'Onzekerheid' bij boeren na waarschuwing provincie
https://nos.nl/regio/gelderland/artikel/734269-onzekerheid-bij-boeren-na-waarschuwing-provincie

Arme akkerbouwers ...
Worden ze (eindelijk) aansprakelijk gesteld voor de schade die ze buiten hun percelen aanrichten met hun handelen?

Ja ... Heel raar. 🙃🙂

Zullen we het maar niet hebben over de schade die ze aanrichten op biologische percelen im hun buurt. Of akkerbouwers die door dit handelen niet biologisch kunnen worden.

Met je 'rare uitspraken'..
🥴🥴

Via @SandraDeHaan

#akkerbouw #natura2000

Voor-westerse geschiedenis (5) de eerste boeren

Akkerbouw lijkt zo logisch maar was dat in de voor-westerse wereld allerminst. Ik wees er al op dat het landschap in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee weliswaar heel gevarieerd is maar zelden gastvrij. In een ander blogje vertelde ik dat de regens vallen op het verkeerde moment. Waar bergen zijn – en waar was dat eigenlijk niet? – is weinig ruimte voor akkerbouw. De rivier- en kustvlakten zijn doorgaans klein, als ze niet onleefbaar waren door de eeuwenlang alom aanwezige malaria. Het is logisch dat de akkerbouw doorbrak op de grote vlakte van Mesopotamië, al is dat, zoals we nog zullen zien, niet waar deze activiteit is ontstaan.

De rivieren waren namelijk bepaald niet behulpzaam voor de eerste boeren. De Eufraat en Tigris, gevoed door de in het voorjaar smeltende sneeuw van Armenië, traden namelijk buiten hun oevers op het moment waarop de gewassen ontkiemden. Dat dwong de akkerbouwers in deze regio om dammen, dijken en cisternen te bouwen. De extra inspanning gold blijkbaar als een acceptabele prijs om te betalen voor het jaarlijks afgezette laagje vruchtbare klei, de aanwezigheid van vis en de mogelijkheid van eenvoudig transport.

Maar rivieren waren wispelturig. Voor wie mocht denken dat overstromingen iets uit de diepe, diepe Oudheid zijn: tot het koninkrijk Italië in dijken en kanalen investeerde, kon de Tiber verwoestend huishouden in een stad als Rome. Onze eigen Waal kon ook levensgevaarlijk zijn. Uit mijn jeugd in Beneden-Leeuwen herinner ik me het monumentje dat de watersnood van 1855 gedacht.

Het ontstaan van de landbouw

Akkerbouw en veeteelt zijn ontstaan in het Nabije Oosten. Johan Hendriks typeert het proces elegant als hij in Dageraad (2025) schrijft dat “planten en daartoe geschikte dieren ondergeschikt werden gemaakt aan de wil van de mens”. Het omgekeerde is ook waar: het graan en het vee hebben de mens gedomesticeerd, want die moest zijn leven aanpassen aan de eisen van de landbouw.

En de boer, hij ploegde voort (Louvre, Parijs)

De beroemde archeoloog Gordon Childe meende dat de landbouw vrij snel was ontstaan en introduceerde daarvoor de term “Neolithische Revolutie”, maar het Iraq-Jarmo-project toonde aan dat akkerbouw, veeteelt, vaste woonplaatsen en keramiek zijn ontstaan in de loop van enkele millennia. Het ging bovendien niet overal op dezelfde manier. In het Nabije Oosten zijn vier fases te onderscheiden, die samen bekendstaan als PPN, het Pre-Pottery Neolithic, en zijn gedocumenteerd op diverse plekken.

  • Vanaf 12.500 v.Chr.: Zwervende groepen in de Zagros en Taurus beginnen graanhalmen te verzamelen en op wrijfstenen te bewerken (oudste voorbeeld: Ohala in Israël, 19.000 v.Chr.)
  • 9700-8500 v.Chr.: beginnende teelt van emmertarwe in de Levant, eenkoorn in de Taurus en gerst in de Zagros; opslag; tijdelijke hutten
  • 8500-6800 v.Chr.: feitelijke domesticatie van graan en vee; permanente hutten; ontstaan privébezit (?); grotere nederzettingen
  • 6800-6200 v.Chr.: beter aardewerk; verspreiding van de nieuwe levenswijze door middel van migratie

Anders gezegd: in het Nabije Oosten werden jagers/verzamelaars eerst sedentair en vervolgens boer. Elders verliep het anders. In Egypte werd men eerst akkerbouwer en pas daarna sedentair (“a-sedentaire landbouw” in jargon). In alle gevallen waren de gevolgen ingrijpend. Het privébezit ontstond, en vervolgens zijn er aanwijzingen voor exploitatie, strijd, machtsuitoefening en oorlog. Dat laatste blijkt niet alleen uit verminkte skeletten maar ook uit het ontstaan van (archeologisch goed herkenbare) nederzettingen met stadsmuren.

De verspreiding van de akkerbouw

Verspreiding

Toen de akkerbouw er eenmaal was, begon ze zich te verspreiden. Eerst naar Mesopotamië waar, zoals gezegd, de garantie van een jaarlijks laagje vruchtbare klei en de aanwezigheid van vis en transportmogelijkheden de extra werkzaamheden royaal compenseerden. In Griekenland, met zijn kleine vlaktes en dito bergbeekjes, was het zoet water een probleem. De mythe van de Danaïden, die eindeloos water sleepten, is illustratief. Egypte was een laatkomer, maar had het daarna goed getroffen met de Nijl, die de vruchtbare kleilaag tenminste afzette op het juiste moment.

Rond het midden van het zevende millennium v.Chr. had de nieuwe levenswijze de Balkan bereikt en rond 5000 v.Chr. stonden er al boerderijen aan de Oceaankust. In onze contreien namen de mensen van de Swifterbantcultuur, die leefden benoorden de grote rivieren, rond 4500 v.Chr. de landbouw over van de mensen van de Bandkeramiek, die leefden in Limburg. Rond 3500 v.Chr. waren er ook landbouwers op de Britse eilanden.

Maar zoals gezegd: de boeren pasten hun levenswijze aan aan de cyclus van de landbouw en de eisen van hun vee. Weliswaar konden landbouwers meer monden voeden, het leven was moeilijker. Het is geen toeval dat elke agrarische samenlevingen utopieën kent over een Land van Cocagne waar de gebraden duiven je in de mond vliegen. Daarover meer in een volgend blogje.

[Een overzicht van de blogjes in deze reeks groeit hier.]

#akkerbouw #Bandkeramiek #Danaïden #eersteLandbouwers #GordonChilde #graan #IraqJarmoProject #JohanHendriks #landbouw #MiddellandseZee #NabijeOosten #NeolithischeRevolutie #neolithisering #Ohala #PrekeramischNeolithicum #Swifterbantcultuur #Taurus #veeteelt #voorWesterseGeschiedenis #Zagros
04-04-2022 🌱Biologisch & plantaardig akkerbouwbedrijf valt in de prijzen! 🌱 De boeren Joost van Strien en Christiaan Feickens van bio-vegan akkerbouwbedrijf @zonnegoed_farm zijn uitgeroepen tot Agrarisch Ondernemer van het jaar 2022. Dit is de meest prestigieuze ondernemersprijs in de agrarische sector. De prijs van €12.500 euro werd uitgereikt door Henk Staghouwer, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 🚜🌿 Zonnegoed is het eerste gecertificeerde Biocyclic Vegan akkerbouwbedrijf in Nederland. Dit-keurmerk betekent dat hun groenten helemaal plantaardig zijn geteeld. Ze werken zonder gebruik van dierlijke mest en daarnaast ook volledig biologisch. Beter voor grote dieren, kleine beestjes, mensen én de aarde 🌍💚 Hoe werkt dat? Ze telen en gebruiken luzerne & gras/klaver als maaimeststof, in plaats van dierlijke mest. Dit heeft veel voordelen, zoals voldoende voeding voor de gewassen, een betere bodemstructuur en meer wormen in de grond. En door niet te ploegen kunnen ze de bodem vruchtbaar houden en koolstof vastleggen 💪 De jury ziet Zonnegoed als een uniek, toekomstgericht concept met een kringloopgedachte zonder dieren. Er geen gebrek aan visie en doorzettingskracht. Joost van Strien zelf hoopt dat de titel ook anderen zal inspireren om op zijn manier te gaan boeren. Ook wij strijden voor een eerlijk en duurzaam #plantaardigvoedselsysteem . Het is mogelijk én noodzakelijk! ♻️🌱❤️ Bron: @boerderijmedia @zonnegoed_farm @omroepflevoland #toekomstboeren #plantaardigelandbouw #biovegan #biocyclischeveganlandbouw #akkerbouw #akkerbouwbedrijf #deboerderij #landbouw #boerderij #boer #boeren #agrarischesector #agrarisch #zonnegoed #systeemverandering #biodiversiteit #klimaatoplossingen #animalrebellion #animalrebellionnl

https://animalrebellion.nl/sluit-je-aan

Culturele eerstes

Göbekli Tepe

Wie in de achttiende eeuw zou hebben gevraagd waar de beschaving vandaan kwam, zou hebben kunnen rekenen op verbaasde reacties: uit Mesopotamië natuurlijk! De Bijbel was daarover immers duidelijk: de eerste hoofdstukken van de Bijbel spelen in de Hof van Eden, op de vlakte van Sinjar en in de stad Harran. Ook de steden Babylon en Ur, die wat zuidelijker liggen, worden vermeld. De vroegste mensen hadden gewoond in Mesopotamië en waren daar hun paradijselijke superioriteit kwijtgeraakt. Uitzwervend over de wereld waren ze gedegenereerd.

Je zou in de achttiende eeuw ook een ander antwoord hebben kunnen krijgen, dat een andere definitie van beschaving veronderstelt. Sinds de Renaissance was men van mening dat het vooral Rome was geweest waar de wereldgeschiedenis een sprong voorwaarts had gemaakt. Daar was getoond hoe je efficiënt moest besturen, mooie kunst kon maken, goed kon schrijven. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond een derde theorie: toen kregen de Grieken de reputatie als eersten het stadium van primitiviteit te hebben verlaten en dat der beschaving te hebben bereikt. Griekenlands voortreffelijkheid werd vooral verkondigd door J.J. Winckelmann, en ook al was zijn verklaring stapelgek, dit idee bleef nog enige tijd in zwang. Het scheelde weinig of de Griekse originaliteit zou zijn vastgelegd in de preambule van de Europese Grondwet, en dat zou dan even absurd zijn geweest als de wet waarmee Indiana de waarde van pi wilde vastleggen.

Ruim honderd jaar geleden, toen het spijkerschrift was ontcijferd, waren er geleerden die meenden dat alle beschaving uit Babylonië was gekomen. In Duitsland waren er die meenden dat het beschavingscentrum bij uitstek moest worden gezocht bij een noords ras dat afkomstig was van de Noordduitse laagvlakte. De afrocentristen opperen dat “Zwart Afrika” niet alleen de bakermat was van de mensheid, maar dat hiervandaan ook belangrijke culturele impulsen waren uitgegaan. En ondertussen blijven er classici als Simon Goldhill (en de leden van de Europese Conventie dus) die nog steeds voor Griekenland een uitzonderlijke plek opeisen, ongehinderd door kennis van de twee twintigste-eeuwse radiocarbonrevoluties.

Het centrale probleem met de genoemde theorieën is, als we even afzien van de steeds verschuivende definitie, dat men elke keer één volk wil aanwijzen als “de eerstgeborene van Moeder Natuur” (Winckelmann) die de mensheid had getoond hoe primitieve samenlevingen van jagers en verzamelaars konden evolueren tot beschaafde, schrijvende, stedelijke maatschappijen. Dat er slechts één cultuurcentrum is geweest, is echter allang weerlegd. Hier is een niet uitputtend lijstje dat de overgang van jagers/verzamelaars naar complexe samenleving documenteert.

(klik=groot)
  • Aardewerk: ontstaan in China rond 18.000-17.000 v.Chr. Daarna verspreidde het zich naar het westen; in het Midden-Oosten dateert het oudste aardewerk uit ongeveer 7000 v.Chr. (Çatalhöyük).
  • Akkerbouw: laten we zeggen rond 10.000 v.Chr. in de Taurus en Zagros. Tarwe werd bijvoorbeeld verbouwd in Cafer Höyük aan de bovenloop van de Eufraat.
  • Heiligdom: Sheikh-e Abad in West-Iran (9800 v.Chr.).
  • Veeteelt: de geit en het schaap werden in het tiende millennium v.Chr. gedomesticeerd, opnieuw in de Taurus en Zagros.
  • Monumentale sculptuur: Göbekli Tepe in Zuidoost-Turkije (9000 v.Chr.).
  • Huizen met muren van tichels en een echt dak: opnieuw Çatalhöyük in Turkije (7400 v.Chr.).
  • Zuivel (en lactosetolerantie): 6500 v.Chr. rond de Zee van Marmara (Pendik en Hoca Çeşme).
  • Kopernijverheid: rond 5000 in Gumelnița-cultuur (Zuidoost-Roemenië).
  • Wijn: ongeveer 5000 v.Chr. in oostelijk Turkije.
  • Domesticatie van de ezel: oostelijk Afrika 5000 v.Chr.
  • Huidskleurverschil: de meest aannemelijke verklaring voor het ontstaan van de blanke huid is een vitamine-D-gebrek dat bij boeren vaker voorkomt dan bij jagers, wat een datering rond 5000 v.Chr. aannemelijk maakt. In elk geval ontstonden de verschillende huidskleuren ná 7000 v.Chr.
  • Gouden sieraden: rond 4600 in Varna (Oost-Bulgarije).
  • Vier vroege steden: Tell Brak (Syrië) 3800 v.Chr.; Eridu (Irak) 3700 v.Chr.; Uruk (Irak) 3500 v.Chr.; Hierakonpolis (Egypte) 3500 v.Chr.
  • Het wiel, de wagen: oostelijk Roemenië 3600 v.Chr.
  • De ploeg: op z’n laatst rond 3500 v.Chr. in Mesopotamië.
  • Wolnijverheid: vierde millennium v.Chr. in de Kaukasus.
  • Interregionale handel: Melitene (Arslantepe) in oostelijk Turkije exporteerde rond 3700 bewerkt koper naar zuidelijk Irak en importeerde koper, zilver en goud uit de westelijke Kaukasus.
  • Domesticatie van het paard: Oekraïne 3500 v.Chr.
  • Schrift: rond 3300 v.Chr. ontstonden zowel in Egypte als Mesopotamië schriftsoorten. Iets later waren het Iraanse Jiroft en de Indusschriften.
  • Begin van de Bronstijd: een kwestie van definitie. Egyptologen kiezen voor 3150 v.Chr., assyriologen voor 2900 terwijl men het voor het Egeïsche Zee-gebied afrondt op 3000.

Kortom, toen de mensen eindelijk in staat waren op te schrijven wat van interessante dingen ze zoal meemaakten, waren de spannende millennia waarin we van jager/verzamelaar tot stedeling evolueerden, net voorbij.

#akkerbouw #Arslantepe #Çatalhöyük #bakermat #CaferHöyük #Chalcolithicum #domesticatie #Eridu #Eufraat #ezel #GöbekliTepe #geit #goud #GumelnițaCultuur #Hierakonpolis #HocaÇeşme #Jiroft #Kaukasus #koper #Kopertijd #Melitene #nijverheid #paard #Pendik #SheikhEAbad #TellBrak #Tigris #Uruk #Varna #veeteelt #wijn #ZeeVanMarmara

Çatalhöyük

Reconstructie van een huis uit Çatalhöyük (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Ik ben er twee keer in de buurt geweest, maar steeds op weg naar iets anders: Çatalhöyük, een van de beroemdste archeologische opgravingen ter wereld. Het is een tell: een plek waar mensen lange tijd hebben gewoond, steeds op de resten van een eerdere nederzetting. Het klassieke voorbeeld is Troje, waar archeologen vele tientallen bewoningslagen boven elkaar hebben gevonden. Steeds als zo’n nederzetting was verwoest, keerden mensen terug om er nieuwe woningen te bouwen. Aangezien niemand voor z’n plezier op ’n ruïne of tussen de geblakerde resten van een oude boerderij gaat wonen, moet er een reden zijn, en inderdaad liggen de meeste tells op vruchtbare gronden, bij een handelsweg of allebei. En als die heuvel maar hoog genoeg was, was ze om een extra reden interessant: zo’n plek was veilig.

Çatalhöyük

De tell van Çatalhöyük, bewoond tussen pakweg 7100 en 5700 v.Chr., was uiteindelijk tweeëntwintig meter hoog. In zijn boek Dageraad, waarover ik het al had, schrijft Johan Hendriks: zeventien meter, en wellicht is dat waar, ik weet het niet, ik ben er immers niet geweest. Feit is: er zijn achttien bewoningslagen, en in de oudste fase bestond de nederzetting uit zo’n tweehonderd woonhuizen. Men had 9000 jaar geleden de deur nog niet uitgevonden, dus je moest vanaf het dak met een ladder in je woonst afdalen. Hierboven ziet u zo’n huis: een haard, wat lage banken langs de beschilderde muren, soms een opslagkamertje, en een decoratie van dierenschedels en -klauwen.

Moedergodin? (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Men verbouwde gerst en tarwe, en men maakte, zoals ik al eens beschreef, een vroege vorm van brood. Ook kenden de bewoners van Çatalhöyük de teelt van erwten, amandelen en pistache, alsmede diverse soorten fruit. De van everzwijnentanden vervaardigde vishaakjes documenteren zowel jacht als visserij. Het schaap was al gedomesticeerd, schelpen bewijzen handelscontacten met de kust en – heel interessant – er zijn zegels van klei: het was in Çatalhöyük blijkbaar noodzakelijk het bezit van individuen of groepen af te bakenen. De deur kenden ze nog niet, maar het eigendom was uitgevonden.

Religie?

In een volgende fase, die zo rond 6400 v.Chr. begint en samenvalt met het begin van het tijdvak dat klimatologen Greenlandiaan noemen, vinden we beeldjes, zoals het beroemde sculptuurtje van een vrouw op een troon. Omdat ze wordt geflankeerd door wilde dieren, is een verband gelegd met de latere Anatolische moedergodinnen, zoals Kybele, die eveneens zo wordt afgebeeld. Van Neolithicum naar IJzertijd is echter nogal een sprong, dus ik voor mij zou zo’n millennia overspannende continuïteit niet zomaar aannemen. Misschien is zo’n beeldje inderdaad religieus te duiden, maar Hendriks wijst er terecht op dat er geen aanwijzingen zijn voor een cultus met priesters.

Toch: in ruwweg dezelfde tijd vinden we ook in Ain Ghazal (niet ver van Amman in Jordanië) aanwijzingen voor ideeën die wij als religieus zouden bestempelen. Men maakte gipsen beelden, waarover ik al eens eerder schreef, die mogelijk overleden voorouders voorstelden.

Muurschildering uit Çatalhöyük (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

Was die vrouw op die troon, waren die gipsen beelden uitingen van religie? Dat is een kwestie van definitie. Het probleem is feitelijk dat er geen antiek equivalent is voor wat wij religie noemen; er was geen scherpe grens tussen natuurlijk en bovennatuurlijk, om de doodeenvoudige reden dat men geen natuurwetten kende, en dus niet kon aangeven wat de natuurlijke gang van zaken was en wat bovennatuurlijk was. Er was feitelijk geen aspect van het leven dat niet religieus was, en dat betekent dat we voorzichtig moeten zijn als we bijvoorbeeld een muurschildering of beeldje interpreteren als religieus. Daarmee introduceren we onze notie dat zoiets anders was dan het alledaagse, terwijl het dat nou net niet was.

Çatalhöyük en Ain Ghazal raakten overigens tegelijkertijd in verval, zo rond 6000, met daarna nog een diminuendo. Archeologen houden het er in beide gevallen op dat de bodem uitgeput was.

Sculptuur uit Çatalhöyük en Ain Ghazal.

Tot slot

Nog twee afrondende opmerkingen. Çatalhöyük is werelderfgoed, maar ook al is deze prehistorische site inderdaad heel belangrijk, de term is inmiddels wel heel erg gedevalueerd. Met plaatsen als de Notre-Dame in Parijs en de moskee van Córdoba behoudt elke bezoeker een levenslange, vertrouwelijke band; iedereen die de Notre-Dame ooit bezocht, was geschokt door de brand. Zulke monumenten mogen met recht wereldwijd erfgoed heten. Later op de werelderfgoedlijst geplaatste zaken roepen echter minder sterke sentimenten op, en in die zin is wat ooit een goed idee was, zijn doel overschoten.

Tweede opmerking: ik ken Johan Hendriks helemaal niet, dus ik schrijf over zijn boek omdat ik het de moeite waard vind, en niet (zoals iemand insinueerde) omdat ik een vriend een zetje in de rug wil geven. Maar hij is vanmiddag tussen 12:45 en 13:00 uur even te beluisteren op Radio 1 in een programma dat De Nieuws BV heet.

#AinGhazal #akkerbouw #Çatalhöyük #brood #handel #jacht #JohanHendriks #Kybele #moedergodin #Neolithicum #tell #Turkije #visserij #werelderfgoed

Beschaving en barbarij (2)

Romeins masker: een Germaan

Gisteren blogde ik over de Romeinse visie op de Lage Landen, die was beïnvloed door het oeroude idee dat aan de randen van de aarde, ver van de beschaving, alleen maar barbaren woonden. Noordwest-Europa was voor Romeinen en Grieken een soort omgekeerde wereld. Waar beschaafde mensen woonden op riviervlakten, beschreef ik, woonden de barbaren in een rotsachtig woud aan de kust.

Economie en levenswijze

De verschillende geografie vertaalde zich in tegengestelde productiewijzen: terwijl de beschaafde gebieden een vruchtbare bodem hadden waarop akkerbouw mogelijk was, stond het arme barbaarse land alleen veeteelt toe. Tegenover de beschaafde, “broodetende mensheid” (zoals dichters het noemden), stonden nomadische barbaren, die een dieet hadden van vlees en zuivel.

De levenswijze was natuurlijk ook verschillend. Grieken en Romeinen konden leven in steden en hoefden geen wapens te dragen omdat ze in vrede met hun buren verkeerden. In hun vrije tijd konden ze zich ontspannen, bijvoorbeeld door te studeren. (Het Griekse scholè betekent “vrije tijd”.) De barbaren daarentegen verbleven nooit lang op dezelfde plaats. Ze zwierven voortdurend met hun kuddes door het woeste bergland en moesten steeds oppassen voor veedieven, als ze niet zelf op strooptocht gingen. Ze waren dus permanent bewapend.

Goede smaak

Terwijl de beschaafde stedelingen hun leven door wet en ethiek lieten leiden, leefden de barbaren in geïsoleerde dorpen, waar ze zich weinig gelegen lieten liggen aan wetten en zeden. De barbaren respecteerden dus ook de wetten van de gastvrijheid niet en schrokken er niet voor terug hun gasten óf zelf op te eten óf als offer te serveren aan hun goden.

Goede smaak bestond vanzelfsprekend alleen in de steden aan de Middellandse Zee. Daar droegen goed gekapte mensen chitons, tunica’s of chique toga’s, terwijl op de randen van de aarde besnorde barbaren leefden, die gekleed gingen – als ze al gekleed gingen! – in broeken. Veel barbaarser kon het natuurlijk niet.

De vicieuze cirkel der barbarij

De barbaren zaten, in deze visie, in een vi­cieuze cirkel. Ze leefden in een onherbergzame wildernis, konden daar geen akkers bebouwen, moesten daarom op rooftocht gaan en leefden zodoende permanent in staat van oorlog. Als er al iemand op het idee zou komen een akker in te zaaien, zou hij die al gauw moeten verlaten. Voor cultuur was onder zulke existentiële omstandigheden geen ruimte, wat volgens de Grieken en Romeinen wel moest leiden tot contactstoornissen, die de barbaar menselijk gezelschap deden vermijden en de onherbergzame gebieden deden opzoeken. De enige uitweg uit al deze misère was een nederlaag tegen de Romeinen, die niet te beroerd waren om de verslagenen wat burgermansdeugden bij te brengen.

Tot het zover was, waren barbaren krijgszuchtig, opvliegend, onbetrouwbaar. Omdat ze steeds aan het vechten waren, ontbrak de tijd tot werkelijk nadenken. Ze stelden daarom kracht boven rede en hielden er een eenvoudige krijgersethiek op na. Hun leven draaide om zaken als eer en moed. Julius Caesar zette de toon met zijn beschrijving van de Nerviërs.

Toen Caesar informeerde naar hun aard en gebruiken, kwam hij het volgende te weten. Kooplui hadden in het geheel geen toegang tot deze stam. Invoer van wijn en andere luxegoederen stonden ze niet toe, want daardoor, dachten ze, zou hun moed verslappen en hun krijgslust verminderen. Het was woest, heel krijgslustig volk. (Caesar, Gallische oorlog 2.15; vert. Vincent Hunink)

Omdat de barbaren nooit lang nadachten, waren ze snel enthousiast voor een onderneming waarin ze hun moed konden bewijzen en roem verwerven. Meer in het algemeen waren ze altijd uit op verandering. Nooit verbleven ze lang op dezelfde plek, leiders werden snel vervangen, verdragen werden niet nageleefd, huwelijkstrouw kenden de barbaren niet.

Wat de Romeinen niet zagen

Althans, zo dachten de Romeinen over de volken die leefden aan de noordelijke kusten van het Europese continent. Hoe weinig het beeld overeenkwam met de werkelijkheid, blijkt wel uit het feit dat geen enkele antieke auteur de jachtwapens noemt van de bewoners van de Lage Landen, wat zeker zou zijn gebeurd als ze de jagers van het noorden in het echt hadden gezien: boemerangs zijn toch redelijk opvallend. Maar niet één bron vermeldt ze, zodat de archeologen die ze opgroeven totaal niet op deze vondsten waren voorbereid.

[Dit was een deel uit Jona Lendering en Arjen Bosman, De rand van het Rijk. Het boek is niet langer leverbaar, maar de Engelse vertaling, Edge of Empire, is dat wel en die bestelt u hier. Overmorgen nog een voorbeeld.]

#akkerbouw #antiekeGeschiedschrijving #barbaren #DeRandVanHetRijk #EdgeOfEmpire #etnografie #RandenVanDeAarde #veeteelt

Prehistorisch China

Laat-Neolithisch aardewerk uit China (Musée Guimet, Parijs)

Deze blog gaat over de antieke wereld, dus de periode tussen pak ’m beet 3000 v.Chr. en 650 na Chr. De chronologische afbakening is simpel: daarvóór hebben we vooral archeologische bewijsmateriaal, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om te komen tot werkelijke geschiedschrijving. In de westelijke periferie ligt de einddatum iets later, maar voor het economisch, stedelijk en cultureel zwaartepunt van de antieke wereld, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, vormt het jaar 650 een mooi eindpunt.

De geografische grens is minder scherp. Daarom besteed ik ook regelmatig aandacht aan de Sao– en de Nok-culturen in subsaharaal Afrika en aan de culturen van Centraal-Eurazië. De Zijderoute is een fijn thema. Zo af en toe komt dus China in beeld, zoals bij de Romeinse beschrijving van het Zijdeland en de Chinese beschrijving van de staat Dà Qín, maar ik heb nooit een echt blogje gewijd aan het Verre Oosten. Een poging dus, met een kritische paragraaf aan het einde.

De Prehistorie van China

Eerst maar dit: het antieke China (“Inner China”) was zes, zeven keer zo groot als het huidige Frankrijk en daarom is het eigenlijk wat raar om het te hebben over “het” antieke China. Feitelijk was het een verzameling antieke culturen, gesitueerd in de oostelijke helft van het huidige China. De regio bestaat uit de bassins van twee naar het oosten stromende rivieren, de Huang Ho ofwel Gele Rivier in het noorden en de Jangtse ofwel Blauwe Rivier in het zuiden. De Gele Rivier stroomt door een gebied dat bestaat uit vruchtbare lössbodems.

Laat-Neolithisch aardewerk (Mariemont, Morlanwelz)

De eerste sporen van landbouw, ergens rond 12.000 v.Chr., lijken te zijn aangetroffen in de regio ten noorden van de Blauwe Rivier. Rijst en gierst werden verbouwd vanaf het negende millennium, varkens en honden werden gedomesticeerd en het eerste beschilderde aardewerk werd zo rond 5000 v.Chr. vervaardigd. In deze periode, het Neolithicum, groeiden de sociale tegenstellingen: de elite is herkenbaar aan de aanwezigheid van jade in de graven. En zijde! Het beroemde product werd vervaardigd vanaf pakweg 4000 v.Chr.

En zoals je zou verwachten: vanaf het moment waarop kapitaal circuleerde, zijn er ook sporen van geweld. Er moeten er vorsten zijn geweest die leiding gaven aan grote groepen arbeiders, waaronder de eerste metaalwerkers. De bronstechniek lijkt ergens rond 3000 v.Chr. te zijn overgenomen van de Centraal-Aziatische nomaden: dat is tegelijk met de opkomst van het brons in de Levant, en dus een mooi voorbeeld van de wijze waarop Centraal-Eurazië ook werkelijk het centrum was van Eurazië.

Bronstijd

Na de klimaatomslag rond 2200 v.Chr., het 4,2 ka BP event waarover ik vaker heb geschreven, begint een periode die weleens wordt aangeduid als die van de Xia-dynastie. De latere Chinese teksten – die ik niet heb gelezen – presenteren de vorsten als een soort halfgoden die de overstromingen van de rivieren leren beheersen en de akkerbouw beschermen. Westerse geleerden typeren de verhalen als mythisch, Chinese geleerden denken weleens aan een reële zondvloed, en associëren de Xia-dynastie met een bronstijdcultuur in de regio Henan, aan de Gele Rivier. Die lijkt een politieke organisatie te hebben gekend die niet onverenigbaar is met de legenden.

Orakelbot (Shang-dynastie; Musée Guimet, Parijs)

De volgende dynastie heet Shang of Yin, en nam de macht over rond 1750 of 1600 v.Chr. (ik lees het allebei). Ze duurde tot 1040 v.Chr. en de negenentwintig met naam bekende vorsten beheersten een groter gebied dan alleen Henan: de hele benedenloop van de Gele Rivier en ook stukken van de Blauwe Rivier. In deze periode brak het schrift echt door, wat de administratie natuurlijk vereenvoudigde. Ik begrijp dat er discussie bestaat over de rol van sjamanisme.

De Zhou-dynastie begon als vazal van de Shang-heersers, maakte zich onafhankelijk en nam rond 1040 de macht over. Om deze machtsovername te rechtvaardigen, riepen ze het “hemels mandaat” in: het idee dat als het slecht gaat, dat komt doordat de vorst niet voldoende deugdzaam is, zijn legitimatie verliest, waarna een andere leider met toestemming van de hemel de macht overneemt, en voorspoed brengt zolang hij deugdzaam is – tot ook de nieuwe dynastie corrumpeert. De geschiedenis is zo een cyclus; in Mesopotamië bestonden soortgelijke opvattingen.

De Zhou-vorsten hadden twee hoofdsteden, Chang’an en Luoyang, en breidden hun macht geleidelijk uit over grote delen van de Chinese wereld. Wie daar buiten woonde, gold als barbaar – een ander nieuw concept.

Hert (Zhou-dynastie; Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

IJzertijd

Inmiddels begon men voorwerpen van ijzer te maken: een nieuwe uit Centraal-Azië afkomstige techniek. Wanneer je de IJzertijd laat beginnen, is een beetje een definitiekwestie. Ga je uit van de eerste ijzeren voorwerpen, dan kom je bij 1000 v.Chr.; gietijzer was gangbaar rond 600 en staal rond 400 v.Chr.

Het wezenlijk nieuwe van ijzer is dat het een democratisch metaal is: het is overal te vinden. Brons veronderstelt koper en tin, en dus langeafstandshandel, en omdat de investeringen aanzienlijk zijn, kan alleen het hof de handel financieren. De opkomst van ijzer betekent het einde van dit monopolie en het ontstaan van kleinere staten. Dat is in China niet anders dan in de Levant, waar rond het midden van de achtste eeuw de centrale Zhou-overheid concurrentie krijgt van ruim 150 kleinere staten. Feitelijk waren de feodale heren net zo machtig als de koning. Deze fase uit de Chinese geschiedenis staat bekend als de Periode van Lente en Herfst, vernoemd naar de Lente- en herfstannalen, een hofkroniek van een van die deelrijken. Het gaat om de jaren 722 tot en met 481.

Bronzen vat (Musée Guimet, Parijs)

Het was een tijd van urbanisatie – alweer een parallel met de Levant en de Mediterrane wereld. Ook de grote Chinese filosofische stelsels wortelen in deze tijd: Confucius leefde rond 500 v.Chr., Lao Zi (Lao Tse), Sun Tzu en  Mo Zi (Micius) leefden iets later.

[wordt vervolgd]

#42KaBPEvent #akkerbouw #BlauweRivier #Bronstijd #ChangAn #Confucius #GeleRivier #HemelsMandaat #IJzertijd #jade #LaoZi #Luoyang #MoZi #Neolithicum #PeriodeVanLenteEnHerfst #ShangDynastie #SunTzu #XiaDynastie #ZhouDynastie #zijde

De beelden uit Ain Ghazal

Gezicht van een beeld uit Ain Ghazal

Wie Amman, de hoofdstad van Jordanië, over de grote weg vanuit het noordoosten binnenrijdt, rijdt dwars door de Neolithische vindplaats Ain Ghazal (“de bron van de gazelle”). Deze site is dan ook ontdekt bij het aanleggen van die weg. De bouwers hadden al aanzienlijke schade aangericht toen ze begrepen dat ze boven een archeologische vindplaats aan het werk waren, en onderbraken hun werkzaamheden. Vanaf 1974 is de site gedurende een kwart eeuw onderzocht.

Neolithisering

Dat er dus al met zwaar materieel gewerkt was, had één voordeel: de stratigrafie was van begin af aan duidelijk. Eén van de eerste constateringen was dat de oudste lagen behoorden tot het zogeheten Prekeramisch Neolithicum.

Achter deze jargonterm gaat een belangrijk inzicht schuil. Aanvankelijk dachten prehistorici dat het Neolithicum begon met drie samenhangende uitvindingen: landbouw, sedentair leven en aardewerk. Later bleek die samenhang niet zó noodzakelijk: zo waren in Egypte de eerste landbouwers niet sedentair – boeren zonder boerderijen. Elders in de Levant, zoals in Jericho, documenteerden allerlei opgravingen landbouw zonder aardewerk: een Prekeramisch Neolithicum dus. De tijd van neolithisering (om er nog eens een andere jargonterm tegenaan te gooien) duurde vanaf pakweg 9.700 v.Chr., het einde van de laatste ijstijd, tot een klimaatcrisis ongeveer 6300 v.Chr. Geologen noemen deze periode het Greenlandiaan – ik schreef er al eens over.

Ain Ghazal

Ain Ghazal

Dankzij betere dateringsmethoden kunnen archeologen inmiddels allerlei subfasen onderscheiden. Die hebben fantasierijke namen als Midden-Prekeramisch Neolithicum B. In die tijd, tussen 7200 en 6600 v.Chr., ontstond ook Ain Ghazal, waar men dus al deed aan akkerbouw. Ten tijde van de klimaatcrisis was de nederzetting uitgegroeid tot een stadje van ruim 2000 inwoners.

Door de klimaatomslag en uitputting van de bodem raakt Ain Ghazal echter in verval, zodat men, ongeveer tegelijk met de introductie van het aardewerk, overschakelde op veeteelt. De plek werd zo rond 5200 v.Chr. eigenlijk alleen nog bezocht door nomaden. Het stadje had twee millennia bestaan.

Oeroude sculptuur

In de jaren tachtig zijn in Ain Ghazal in twee putten een stuk of dertig standbeelden gevonden, waarvoor ik zo snel geen parallellen ken. Ze dateren uit het millennium tussen 7200 en 6200 v.Chr., zijn ongeveer half zo groot als echte mensen en zijn nogal plat – ik denk zo’n tien tot vijftien centimeter dik. Het zijn mannen en vrouwen, en eigenlijk zijn alleen de gezichten een beetje gedetailleerd weergegeven. Met bitumen zijn de ogen getekend; bovenop lijken deze beelden een pruik te hebben gedragen.

Een van de beelden uit Ain Ghazal (Louvre, Parijs)

De beelden zijn gevormd door eerst een skelet te maken van riet en dat vervolgens met gips te bestrijken. Deze methode is niet heel gangbaar, want het resultaat is een beeld dat weliswaar waterafstotend is maar erg kwetsbaar. Vermoedelijk zijn de beelden dan ook niet gemaakt om te worden opgericht, maar om meteen te worden begraven. Zoiets heet een depositie.

Waarom deed men zoiets? Wie een stuk of wat beelden vervaardigt en begraaft, zal daar redenen voor hebben die we – de Eerste Hoofdwet van de Archeologie zijnde de Eerste Hoofdwet van de Archeologie – gemakshalve maar religieus zullen noemen. Dat moet iets eenmaligs zijn geweest, want anders vonden archeologen wel meer putten waarin dit soort beelden waren bijgezet.

Vragen te over

Twee eeuwen later werd het ritueel herhaald. Wat ik niet snap, is hoe de bewoners van Ain Ghazal zich hebben herinnerd wat men zeven, acht generaties eerder had gedaan. Waren er depositie-specialisten die wisten hoe zo’n beeldenput moest worden gemaakt, en deden ze dat vaker? Waar zijn dan de andere putten? Of gaf men mondeling door hoe het moest en realiseerde men zich na twee eeuwen dat het moment was aangebroken om het oude ritueel te herhalen? Of kloppen de dateringen niet en zijn de twee putten ruwweg gelijktijdig, binnen één generatie?

Tweehoofdig beeld uit Ain Ghazal (Jordan Museum, Amman)

En dan is er nog iets. De meeste beelden tonen het hele lichaam, maar er zijn ook losse hoofden gevonden. Zoals gezegd: het deel van het lichaam dat het meest was uitgewerkt. Het is echter ook het deel van het lichaam dat de bewoners van Ain Ghazal bij een uitvaart nogal eens los sneden en apart begroeven. Dit gebruik kennen we ook uit andere plaatsen, zoals Jericho. Het hoofd had – en heel onbegrijpelijk is dat niet – blijkbaar een speciale status. Is er een verband met de beelden die twee hoofden hebben? Ook die heb ik elders gezien, overigens. Informed guess: dit kan te maken hebben met de verering van voorouders. Maar het blijft een gok.

Tot slot: de gipssculptuur uit Ain Ghazal golden als de oudst bekende standbeelden, tot in Sanli Urfa dat wonderlijke stenen beeld van een masturberende man opdook.

[Dit was het 489e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#aardewerk #AinGhazal #akkerbouw #Amman #depositie #EersteHoofdwetVanDeArcheologie #Jordanië #neolithisering #PrekeramischNeolithicum #sculptuur #veeteelt

Van tevoren wissten we al: dit is goede landbouwgrond, ook met potentie voor #akkerbouw. We zijn op dit moment bezig met bodemonderzoek want deze gronden hebben een deels industrieele geschidenis door de steenfabriek die hier stond. Gelukkig zijn we tot nu nog geen giftige stoffen zoals zware metalen in ons bodemanalyse tegen gekomen.

3/

@BrabantsBurgerplatform @SandraDeHaan dit is een aardige doorbraak. Io denk dat Trouw hier gelijk heeft dat het (uiteindelijk) grote gevolgen kan hebben.

📸 uit artikel ⤴️

#RvS #Lelieteelt #akkerbouw