De Maghreb in de Late Oudheid (1)

Latijnse ostrakon uit Timgad, waarin iemand met een Berbernaam een transactie dateert aan de hand van een Vandaalse koning

Toen Augustinus in 430 in Hippo Regius overleed, belegerden de Vandalen zijn stad, die ze kort daarna bezetten. Karthago volgde in 439. Onder leiding van Geiserik stichtten de Vandalen een eigen koninkrijk binnen de grenzen van het aloude Romeinse imperium. De tijden waren aan het veranderen.

Eén van de redenen waardoor het zo ver had kunnen komen, is dat het keizerlijk hof in Ravenna en Constantinopel lang weinig belangstelling had gehad voor de Maghreb. De Duitse oudhistoricus Mischa Meier typeert het als een proces van terugtrekking.

De tijden mochten dan veranderen, veel dingen bleven hetzelfde. Er waren steden, men produceerde olijfolie, men bouwde kerken, men schreef Latijn en men werkte samen met de nomaden. Die waren er – en dat al eeuwenlang – in allerlei soorten. Sommigen bewogen over betrekkelijk korte afstanden tussen winter- en zomerweiden, waar ze winter- en zomerdorpen hadden. Toearegs bewogen over enorme afstanden en handelden met de Sao-cultuur. Weer anderen wisselden een bestaan als sedentaire landbouwers af met nomadische veeteelt. Hun relatie met de Romeinse overheid was al even variabel: nu eens erkenden ze het gezag van de keizer en regelmatig dienden ze als grenstroepen, dan weer onttrokken ze zich aan de keizerlijke regering.

Berbers

In dat laatste geval noemden de Romeinen hen “barbaren”, waarvan ons woord “Berbers” is afgeleid. Zelf duidden en duiden ze zich aan met andere namen. Ze spraken en spreken verschillende talen, die noch bij de Indo-Europese taalfamilie behoren (zoals het Latijn), noch bij de Semitische talen (zoals het Fenicisch en het Arabisch). Wat ze deelden, is vooral een levenswijze, die complementair was aan de Romeinse stedelijke levenswijze.

Nu de Romeinse overheid zich terugtrok en de Vandalen de macht overnamen, lezen we voor het eerst over werkelijk autonome groepen Berbers. Volgens Prokopios gebeurde dat pas na de dood van de Vandaalse koning Hunerik (r.477-484), maar vrijwel zeker was dit proces al eerder gaande en verwijst de Byzantijnse geschiedschrijver naar het moment waarop er gewelddadige conflicten kwamen tussen het Vandaalse koninkrijk en de Berbers.

Berber-koningen

Ik aarzel of ik moet spreken van een Berber-staat, of Berber-staatjes, of dat ik het woord “staat” moet vervangen door “stam” of “stamfederatie”. Zoals zo vaak weten we het niet goed. Twee Berber-leiders, een zekere Masties en een zekere Masuna, hebben echter Latijnse inscripties nagelaten. Daarin duiden ze hun onderdanen niet aan als barbaren of Berbers, maar met de oeroude naam Mauri.

De eerste is het grafschrift van Masties, gevonden in de Aurès in het noordoosten van Algerije en ondateerbaar, en identificeert hem met de Romeinse titels dux en imperator. Hij schrijft:

Aan de geesten van de overledenen.
Ik, Masties, dux gedurende zevenenzestig jaar, imperator gedurende tien jaar, ☩ heb nooit verraad gepleegd, noch het vertrouwen geschonden, noch bij de Romeinen, noch bij de Mauri, en ik ben in oorlog en vrede gehoorzaam geweest. God heeft mij vanwege mijn gedrag Zijn genade geschonken.
Ik, Vartaia, heb samen met mijn broers dit monument opgericht, waarvoor ik honderd solidi heb betaald.noot EDCS-15500070.

We weten niet goed wat de Romeinse titels hier betekenen. Dux kan een Romeinse militaire term zijn, maar ook de aanduiding van een Berber-stamhoofd, terwijl imperator kan verwijzen naar vrijwel elke militaire gezagdrager. Het is echter duidelijk dat de man zich niet presenteert als onderdaan van de Vandalen, wat ook wordt bevestigd door een terloopse opmerking van Prokopios, die schrijft dat de Berbers Timgad hadden verwoest om te verhinderen dat de Vandalen ooit hun kant op zouden komen.noot Prokopios, Oorlogen 4.13.26. Dat Masties christen is, spreekt ruim een eeuw na de regering van Constantijn voor elke gezagdrager vanzelf.

Wie in deze inscriptie de Romeinen zijn, is onduidelijk: het kan gaan om onderdanen van Masties of de keizer in Ravenna. De tweede inscriptie, die van Masuna, helpt ons echter bij het vinden van een mogelijke interpretatie. Deze tekst is gevonden in Altava in het noordwesten van Algerije,noot EDCS-25601625. en bewijst dat Masuna rond 508 magistraten kon aanwijzen en zich beschouwde als een Romeinse gezaghebber. Hij identificeert zichzelf als rex gentium Maurorum et Romanorum, “koning van de Mauri en Romeinen”, en dat betekent dat we te maken hebben twee groepen onderdanen. “Romeinen” zal in beide inscripties verwijzen naar geromaniseerde stedelingen. En beide mannen regeerden dus over én Romeinse stedelingen én Mauri.

Jidars

Wat we, ondanks alle onduidelijkheid, kunnen weten is dat er rond 500 na Chr. post-Romeinse machthebbers waren met Berber-namen, die zich onafhankelijk hadden gemaakt van de Vandalen en zich presenteerden als loyaal aan de Romeinen. Ze gebruikten vergelijkbare militaire en bestuurlijke titels, deelden in de christelijke religie, schreven Latijn – kortom, ze bleven binnen de Romeinse wereld.

Dat zulke leiders niet (of niet alleen) met kuddes heen en weer trokken, maar (tevens) sedentair waren, blijkt uit de zogeheten jidars, monumentale grafmonumenten uit de Late Oudheid, die zijn gevonden in het noordwesten van Algerije. Het gaat vrijwel zeker om koninklijke mausolea en ze veronderstellen een sedentaire bevolking.

En tot slot: in 533 arriveerde de Byzantijnse generaal Belisarius in het huidige Tunesië, en onderwierp de Vandalen. Korte tijd later sloot hij een alliantie met een Berber-leider die door Prokopios Massonas wordt genoemd. We weten niet of dit dezelfde is als de zojuist genoemde Masuna, maar het bevestigt dat de Berbers rond Altava in het noordwesten van Algerije een mogendheid waren om rekening mee te houden.

[Dit is het eerste van zeven blogjes over de arabisering van de Maghreb en dit blogje wordt zo meteen dus vervolgd.]

PS

Op deze blog zijn ruim 57.000 reacties geplaatst en 99,9% daarvan was ter zake of prettige malligheid. Eergisteren heb ik voor de derde keer in veertien jaar iemand een blok moeten geven. Ten overvloede herinner ik aan onze fascinerende huisregels.

#Algerije #Altava #Aurès #Belisarius #Berbers #Berbertalen #Geiserik #Hunerik #jidar #Massonas #Masties #Masuna #Mauri #MischaMeier #nomadisme #Prokopios #SaoCultuur #Timgad #Toeareg #Tunesië #Vandalen

De Nok-beschaving

Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)

Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.

De Nok-beschaving

Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.

De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.

Dat heeft een verklaring. Het opvallendste bewijsmateriaal bestaat uit wonderlijke terracottabeeldjes, waarvan de eerste zo’n honderd jaar geleden zijn gevonden door mensen die zochten naar tin. Ze worden nog altijd gevonden, maar er is weinig archeologisch onderzoek, zodat de meeste voorwerpen contextloos zijn. De beeldjes zijn bovendien verweerd: ze waren ooit versierd met een dun laagje slib met metaalhoudende pigmenten, maar die is veelal in de loop der eeuwen afgesleten. Voor musea is dit geen aantrekkelijk materiaal: deze beeldjes zijn geen publiekstrekkers en door gebrek aan context is uitleg moeilijk. Ze horen echter evengoed bij de Afrikaanse IJzertijd als Egypte en Nubië.

Een Nok-sfinx (Staatliche Sammlung für Ägyptische Kunst, München)

Beeldjes

Toch zijn die beeldjes interessant. Ze zijn, om te beginnen, vaak hol, wat je niet meteen zou verwachten. Het kan gaan om mensen, dieren en fabelwezens. De grootste zijn manshoog, de meeste zijn stukken kleiner, en ze hebben grappige ogen. Als het gaat om mensen, hebben ze opvallend complexe kapsels en baarden, vaak juwelen en wapens (slingers, pijl en boog), opvallende hoofddeksels en – het meest curieus – symptomen van ziektes. De terracotta’s lijken door houtsnijwerk te zijn geïnspireerd.

Archeologen nemen wel aan dat althans sommige menselijke figuren hoge functionarissen of goden voorstellen. Dat kan zijn; de sculptuur van andere IJzertijdculturen is immers ook gewijd aan goden en aan mensen bovenaan de maatschappelijke ladder. De aanname dat de beeldjes een rituele functie hebben gehad is – de Eerste Hoofdwet van de Archeologie zijnde de Eerste Hoofdwet van de Archeologie – niets dan speculatie.

De verspreiding van de vindplaatsen is informatiever. Nok, waarnaar de cultuur is genoemd, ligt middenin Nigeria, even ten noorden van de hoofdstad Abuja. De meeste sites liggen op heuveltoppen en hellingen langs de grote wegen tussen het Tsjaad-meer (waar na de tweede eeuw v.Chr. de Sao-cultuur bestond) en Kameroen. Dat duidt op handel. Het feit dat de mensen pigmenten op metaalbasis gebruikten, bewijst dat ze de IJzertijd hadden bereikt, en dat lijkt te zijn bevestigd door de weinige metaalvondsten uit gecontroleerde opgravingen.

Vroege Nok-beeldjes (Museum Kurá Hulanda, Willemstad)

Vroege Nok

De Nok-mensen ontwikkelden de metallurgie zelfstandig, vermoedelijk rond 800 v.Chr.; de “aanloopfase” is feitelijk pre-IJzer-Nok. Eén van de grote vragen is waar die vroege fase haar oorsprong vindt, en eigenlijk weten we het niet. Tot de gewassen die de Nok-boeren verbouwden, behoorde echter parelgierst, en dat is in Nigeria een exoot. Het gewas komt wel voor in de noordelijkere savanne. Zeg maar bij het Tsjaad-meer. Omdat we weten dat de Sahara uitdroogde, is het bepaald niet ondenkbaar dat mensen zuidwaarts trokken.

We zouden meer willen weten, maar het blijkt moeilijk vroege sites te identificeren. Bovendien zijn archeologen niet zelden te laat en zijn pre-IJzertijd-sites vaak al geplunderd.

Dierfiguur (Musée du Quai Branly, Parijs)

Kleinschalige, autonome, lokale groepen

Het zijn niet alleen de vroege sites die we niet kennen, ook over het millennium tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr. is weinig bekend. We hebben alleen een aanzet tot een aardewerk-chronologie, dus dateren is vooralsnog lastig. Organisch materiaal blijft slecht bewaard in de Nigeriaanse bodems, zodat we over vee-, groente- en fruitteelt weinig specifiek kunnen zijn.

Wat we wel weten is dat de mensen woonden in kleine dorpen; steden waren er niet. De meeste nederzettingen zijn maar kort bewoond geweest: maar zelden hebben archeologen meer dan één bewoningslaag aangetroffen. Dat er sociale stratificatie was, blijkt alleen uit de beeldjes, want paleizen of monumentale huizen zijn nog niet geïdentificeerd. Kortom, de Nok-samenleving was kleinschalig en georganiseerd in kleine, vermoedelijk autonome lokale groepen.

Daarmee is de De Nok-beschaving representatief voor grote delen van Afrika in het eerste millennium v.Chr. en het eerste millennium na Chr. Om precies te zijn: ze is representatiever dan Egypte en Nubië. Het verschil is dat men in noordoostelijk Afrika het schrift en een monumentale architectuur ontwikkelde.

Badawi schrijft daarover wel. Ze volgt de geschreven bronnen, ze volgt de monumentale architectuur. Dat is een ontzettend negentiende-eeuwse manier om met het verleden om te gaan. Je mag het naïef positivisme noemen of anders, maar het is in elk geval geen professionele eenentwintigste-eeuwse geschiedschrijving. Ze had best een archeoloog uit Nigeria kunnen bellen. Afrika verdient beter dan dit amateurisme.

#EersteHoofdwetVanDeArcheologie #gierst #HannoDeZeevaarder #Meroë #naïefPositivisme #Napata #Niger #Nigeria #NokBeschaving #SaoCultuur #thermoluminescentie #Tsjaad #WFGLacroix #ZenabBadawi

Zeinab Badawi over haar geschiedenis van Afrika: ‘Ik zet mijn ego opzij, ik laat de Afrikanen zelf spreken’

Afrikaanse geschiedenis: BBC-journalist Zeinab Badawi wekt in een meeslepend boek de Afrikaanse geschiedenis tot leven vanuit Afrikaans perspectief. „Stel je voor dat de hele Nederlandse geschiedenis uitsluitend door buitenstaanders is beschreven en vastgelegd. Dat is ondenkbaar.”

NRC

Thermoluminescentie (en wat dat betekent)

Sao-sculptuur (Musée du Quai Branly, Parijs)

Oudheidkundigen hebben diverse dateringsmethoden. Terugwerkend: eerst is er de gangbare kalender, wat verder terug hebben we de Romeinse keizers en hellenistische koningen, nog wat dieper zijn er de Mesopotamische sterrenkundige dateringen. Daarnaast biedt de archeologie een stoer werkpaard: de koolstofdatering. Alleen: dat werkpaard heeft soms kuren. Elke datering behoeft kalibratie en daarnaast zijn er reservoireffecten en andere complicaties. En nog een probleem: organisch materiaal mineraliseert, en in sommige regio’s gaat dat erg snel.

Zoals de gebieden ten zuiden van de Sahara. De Romeinen ontmoetten kooplieden uit die regio, maar wisten daar – als we de route langs de Nijl even buiten beschouwing laten – maar weinig van. Het enige wat de klassieke auteurs ons aan informatie hebben nagelaten, zijn geruchten over goudbewakende gorgonen en amazones: een echo van de situatie in de Bambouk. Omdat archeologen dus  dateringsmoeilijkheden hebben, is er, vergeleken met bijvoorbeeld de Maghreb, een gat in onze kennis. Dit is een van de redenen dat subsaharaal Afrika een beetje wordt genegeerd. Zelfs Zenab Badawi, die in haar recente An African History of Africa licht wil werpen op dit werelddeel, besteedt er geen aandacht aan.

Thermoluminescentie

Gelukkig bestaan er meer oudheidkundige dateringstechnieken, zoals thermoluminescentie. Daarmee kunnen onderzoekers sedimenten en aardewerk dateren. Dit is geen nieuwe techniek of zo; archeologen kunnen het al meer dan een halve eeuw en dat ik het er nog niet eerder over heb gehad is gewoon omdat andere dingen actueler waren. Het principe is dat mineralen (en dus ook zandkorrels en kleideeltjes) van nature een zachte elektromagnetische straling hebben, de luminescentie. Na verhitting is die verwaarloosbaar, maar als het materiaal vervolgens wordt afgesloten van het licht, bijvoorbeeld omdat het onder de grond ligt, laadt het zich weer op vanuit natuurlijke radioactiviteit. Als een analist het materiaal in het lab belicht, komt de zo opgebouwde elektromagnetische straling weer vrij en daarna geldt: hoe meer, hoe ouder. Je kunt zo tienduizenden jaren teruggaan en de foutenmarge loopt op tot 10%.

In het Musée du Quai Branly in Parijs leerde ik vorige week iets over een mij nog onbekend resultaat. Rond het Tsjaad-meer, dus aan de zuidwestelijke rand van de Sahara, bestond ooit de zogeheten Sao-cultuur. Archeologen plaatsten die lange tijd in de ruim twee millennia tussen de negende eeuw v.Chr. en de veertiende eeuw na Chr. De stadstaten aan het einde van deze periode zijn ook bekend uit Arabische bronnen en vormen geen probleem, maar het beginpunt was feitelijk een slag in de lucht. In 2014 kwamen verschillende terracottabeeldjes als het bovenstaande naar het laboratorium en konden analisten vaststellen dat het begin van de Sao-cultuur zeven eeuwen later moet worden geplaatst, rond het midden van de tweede eeuw v.Chr.

Sao-aardewerk (Musée du Quai Branly, Parijs)

Betekenis

Maakt thermoluminescentie in dit geval veel uit? Voor de Romeinse handel niet: we wisten al dat men producten uitwisselde met Sao-kooplieden. Maar er ontstaat een interessant synchronisme tussen de opkomst van de Sao-cultuur en de neergang van de Karthaagse handel. We mogen speculeren – speculeren! – dat daardoor een eerdere elite verarmde en desintegreerde, waarna Sao-elites vrij baan kregen. De foutenmarge maakt echter ook de omgekeerde gang van zaken denkbaar: al eerder in de tweede eeuw v.Chr. bloeide de handel op tussen de nieuwe Sao-mensen en Karthago, dat daardoor in welvaart toenam, wat dan voor Rome weer aanleiding was tot militaire interventie.

Al met al is de herdatering van de Sao-cultuur geen werkelijk belangrijk nieuw resultaat; nieuwe hypotheses zijn zelfs helemaal geen resultaat. Maar er openen zich wel nieuwe denkpistes. En dat is gewoon leuk.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

PS

O ja: had u deze petitie al getekend?

#Bambouk #chronologie #DerdePunischeOorlog #koolstofdatering #MuséeDuQuaiBranly #petitie #Sahara #SaoCultuur #sediment #thermoluminescentie #Tsjaad #ZenabBadawi

Het hellenisme - Mainzer Beobachter

Het hellenisme was een nieuwe tijd. De Griekse cultuur verspreidde zich. Maar we moeten het ook weer niet overdrijven.

Mainzer Beobachter