perspectief geboden informatie over het ontstaan van een wereldgodsdienst.

    Gemiste kans

    Maar nu moet ik onze Nederlandse oudhistorici even beknorren. Ze hebben deze kans vermoedelijk weten te missen. Ik schrijf “vermoedelijk” omdat er één boek is gepubliceerd, namelijk De erfenis van het Concilie van Nicea. Samen beraden, geloven en vieren van Peter Nissen. Ik heb het nog niet kunnen lezen – ik was in Frankrijk – en hoop dat ik me vergis, maar het boek lijkt vooral het pastoraat te willen dienen. Ik lees althans hier dat het “gespreksvragen om door te praten binnen de parochie, gemeente of gespreksgroep” bevat en dat het is “aangevuld met gebeden, mooie citaten, afbeeldingen en liturgisch materiaal voor vieringen”.

    Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen liturgisch materiaal of theologie. Maar het ontstaan van een wereldgodsdienst is een voor iedereen belangrijk thema, voor oudheidkundigen te belangrijk om uit te besteden aan theologen. Wie meer over Nikaia wil lezen, kan terecht bij het fijne boek van Claire Reggio, Nicée. 1700 ans d’histoire, dat een paar weken geleden is verschenen. Ik heb er bij het schrijven van deze reeks veel aan gehad. Zeer aanbevolen.

    #agency #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #Caecilianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #paasdatum #PeterNissen #primaireBron #Rufinus #secundaireBron #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #tekstkritiek #Theodoretos #vormendeWerking

    1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws? - Mainzer Beobachter

    1700 jaar geleden, in mei 325, schiep het Concilie Nikaia een voor ons herkenbaar christendom, maar het was geen schepping uit het niets.

    Mainzer Beobachter

    1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws?

    Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Nikaia (325).

    Aanstaande dinsdag is het 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, een enorme vergadering begon van christelijke leiders: het Concilie van Nikaia. (Ook wel aangeduid als Nicea, maar ik wil niet invisibiliseren.) Onder toezicht van keizer Constantijn de Grote stelden de bisschoppen een formule vast waarmee ze de relatie tussen God de Vader en God de Zoon konden beschrijven; verder namen ze besluiten over de berekening van de paasdatum, de organisatie van de kerk en de levenswijze van de geestelijken.

    Uit de baaierd aan christelijke vormen ontstond één christendom, dat nog steeds bestaat. De beslissingen zijn na al die eeuwen zó vanzelfsprekend, dat we niet langer herkennen hoe revolutionair ze ooit waren.

    Innovaties

    Het eerste punt is dat Constantijn alleen bepaalde leiders uitnodigde, namelijk bisschoppen die meenden dat wie Christus vereerde, niet ook andere goden mocht vereren. Dit exclusivisme was in de antieke wereld allerminst vanzelfsprekend en nog vér na het Concilie van Nikaia waren er volop christenen die ook naar synagogen of heidense tempels gingen. Volgens de conciliedeelnemers en de huidige kerken zouden dat geen christenen zijn, maar dat zagen zij zelf natuurlijk anders.

    Een tweede revolutionaire innovatie was dat er voor de christenen maar één manier kon zijn om over het goddelijke te denken, de orthodoxe. Ook dit speelt nog altijd een rol in het christendom. Het onderscheid tussen de oosterse en westerse kerken gaat bijvoorbeeld terug op (na Nikaia geformuleerde) verschillende opvattingen over Christus.

    Nikaia introduceerde ook de methode om de doctrine vast te stellen: door een vergadering. Alle bisschoppen waren officieel gelijk en in de zin dat ieders mening (althans officieel) het zwaarst woog, was de intellectuele discussie in Nikaia een democratie van experts. Als men het eens was, zo was de redenering, dan moest het zijn doordat de Heilige Geest de aanwezigen in de juiste richting leidde. (Zie het plaatje hierboven, waarin de Heilige Geest in de vorm van een duif neerdaalt.) Hiermee werd feitelijk gezegd dat niet alleen de heilige schrift, maar ook de consensus der bisschoppen geïnspireerd was en een bron van religieus gezag. Deze blog is niet de plek om uit te weiden over latere discussies over het leergezag, maar ik denk dat de aanwezigen in Nikaia vreemd zouden hebben opgekeken van het aforisme van paus Benedictus XVI dat waarheid niet democratisch wordt bepaald.

    Een laatste innovatie uit 325 is inmiddels wat op de achtergrond geraakt, althans in Europa: dat de overheid een rol had bij het bepalen of handhaven van de christelijke rechtzinnigheid. Een Europese regeringsleider mag nu dan wel zeggen dat jeder mag nach seiner Façon selig werden, maar overheidsbetrokkenheid bij de orthodoxie is eeuwenlang een belangrijk aspect van de Europese cultuur geweest.

    Kortom, in Nikaia ontstond het christendom zoals wij het kennen en het concilie heet met recht een belangrijke historische gebeurtenis. Bijzonder is bovendien dat we de invloed (vormende werking, agency…) van dit aspect van de antieke cultuur op onze cultuur kunnen onderbouwen met de relevante sociaalwetenschappelijke argumenten.

    Was Nikaia wel zo innovatief?

    Revoluties komen echter nooit zomaar. Niet alleen Constantijn, élke Romeinse magistraat voelde zich verantwoordelijk voor de goede relatie tussen zijn onderdanen en de goden (pax deorum). Dat dit zich vertaalde in orthodoxie, was slechts een beperkte innovatie. De relatie tussen God de Vader en God de Zoon oogt weliswaar als een nieuw, christelijk thema, maar feitelijk importeerden de theologen een oudere discussie over Plato’s Timaios – ik schreef er al eens over.

    Ik noem ook de eed van trouw die keizer Decius in 249/250 eiste van al zijn onderdanen. Ze moesten verplicht offeren. Decius is de geschiedenis in gegaan als christenvervolger, maar de eed van trouw trof andere groepen even hard: denk aan pythagoreeërs, denk aan de groep rond het Corpus Hermeticum, denk aan neoplatonisten en denk aan anderen die moeite hadden met de antieke offerpraktijk. Het springende punt is dat Decius religie benutte om in een verdeeld imperium eenheid te scheppen. Een kwart eeuw later deed keizer Aurelianus hetzelfde door de verering van de zon voor te schrijven. Ook in dit opzicht bood Constantijn niets nieuws.

    Keizer Diocletianus, die de verering van Jupiter en Hercules had benut om eenheid te scheppen, had andersdenkenden gewelddadig vervolgd: manicheeërs en christenen dus. En ook dit aspect is in Nikaia aanwezig. De betrouwbaarheid van de anekdote dat Nikolaas van Myra een opponent een klap zou hebben gegeven mag dan dubieus zijn, ze past bij het algemene karakter van de kerkvergadering. Er zijn namelijk meer anekdotes over verbaal en fysiek geweld. Constantijn stond niet boven intimidatie: de bisschoppen moesten eens lopen langs een erehaag van gardisten met getrokken zwaarden, en de keizer dwong de consensus over een compromisformule af met sancties.

    Wat ik maar zeggen wil: Nikaia schiep een christendom, maar het was geen schepping uit het niets. Anderhalve eeuw geleden muntte Theodor Mommsen het aforisme dat vernieuwingen altijd tot uitdrukking worden gebracht middels bestaande vormen. Mommsens bekendste voorbeeld was het keizerschap van Augustus, dat weliswaar een revolutie was maar dat zich bediende van traditionele vormen. Hij zou ook het ontstaan van het christendom hebben kunnen noemen.

    [morgen meer over het Concilie van Nikaia]

    #agency #Augustus #Aurelianus #BenedictusXVI #christenvervolging #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #CorpusHermeticum #Decius #Diocletianus #EersteConcilieVanNikaia #exclusivistischeChristenen #HeiligeGeest #historischeGebeurtenis #neoplatonisme #nietExclusivistischeChristenen #NikolaasVanMyra #offer #orthodoxie #pythagorisme #TheodorMommsen #vormendeWerking

    De Franken van Nebisgast tot Elegast

    Eindelijk, eindelijk, eindelijk: er is een nieuw boek over de Franken. Het heet De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen en is geschreven door de Vlaamse historicus Jeroen Wijnendaele. Niet dat er helemaal nooit iets wordt gepubliceerd over de mensen die ik gemakshalve even “onze voorouders” zal noemen. We hebben bijvoorbeeld het boek van Luit van der Tuuk. Maar de Franken, die lange tijd toch golden als het begin van de Nederlandse identiteit, hebben het de laatste twintig jaar publicitair moeten afleggen tegen de Romeinen. Een boek over de Franken is daarom welkom.

    En niet uit nostalgie naar een traditioneler geschiedbeeld. De Late Oudheid is belangrijk en krijgt de laatste tijd eindelijk de aandacht die ze verdient. Recent onderzoek leidt tot nieuwe inzichten, zoals de muntschat die in 2017 is ontdekt bij Lienden: nog in 461 had Rome invloed in het Nederlandse rivierenlandschap. De Franken zijn echter niet alleen wetenschappelijk “hot”, ze zijn ook belangrijk. De ondertitel van Wijnendaeles boek mag dan klinken als goedkope hype, al in de inleiding is duidelijk waarom ze accuraat is: Clovis schiep in een versnipperd politiek landschap een West-Europese eenheid – en dat ideaal is sindsdien blijven bestaan. En van idealen kan vormende werking uitgaan. Kortom, een belangrijk boek.

    Frankische schijffibula (Rheimisches Landesmuseum, Bonn)

    Geen recensie

    Nu ben ik bevooroordeeld, want ik was meelezer bij dit boek. Ik sta zelfs geciteerd op de achterflap. Maar in alle bescheidenheid denk ik dat het niet mijn vooringenomenheid is die me ertoe brengt u De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen aan te bevelen. U zult de komende tijd allerlei positieve besprekingen zien van auteurs die zeggen “eindelijk, eindelijk, eindelijk”.

    Vooringenomen als ik ben, zal ik het boek niet recenseren. Maar ik kan wel iets vertellen over een mogelijk vervolg: wat zou het leuk zijn als er een mooie expositie kwam over de Franken. Er is heel veel materiaal te kiezen, en de laatste tentoonstellingen zijn óf alweer een tijdje geleden (“Verloren Grens”, eind jaren tachtig in Tongeren) óf kleiner dan het onderwerp verdient, zoals de Gouden Vrouwen die u nog één week in Rhenen kunt bezoeken. Het is gewoon hoog tijd voor een overzichtstentoonstelling “Van Nebisgast tot Elegast”.

    Een verouderde reconstructie van een Frank (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

    De vierde eeuw

    Als ik gastconservator was, zou ik beginnen met wat valse noties. Dus eerst bovenstaande, een eeuw oude reconstructie van een besnorde krijger met de verkeerde mantelspeld. Misschien toonde ik ook wat oude schoolboeken en de onderwijsposters die nog steeds worden vervaardigd omdat verouderd beeldmateriaal nou eenmaal rechtenvrij is.

    Dan een zaal over de Late Oudheid. Het missorium van Theodosius is hier de eerste van twee blikvangers. Het illustreert het meerhoofdig keizerschap van de vierde eeuw. Aan een muur is een visualisatie van de bevolkingsneergang, ter verklaring van de afname van het aantal archeologische vindplaatsen en -vondsten. Ook is er iets te zien over klimaatreconstructie en het einde van het Romeinse Klimaatoptimum, om te tonen waardoor de Romeinse overheid minder middelen had. De tweede blikvanger is de Peelhelm, die toont dat het Romeinse leger, ondanks een afname van rekruten en materiële middelen, nog altijd functioneerde. Andere voorwerpen illustreren de brug bij Cuijk, foederati en laeti, de forten langs de Chaussée Brunehaut en uiteraard Sint-Maarten.

    Francisca uit Wijster (Drents Museum, Assen)

    Er volgt een zaal over de Germanen. Natuurlijk zijn er veel archeologische voorwerpen, te beginnen met Wijster en andere Drentse vondsten – denk aan een francisca. Denk ook aan de voorwerpen uit oostelijk Nederland en aan de ijzerwinning op de Veluwe. Verdere inspiratie: de tentoonstelling in Bonn. Ik zou aandacht besteden aan de stereotypen in onze bronnen. Het Amsterdamse Caesar-handschrift ligt in deze zaal op een ereplaats, opengeslagen bij de beschrijving van de Germanen.

    In een volgende, kleine zaal zou ik twee poppen willen zien. Aan de ene zijde een reconstructie van de Chamaaf Nebisgast, aan de andere zijde de Romeinse generaal Julianus. Ze stonden in 358 echt tegenover elkaar en lijken meer op elkaar dan je weleens zou denken. De voorwerpen er omheen tonen de bezoeker waarop de reconstructie is gebaseerd. De re-enactors van Fectio kunnen hier een enorme museale meerwaarde zijn. De grafsteen van Viatorinus uit Keulen illustreert de Franken als tegenstanders van de Romeinen, maar er is ook aandacht voor de Franken als bondgenoten.

    Julianus (Bodemuseum, Berlijn)

    Meervoudige identiteiten

    Ik denk dat de cultuur van laatantiek Gallië in een volgend deel van de expositie centraal moet staan. Hier zijn dus volop voorwerpen uit Luik, Reims, Straatsburg en Saint-Germain-en-Laye. De meervoudigheid van de identiteiten staat hier centraal. Er is aandacht voor het talige contact. De bezoeker verneemt bijvoorbeeld dat de Frankische en dus Nederlandse zuivelterminologie aan het Latijn is ontleend en dat dit taalcontact vérstrekkende implicaties heeft. Ook moet er aandacht zijn voor vijfde-eeuws Xanten, omdat nogal wat Frankische sagen wortelen in de regio Xanten/Nijmegen (Hagen von Tronje, Siegfried, de Zwaanridder en – als je het mij vraagt – Brunhilde). Maquettes van het grensfort Deutz en een hoogteversterking als Furfooz.

    Verder is in dit deel van de tentoonstelling de inscriptie EDCS-28600036 te zien. Die komt weliswaar uit Boedapest en dus niet uit Gallië, maar illustreert mooi de meervoudige identiteiten.

    Francus ego cives Romanus miles in armis.

    Ik ben een Frank, een Romeins burger, een soldaat onder de wapenen.

    Grafsteen van de Frank Batimodus (Archeologisch Museum Xanten)

    Het pièce de résistance is in deze zaal de muntschat van Lienden, die toont dat het Romeinse Rijk nog altijd invloed had. Een piramidevormige animatie biedt uitleg van het beleid van keizer Majorianus, van zijn rechterhand Aegidius, en via een man als Childerik verder naar “de heer van Lienden”. Ook is er uitleg van een Frankische Gefolgschaft – denk aan de heer van Morken, denk aan Bodi, al zijn beide eigenlijk een tikje te jong. Er zijn voorwerpen uit de militaire graven uit Nijmegen en ook is de grafsteen van Batimodus uit Xanten te zien.

    In een volgende, kleine zaal draait het om het graf van Childerik in Doornik. Die voorwerpen zijn natuurlijk allemaal gestolen, maar er zijn replica’s te zien uit het museum van Mainz. Childeriks opvolger Clovis is moeilijk te illustreren, maar er zijn voldoende vroegchristelijke voorwerpen bekend om in elk geval iets te doen rond zijn doop. Een animatie toont de uitbreiding van zijn machtsgebied.

    Applique uit Furfooz (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

    De zesde en zevende eeuw

    Het slot van “Van Nebisgast tot Elegast” zou ik inrichten zoals ik onlangs in München zag: diverse graven documenteerden daar de herkomst van mensen die in de zesde en zevende eeuw woonden in Beieren. Voor onze contreien kun je dus denken aan de graven uit Tongeren, die de laat-Romeinse tradities voortzetten, maar ook aan Germaanse wapengraven, aspecten van de Noordzeecultuur én aanwijzingen voor handelscontacten met de mediterrane wereld. Denk aan het grafveld van Rhenen, denk aan de koptische schaal uit Ewijk en denk aan samenwerking met Erve Eme.

    Nu het verschijnsel identiteit voor de Late Oudheid is genuanceerd, zou ik eindigen met een zaal waarin ons eigen beroep op de oude wereld als bron van identiteit wordt genuanceerd. Onze taal is laat-Frankisch, het monotheïsme verving in de Frankische tijd de oudere culten en de oudste laag van onze literatuur is eveneens Frankisch. Denk aan de magische kant van Elegast, denk aan Cunera, denk aan de Zwaanridder. Toch is Nederlands Germaanse verleden de afgelopen kwart eeuw verdwenen, zodat “Van Nebisgast tot Elegast” kan eindigen met de vraag voor welke Nederlandse mensen taal, religie en literatuur er eigenlijk nog toe doen.

    Gedecoreerde boog uit Glons (Grand Curtius, Luik)

    Maar goed. Ik ben geen gastconservator en ik heb de indruk dat de verwijdering van Nederlands Germaanse verleden inmiddels een voldongen feit is. Deze tentoonstelling zal er niet komen. Maar we hebben in elk geval het boek van Jeroen Wijnendaele, De Wereld van Clovis. De Val van Rome en de Geboorte van het Westen, dat u moet lezen als u bent geïnteresseerd in de Late Oudheid en ook als u daar nog niet in bent geïnteresseerd.

    #Aegidius #agency #Batimodus #beeldmateriaal #ChausséeBrunehaut #Childerik #Clovis #CuneraVanRhenen #ErveEme #Ewijk #francisca #Franken #JeroenWijnendaele #KarelEndeElegast #KoptischeSchaal #Lienden #Majorianus #Nebisgast #Nijmegen #Noordzee #ReEnactmentgroepFectio #Rhenen #SintMaarten #TheodosiusI #Tongeren #Vetera #Viatorinus #vormendeWerking #Xanten #Zwaanridder

    Het joodse Nieuwe Testament

    Twee keer het Joodse Nieuwe Testament

    Ik zal niet snel zeggen dat de Oudheid belangrijk is. Misschien is ze dat, maar dat kunnen we maar zelden vaststellen. Weliswaar beweren oudheidkundigen regelmatig dat de toenmalige samenleving de onze beïnvloedt (een recent boek van de Belgische classicus Patrick De Rynck heeft bijvoorbeeld als ondertitel “Hoe de oude Grieken en Romeinen ons leven nog altijd bepalen”) maar zulke sociaalwetenschappelijke claims zijn doorgaans lastig te staven. Er zijn maar een stuk of wat uitzonderingen, en één daarvan is het christendom. Van die antieke religie is vormende werking uitgegaan op alle daarop volgende eeuwen en op velerlei terrein. Die agency, om de jargonterm te gebruiken, is wetenschappelijk en overtuigend bewijsbaar. Het antieke christendom heeft daarom niet alleen grote betekenis voor onze hedendaagse samenleving, want het vormde haar, maar heeft tevens wetenschappelijk belang, want dit is waar oudheidkunde haar belang toont.

    Het antieke christendom is bovendien interessant omdat er veel misverstanden over bestaan. Allerlei verouderde visies blijven maar herhaald worden, ook door wetenschappers. Ze negeren het belang van de in 1994 gepubliceerde Dode-Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT. En dat is jammer. 4QMMT (“Enige werken der Wet”) plaatst het ontstaan van het christendom in een geheel nieuw licht.

    Nieuw Perspectief

    Om het te begrijpen, moeten we terug naar Luthers visie op een passage uit Paulus’ Brief aan de Galaten. Daarin schrijft de apostel dat niemand wordt gered door de “werken van de Wet”, wat Luther uitlegde als de “goede werken” waarmee volgens de katholieke kerk iemand invloed kan hebben op zijn plaats in het hiernamaals. Luther meende dat daartoe alleen het geloof in Christus relevant was. Feitelijk gaat het hier om Gods genade: Luther beweerde dat het jodendom, dat iemands plaats in de wereld die zou komen afhankelijk zou hebben gemaakt van het voldoen aan allerlei wetjes en regeltjes, niet de genade zou hebben gekend die het christendom wel bood. Luthers visie is natuurlijk een wonderlijke vertekening van de religie van mensen die geloven door God te zijn uitverkoren.

    4QMMT bewees nu dat de “werken van de Wet” niet dezelfde waren als “goede werken”. Het bleek een manier te zijn om aan te geven dat iemand de Wet van Mozes volgde en dus Joods was. Paulus wilde zeggen dat een Joodse achtergrond geen betekenis had voor de redding van de gelovige op de Jongste Dag. Paulus breidde daarmee de definitie van het uitverkoren verbondsvolk uit. Deze herinterpretatie van Paulus staat bekend als het Nieuwe Perspectief op Paulus. Het maakt hem normaler, want dit was destijds geen ongebruikelijk Joods standpunt.

    Een nog nieuwer perspectief

    De discussie over het Nieuwe Perspectief ligt alweer een tijdje achter ons. Inmiddels gaat het over zaken als de plaats van Paulus binnen het jodendom. Wie bang was voor de Jongste Dag, hoefde, volgens Paulus, geen Jood te worden, want volgens de profetieën zouden Joden én andere volken gered worden. Zijn verzet tegen Wetsnaleving bij niet-Joodse christenen was dus geen breuk met het jodendom.

    Dat Paulus staat binnen het jodendom, is nogal een omslag, zeker als je bedenkt dat hij lang gepresenteerd is geweest als feitelijk de eerste christen. Deze omslag is maar één van de vele voorbeelden van de wijze waarop de auteurs van het Nieuwe Testament binnen de sfeer van het jodendom bleven. Waar het op neerkomt, is dat het Nieuwe Testament niet alleen een christelijk boek is, maar ook een joods boek. De wegen gingen pas uiteen toen keizer Domitianus ongekend harde maatregelen nam om de Fiscus Judaicus (een Romeinse belasting) te innen, maatregelen die joodse en niet-joodse christenen anders troffen.

    Het joodse Nieuwe Testament

    Het Nieuwe Testament is een joods boek. Het christendom begon niet met Paulus. Die bleef joods. Domitianus deed de wegen uiteen gaan. Dat zijn, ietwat scherp geformuleerd, vier inzichten die er dertig jaar geleden nog niet waren. De term “wetenschappelijke revolutie” is voor minder gebruikt. We zouden kunnen zeggen dat christenen moeten ophouden zich het Nieuwe Testament toe te eigenen, want het is niet alleen van hen. De joods-christelijke relaties zijn de laatste jaren opnieuw geformuleerd en het veranderde perspectief werpt nieuw licht op een aspect van de oude wereld waarvan, zoals gezegd, vormende werking uitgaat op onze samenleving.

    Ik schreef zojuist dat de op 4QMMT gefundeerde uitleg van de Brief aan de Galaten slechts één voorbeeld was. Voor andere voorbeelden kunt u daar terecht. Maar u kunt nog beter het anderhalve week geleden verschenen boek raadplegen dat ik al enkele keren noemde: het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen. Het is een vertaling van het commentaar dat in The Jewish Annotated New Testament was toegevoegd aan een Engelse vertaling, overgeheveld naar de NBV21-vertaling, geactualiseerd en voorzien van aanvullingen.

    Eigenlijk zou iedereen met belangstelling voor de Oudheid (en de betekenis van de Oudheid voor ons) dit boek moeten raadplegen. U vindt er veel informatie die belangrijk maar onvoldoende bekend is. Simpel gezegd: zoals dit jaar Kerstmis samenvalt met Chanoeka, zo vallen christendom en jodendom veel meer samen dan wetenschappers tot voor kort dachten.

    Ik houd er wel van de dingen af en toe scherp te zeggen om mensen wat te prikkelen. Maar ik overdrijf oprecht niet als ik zeg dat in ons taalgebied het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen de belangrijkste oudheidkundige publicatie is in jaren.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #agency #NBV21 #NieuwePerspectiefOpPaulus #NieuweTestament #Paulus #Tora #vormendeWerking