De Kerkgeschiedenis van Eusebios

Het Concilie van Nikaia (negende-eeuws manuscript uit Vercelli)

De Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea is om verschillende redenen een interessante tekst. Om te beginnen natuurlijk om dat wat de auteur betoogt: dat het christendom weliswaar van diverse kanten wordt bedreigd maar dat de bisschoppen de gelovigen in het rechte, orthodoxe spoor houden. Die gedachte is eigenlijk best opmerkelijk, want de meeste Romeinen waren niet van mening dat er, in religieuze zin, zoiets bestond als orthodoxie. Zolang de offers maar op de juiste manier werden gebracht, was alles dik in orde.

Van proto-orthodox naar orthodox

Voor de christenen lag dat anders: in de eerste drie eeuwen van dit geloof waren er allerlei christelijke opvattingen, en langzaam maar zeker zette de opvatting door dat wie Christus vereerde niet ook andere goden mocht vereren. De aanhangers van deze opvatting staan bekend als proto-orthodoxe of exclusivistische christenen. Tijdens het door keizer Constantijn de Grote voorgezeten Eerste Concilie van Nikaia (325) werd deze visie normatief. Tegelijk werd bepaald dat er maar één orthodoxe manier was om over Christus te denken: de tweenaturenleer.

In het decennium voor het concilie schreef Eusebios de Kerkgeschiedenis, waarin hij het bestaan van een orthodoxie veronderstelde. Hij doet dat door alles wat van de ware leer afweek, te presenteren als dwaalleer of dwaasheid. Tevens benadrukt hij, zoals gezegd, het belang van de bisschoppen als hoeders van de orthodoxie. Zowel ketterijen als vervolgingen hebben zijns inziens te maken met mensen die niet luisterden naar hun bisschop, of bisschoppen die tekortschoten in hun herderlijke taak.

Joodse invloeden

Dit is overigens een idee dat we ook in de toenmalige joodse literatuur aantreffen. Als er iets mis ging, had dat te maken met tekortschietend rabbijns toezicht. Een andere overeenkomst tussen Eusebios’ boek en het toenmalige joodse denken is het idee van de “apostolische successie”: een bisschop weet wat hij moet doen omdat hij het leerde van zijn voorganger, die het weer wist van zijn voorganger, die het weer had van een eerdere generatie, en zo terug, dieper en dieper, naar de apostelen en Christus. Eusebios biedt in zijn Kerkgeschiedenis dus diverse lijsten van bisschoppen. Bij wijze van voorbeeld noem ik de bisschoppen van Jeruzalem:

De eerste was Jakobus, die de “broeder van de Heer” werd genoemd. Na hem kwam als tweede Simeon. De derde was Justus. De vierde Zaccheüs, de vijfde Tobias, de zesde Benjamin, de zevende Johannes, de achtste Matteüs, de negende Filippos, de tiende Seneca, de elfde Justus, de twaalfde Levi, de dertiende Efres, de veertiende Jozef, en tot slot was Judas de vijftiende. Dit waren de bisschoppen van Jeruzalem vanaf de tijd van de apostelen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 4.5.3-5.

We vinden ditzelfde idee van opvolging/inwerking ook terug in het indrukwekkende Mishna-traktaat Aboth, waarin het leergezag op identieke wijze wordt overgedragen: van Mozes naar Jozua en dan via via naar de farizeeën en de rabbijnen.

Documenten

Een andere reden waarom de Kerkgeschiedenis van Eusebios zo boeiend is, is zijn systematische gebruik van documenten. Opnieuw een joodse gewoonte: al in het Bijbelboek Ezra-Nehemia worden brieven geciteerd. Dat is niet heel anders dan in de Griekse redevoeringen van diezelfde tijd, waarin sprekers hun betoog nogal eens onderbreken door voor te lezen wat er in deze of gene wet staat. Citaten zijn dan dus autoriteitsclaims.

Dit gebruik uit de rechtspraak heeft in de Griekse geschiedschrijving weinig navolging gevonden. Een geciteerd document is immers een stijlbreuk en Griekse (en Romeinse) auteurs parafraseerden liever. En als ze al documenten citeerden, moeten wij er rekening mee houden dat die zijn verzonnen, zoals de toenmalige geschiedschrijvers ook nogal wat toespraken verzonnen. Het citeren van een valse bron duidt niet per se kwaadwillendheid; auteurs kunnen natuurlijk ook naïef zijn, zoals hedendaagse rectoren en journalisten die fictieve citaten ontlenen aan artificiële intelligentie.

Dit alles roept de vraag op hoe authentiek Eusebios’ documenten zijn – en dus hoe betrouwbaar zijn Kerkgeschiedenis is. Hij citeert dus bisschopslijsten die teruggaan tot op de apostelen, maar we hebben het zeer sterke vermoeden dat het bisschopsambt eigenlijk pas in de tweede eeuw is gegroeid. Dat wil niet per se zeggen dat de informatie onwaar is, want ook zonder de titel “bisschop” kunnen er leiders zijn geweest, maar het dwingt wel tot nadenken. Van de andere kant: waar we Eusebios kunnen controleren, zoals wanneer hij Flavius Josephus aanhaalt, is hij vrij correct. Een door hem geciteerde brief waarover twijfel heeft bestaan, is later als papyrus teruggevonden.

Ik ben dus al met al geneigd tot in dubio pro Eusebio. In elk geval kon hij in Caesarea beschikken over een goede bibliotheek, waar hij de geciteerde documenten inderdaad zou kunnen vinden. Tegelijk: daar kon hij ook teksten vinden van auteurs wier opvattingen hij, levend in de vierde eeuw, niet deelde. Die citeert hij dus niet. Hij citeert alleen wat hem te pas komt en vervalst het verleden door dingen weg te laten. De confirmation bias dus.

Invloed

Eusebios’ verslag loopt tot het moment waarop Constantijn alleenheerser is. Een kleine eeuw later kreeg hij opvolgers met twee nieuwe kerkhistorici: Sokrates en Sozomenos. Zij vervolgden het verhaal tot in de vijfde eeuw. Rufinus deed iets soortgelijks: hij vertaalde Eusebios in het Latijn en voegde twee boeken toe. Zij schreven elk een vervolg op Eusebios’ Kerkgeschiedenis. Zoiets heet een continuatie en zo’n auteur – u raadt het nooit – heet een continuator. Die continuaties kregen ook weer continuaties, en daarop volgden de excerpten. Dat is zeker duizend jaar zo doorgegaan.

En daarmee bleef Eusebios’ Kerkgeschiedenis, die een heel selectief beeld gaf van de eerste drie eeuwen van het christendom, lange tijd de standaard. Het is nog steeds lastig ervan los te komen, en mede daarom zijn gnostische teksten als die uit Nag Hammadi zo vreselijk belangrijk.

#Aboth #apostolischeSuccessie #confirmationBias #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #Kerkgeschiedenis #orthodoxie #protoOrthodoxie #Rufinus #SokratesKerkhistoricus #Sozomenos

1700 jaar Nikaia (6): bronnen

Ik heb in de voorafgaande blogjes al een paar keer verteld dat de handelingen (actae) van het Concilie van Nikaia verloren zijn gegaan en dat de deelnemerslijst (Synodikon) een reconstructie is. Die is bovendien overgeleverd in uiteenlopende talen en versies, wat ons confronteert met een uitdagend tekstkritisch probleem. We zijn voor onze informatie over de kerkvergadering aangewezen op andere bronnen. Gelukkig zijn die er.

Antieke geschiedschrijving

Om te beginnen is er het boek dat Eusebios van Caesarea veertien jaar na de gebeurtenissen publiceerde: het Leven van de zalige keizer Constantijn. Deze terugblik is een invloedrijke tekst, die ook ten grondslag ligt aan de legende dat Constantijn aan de vooravond van de veldslag tegen zijn rivaal Maxentius aan de hemel een lichtend kruis zou hebben gezien en zich na dat visioen tot het christendom zou hebben bekeerd.

Voor zover ik kan overzien heeft Eusebios over het Concilie van Nikaia nergens gelogen, maar is hij wel selectief. Dat komt deels doordat hij Constantijn portretteert als ideale heerser en deels doordat hij liever onvermeld laat dat hij zelf aanvankelijk sympathiseerde met Areios. Eusebios liet zich tijdens de vergadering echter overtuigen en stuurde na afloop een brief naar huis waarin hij de geformuleerde geloofsbelijdenis toelichtte.

Die brief is een van de weinige primaire bronnen over het Concilie van Nikaia. We beschikken daarnaast, zoals in eerdere blogs aangegeven, over de Armeense tekst van een deel van de uitnodiging. Verder is er wat correspondentie: de brief die de vergadering van bisschoppen stuurde naar de kerk in Egypte en twee brieven van Constantijn. Een derde keizerlijk schrijven betreft de verbanning van twee bisschoppen uit Bithynië. Deze correspondentie wordt geciteerd door de kerkhistorici Sokrates en Theodoretos.

Daarnaast kennen we de in Nikaia genomen beslissingen (de canones) in een bewerkte, Byzantijnse versie en in een ingekorte versie van de kerkhistoricus Rufinus. De beste versie lijkt de Aramese te zijn, te vinden in de Armeense collectie waar ook de uitnodiging toe hoort. Het besluit over de paasdatum is volledig overgeleverd in de Latijnse vertaling van bisschop Caecilianus van Karthago.

Alles bij elkaar hooguit vijf of zes A4tjes: meer primaire bronnen zijn er niet. Met Athanasios van Alexandrië en Eusthathios van Antiochië, allebei onverzoenlijke tegenstanders van Areios, komen we al in de sfeer van de terugblik. En met de vier kerkhistorici Rufinus, Sokrates, Sozomenos en Theodoretos zitten we driekwart eeuw later. Dit zijn secundaire bronnen. Dat zij het echter eens zijn over bepaalde zaken die niet bij Eusebios te vinden zijn, suggereert dat er minimaal één andere door dit viertal gedeelde bron is geweest die zij betrouwbaar achtten. Vermoedelijk waren het meer bronnen.

Ze zijn echter, zoals zo vaak in de Oudheid, verloren gegaan. We mogen nog wel hopen op de publicatie van Armeens en Aramees materiaal, want dat is nog lang niet allemaal uitgegeven.

Moderne geschiedschrijving

Als ik afga op de bezoekersaantallen, dan zijn de voorafgaande vijf blogjes u goed bevallen. De stof is boeiend genoeg. Ongeacht wat men denkt van het moderne christendom: in 325 is dat ontstaan in een voor ons herkenbare vorm. Dat geeft het onderwerp een zeker belang.

Het is daarnaast ook wetenschappelijk interessant, want we kunnen de continuïteit van toen tot nu documenteren. Ik houd niet van claims dat in de Oudheid dingen zijn ontstaan die nog steeds bestaan, want de bewering dat een aspect van de ene, antieke samenleving de andere, moderne samenleving beïnvloedt, is sociaalwetenschappelijk van aard, terwijl oudheidkundigen zulke claims zelden met het sociaalwetenschappelijk instrumentarium onderbouwen. Anders gezegd: menig oudheidkundige bedrijft simsalabimsociologie. In dit geval is echter overtuigend aan te tonen dat een gebeurtenis uit een oude cultuur vormende werking (agency) heeft op onze cultuur.

Tel uit je winst. Als je als oudheidkundige eens wil tonen wat je vak inhoudt, dan heb je met het Concilie van Nikaia een dijk van een thema. Het onderwerp heeft belang en is boeiend. De continuïteit is overtuigend bewijsbaar. Je kunt vertellen wat oudheidkundige tekst- en bronkritiek is. De wezenlijke vraag of individuen als keizer Constantijn de geschiedenis vormgeven, of dat er daarnaast dieperliggende processen zijn, valt mooi te illustreren. De meertaligheid van de oude wereld is hier mooi zichtbaar. Je kunt uitleggen dat het mogelijk is een narratief te baseren op bronnen maar dat zoiets desondanks onvolledig is zonder reflectie op welke informatie verloren is gegaan. Je kunt een knipoog geven naar Nikolaas van Myra. Het gaat over de Late Oudheid, die momenteel sterk in de belangstelling staat. En vooral: het publiek vraagt om niet vanuit kerkelijk perspectief geboden informatie over het ontstaan van een wereldgodsdienst.

Gemiste kans

Maar nu moet ik onze Nederlandse oudhistorici even beknorren. Ze hebben deze kans vermoedelijk weten te missen. Ik schrijf “vermoedelijk” omdat er één boek is gepubliceerd, namelijk De erfenis van het Concilie van Nicea. Samen beraden, geloven en vieren van Peter Nissen. Ik heb het nog niet kunnen lezen – ik was in Frankrijk – en hoop dat ik me vergis, maar het boek lijkt vooral het pastoraat te willen dienen. Ik lees althans hier dat het “gespreksvragen om door te praten binnen de parochie, gemeente of gespreksgroep” bevat en dat het is “aangevuld met gebeden, mooie citaten, afbeeldingen en liturgisch materiaal voor vieringen”.

Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen liturgisch materiaal of theologie. Maar het ontstaan van een wereldgodsdienst is een voor iedereen belangrijk thema, voor oudheidkundigen te belangrijk om uit te besteden aan theologen. Wie meer over Nikaia wil lezen, kan terecht bij het fijne boek van Claire Reggio, Nicée. 1700 ans d’histoire, dat een paar weken geleden is verschenen. Ik heb er bij het schrijven van deze reeks veel aan gehad. Zeer aanbevolen.

#agency #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #Caecilianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #paasdatum #PeterNissen #primaireBron #Rufinus #secundaireBron #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #tekstkritiek #Theodoretos #vormendeWerking

1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws? - Mainzer Beobachter

1700 jaar geleden, in mei 325, schiep het Concilie Nikaia een voor ons herkenbaar christendom, maar het was geen schepping uit het niets.

Mainzer Beobachter

1700 jaar Nikaia (4): beraadslagingen

Een beruchte scène uit het Concilie van Nikaia: Nikolaas van Myra staat op het punt een opponent een klap te geven (Rila-klooster)

De uitnodiging voor het Concilie van Nikaia, dat vandaag 1700 jaar geleden begon, lijkt gepaard te zijn gegaan met een oproep om klachten en wensen te formuleren. Dit was het moment, zo lijken de organisatoren gedacht te hebben, om misstanden te benoemen en te verhelpen. Deze cahiers des doléances, om eens een analogie te introduceren, vormden de basis van enkele libelli, “boekjes”, waarin de uiteenlopende klachten thematisch waren geordend. Er moet dus een staf zijn geweest die alles las en ordende voordat het aan de keizer werd aangeboden.

Die liet de libelli echter ongeopend verbranden. De politicus die Constantijn was, wilde zaken doen en kon het niet hebben dat er aan het begin van de vergadering blijken van wantrouwen waren in de richting van de mannen met wie hij moest overleggen. Dat is althans hoe de kerkhistoricus Theodoretos het presenteert. Zijn collega Sozomenos vergelijkt de daad met de vergevingsgezindheid van God. Het is overigens niet uitgesloten dat Constantijn wel degelijk op de hoogte was van de inhoud, al was het maar omdat de brieven die aan de libelli ten grondslag hadden gelegen, er gewoon nog waren.

De wijze waarop we over dit voorval zijn geïnformeerd, is heel interessant. Het is namelijk alleen bekend uit de boeken van de vijfde-eeuwse kerkhistorici Rufinus, Sokrates en de zojuist genoemde Sozomenos en Theodoretos; we lezen het niet bij Eusebios van Caesarea, die in Nikaia aanwezig was. De consensus van de latere auteurs bewijst dat er informatie circuleerde die Eusebios dus heeft onderdrukt. Het is immers niet bepaald een compliment aan de keizer, wiens heiligenleven de bisschop van Caesarea aan het schrijven was. Maar we kunnen dus waardevolle informatie vinden bij niet-ooggetuigen.

Het concilie in actie

Dat onze bronnen, ook al zijn ze secundair, accurate informatie bevatten, blijkt ook uit het geboden beeld. Het concilie was bepaald geen vergadering van heiligen. De beraadslagingen waren bitter; met hun scheldpartijen en persoonlijke aanvallen gedroegen de aanwezige bisschoppen zich maar al te menselijk.

Het criterium van de gêne is van toepassing. Dat is een door historici gehanteerde vuistregel, die behelst dat elke auteur een verhaal heeft om te vertellen, bijvoorbeeld dat de kerkvergadering door de Heilige Geest was geïnspireerd, en dat informatie die dit tegenspreekt, te algemeen bekend was om te onderdrukken. Anders gezegd: de lezers van de diverse kerkgeschiedenissen wisten dat het er in Nikaia hard aan toe was gegaan.

Dat betrof vermoedelijk niet de al genoemde kwestie van de traditionele autonomie van de bisschoppen. Was het concilie wel bevoegd regels te geven? We lezen niets over discussie en dat is ook niet zo vreemd: het zou een vreemd bestuurlijk gremium zijn dat zichzelf, nadat het zichzelf bevoegdheden heeft toegekend, die weer in twijfel trekt.

Er was zeker wel discussie over de paasdatum. Ooggetuige Eusebios vertelt in zijn geïdealiseerde keizerbiografie dat Constantijn geduldig luisterde en aandrong op eendracht en gematigdheid – wat een heel nette manier is om te zeggen dat de discussie geagiteerd verliep. Dankzij Constantijns geduld liep alles echter goed af, aldus Eusebios.

De Zoon en de Vader

Eusebios erkent verder dat de gemoederen op zeker moment hoog opliepen, zonder uit te leggen dat dit de relatie tussen God de Vader en God de Zoon betrof. Zoals ik al eens eerder uitlegde hadden de christelijke theologen, doordat ze zich bedienden van het jargon van de neoplatoonse filosofie, de problemen van de uitleg van Plato’s Timaios geïmporteerd. De Alexandrijnse geestelijke Areios (c.250-336) had enkele jaren voor het concilie de knuppel in het hoenderhok geworpen door te stellen dat Christus, het woord van God, was onderworpen aan de tijd en er niet altijd was geweest. Dat betekende dat God Christus had geschapen, dus van mening was veranderd en dus onvolmaakt was. Het betekende tevens dat de Zoon lager in de kosmische hiërarchie stond dan de Vader, wat weliswaar prima viel te beargumenteren aan de hand van het Nieuwe Testament, maar zich slecht liet rijmen met het idee dat alleen een wezen dat volledig goddelijk was de mensheid kon verlossen.

Was Areios in Nikaia aanwezig? Hij lijkt uitgenodigd te zijn geweest, en zijn tegenstanders (Eusthathios van Antiochië, Alexandros van Alexandrië en diens rechterhand Athanasios) waren er zeker, maar ter plekke werd uit Areios’ geschriften voorgelezen. (Het luisteren naar die teksten zou, zo vernemen we, de hoogwaardige aanwezigen pijn aan de oren hebben gedaan.) Dat de teksten werden voorgelezen, suggereert dat Areios er niet was en maakt het mogelijk dat de bisschoppen werden geconfronteerd met een zó gekozen selectie dat ze de inhoud wel verwerpen moesten. Eusebios, die het met Areios eens was maar zijn persoonlijke oordeel uiteindelijk ondergeschikt maakte aan de kerkelijke eenheid, vermeldt hierover niets.

Ik noem op dit punt nog even de late anekdote dat bisschop Nikolaas van Myra een van de verdedigers van Areios’ leer (of was het Areios zelf?) een pets heeft verkocht. De historiciteit staat ter discussie, maar te midden van de ruziënde bisschoppen zou het best mogelijk zijn geweest.

[wordt vervolgd]

#AlexandrosVanAlexandrië #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #criteriumVanDeGêne #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #Rufinus #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #Theodoretos

1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws? - Mainzer Beobachter

1700 jaar geleden, in mei 325, schiep het Concilie Nikaia een voor ons herkenbaar christendom, maar het was geen schepping uit het niets.

Mainzer Beobachter