De moord op Julius Caesar (7): de dood

Portret van Julius Caesar, gebaseerd op zijn lijkmasker (Archeologisch Museum, Palermo)

Caesars reactie

Julius Caesar sprong op om zich te verdedigen en Casca riep zijn broer. In zijn opwinding sprak hij Grieks.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 89.

Caesar greep Casca’s arm en doorstak die met zijn schrijfstift.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

Caesar draaide zich om en greep de dolk en hield die vast. Ze slaakten ongeveer gelijktijdig een uitroep; de getroffene riep in het Latijn:  “Vervloekte Casca, wat doe je?” en de dader in het Grieks tegen zijn broer: “Broer, help!”noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

Caesar trok nu zijn kleed uit de handen van Cimber, pakte de hand van Casca vast, sprong van zijn zetel af, draaide zich om en smeet Casca met grote kracht weg.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

Schok

De senatoren die van niets wisten waren verbijsterd en huiverden bij het zien van die daad. Ze durfden niet te vluchten of hem te hulp te komen, of ook maar een woord te uiten.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

Verdere wonden

De andere Casca gehoorzaamde hem en stak zijn zwaard in Caesars zijde. Even eerder had Cassius hem al van opzij in het gezicht gestoken. Decimus Brutus raakte hem in de dij. Cassius Longinus wilde nog eens steken maar miste en trof Marcus Brutus in de hand. Ook Minucius deed een uitval naar Caesar, maar hij raakte Rubrius op de dij. Het leek alsof ze vochten om Caesar.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 89.

Caesar deed een poging om op te springen, maar een nieuwe verwonding maakte dit onmogelijk. Hij merkte dat hij van alle kanten met getrokken dolken werd belaagd.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

Maar van degenen die zich op de moord hadden voorbereid ontblootte ieder zijn dolk en Caesar, van alle kanten omringd en waarheen hij zich ook wendde doorboord door dolksteken die op zijn gezicht en ogen gericht waren, was nu als een wild dier verstrikt in de handen van allen. Want ze moesten allemaal zijn bloed proeven en aan het offer deelnemen. Daarom bracht ook Brutus hem één steek toe, in de lies. … Veel daders verwondden elkaar bij hun pogingen om al die steken in één lichaam aan te brengen.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

Terwijl hij dat deed, stak een ander hem met zijn dolk diep in zijn zij, die door de draai strakgespannen stond. En Cassius trof hem in het gezicht, Brutus raakte zijn dij en Bucolianus zijn rug, zodat Caesar zich onder woedend gebrul als een wild dier van de een naar de ander keerde, maar na een steek van Brutus [lacune] Bij dat gezwaai in het wilde weg met hun dolken verwondden ze vaak elkaar.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

De dood van Julius Caesar

Bedekt met wonden viel Caesar neer aan de voeten van het standbeeld van Pompeius. Er was er niet één die hem niet stak toen hij roerloos lag, als om te tonen dat ieder zijn aandeel in de daad had gehad. Pas toen hij vijfendertig wonden had opgelopen, blies hij zijn laatste adem uit.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 90.

Caesar omhulde zijn hoofd met zijn toga en trok gelijk met zijn linkerhand de plooien van zijn toga strak omlaag tot aan zijn voeten, zodat ook het onderste gedeelte van zijn lichaam bedekt zou zijn en hij er behoorlijk bij zou liggen. In deze houding werd hij drieëntwintig maal doorstoken.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

Sommigen zeggen dat hij zich tegen de anderen verweerde en zich schreeuwend heen en weer wierp, maar toen hij Brutus met getrokken dolk tegenover zich zag zijn toga over zijn hoofd trok en zich liet vallen (toevallig of omdat de moordenaars hem in die richting duwden) bij het voetstuk van Pompeius’ standbeeld. Dat werd helemaal besmeurd met bloed zodat het leek alsof Pompeius zelf de leiding had bij de wraak op zijn vijand, die nu aan zijn voeten lag, stuiptrekkend van zijn vele steekwonden. Men zegt dat hij er drieëntwintig opliep.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

[lacune] of het eindelijk opgaf, zijn kleed over zijn hoofd trok en beheerst neerviel voor het beeld van Pompeius. Zelfs nu hij gevallen was, bleven ze hem mishandelen tot hij drieëntwintig keer gestoken was.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

De laatste woorden van Julius Caesar

Alleen bij de eerste stoot kermde hij zonder een woord, al hebben sommigen overgeleverd dat hij, toen Marcus Brutus zich op hem stortte, in het Grieks tot hem heeft gezegd: “Ook jij, mijn zoon.”noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

Hij trok zijn toga voor zijn gezicht terwijl hij door vele dolkstoten
dodelijk werd getroffen. Volgens mij is dit de meest betrouwbare versie, maar enkele bronnen vermelden nog dat hij, toen hij hard door Brutus werd geraakt, tegen hem gezegd zou hebben: “Jij ook, jongen.”noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 44.19; vert. Gé de Vries.

Caesars beroemde laatste woorden worden doorgaans vertaald alsof het een vraag zou zijn geweest, waaruit verbazing zou blijken dat ook Brutus aan de aanslag zou hebben deelgenomen. Dat vraagteken staat ook in de vertaling van Daan den Hengst, die ik hier citeer.

Het vraagteken is echter pas uitgevonden in de Middeleeuwen. Het kan dus met geen mogelijkheid in het verslag van Suetonius hebben gestaan. Om die reden lijkt het mij allerminst uitgesloten, ja zelfs voor de hand liggend, dat Caesars laatste woorden, “καὶ σύ τέκνον”, verwijzen naar een standaardformule die we kennen van allerlei antieke grafschriften. De woorden “καὶ σύ” zijn een herinnering dat iedereen eens zal sterven: heden ik, morgen gij, vandaag Gaius Julius Caesar en volgend jaar Marcus Junius Brutus.

De standaardformule καὶ σύ op een mozaïek uit Antiochië

Dat de stervende de dood van Brutus aankondigde hoeft niet historisch waar te zijn; Suetonius en Dio kennen andere overleveringen. Maar het zou goed passen bij Caesars herhaalde aankondiging dat als hij zou sterven, het imperium opnieuw in chaos zou worden gedompeld.

Om 13:00 meer.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Appianus #CassiusDio #DecimusJuniusBrutus #dictator #GaiusCassiusLonginus #JuliusCaesar #MarcusJuniusBrutus #MarcusVelleiusPaterculus #NikolaosVanDamascus #Ploutarchos #ServiliusCasca #Suetonius #TitusLivius #vraagteken

De moord op Julius Caesar (3): het wachten

Maquette van theater en porticus van Pompeius, met middenin de zuilengang tegenover het theater de vergaderzaal waar Caesar is vermoord (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

We weten niet precies wanneer de samenzweringen tegen het leven van Julius Caesar samen zijn gekomen tot één complot, maar zullen er niet ver naast zitten als we aannemen dat het was in de eerste weken van 44 v.Chr. We weten wel dat Gaius Cassius Longinus de aanwezigheid van de als respectabel geldende Marcus Junius Brutus noodzakelijk achtte, en dat deze er slapeloze nachten van had.

Porcia en Brutus

Dat schrijft althans Ploutarchos, van wie al zagen dat hij beschikte over bronnen uit Brutus’ huishouding.

Soms hielden zijn zorgen hem, of hij wilde of niet, uit zijn slaap en wanneer hij zich nog meer dan anders overgaf aan berekeningen en tobde over problemen, merkte zijn vrouw, die naast hem sliep, dat hij vervuld was van een ongewone onrust en dat er in hem een moeilijk en gecompliceerd plan omging.noot Ploutarchos, Brutus 13; vert. Hetty van Rooijen.

Brutus’ echtgenote was niet de eerste de beste. Porcia was een dochter van Cato de Jongere en was de weduwe van Marcus Calpurnius Bibulus, Caesars mede-consul en tegenstander in 59 v.Chr. Het was alleen maar logisch dat Brutus zijn echtgenote in vertrouwen nam. Ploutarchos vertelt nog dat Porcia een onverschrokken vrouw was, die met zelfverminking zou hebben bewezen bestand te zijn tegen marteling. We mogen bij die informatie wel wat vraagtekens plaatsen. Zelfverwonding is in elk geval een raar bewijs van moed.

De groep rond Cassius

In elk geval weten we dat Brutus die ochtend, met medeweten van zijn echtgenote, op pad ging.

De anderen verzamelden zich bij Cassius en begeleidden diens zoon, die de zogeheten mannentoga zou aannemen, naar het Forum. Daarvandaan begaven allen zich naar de zuilengang van het theater van Pompeius en wachtten daar op Caesar, die elk ogenblik naar de Senaat kon komen.noot Ploutarchos, Brutus 14; vert. Hetty van Rooijen.

De samenzweerders wachtten in een complex dat bestond uit het theater van Pompeius, met daarvoor een tuin die was omgeven door zuilengangen. Zie het plaatje hierboven. Aan het einde daarvan waren diverse zalen, waaronder een vergaderzaal die Pompeius had ingericht. Het eigenlijke Senaatsgebouw was een paar jaar eerder afgebrand en het nieuwe gebouw, dat u nog steeds kunt zien op het Forum Romanum, was in 44 nog in aanbouw. Dus vergaderde de Senaat in Pompeius’ vergaderzaal. Die lag bovendien buiten de gewijde stadsgrens, waar militaire aangelegenheden, die niet binnen de stad besproken mochten worden, aan de orde konden worden gesteld. En zoals bekend was Caesar bezig met de planning van een veldtocht tegen de Parthen.

In deze tuin wachtten de senatoren dus op de dictator. De Grieks-Romeinse geschiedschrijver Cassius Dio, die lang na de gebeurtenissen schrijft maar goede bronnen heeft geraadpleegd, weet te noemen dat de samenzweerders een Plan-B hadden. Terwijl zij wachtten in de zuilengangen rond de tuin, verzamelde een groep gladiatoren zich in het theater. Mocht de moord op één man leiden tot grootschaliger bloedvergieten, dan was er gewapende steun.noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 44.16.. Ook de Romeinse auteur Velleius Paterculus weet van deze gladiatoren.

De tijd verstreek en omdat Caesar almaar niet verscheen, begonnen de bedienden alvast met opruimen. De vergulde troon waarop de voorzitter van een Senaatsvergadering zitting nam, werd dus alvast weggebracht naar de opslagruimte. Het voorval is onthouden omdat het later kwam te gelden als voorteken.noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 44.17. Ondertussen wachtten de senatoren.

Iemand die wist wat er stond te gebeuren zou het meest verbaasd zijn geweest over de onverstoorbaarheid en kalmte van de mannen tegenover het gevaar. Als praetoren waren ze genoodzaakt met veel personen zaken te behandelen, en ze luisterden niet alleen vriendelijk naar degenen die met een verzoek kwamen of een geschil hadden, alsof ze alle tijd hadden, maar deden ook in alle gevallen zorgvuldig en weloverwogen uitspraak. En toen iemand die zich niet aan een uitspraak wilde onderwerpen luidkeels een beroep deed op Caesar en hem tot getuige riep, zei Brutus met een blik naar de aanwezigen: “Caesar belet mij niet volgens de wetten te handelen, en hij zal dat ook niet doen.”noot Ploutarchos, Brutus 14; vert. Hetty van Rooijen.

Porcia

Brutus bleef onverschrokken toen iemand aan kwam rennen met een persoonlijk bericht: zijn echtgenote was er slecht aan toe.

Porcia was namelijk buiten zichzelf om wat te gebeuren stond en niet in staat de druk van haar bezorgdheid te verdragen. Ze had de grootste moeite om binnen te blijven en rende bij elk rumoer en geschreeuw als een extatische bacchante naar buiten. Aan iedereen die van het Forum kwam vroeg ze hoe het met Brutus was en ze stuurde de een na de ander daarheen. Ten slotte, toen het steeds langer duurde, kon ze de situatie fysiek niet meer aan en begaven haar krachten het door alle opwinding en radeloosheid.

Voordat ze naar haar kamer kon gaan beving haar ter plaatse, terwijl ze tussen haar dienaressen zat, een flauwte en een zware verdoving, ze werd doodsbleek en kon geen woord meer uitbrengen. Haar dienaressen jammerden bij de aanblik, de buren snelden toe en al snel ontstond en verspreidde zich het gerucht dat ze dood was. Na korte tijd kwam ze echter bij en werd ze door de vrouwen verzorgd.

Brutus was door het overrompelende nieuws natuurlijk hevig ontdaan, maar hij bleef het algemeen belang vooropstellen en liet zijn aandacht door het ongeluk niet afdwalen naar eigen aangelegenheden.noot Ploutarchos, Brutus 15; vert. Hetty van Rooijen.

En zo bleef men wachten. We mogen aannemen dat ieder zijn eigen gedachten had.

Wordt om 11:00 vervolgd.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #CassiusDio #CatoDeJongere #GaiusCassiusLonginus #JuliusCaesar #MarcusCalpurniusBibulus #MarcusJuniusBrutus #MarcusVelleiusPaterculus #Ploutarchos #Porcia #praetor #Suetonius

Klassieke geschiedschrijvers

Kleio, de beschermgodin van de historische wetenschappen (Archeologisch Museum, Cherchell)

Ik heb weleens geblogd over een boek dat je in je hotelkamer zou willen vinden, vol hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Met een vertaling ten behoefte van degenen die onze mooie taal niet machtig zijn. Zeg maar een soort Gideons’ Bible maar dan bomvol bijzondere verhalen en gedichten. Het lijkt me fijn voor toeristen om iets verrassends te lezen uit het land ze verblijven.

Ik moest aan dat idee terugdenken toen iemand me laatst vroeg wat je zou kunnen lezen om een beeld te krijgen van de klassieke geschiedschrijving. Geinige vraag eigenlijk.

Herodotos

Om te beginnen: Herodotos. Ik zou twee stukken nemen. Het eerste is het verhaal van de slag bij Thermopylai (7.201-234). Veel klassieker krijg je het niet. De tekst is echter ook interessant.

Herodotos schrijft immers vanuit het perspectief van een soldaat, waardoor de tekst na vijfentwintig eeuwen nog altijd overtuigt. Hier is geen officier aan het woord die begrijpt wat er gaande is, dit is een verhaal over verwarring. Het blijft onduidelijk waarom sommige Griekse contingenten weg gingen van thermopylai en anderen niet. Waren er versterkingen in aantocht? De man in het veld weet het niet. Die kijkt naar wie dapper vocht. En dan zien we ineens Herodotos de literator, die een homerisch beeld gebruikt om moed te prijzen.

Thermopylai helpt ook om uit te leggen dat Herodotos meer dan één bron hanteert. We zien de onderzoeker aan het werk. Die zien we ook in het tweede fragment dat ik zou opnemen in het hotelkamerboek der klassieke geschiedschrijving: zijn bewijs dat de bewoners van Kolchis komen uit Egypte (2.104-106). Herodotos biedt vier argumenten die weliswaar alle vier onjuist zijn, maar wel tonen dat hier een kritische geest aan het werk is.

Andere Griekse teksten

In dit overzicht van klassieke geschiedschrijvers komen we nu bij Thoukydides. Er valt niet aan te ontkomen. We willen echter niet wéér een veldslag of andere menselijke ellende. Dus niet die tyfusepidemie in Athene. Thoukydides’ redevoeringen zou ik ook maar laten wat ze zijn. Ze veronderstellen teveel kennis van specifieke situaties. Waarmee we automatisch uitkomen op de observaties over veranderende taal (3.82-85) die volgen op Thoukydides’ beschrijving van de revolutie op Korkyra.

Nu komen we bij Xenofon. Leuke auteur, maar laten we dan ook een leuke tekst doen. We vermijden het geweld. Iets uit De jeugd van Cyrus dus maar.

Als verrassende keuze die in geen bloemlezing mag ontbreken, nemen we de  integrale Indike van Arrianus. Dat is een samenvatting van wat Nearchos, de admiraal van de vloot van Alexander de Grote, schreef over de Indusvallei en de terugvaart naar Babylonië. Er zit wat geweld in, maar het is een tekst die wat meer bekendheid verdient.

Polybios is geen bloemleesbare auteur. Hij is wel boeiend, maar heeft vaak veel woorden nodig om zijn punt te maken. Het hele zesde boek, waarin hij uitlegt waarom het uitgerekend Rome was dat de Mediterrane wereld verenigde, is te veel.

Latijnse teksten

Ook aan Julius Caesar valt in een overzicht van klassieke geschiedschrijvers niet te ontkomen. Hij is toegankelijk en interessant, maar ook humorloos en eenzijdig. Als er dan toch een veldslag gekozen moet worden, zou ik de ondergang van het Veertiende Legioen nemen (6.26-37). Het verhaal van Ambiorix is niet het slechtste en je vermijdt tenminste dat Caesar zichzelf in het zonnetje zet. De digressies over de gewoontes van de Galliërs en de fauna van de Germanen zouden ook kunnen.

Ik aarzelde over Caesars militaire beschrijvingen, omdat ik denk dat Velleius Paterculus, als we dan toch nog een veldslag nodig hebben, voor een lezer in de Lage Landen interessanter is. De slag in het Teutoburgerwoud (2.117-120) is echt indrukwekkend, vooral omdat Velleius Paterculus de betrokkenen heeft gekend en bereid is de propaganda van keizer Augustus tegen te spreken. Deze tekst contrasteert dan mooi met een selectie uit Tacitus’ Germania. Verder moeten we uit Tacitus maar een verhaal nemen over de ondergang van deze of gene senator. Keuze genoeg.

Appianus

Ik rond af met Appianus van Alexandrië. Van de klassieke geschiedschrijvers (voor zover overgeleverd), is hij is de enige met oog voor sociale verhoudingen als oorzaak van het historisch proces. Zijn causaliteitsbegrip is modern.

Onze hotelbloemlezing bevat dus het begin op van de Burgeroorlogen om een belangrijk punt te maken: dat er geen Griekse en Romeinse historici zijn geweest in onze zin van het woord. We maken onderscheid tussen chemie en voorwetenschappelijke alchemie, tussen astronomie en voorwetenschappelijke astrologie. Voor de voorwetenschappelijke bestudering van het verleden hebben we geen woord. Door Appianus te presenteren als zestien eeuwen zijn tijd vooruit, toon je weliswaar dat de klassieke geschiedschrijvers geen wetenschappers waren, maar eindigt onze bundel positief en doet de hotelbloemlezinglezer goed geluimd de ogen toe.

#Ambiorix #antiekeGeschiedschrijving #Appianus #Arrianus #digressie #HerodotosVanHalikarnassos #JuliusCaesar #KlassiekeGeschiedschrijvers #klassiekeLiteratuur #Kolchis #MarcusVelleiusPaterculus #Nearchos #PubliusCorneliusTacitus #slagBijThermopylai #Thoukydides #Xenofon

Velleius Paterculus (7)

Tiberius (British Museum)

[Deze week recycle ik de inleiding die ik in 2012 schreef voor Vincent Huninks vertaling van de Geschiedenis van Rome van de Romeinse auteur Velleius Paterculus. De Nederlandse titel is Van Troje tot Tiberius en het e-boek is nog leverbaar. Het eerste deel is hier. Vandaag Velleius’ portret van keizer Tiberius.]

Lucianus vond dat een historicus een voorbeeld moest nemen aan

een onpartijdige rechter, welwillend tegenover iedereen, zonder de ene partij te bevoordelen boven de andere. In zijn boeken is de historicus een vreemdeling, zonder vaderland, onafhankelijk, aan geen koning onderworpen, en houdt hij geen rekening met wat deze of gene ervan denkt: hij verhaalt wat er gebeurd is.

Als er één punt is waar Velleius Paterculus ten opzichte van deze norm tekortschiet, dan is het bij zijn beoordeling van Tiberius, voor wie geen compliment te exuberant is. Zoals hij zelf in een andere context toegeeft:

Wat de nog levenden betreft, zo groot als onze bewondering voor hen is, zo moeilijk is ook een kritisch oordeel.

Dit heeft Velleius’ reputatie geen goed gedaan, want Tiberius gold lange tijd niet als groot bestuurder. Het oordeel van de serieuze Romeinse historicus Tacitus en de populaire biograaf Suetonius wogen zwaar, en zij schetsen hem als een getormenteerde geest die in staat was zich tot de Senaat te richten met de woorden

wat ik u moet schrijven, heren senatoren, hoe ik u moet schrijven, of wat ik u op dit ogenblik beslist niet moet schrijven – de goden en de godinnen mogen mij storten in een verderf vreselijker dan dat waaraan ik dagelijks ten prooi ben, als ik het weet.

Een geesteszieke, met andere woorden, die niet hoorde te worden geprezen door een eerlijk historicus. Als doodsklap voor Velleius’ reputatie golden de opmerkingen aan het einde van De geschiedenis van Rome, waar hij Seianus lijkt te prijzen, de commandant van de garde die zó machtsbelust was dat zelfs Tiberius van mening was dat hij beter uit de weg kon worden geruimd.

Zoals hierboven al aangegeven, hebben historici hun beeld van Tiberius intussen bijgesteld, en dat betekent dat nu ook anders tegen Velleius’ loftuitingen wordt aangekeken. Dit wil niet zeggen dat hij tegenwoordig geldt als de enige waarheidsgetrouwe bron, maar zijn woorden gelden inmiddels als overdreven en niet meer als volslagen misplaatst, en hijzelf wordt beschouwd als overenthousiast en niet langer als leugenaar. Op één punt heeft Velleius Paterculus zelfs volledig gelijk gekregen: de oorlogsvoering. Tiberius’ voorkeur Germanië via diplomatie te beheersen, was adequater dan de gewelddadige benadering van zijn broer Drusus en zijn adoptiefvader Augustus. Er is niets mis met Velleius’ bewondering voor een man die als generaal simpelweg bewonderenswaardig was.

Op een ander punt kunnen we vaststellen dat er teveel in Velleius’ woorden is gelezen: hij prijst Seianus niet, hij beargumenteert slechts dat Tiberius het recht had hem als assistent aan te stellen. Sterker nog, Seianus zal niet blij zijn geweest met De geschiedenis van Rome, aangezien Velleius Paterculus hem niet noemt waar hij dat had moeten doen: in zijn beschrijving van de muiterij van de Romeinse troepen in Illyrië, die door Tiberius’ zoon Drusus en Junius Blaesus zou zijn onderdrukt. De actieve figuur was hier vooral Seianus.

En toch. Hoewel niemand nu nog zal beweren dat Velleius’ bewondering voor een geesteszieke hem ontmaskert als een vleier van het laagste allooi, en hoewel er in de antieke opvatting over geschiedschrijving ruimte is voor lof en blaam, blijven de excessieve loftuitingen merkwaardig in een geschiedenisboek. Maar is het einde van De geschiedenis van Rome wel bedoeld als geschiedwerk?

De vraag stellen is haar beantwoorden. Nee. Elke antieke lezer wist dit toen hij las hoe Velleius Paterculus zijn jubelzang op Tiberius aanhief:

En dan de successen en prestaties uit de afgelopen zestien jaar! Die staan in hun totaliteit op het netvlies en in het hart van alle mensen geschreven, dus waartoe daarover spreken in detail?

Als dan toch een gedetailleerde beschrijving volgt, is er sprake van een retorische vraag, zoals die ook in een geschiedwerk kan voorkomen. De lezer kan er echter zeker van zijn dat er écht van genre wordt gewisseld als toon en woordkeuze die van een feestrede blijven, en dat is precies wat gebeurt:

trouw en vertrouwen werden weer centrale begrippen op het forum, en oproer werd daar verwijderd, evenals corruptie vanaf het Marsveld en twisten uit het Senaatsgebouw.

In het Latijn staat het er nog pregnanter: e foro seditio, ambitio campo, discordia curia. De stijlfiguur die hier wordt gebruikt staat bekend als metonymie: het gebruik van een plaatsaanduiding om iets anders aan te duiden, zoals “Brussel” voor de Europese Commissie. (Een uitgewerkte vertaling zou kunnen luiden: “verwijderd werden het oproer uit de districtsgewijze Volksvergadering, corruptie uit de censusgewijze Volksvergadering, twisten uit de Senaatsvergaderingen”.) Dit is niet het taalgebruik van een historicus, maar van een redenaar. En zo gaat het verder. Iedereen herkent even later de retorische overdrijving van “correct handelen wordt nu beloond, verkeerd handelen bestraft”. Velleius Paterculus mocht dan kritisch zijn over Augustus, hij zou nooit voor zijn rekening nemen dat tijdens diens regering correct handelen was bestraft en verkeerd handelen beloond.

We hebben hier te maken met een verandering van genre die elke senator meteen in de gaten had. Velleius’ eigenlijke, historische overzicht is na de stijlbreuk feitelijk afgelopen, wat rest is een retorisch envoi, stilistisch duidelijk gescheiden van De geschiedenis van Rome. Marcus Vinicius zal hebben gedacht aan het einde van de Metamorfosen van Ovidius, een dichtwerk waarmee hij sinds zijn jeugd vertrouwd was: daar wordt een mythologische setting abrupt verruild voor de wereld van de Romeinse politiek, vol lofprijzingen voor de heersers. Het was in proza niet gebruikelijk wat Velleius Paterculus deed, maar er is geen twijfel mogelijk over het punt waar zijn geschiedwerk overgaat in welsprekendheid.

[Morgen vervolg ik met de laatste aflevering.]

#antiekeGeschiedschrijving #MarcusVelleiusPaterculus #Tiberius #VincentHunink

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (1)

De veldtekens van III Augusta (Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel)

De legioenen uit de vroege Keizertijd gaan terug op eenheden uit de late Republiek. Ze zijn vrijwel allemaal geformeerd door Julius Caesar of Octavianus. Het Derde Legioen, dat later de bijnaam Augusta zou krijgen, is een uitzondering. Het is in 43 v.Chr. in het veld gestuurd door consul Gaius Vibius Pansa. De nummers één tot en met vier waren toen, in de laatste jaren van de Republiek, gereserveerd voor de legers van de consuls. Pansa nam dus een eerste en een derde legioen mee toen hij oprukte naar Modena op de Povlakte om te strijden tegen Marcus Antonius. Een tweede en een vierde legioenen gingen mee, gecommandeerd door consul Aulus  Hirtius. Ook in het gezelschap: Octavianus, met een privéleger.

Het drievoudige leger won. Beide consuls kwamen echter om het leven. Octavianus was nu ineens meester van een heel groot leger, marcheerde op Rome en eiste de macht. Zo simpel.

Naar Africa Proconsularis

Het Derde Legioen bleef blij hem. Mogelijk was het aanwezig tijdens de dubbele slag bij Filippi (42), waarin Octavianus, inmiddels samenwerkend met Marcus Antonius, de moordenaars van Caesar versloeg. Later nam het Derde Legioen deel aan de oorlog om Sicilië, waar Octavianus afrekende met de laatste zoon van Pompeius, Sextus. Octavianus’ bondgenoot was het leger van Marcus Aemilius Lepidus, dat uit Tunesië was gekomen en na de overwinning zijn generaal in de steek liet. Octavianus nam dat leger over en stuurde het Derde Legioen naar Tunesië. En daar is het gebleven.

Inscriptie voor Gavius Macer van III Augusta (Lepcis Magna)

Het is niet helemaal duidelijk waar het legioen zich aanvankelijk bevond. Het gebied, dat Africa Proconsularis heette, was vrij rustig en misschien zette Octavianus de soldaten in bij de herbouw van Karthago. Dan zal de eerste basis wel in de buurt van die stad zijn geweest, maar bewijs ontbreekt. In elk geval documenteert een inscriptie uit 14 na Chr. soldaten die een weg aanleggen van Tacape (Gabès in zuidelijk Tunesië) naar hun basis. Die bevond zich wellicht in Theveste, vanuit Tunesië bezien nét over de grens met Algerije.

Tacfarinas

III Augusta bewaakte de 3000 kilometer lange grens van de Atlantische Oceaan tot en met Tripolitana. Dus Marokko, Algerije, Tunesië en half Libië. Hoewel dit een doorgaans rustig deel was van het Romeinse Rijk, kreeg III Augusta het hard te verduren in de jaren 17-24, toen het de strijd moest aanbinden tegen Tacfarinas, die een anti-Romeinse coalitie had gevormd uit Numidische en Mauretaanse stammen. Misschien vormde deze oorlog de aanleiding tot de overplaatsing van het legioen naar Ammaedara, het huidige Haïdra.

III Augusta, gecommandeerd door de gouverneur van Afrika, Marcus Furius Camillus, wist Tacfarinas in 17 in een geregelde veldslag te verslaan, maar deze begon een guerrilla: het soort oorlog waar de Romeinen het minst van begrepen. In 18 versloeg hij zo een onderafdeling van III Augusta. De nieuwe commandant, Lucius Apronius, strafte de legioensoldaten met decimatie, d.w.z. het doden van elke tiende soldaat. In 21 kreeg het Derde versterking van VIIII Hispana, maar de oorlog duurde nog voort. In 24 wist gouverneur Junius Blaesus de rebel te verslaan en mocht het Negende weer vertrekken, maar Tacfarinas keerde onmiddellijk terug. III Augusta was nu echter in staat hem te isoleren en tot zelfmoord te drijven.

Stempel van III Augusta (Annaba)

Senatorieel legioen

In deze tijd was het Derde het enige legioen dat onder bevel stond van een senator, namelijk de proconsul (gouverneur) van Africa Proconsularis. Eén van hen zou Velleius Paterculus geweest kunnen zijn, de auteur van een korte Romeinse Geschiedenis. Dit feitje is gebaseerd op de interpretatie van een inscriptie die echter ook anders te lezen is. Onmogelijk is het echter niet.

Keizer Caligula (r.37-41) vond het riskant om een ​​legioen in handen te laten van een senator, die immers voldoende waardigheid bezat om een gooi naar het keizerschap te doe. Hij koos ervoor zelf de commandant van III Augusta aan te wijzen – het was niet langer een senatorieel ambt. Caligula’s opvolgers Claudius en Nero zetten dit beleid doorgaans voort.

Het Vierkeizerjaar

Tijdens de verwarde laatste jaren van Nero kwam Lucius Clodius Macer in opstand tegen de tirannieke despoot. Hij formeerde in 68 een ander legioen, I Macriana Liberatrix, en steunde Sulpicius Galba, die vanuit Spanje naar Italië kwam en het keizerschap bekleedde. De nieuwe heerser wantrouwde Macer echter en beval een officier genaamd Trebonius Garutianus om de commandant van de twee legioenen te doden.

In januari 69 verloor Galba de controle over de situatie. Hij werd gedood en er brak een burgeroorlog uit tussen Otho en Vitellius, een voormalige gouverneur van Africa die inmiddels aan het hoofd stond van het Rijnleger. III Augusta koos de zijde van Vitellius, maar mengde zich niet in de strijd. Uiteindelijk wist weer een andere pretendent, Vespasianus, de macht te grijpen en een dynastie te stichten. Deze keizer was ook verantwoordelijk voor de overplaatsing van het legioen van Ammaedara terug naar Theveste (75).

Zes jaar later volgde een nieuwe overplaatsing, nu naar Lambaesis in Numidië. Veteranen vestigden zich in de omgeving: in Djemila (Cuicul), Sétif (Setifis) en Timgad (Thammugadi). De Romeinen ontgonnen en koloniseerden de Algerijnse Hautes Plaines werden in hoog tempo.

[Wordt vervolgd.]

#africaProconsularis #algerije #ammaedara #aulusHirtius #caligula #claudius #decimatie #djemila #gabes #gaiusVibiusPansa #galba #haidra #iMacrianaLiberatrix #iiiAugusta #juliusCaesar #juniusBlaesus #lambaesis #legioen #luciusApronius #luciusClodiusMacer #marcusAemiliusLepidus #marcusAntonius #marcusFuriusCamillusAfricanus #marcusVelleiusPaterculus #mauretanie #nero #numidie #otho #romeinsLeger #setif #sextusPompeius #slagBijFilippoi #tacape #tacfarinas #theveste #timgad #treboniusGarutianus #tunesie #vespasianus #vierkeizerjaar #viiiiHispana #vitellius