De olifanten van Hannibal

Karthaagse munt uit Spanje (British Museum)

Nee, archeologen hebben in Spanje géén olifant ontdekt uit het leger van Hannibal. Of, iets genuanceerder: het is een stuk waarschijnlijker dat de ontdekte dikhuid niet komt uit de tijd van Hannibal dan wel.

De claim

Eerst de claim, zoals gemeld in de media. De NU.nl meent dat het opgegraven bot “naar alle waarschijnlijkheid bewijst dat de beroemde veldheer Hannibal Barka met olifanten de Alpen is overgetrokken”. Dat is nooit de vraag geweest en dat is ook niet wat de onderzoekers beweren. De NOS kopt dat het bot “mogelijk bewijs voor tocht Hannibal door Europa” vormt. Ik zal deze twee stukjes verder onbesproken laten en meteen doorgaan naar de wetenschappelijke publicatie, die weliswaar achter betaalmuren ligt, maar die iemand met me heeft gedeeld (bedankt!).

Eerlijk gezegd dacht ik: het is niet zonder reden dat de onderzoekers dit stuk wetenschap achter academische betaalmuren hebben verborgen. Het is een prachtvoorbeeld van een te snelle conclusie, en ongetwijfeld hebben ze erop gespeculeerd dat de nieuwssites toch niet weten dat een koolstofdatering geen datering is.

Slagtanden uit het Bajo de la Campana-wrak (Museum voor Onderwaterarcheologie, Cartagena)

De vondst

Er is inderdaad een olifantenbot gevonden. Mooi. Dat is leuk. We hadden allang olifantenmateriaal uit Karthaags Spanje (gevonden in een wrak in de Bajo de la Campana), maar dat is vrijwel zeker import. Het bot op deze plek suggereert dat deze olifant op de uiterwaarden van de Guadalquivir heeft gegraasd en dus in Spanje leefde.

Maar ja, met die mededeling win je geen publiciteit. Dus wordt Hannibal erbij gehaald. Mythische naam. Aandacht gegarandeerd.

De ouderdom

Alleen: de ouderdom klopt niet echt. Er is een koolstofdatering, en een koolstofdatering is geen datering maar de waarschijnlijkheid van een datering. Loop even mee.

(Uit: Rafael M. Martínez Sánchez e.a., “The elephant in the oppidum” in: Journal of Archaeological Science: Reports 69 [2026] 105577.)Links ziet u de meting zelf, als een roze, driehoekachtige vorm – de waarschijnlijkheidscurve. Die geeft de waarschijnlijkheid aan van de (aan de hand van radioactief verval) gemeten ouderdom. De piek zit ergens bij 2250 jaar vóór het peiljaar 1950, wat je gemakkelijk kunt omrekenen tot “pakweg 300 v.Chr.” Dat is iets vroeger dan de tijd van Hannibal.

Het probleem zit echter dieper. Dat is dat er op de gemeten ouderdom een correctie nodig is voor de natuurlijk aanwezige radioactiviteit, die namelijk varieert. Deze correctie staat bekend als kalibratie. U leest hier wat dat is.

Simpel uitgelegd: we kijken naar de wijze waarop de piek in de roze waarschijnlijkheidscurve correspondeert met de blauwe curve en komen zo tot een nieuwe waarschijnlijkheidscurve, die is aangegeven in grijs.

En nu is de kans op een datering ineens een heel andere. Met 68% waarschijnlijkheid stamt het monster uit een van de twee tijdvakken tussen 389 en 355 v.Chr. en 281 en 232 v.Chr. De voor Hannibals Alpencampagne relevante datering zou rond 220 v.Chr. liggen, en dat ligt dus buiten deze twee tijdvakken. We kunnen de waarschijnlijkheidsmarge verbreden tot 95%, en dan is er helemaal rechts in de curve inderdaad wat ruimte. Een paar procent. Vandaar: de kans dat het gevonden bot niet met Hannibal te maken heeft, is vele malen groter dan dat het bot wel stamt uit zijn tijd. Kortom: niets aan de hand.

Of beter: we weten iets meer over de fauna van Karthaags Andalusië. Ook leuk, maar alleen voor specialisten. Het levert de archeologen geen exposure op. Dus hebben ze hun vondst maar gehypet. Om niet te zeggen: zó zeer gehypet dat het grenst aan misleiding.

Welke olifant?

Bevat het artikel nou echt niks leuks? Ik had even de hoop dat de archeologen hadden kunnen vaststellen welke olifantensoort dit was: een Indische olifant, een Afrikaanse savanne-olifant of een Afrikaanse bos-olifant? Van de eerste soort staat vast dat de Seleukidische heersers die inzetten, maar de Karthagers lijken daarover niet te hebben beschikt. Resteren de twee Afrikaanse olifanten. De savanne-olifant is enorm en zou, met een toren erop, een heel ander wapen zijn dan de kleinere bos-olifant, die antieke generaals konden inzetten als een groot soort paard. Voor het begrip van de Karthaagse tactiek maakt dus uit welk soort olifant de Karthagers kenden.

Er is een sterk vermoeden dat de Karthagers savanne-olifanten inzetten. Maar meer bewijs is welkom. De onderzoekers hebben geprobeerd het te vinden. Helaas kwamen ze daar niet achter. Dat zeggen ze dan weer wél eerlijk.

Advies voor journalisten

Advies voor journalisten: schrijf maar liever niet over archeologie. De kans dat je ten onrechte schrijft over iets dat geen nieuws is, is vele malen groter dan de kans dat je ten onrechte niet schrijft over iets dat wél nieuws had behoren te zijn.

#BajoDeLaCampana #fauna #Hannibal #HannibalInDeAlpen #koolstofdatering #kwakgeschiedenis #Mazarrón #olifant #waarschijnlijkheid

Het Ware Kruis (1)

Helena (Capitolijnse Musea, Rome)

In het jaar 326 bezocht Helena, de moeder van Constantijn de Grote, het Heilig Land. Haar zoon had haar kort daarvoor de rang van augusta gegeven, wat je zou kunnen vertalen als “keizerin”, al betekent het niet dat ze beleid kon maken, uitvoeren of controleren. Ze had echter wél toegang tot de keizerlijke schatkist en kon daardoor het initiatief nemen tot bouwprojecten. In Betlehem legde ze de eerste steen voor de Geboortekerk, in Jeruzalem voor een kerk op de Olijfberg. Een van de aanwezigen was bisschop Eusebios van Caesarea, die enkele jaren later in zijn Leven van Constantijn verslag deed van het bezoek en de werkzaamheden.noot Eusebios, Leven van Constantijn 3.41-42.

Kruisvinding

Wat hij daarbij niet vermeldt, is dat Helena bij die gelegenheid het Ware Kruis zou hebben gevonden: het kruis waaraan Jezus dood zou zijn gemarteld. Christenen hebben de vondst eeuwenlang herdacht met het feest van de Kruisvinding.

Een latere legende vertelt dat Helena op de plek van de Grafbasiliek niet minder dan drie kruisen zou hebben gevonden en had vastgesteld welk het echte was, door het houtwerk te gebruiken om een zieke mee aan te raken. Bij het Ware Kruis genas deze in een handomdraai. De keizerin nam dat kruis mee naar Rome, waar het nog eeuwenlang vereerd zou worden in een kerk die was ingericht in een voormalig keizerlijk paleis, de kerk van Santa Croce in Gerusalemme.

De kapel bestaat nog steeds en u vindt er ook het bordje met het opschrift “Jezus van Nazaret, koning der Joden”, de spijkers waarmee Jezus werd vastgenageld aan het hout, doornen van de doornenkroon, een stukje van de paal waaraan Jezus was vastgebonden bij de geseling, de dwarsbalk van het kruis van de goede moordenaar, een vinger van de ongelovige Thomas en – de laatste keer dat ik er was – een bisschoppelijk goedgekeurde expositie die betoogde dat de Lijkwade van Turijn echt authentiek was en dat wetenschappers met hun koolstofdateringen er niks van begrijpen. Getuige het beledigende mailtje dat ik vorige week ontving zijn er nog steeds mensen die niet willen begrijpen wat wetenschap is.

De kapel in de Santa Croce, Rome

Vroege kruisverering

De legende is pas later ontstaan en de vraag dringt zich op waar ze vandaan komt. Eén ding is zeker: Eusebios weet van niets, terwijl hij een ontdekking als deze, als hij er bij was geweest, zeker niet onvermeld zou hebben gelaten. Maar er circuleerden al verhalen over het kruis. Het tweede-eeuwse, apocriefe Evangelie van Petrus bevat bijvoorbeeld een exuberante beschrijving van Jezus’ opstanding, waarbij – ik verzin het ook niet – het kruis sprekend wordt opgevoerd.

Deze tekst illustreert dat er mensen waren die het kruis beschouwden als een belangrijk onderdeel van hun geloof. Een inscriptie uit de omgeving van het Algerijnse Sétif documenteert de verering van “hout van het kruis uit het Beloofde Land” in het jaar 359.noot EDCS-70200001.. Je zou je kunnen voorstellen dat geestelijken die wilden benadrukken dat Christus weliswaar goddelijk was maar ook echt als mens had geleden, lichamelijk dus, als eersten het materiële aspect van de kruisiging hebben benadrukt. Er was in elk geval voldaan aan de voorwaarden om relikwieën van het kruis te gaan vereren.

De eerste zekere vermelding van de verering van het kruishout in Jeruzalem is te vinden bij Egeria, een voorname pelgrim die Jeruzalem bezocht rond het jaar 383. Ze vertelt:

Dan wordt een zetel voor de bisschop neergezet, achter het kruisbeeld dat daar nu staat. De bisschop neemt plaats op de zetel; een tafel met een linnen kleed wordt voor hem neergezet en rondom de tafel staan dia­kens. Dan brengt men een verguld zilveren kistje met daarin het heilige hout van het kruis: het wordt geopend en men haalt het eruit en het wordt op de tafel gezet, zowel het hout van het kruis als het opschrift.

Zodra dat op tafel is gezet, houdt de bisschop met beide handen, zittend, de uiteinden van het heilig hout vast, terwijl de rondom staande diakens het bewaken. De reden van die bewaking is deze: het is gewoonte dat men een voor een naar voren komt, heel het volk, zowel gelovigen als doopleerlin­gen, en voorover buigt naar de tafel, het heilig hout kust en dan verder loopt; maar ooit, ik weet niet wanneer, heeft iemand naar men zegt erin gebeten en een stukje van het heilig hout gestolen. Daarom wordt het nu door de rond­om staande diakens bewaakt, zodat niemand die naar voren komt dat nog eens durft te doen.noot Egeria, Reisverslag 37; vert. Vincent Hunink.

Uit de daarop volgende jaren zijn meer verslagen, waarin we de legende beginnen te herkennen. Misschien is er overigens een vermelding vóór Egeria. Kyrillos, die tussen 350 en 386 bisschop was van Jeruzalem, noemt dat in de Grafbasiliek Golgotha werd vereerd en dat “de hele wereld is gevuld met stukken kruishout”.noot Kyrillos van Jeruzalem, Mystagogische Katechese 4.10 en 13.4. Hoewel hij niet expliciet zegt dat ook in Jeruzalem het kruis werd vereerd, lijkt het er wel op. Het probleem is dat de datering van deze tekst niet helemaal duidelijk is. Steeds meer onderzoekers plaatsen ze tegen het einde van Kyrillos’ leven of nemen aan dat de teksten niet door hemzelf zijn geschreven.

Constantijn en Helena (Madaba)

Dit lijkt zeker: er circuleerden al vroeg verhalen over het kruis; relieken werden al vroeg overal vereerd; na 380 is er documentatie voor verering van het kruis in Jeruzalem. Je zou zeggen: het begon met de verering van crucifixen, waaruit in het derde kwart van de vierde eeuw de verering van het Ware Kruis in Jeruzalem is ontstaan, samen met de kiemen van een legende dat dit stuk hout door Helena was gevonden tijdens de regering van Constantijn.

[Wordt vervolgd]

#ConstantijnDeGrote #Egeria #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanPetrus #Golgotha #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Jeruzalem #koolstofdatering #Kruisvinding #KyrillosVanJeruzalem #LijkwadeVanTurijn #Sétif #WareKruis

Hoe dateer je een rotstekening of graffito?

Safaïtische inscriptie (Wadi Rum)

Een van de beroemdste blunders van de ooit onvermijdelijke egyptoloog Zahi Hawass was dat hij eens zei dat hij een koolstofdatering had gedaan van een inscriptie op een steen. Elke student weet dat zoiets niet mogelijk is. Alleen organisch materiaal ademt, alleen organisch materiaal neemt radioactieve koolstof op, alleen organisch materiaal sterft en stopt dan met koolstof opnemen, en daarom kan de mate van radioactiviteit alleen bij organisch materiaal dienen voor een datering. Hoe minder hoe ouder.

Maar als het niet met koolstof kan, hoe bepalen wetenschappers de ouderdom van inscripties, graffiti en rotstekeningen dan wel? Dit is een heel belangrijke vraag, aangezien het oudheidkundig databestand de afgelopen kwart eeuw is uitgebreid met tienduizenden Arabische graffiti. Ik overdrijf niet; u kunt ze bekijken op de website OCIANA. Die teksten kunnen kort en lang zijn, en ze vertegenwoordigen alle talen en dialecten van de Arabische taalfamilie, maar om deze schat aan informatie te kunnen benutten, moet je het materiaal kunnen dateren. Gelukkig zijn er verschillende methoden.

Relatieve datering

Om te beginnen kunnen archeologen, als er diverse tekeningen en letters zijn gekrast in een rots, kijken naar de kleur van de verwering. Het oppervlak van een rots in de woestijn is vaak wat donkerbruin, wat duidt op mangaan en ijzer – of eigenlijk: roest. Als je een kras maakt, krijg je een groef die lichter van kleur is. De verwering begint na het maken van de groef echter opnieuw, en in de loop der eeuwen wordt zo’n groef steeds donkerder, tot uiteindelijk de kleur niet meer van de omgeving is te onderscheiden. Hieruit volgt dat de inscripties die licht van kleur zijn, jonger zijn dan donkere. Anders gezegd: de mate van verwering helpt de relatieve chronologie vaststellen – we weten (min of meer) in welke volgorde de inscripties zijn vervaardigd.

Drie niveaus van verwering: het jongst is de beschadiging rechts, het oudst zijn de giraffen, en het mannetje links zit daar tussenin.

De relatieve chronologie kan vanzelfsprekend ook worden vastgesteld wanneer iemand een nieuwe graffito, rotstekening of inscriptie heeft geplaatst over een oudere. Met deze twee methoden kan de ontwikkeling van de rotskunst en de ontwikkeling van het schrift worden bepaald, en wordt een stilistische datering mogelijk. We weten bijvoorbeeld dat de oudste rotstekeningen in Libië bestonden uit afbeeldingen van heel grote wilde dieren, waar jagers opvallend klein bij stonden. Dit heet de “Periode van de Wilde Fauna”.

Een heel klein mannetje en een heel grote olifant uit de Wilde Fauna-periode (Wadi Mathendous)

In Saoedi-Arabië gaat daaraan nog de tijd van de zogeheten “curvy women” vooraf. In beide regio’s verschijnen later afbeeldingen van vee en worden de mensen afgebeeld met afmetingen die realistischer zijn in verhouding tot de dieren. Schrift komt nog later.

Absolute datering

Uiteraard willen we niet alleen weten wat vroeger en later was. We willen de dingen koppelen aan onze eigen jaartelling: een absolute datering. Ik heb al eens verteld dat de Libische rotstekeningen zijn gedateerd aan de hand van wat is afgebeeld: het eerste vee werd in Libië gedomesticeerd rond 4000 v.Chr., het paard maakte rond 400 v.Chr. zijn opwachting en de dromedaris pas rond 200 v.Chr. Zien we dus een paard, dan is de afbeelding vervaardigd ná 400 v.Chr. In Saoedi-Arabië bestaat een soortgelijk lijstje uit de dadelpalm (3000 v.Chr.), de dromedaris rond 1100 v.Chr. en het paard omstreeks 500 v.Chr.

Op dat moment zijn er al diverse schriftsoorten, zoals het Zuid- en Noord-Arabisch en het Aramees. Het Nabatees en het klassieke Arabische schrift volgen later. In het westen zijn er de Berber-alfabetten. Ze hebben allemaal hun eigen ontwikkeling, en paleografen kunnen een tekst aan de hand daarvan enigszins dateren. De inhoud zelf helpt natuurlijk ook. Er kunnen bijvoorbeeld koningen worden genoemd die we ook van elders kennen. Nog een meevaller: al vóór de islamitische kalender begon, waren er kalenders op het Arabische Schiereiland.

Dedanitische inscripties

Tot slot zijn er laboratoriumtechnieken. De Saoedische archeologische dienst onderzoekt momenteel of de dikte van een verweringslaag iets zegt over de ouderdom, maar dat is nog experimenteel. Experimenteel is ook een methode om de micro-erosie van kwartskorreltjes in de groeven te meten en die te ijken aan de hand van gedateerde inscripties.

Kortom: in Saoedi-Arabië wordt niet alleen het databestand snel uitgebreid, maar worden ook nieuwe methoden ontwikkeld. We mogen nieuwe soorten inzicht verwachten – en gewone inzichten zijn er al volop. Een recente synthese over de geschiedenis van het Romeinse Rijk, geschreven door Greg Fisher, heette The Roman World from Romulus to Muhammad, want het is steeds duidelijker dat het ontstaan van het Kalifaat en de opkomst van de islam niet zozeer middeleeuwse geschiedenis zijn, als wel la grande finale van de Oudheid.

#absoluteDatering #ArabischSchrift #ArabischeTalen #chronologie #dromedaris #GregFisher #inscriptie #koolstofdatering #Libië #OCIANA #paard #palmboom #PeriodeVanDeWildeFauna #relatieveDatering #SaoediArabië #WadiMathendous #ZahiHawass

Paleoproteomics

Karthaagse munt uit Iberië; dankzij paleoproteomics is vast te stellen welke olfantensoort dit is (British Museum)

Ik heb al vaker geblogd over bioarcheologische onderwerpen, zoals het DNA-onderzoek en het isotopenonderzoek. Over antieke eiwitten (proteïnen) heb ik het echter nog niet gehad, maar die zijn wel de moeite waard. Het is bijvoorbeeld mogelijk om in antiek aardewerk na vele eeuwen nog sporen te vinden van bijvoorbeeld zuivel. Zo kunnen onderzoekers uitspraken doen over de toenmalige voeding, wat weer kan leiden tot inzicht in de toenmalige volksgezondheid. Ook zijn uitspraken mogelijk over antieke ziektes. Een team uit Nottingham is er bijvoorbeeld in augustus 2023 in geslaagd om oeroude antistoffen te identificeren in het tandglazuur van iemand die ooit afweer had opgebouwd tegen het virus dat de ziekte van Pfeiffer veroorzaakt.

De monsters zijn niet alleen uit tandglazuur te nemen, maar ook uit botmateriaal, tandsteen, keramiek, textiel, perkament en papyrus. Een van de voordelen van dit type onderzoek, dat wel wordt aangeduid als paleoproteomics, is dat eiwitten opvallend goed bewaard blijven. Eitwitonderzoekers kunnen daardoor dieper het verleden in dan bijvoorbeeld hun collega’s die zich bezighouden met antiek DNA.

Massaspectroscopie

Dit type onderzoek is jong. Om macromoleculen als eiwitten te analyseren is namelijk een betrekkelijk nieuwe techniek verondersteld, die de onderzoekers aanduiden als massaspectroscopie. Die naam is een beetje misleidend. Bij spectroscopie bepalen analisten de samenstelling van een monster door er licht op te werpen; het monster weerkaatst dat licht op verschillende golflengten, die verraden waaruit het monster bestaat. Massaspectroscopie heeft hiermee niets te maken; het gaat niet om golflengtes.

Ik ben nu een beetje buiten mijn veld, maar zal proberen uit te leggen hoe het wel werkt. (Ik houd me aanbevolen voor verbetering.) Bij massaspectroscopie sublimeren analisten een monster – het verandert dus in één klap van een vaste stof in een gas zonder de gebruikelijke tussenstap van vloeistof – en ioniseren het. Doordat elk geïoniseerd atoom in een magnetisch veld een eigen baan volgt, raken ze de detector op verschillende plaatsen, en daarmee hebben we de signatuur van het monster. Dat signatuur is dus niet gebaseerd op golflengte maar op massa en lading.

Een van de eerste oudheidkundige toepassingen van massaspectroscopie was bij koolstofdateringen. Traditioneel werkten analisten met geigertellers en dat kon uren, dagen duren. De waarschijnlijkheidsmarges waren breed. Nu sublimeren ze het monster en hebben ze snel een meting met een smalle marge; de scherpe datering van de Lijkwade van Turijn is het beroemd vroeg voorbeeld.

Eiwitten

Het sublimeren van een monster is redelijk verwoestend. Eind vorige eeuw slaagden scheikundigen er echter in de methode te verfijnen door het monster vloeibaar te maken. Dit heet zachte ionisatie. Bijkomend voordeel was dat de monsters nog kleiner konden zijn. De ontwerpers van deze methode kregen daarvoor in 2002 de Nobelprijs.

Hiermee was de analyse van oer-, oeroude eiwitten binnen handbereik gekomen en verwierven oudheidkundigen een nieuw venster op de wijze waarop mensen in de Prehistorie, Oudheid en Middeleeuwen omgingen met dieren en met hun leefomgeving. Ook paleontologen hebben een schat aan informatie gekregen.

Onlangs heeft het Metropolitan Museum in New York zestien honderden tot duizenden jaren oude ivoren voorwerpen laten onderzoeken door een laboratorium in Bordeaux. Daarbij volstonden superkleine monsters, die hooguit enkele nanogrammen wogen. Evengoed viel een massaspectrogram te maken waarin allerlei aminozuren herkenbaar waren, waarmee viel vast te stellen van welke dieren het ivoor afkomstig was: een laatmiddeleeuws schaakstuk bleek bijvoorbeeld gemaakt te zijn van de tanden van een potvis. Andere voorwerpen waren gemaakt van het gewei van een hertachtige.

achtige: hier zit vooralsnog een probleem. We zouden preciezer willen zijn: er bestaan vele tientallen hertensoorten, die ruwweg dezelfde aminozuursequenties hebben. De uitdaging waarvoor de onderzoekers staan, is het verfijnen van de database.

Paleoproteomics en olifanten

Wat ons brengt bij de Afrikaanse olifanten. Het ivoor van hun slagstanden lijkt sterk op dat van nijlpaarden. Het is met ramanspectroscopie, waarover ik al eerder schreef, uit elkaar te houden, maar inmiddels is de paleoproteomische database verbeterd.

En daarmee komt de oplossing in zicht voor dat grote raadsel der antieke krijgsgeschiedenis, dat uiterst der oudheidkunde: welke olifanten zetten de Ptolemaïsche Egyptenaren en Karthagers in? Zeker geen Indische olifanten, maar welke Afrikaanse soort? De grote savanneolifant, die is uit te rusten met torens, of de kleinere bosolifant, die eerder een groot uitgevallen soort paard is? Ik heb het vraagstuk al eens uitgelegd; het lijkt vervuild te zijn geraakt door een opmerking van de geschiedschrijver Polybios, die ergens opmerkt dat de Egyptische olifanten kleiner waren dan de Indische olifanten van hun tegenstanders. Dat zou duiden op bosolifanten, en er is geopperd dat savanneolifanten moeilijker te trainen zouden zijn. Die hypothese is vervolgens een quasi-zekerheid geworden, door iedereen overgeschreven en naverteld, maar nooit getoetst.

Er is op verschillende plaatsen Karthaags ivoor gevonden, en we zullen de uitkomst binnen een paar jaar wel horen. Ik ben benieuwd. Want het is toch wel opvallend dat de olifanten waarom Hannibal zo beroemd is geworden, in geen enkele veldslag een beslissende rol hebben gespeeld: op de Povlakte schrikten ze de Romeinen niet af en in Zama sloegen ze op hol. Misschien waren het kleine bosolifanten waar de Hannibals tegenstanders niet bang voor waren, wellicht waren het – daarop duidt het eerste DNA-bewijs – grote savanneolifanten en waren ze inderdaad slecht te trainen.

Wie zal het zeggen? Uiteraard is de krijgsgeschiedenis niet zo belangrijk, maar het feit dat oudheidkundigen antiek eiwit kunnen analyseren is dat wél. Zoals gezegd: paleoproteomics openen een nieuw venster op de wijze waarop mensen in de Oudheid omgingen met dieren en met hun leefomgeving.

[Bron. De oudheidkundige wetenschappen bieden meer dan feitjes, wistjedatjes en trivaliteitjes. Het zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van vergelijkbare stukjes is daar.]

#bioarcheologie #DNAOnderzoek #eiwitten #Hannibal #isotopenonderzoek #ivoor #koolstofdatering #krijgsgeschiedenis #LijkwadeVanTurijn #massaspectroscopie #MetropolitanMuseum #nijlpaard #Nobelprijs #olifant #paleoproteomics #potvis #ramanspectroscopie #virus #ziekteVanPfeiffer

Wiggle matching

Een voorbeeld van wiggle matching. Verticaal de koolstofdatering, horizontaal de gekalibreerde datering, de blauwe band is de kalibratiecurve, en in grijs acht metingen die op de curve passen.

Het vaststellen van de chronologie is een van de meer fundamentele aspecten van de oudheidkunde. Wie de volgorde van gebeurtenissen en ontwikkelingen niet kent, kan bijvoorbeeld geen uitspraken doen over causaliteit. Geschiedvorsing, dus het zoeken naar verklaringen voor gebeurtenissen uit het verleden, is daarmee simpelweg onmogelijk. Wat resteert is een statische beschrijving van “de” cultuur van deze of gene regio. Daarover kunnen archeologen en classici overigens nog altijd boeiende dingen vertellen, maar je zou méér willen dan een statische beschrijving van een samenleving; je wil de dynamiek begrijpen en de krachten achter die dynamiek. En dat veronderstelt kennis van de chronologie.

Waar geschreven teksten geen houvast bieden, trekken twee paarden de kar: de koolstofmethode en de jaarringmethode. Ze versterken elkaar. De kalibratie van een koolstofdatering gebeurt aan de hand van jaarringen en omgekeerd kunnen we jaarringreeksen ijken door middel van door koolstofdateringen. Dat klinkt op het eerste gezicht wat onlogisch, omdat een jaarringreeks preciezer is dan een koolstofdatering, maar regelmatig sluit in een regio de ene jaarringreeks niet aan op de andere. De wiggle matching van de koolstofkalibratiecurve helpt dan om de delen in elk geval ongeveer te plaatsen.

Het ijken van een jaarringreeks

Voor zover ik weet is dit bedacht door de Amerikaanse archeoloog Peter Kuniholm,noot Of beter: de publicatie die ik hieronder beschrijf, was de eerste keer dat ik het tegenkwam. die voor Griekenland een reeks had die zich vanuit het heden neerwaarts uitstrekte tot het jaar 363 na Chr. Daarmee valt dus de hele Byzantijnse periode messcherp te dateren. Maar je wil dieper en hij bezat een reeks van anderhalf millennium lang, die zich uitstrekte van een onbekend moment in de Vroege of Midden-Bronstijd tot een onbekend moment in de IJzertijd. Tussen de twee reeksen zat dus een lacune.noot Voor zover ik weet is die er nog altijd maar zal die vroeg of laat wel zal worden overbrugd..

De door Kuniholm benutte truc was dat hij zestien koolstofmonsters uit de oudste jaarringenreeks nam. De onderlinge afstand tussen die monsters was precies bekend. Hij kon nu tussen de verschillende koolstofdateringen een curve trekken, die een verloop moest hebben dat zou lijken op een deel van de kalibratiecurve. Die verloopt immers de ene keer steil neerwaarts en de andere keer tergend langzaam. Door vergelijking van de hobbeligheid van de twee curves, wiggle matching, kon hij zo’n “zwevende” jaarringreeks toch vastpinnen. In dit geval was de oudste reeks te plaatsen tussen 2220 en 718 v.Chr.. Dat het principe ook werkelijk klopte, bleek uit het feit dat sommige jaarringen bleken te corresponderen met enkele bekende vulkaanuitbarstingen.

Het Hallstatt-plateau

Er is een tweede toepassing. De kalibratiecurve loopt, zoals gezegd, soms steil neerwaarts en soms tergend langzaam. Dat laatste heet een plateau en het beruchtste voorbeeld is het zogeheten Hallstatt-plateau tussen ca. 770 en ca. 420 v.Chr., vernoemd naar de IJzertijdcultuur die in deze tijd bestond in West-Europa. In deze periode vallen gekalibreerde koolstofdateringen opvallend breed uit. Door wiggle matching valt dat te verhelpen, lees maar hier.

Mits je de afstand in tijd tussen je koolstofmonsters kent, mits je genoeg koolstofmonsters hebt, mits je rekening houdt met een reeks verstorende factoren. En vooral: mits je – een koolstofdatering is geen datering maar een kans op een datering – vóór de kalibratie al zo smal mogelijke marges hebt. Want als de marges erg breed worden, is het heel lastig er een curve doorheen te trekken die maar op één manier op de kalibratiecurve past.noot Als u goed naar bovenstaand plaatje kijkt, ziet u dat de achtste meting eigenlijk niet goed past.. Zo blijft er gelukkig nog wat te puzzelen over.

#chronologie #dendrochronologie #HallstattPlateau #koolstofdatering #PeterKuniholm #wiggleMatching

Oudheidkunde en oudheidkundes - Mainzer Beobachter

Er bestaat niet één oudheidkunde maar er bestaan allerlei oudheidkundes en dat is jammer want er is maar één Oudheid.

Mainzer Beobachter

Faits divers (33): archeologie

Cucuteni-Tripolje-aardewerk (Neues Museum, Berlijn)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer allerlei leuke archeologische berichten.

***

De eerste steden

Het traditionele, en op zich niet onjuiste, verhaal over de eerste steden is dat hun ontstaan hand-in-hand ging met de groei van sociale stratificatie. Bijvoorbeeld doordat er meer boeren waren, meer opbrengsten, meer noodzaak tot organisatie, en dus een centrale leider, die zijn macht onderstreepte met monumentale bouw. Dit is vanzelfsprekend altijd een grove generalisatie geweest. Een schema, zeg maar, om de gedachten te ordenen. De vondsten in Göbekli Tepe bewijzen dat al in een samenleving van jagers en verzamelaars monumentale architectuur mogelijk is, dus er is geen enkele reden monumentaliteit onlosmakelijk te verbinden met steden of zelfs maar landbouw.

De laatste kwart eeuw is er veel meer aandacht gekomen voor “mega-sites” die wel stedelijk ogen maar geen opvallend grote sociale stratificatie kennen. Sovjet-archeologen attendeerden er lang geleden al op dat in het gebied van de Skythen – zeg maar Oekraïne – enkele knotsen van nederzettingen bekend waren, zonder aanwijzingen voor maatschappelijke ongelijkheid. Dat paste mooi bij theorieën over een oercommunisme, dus het oogde wat verdacht. Maar inmiddels is er meer belangstelling voor, en het helpt dat onderzoekers met Lidar meer van zulke nederzettingen vinden.

Een recent artikel in Nature gaat over de Cucuteni-Tripolje-cultuur, zeg maar 4500-3000 v.Chr. in Roemenië, Moldavië en Oekraïne. U kunt die kennen van de Racines-expositie in Luik. Het artikel legt voorbeeldig uit welke complicaties er zijn bij het onderzoek naar de egalitaire samenlevingen van de vroegste Europese steden, even oud als pakweg Uruk.

De Maghreb

De Maghreb kom er in de oudheidkundige literatuur beroerd vanaf. Toen ik schreef over het handboek van De Blois en Van der Spek, viel me op dat de Numidiërs niet of nauwelijks werden vermeld, hoewel ze een beslissende rol speelden in zowel de Eerste als de Tweede Punische Oorlog. De Maghreb was echter een van de welvarendste gebieden in de Oudheid, met in de Romeinse tijd 600 steden (ter vergelijking: Gallië had er zestig). De verklaring voor de welvaart is dat op de Hautes Plaines van Algerije de regenval voorspelbaar was. Je wist als boer precies wat je kon verwachten, wat in Italië en Griekenland niet het geval was.

De vallei van de rivier de Baht in het noordwesten van Marokko is iets anders dan Algerije. Het is geen hoogvlakte maar een riviervlakte. Evengoed is het een vruchtbaar gebied, waar de Karthagers al ten tijde van Hanno de Zeevaarder factorijen bouwden. Er viel wat te halen. Recent onderzoek toont dat de landbouw hier al heel vroeg ontstond: “the most extensive and earliest agricultural complex known in north Africa outside the Nile Valley”.

Byblos

U herinnert zich misschien – vooringenomen als ik ben, hoop ik het – de expositie over Byblos in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Dan herinnert u zich misschien ook dat het onderzoek is hernomen. Daarover is een erg mooie documentaire te zien op Arte. Voor wie bang is voor Frans: het is prettig rustig uitgesproken.

Koolstof

Koolstofdateringen zijn nooit simpel. Om te beginnen is het resultaat geen datering maar een kans op een datering. Verder is kalibratie nodig. En de kalibratiecurve loopt soms steil en is soms horizontaal – dat laatste heet een plateau. Dat is ergerlijk, want het betekent dat een op zich smalle marge in de meting, laten we zeggen ±50, zich kan vertalen in een brede historische marge, laten we zeggen ±150. Eén zo’n plateau correspondeert ruwweg met de Europese Hallstatt-periode: tussen pakweg 770 en 420 v.Chr. zijn de historische marges wel erg wijd.

Deze kwestie speelt hoog op in Israël, waar op veel plaatsen monumentale gebouwen zijn gevonden op plekken waar je ook volgens de Bijbel monumentale gebouwen zou verwachten. Bijvoorbeeld een grote structuur in Jeruzalem, op de plek waar je het paleis van een David of Salomo verwacht. Alleen zijn die structuren lastig te dateren. De eerste archeologen dateerden het daar gevonden aardewerk aan de hand van de bijbelse chronologie van een David of een Salomo, dus toen klopte alles; maar toen archeologen het aardewerk begonnen te dateren aan de hand van andere aardewerkchronologieën en aan de hand van koolstof, bleken de gebouwen te jong.

Een poging om het probleem op te lossen met een speciaal op het verwerven van organisch, dateerbaar materiaal gerichte opgraving in Megiddo, leverde niks op. Nu hebben archeologen het opnieuw geprobeerd in Jeruzalem, met een combinatie van koolstofdatering en wiggle matching. Er is vooruitgang, met scherpere dateringen, en er is de opvallende conclusie dat de westelijke uitbreiding vroeger begon dan tot nu toe aangenomen. Over Salomo zwijgt men, maar dit oogt veelbelovend.

Familie

In de jaren zeventig was er veel aandacht voor de vraag waar vrouwen en mannen na hun huwelijk gingen wonen. Als bijvoorbeeld in een samenleving alleen vrouwen aardewerk maakten, zo luidde een van de redeneringen, vormde de verspreiding van keramische motieven een aanwijzing voor hun verblijfplaatsen. Nu stellen archeologen dezelfde vraag, maar met bioarcheologisch bewijs: in voor-Romeins Brittannië trokken de mannen in bij de vrouwen. Een leuke conclusie, niet meer, niet minder.

Zijderoute

Komend vanuit het westen leidde de Zijderoute vanuit het huidige Oezbekistan over de Pamir en dan langs de Taklamakan-woestijn, door de Hexicorridor naar China. Een leuk onderzoekje toont dat daar, in het westen van het antieke China, een laatantieke mevrouw met Chinese voorouders is begraven naast een laatantieke meneer met Centraal-Aziatische voorouders. Het bevestigt wat we al wisten: mensen waren mobiel.

Volksverhuizingen

En nog even iets uit dezelfde periode om af te ronden: een overzicht van alle DNA-bewijs voor migratie in het eerste millennium voor West-Europa. De conclusies zijn weinig verrassend: eerst een beweging van noordelijk Europa naar zuidelijk Europa, zeg maar de verspreiding van Germaanssprekenden, en daarna een omgekeerde beweging, zeg maar mensen die door Noormannen werden meegenomen, vermoedelijk als slaven. Niet verrassend dus, maar handig om het bij elkaar te hebben.

#Algerije #bioarcheologie #Byblos #China #CucuteniTripoljeCultuur #DNAOnderzoek #FaitsDivers #GroteVolksverhuizingen #Hallstatt #HallstattPlateau #Hexicorridor #Israël #Jeruzalem #kalibratie #koningDavid #koningSalomo #koolstofdatering #Libanon #LIDAR #Marokko #Moldavië #Oekraïne #Roemenië #socialeStratificatie #Taklamakan #vikingen #wiggleMatching #Zijderoute

The Rise of Civilization - Mainzer Beobachter

"The Rise of Civilization" van Charles Redman toont wat archeologie is: het opstellen, testen en verbeteren van hypothesen.

Mainzer Beobachter

De Sinterklaas van Marcus Vankan

Er is, zo leren we uit de Catechismus van Sint-Nikolaas, slechts één Sinterklaas, maar in meerdere personen. Zelf ontdekte ik deze geloofswaarheid toen ik de hoogwaardige bisschop van Myra, die zojuist nog een bezoek had gebracht aan onze lagere school, op een schimmel door de straat zag rijden, op weg naar de even verderop gelegen kleuterschool. En deze Sinterklaas zag er heel anders uit. Omdat de verderfelijke ketterij der hulpsinterklazen rond 1972 nog niet was geformuleerd, kon dit slechts leiden tot mijn geloofsafval.

Tot zover het contemporaine aspect der meervuldigheid. Dat deze ene heilige in meerdere personen verschijnt, is ook het thema van een leuk boek dat ik onlangs las: Heilige Nicolaas, bruggenbouwer tussen Oost en West, van Marcus Vankan. Hij is priester, en dat is bij dit onderwerp een pre. Een heilige representeert immers een waarde en Sint-Nikolaas draagt uit dat het goed is te geven aan mensen die niets terug kunnen geven. Daarom geeft Sinterklaas cadeautjes aan kinderen maar is het een feest voor volwassenen. Zoals ik al eerder schreef, weiger ik te geloven dat die waarde in onze neoliberale wereld achterhaald zou zijn.

De historische Nikolaas van Myra

Hoewel Vankans boek meer gaat over de verering van Sint-Nikolaas dan over het aardse bestaan van de bisschop uit Myra, gaat hij ook in op de historische kern van de traditie. Die gaat terug op een vijfde-eeuwse tekst die bekendstaat als Praxis de Stratelatis. Daarin staat het verhaal over de drie officieren die, vals beschuldigd van corruptie, dankzij een interventie van Nikolaas van Myra worden gered.

Een juridische dwaling dreigt maar Sint-Nikolaas grijpt in (Antivouniotissa-museum, Korfu)

Vankans pastorale belangstelling is in het historische hoofdstuk merkbaar. Als hij de legende behandelt dat Nikolaas van Myra optrad tegen de vereerders van Artemis, actualiseert hij het met een opmerking dat mensen verleid kunnen worden tot een pad dat afwijkt van de liefde en dat dan jaloersheid en egocentrisme op de loer liggen, maar dat Sint-Nikolaas de mensen een spiegel voorhoudt door te verwijzen naar de boodschap van Christus. Als oudheidkundige vraag ik me af waarom de Oudheid geactualiseerd moet worden, maar een priester mag zoiets natuurlijk schrijven.

Advies voor de herdruk

Ik heb iets meer moeite met Vankans goedgelovigheid als het gaat om het zogenaamde manna-wonder: het gebeente van Sint-Nikolaas scheidt soms wat vocht af. Daarvoor zou geen natuurwetenschappelijke verklaring bestaan. Dat zal best waar wezen, maar dat is mede doordat het onderzoek dateert uit de jaren vijftig. In hetzelfde historische hoofdstuk noemt Vankan een koolstofdatering uit 1957 die het gebeente van Sint-Nikolaas plaatste in de vierde eeuw – wat past bij wat bekend is uit de historische bronnen. Ook deze conclusie kan best waar zijn, maar ik hoop dat Vankan bij een herdruk wil toevoegen dat onderzoekers in 1957 nog niet wisten dat een datering moest worden gekalibreerd en dat ook aan isotoopfractionering niet werd gedacht.

Sta me nog één punt van kritiek toe. Een indrukwekkend persoon trekt verhalen aan, verhalen die al langer circuleren. Zo werkt mondelinge literatuur. Toen Nikolaas van Myra eenmaal een rol speelde in de volkscultuur, trok hij dus verhalen aan die eigenlijk over iemand anders gingen. Het verhaal van de drie dochters, dat we ook kennen over Apollonios van Tyana, is daarvan een loepzuiver voorbeeld. Vankan zou in een herdruk, die zijn boek zeker verdient, die parallel kunnen toevoegen.

De drie dochters (Groeningemuseum, Brugge)

De traditie

Zoals gezegd: de historische bisschop van Myra is niet Vankans eigenlijke onderwerp. Zijn boek gaat over de verering van de heilige, en heilig word je pas na je dood. Het aardse bestaan van Nikolaas van Myra is dus niet Vankans thema. Hij neemt ons mee langs zeventien eeuwen devotie – en dat is een heerlijke verzameling. We lezen over de verering in het Byzantijnse Rijk, over de rol van keizerin Theophanu bij de verspreiding naar het westen, en de rol van de benedictijnen. Dit laatste was voor mij helemaal nieuw.

Uiteraard is er een hoofdstuk over de translatie van de relieken van Myra naar Bari. En uiteraard is dat feitelijk een verhaal over roof. Deze roof – want ik vind “translatie” echt een te mooi eufemisme – zorgde ervoor dat de heilige in oost én west wordt vereerd. Dat is, in de wereld der roomse en orthodoxe heiligen, niet zo heel gebruikelijk. Ik ben althans niet op de hoogte dat maronitische heiligen als Sint-Charbel in Nederland worden vereerd, en dan zijn de maronieten nog in volle gemeenschap met de kerk van Rome.

De middeleeuwse traditie komt aan bod. Ik zal bij de Sinterklaasintocht aanstaande zondag wel even met mijn vriend S. (“bijna vijf”) over de Dam wandelen en kijken naar het beeldschone gevelsteentje van een baardloze Sinterklaas met naast hem de drie jongelingen in een pekelton. Ik zal S. het bijbehorende gruwelverhaal maar niet vertellen, hoe interessant Vankans deconstructie van die legende ook is.

Sinterklaas: gevelsteen uit Amsterdam (Dam 2)

Sinterklaas, Wodan en Krampus

Het boek gaat natuurlijk niet alleen over Nederland en Vlaanderen; het plaatst de heilige stevig in zijn Europese context. Het interessantste deel gaat over de maskerades rond het feest. Denk aan de wat geheimzinnige gebruiken die op de Waddeneilanden bestaan. Denk ook aan theorieën over heidense invloeden: Wodan met zijn twee zwarte raven rijdt weliswaar op een paard over de wolken, maar dat wil niet zeggen dat de Germaanse god dezelfde is als Sinterklaas die over de besneeuwde daken rijdt, vergezeld van Zwarte Pieten. Vankan rekent vakbekwaam af met die theorie (die ik tot mijn spijt ook weleens heb naverteld). Zwarte Piet wordt al even vakbekwaam geplaatst in de traditie van verslagen duivels en demonen – denk aan de Oostenrijkse Krampus.

Het punt is natuurlijk dat tradities voortdurend in beweging zijn. Ook al is de Sinterklaastraditie verankerd in een historische persoon, de uitleg varieert. En dingen die ooit acceptabel waren, zijn dat soms niet langer. Een ingezonden stuk in de Volkskrant, een paar dagen geleden, legde de vinger op een zere plek die in elk geval ik nog niet had ervaren als zere plek: dat je als ouders enerzijds je kinderen voorhoudt dat ze eerlijk moeten zijn, en dat je vervolgens een komedie opvoert rond Sinterklaas.

Nikolaas van Myra (Dadivank-klooster, Nagorno-Karabach)

Al zeventien eeuwen lang was er slechts één heilige, maar in meerdere personen. Alles is voortdurend in verandering en over alles is gediscussieerd. Omdat de belangrijkste discussies in onze tijd online plaatsvinden, zou ik hopen dat het mooie boek van Vankan, dat ik u echt aanraad, nog eens een online-versie krijgt. Een linkje naar de Nieuwe Catechismus van Sint-Nicolaas zou dan niet mogen ontbreken.

PS

Het is goed om te geven aan mensen die niets terug kunnen geven. Als u iets kunt missen, kijk dan eens bij de Stichting Leergeld.

#ApolloniosVanTyana #koolstofdatering #Krampus #MarcusVankan #SintCharbel #SintNikolaas #Sinterklaas #Theophanu #Wodan #ZwartePiet

De catechismus van Sint-Nicolaas - Mainzer Beobachter

  Vraag: Bestaan er meerdere Sinterklazen? Antwoord: Er bestaat slechts één Sinterklaas, doch in meerdere personen. Vraag: Wat moeten wij denken van de mening dat er geen Sinterklaas zou bestaan? Antwoord: De mening dat er geen Sinterklaas zou bestaan, is een afschuwelijke ketterij, die wij met kracht moeten bestrijden. Vraag: Kunnen zij, die niet in … Meer lezen over De catechismus van Sint-Nicolaas

Mainzer Beobachter

Gravin Judith in Gent

Judith, geschilderd door Albrecht de Vriendt (1889)

Oké, het is nét geen tien. Het is een tien min. Maar de Judith-expositie in de Sint-Pietersabdij in Gent is de beste archeologische tentoonstelling in jaren. Het aanbod is precies groot genoeg om tot je te kunnen nemen zonder moe te worden, de voorwerpen zijn perfect gekozen, de uitleg is voorbeeldig, de inrichting deugt en het onderwerp is belangrijk. En dat onderwerp is niet de Karolingische prinses Judith.

Het onderwerp is het graf dat bekendstaat als S127. Het is in 2006 aangetroffen bij de aanleg van een onderaardse parkeergarage, ruwweg voor de ingang van de huidige abdijkerk. Een koolstofdatering maakte duidelijk dat het gebeente dateerde uit de negende eeuw; fysisch antropologisch onderzoek identificeerde het als het graf van een vrouw van een jaar of zestig. Omdat het graf lag binnen de grenzen van de Karolingische kerk, moest het gaan om iemand uit de absolute elite van de toenmalige samenleving.

Judith

De expositie presenteert de hypothese dat mevrouw S127 Judith moet zijn geweest, de rond 843 geboren dochter van koning Karel de Kale (r.840-877) en Ermentrudis. Voor Nederlandse lezers: Judith is de stammoeder van de graven van Vlaanderen. Haar ouders huwelijkten haar in 856 uit aan de koning van Wessex, Æthelwulf. Vijftien maanden later was koningin Judith alweer weduwe, maar ze hertrouwde meteen met haar stiefzoon Æthelbald, die ook al snel overleed. In 860 was Judith, die tweemaal een vermogen had geërfd, weer terug in het koninkrijk van haar vader.

En toen gebeurde er iets opmerkelijks: ze nam zelf het initiatief voor een derde huwelijk, tegen de zin van haar vader. Je kunt je voorstellen dat ze, inmiddels koningin, geen routine meer had in ondergeschiktheid. De man van haar keuze was Boudewijn met de IJzeren Arm, en haar vader nam meteen tegenmaatregelen: de bisschoppen spraken een banvloek uit over de relatie. De twee gelieven vertrokken naar Lotharingen, waar Lotharius II (r.855-869) aan de macht was.

Daarvandaan riepen ze de hulp in van paus Nicolaas I (r.858-867), die een verzoening wist te bewerkstelligen. De banvloek werd ingetrokken, het huwelijk werd ingezegend en Karel de Kale schonk zijn nieuwe schoonzoon het beheer over de kustprovincie Vlaanderen. Een verantwoordelijke positie, want inmiddels waren er Vikingaanvallen en Karel de Kale stelde alles in het werk om de kustverdediging te versterken.

Judith werd nog moeder van graaf Boudewijn II (r.879-918) en verdwijnt dan uit de bronnen, al zijn er speculaties dat ze heeft bemiddeld bij het huwelijk van haar zoon met een prinses uit Wessex. Vóór die speculatie pleit dat ze beschikte over de benodigde Britse contacten.

De hypothese

De gestorven leden van de Vlaamse grafelijke familie werden gewoonlijk bijgezet in de Sint-Pietersabdij, dus de hypothese dat ook Judith hier ligt begraven, is niet uit de lucht gegrepen. Meer precies: is het mevrouw S127?

De expositie presenteert voorbeeldig hoe wetenschappers zoiets toetsen. De uiteindelijke conclusie is dat ze de hypothese op bioarcheologische gronden noch kunnen bevestigen noch kunnen verwerpen. We zouden daarvoor een specifiek DNA-profiel moeten hebben en dat is er niet. Op historische gronden is er zelfs redelijke twijfel mogelijk, aangezien je zou hebben verwacht dat er in de Sint-Pietersabdij zou zijn gebeden voor Judith, althans, als ze er werkelijk begraven lag. Daarvoor zijn echter geen aanwijzingen. Het roept de vraag op wie dan wel in graf S127 is begraven.

Gelukkig heeft deze voorzichtige conclusie de makers van de tentoonstelling er niet van weerhouden een gezichtsreconstructie te maken van de vrouw uit S127 en die aan te kleden alsof het de Karolingische prinses, Britse koningin en Vlaamse gravin was. Ook is er een oogstrelend mooie jurk met dito sieraden. In zijzalen zijn aspecten van het toenmalige hofleven geïllustreerd, maar het hoofddeel van de tentoonstelling is de toetsing van de hypothese.

Gezichtsreconstructie, gebaseerd op S127

De historische context

De toetsing van de hypothese wordt langs twee lijnen gepresenteerd – het is immers een samenwerking van historici en archeologen. Voor wat betreft het historische onderzoek is een hele wand ingeruimd voor een tijdlijn. Het sterke ervan is dat hier niet alleen de voornaamste gebeurtenissen staan aangegeven, maar dat de betekenis daarvan meteen in twijfel wordt gesteld. De nuanceringen kunnen behoorlijk complex zijn, maar hier is een eenvoudig voorbeeld:

Einhard, de biograaf van Karel de Grote, was lekenabt van de Sint-Pietersabdij, en verder is er uitleg van het ambt van lekenabt én twijfel aan de bewering dat hij de stichter is van de abdij. Even verderop worden in de toelichting diverse motieven genoemd voor Judiths eerste huwelijk. Of we vernemen dat het verzet van Karel de Kale tegen Judiths derde huwelijk te maken kan hebben gehad met het feit dat de dubbele weduwe erg rijk was en de Vikingoorlogen Karels kas hadden uitgeput. Dat Boudewijn met de IJzeren Arm uit Laon zou komen, zoals vaak wordt beweerd, is “absoluut niet zeker”.

Deze vorm van historische toelichting is echt heel verhelderend. Ze voegt meer toe dan de historische context, maar toont tevens hoe ambigu onze informatie is. Ik kende deze presentatiewijze nog niet en ik hoop het voortaan in elk museum zo gedaan te zien.

Het archeologisch onderzoek

Ik stipte hierboven al aan dat mevrouw S127 is onderzocht met onder andere een koolstofdatering van het botmateriaal. Het fysisch antropologisch onderzoek waarmee is vastgesteld dat het skelet van een vrouw was, wordt geïllustreerd met bijvoorbeeld afgietsels van twee bekkens en schedels naast elkaar: je ziet zelf het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke variant. Het echte botmateriaal ligt in een vitrine met een deksel, waarop een nette waarschuwing staat dat je menselijke resten zult zien. We leren dat het dijbeen een aanwijzing biedt voor de totale lichaamslengte, terwijl een getoonde knie ouderdomskwaaltjes documenteert. De dikte van het tandglazuur van overledene S2372 heeft een defect dat duidt op een kinderziekte. Etc.

Plattegronden illustreren dat S127 lag binnen de Karolingische kerk, terwijl er ook aandacht is voor het isotopenonderzoek. Dat bewijst dat de overledene heen en weer is gegaan tussen het huidige Frankrijk, Groot-Brittannië en België. Het DNA-onderzoek, zo erkennen de tentoonstellingmakers, leverde weinig op omdat het middeleeuwse genetische materiaal nogal verbrokkeld was.

Heel goed is dat de expositie begint met de constatering dat bureauonderzoek de eerste fase is van welk archeologisch onderzoek dan ook. Ook is er nadruk op het belang van documentatie en het feit dat vondsten nooit voor zich spreken maar interpretatie behoeven. U weet wel, hermeneutiek is de gedeelde methode van de geesteswetenschappen. Het beste dat we momenteel mogen concluderen, vanuit de archeologie, is dat de maatschappelijke positie van mevrouw S127, haar mobiliteit en haar datering overeenkomen met wat we, vanuit de geschiedwetenschap, kunnen vertellen over het leven van Judith.

Kortom

Al met al een zeer succesvolle tentoonstelling. Te vaak beginnen archeologen, als ze hun vak moeten uitleggen, te neuzelen over vondsten, in plaats van dat ze mensen antwoord geven. Archeologie is een wetenschap en het gaat om interpretatie en het toetsen van hypotheses. Dat proces legt de Judith-expositie voorbeeldig uit en door de publieksvraag serieus te nemen, draagt ze bij aan het vertrouwen in de wetenschap.

Als er zo’n vijftig bruikleengevers zijn, weet je dat er werk van is gemaakt en dat zie je er meteen aan af. De wetenschappelijke publicatie, Judith of West Francia, Carolingian Princess and First Countess of Flanders onder redactie van Steven Vanderputten, mag er eveneens zijn. Kortom, een expositie om heel blij om te zijn. Ik heb dit blogje meteen zaterdagmiddag geschreven, in de trein terug naar huis. De expositie is nog tot en met 19 januari.

O ja: ik zei dat het rapportcijfer een tien min was. Geen tien. Het minpunt is de opening: een filmpje waarin vier onderzoekers hun verslag doen. Er is weer eens geen rekening gehouden met mensen die lijden aan hyperacusis. Als het gaat om inclusiviteit is er zelfs bij de beste tentoonstellingen nog een lange weg te gaan.

#ÆthelbaldVanWessex #ÆthelwulfVanWessex #BoudewijnIMetDeIJzerenArm #BoudewijnIIVanVlaanderen #Ermentrudis #fysischeAntropologie #Gent #gezichtsreconstructie #isotopenonderzoek #JudithVanWestFrancië #KarelDeKale #Karolingen #kinderziekten #koolstofdatering #LothariusII #NicolaasI #SintPietersabdij #Vlaanderen #Wessex

Judith, een Karo­lin­gi­sche prin­ses in Gent? |

Thermoluminescentie (en wat dat betekent)

Sao-sculptuur (Musée du Quai Branly, Parijs)

Oudheidkundigen hebben diverse dateringsmethoden. Terugwerkend: eerst is er de gangbare kalender, wat verder terug hebben we de Romeinse keizers en hellenistische koningen, nog wat dieper zijn er de Mesopotamische sterrenkundige dateringen. Daarnaast biedt de archeologie een stoer werkpaard: de koolstofdatering. Alleen: dat werkpaard heeft soms kuren. Elke datering behoeft kalibratie en daarnaast zijn er reservoireffecten en andere complicaties. En nog een probleem: organisch materiaal mineraliseert, en in sommige regio’s gaat dat erg snel.

Zoals de gebieden ten zuiden van de Sahara. De Romeinen ontmoetten kooplieden uit die regio, maar wisten daar – als we de route langs de Nijl even buiten beschouwing laten – maar weinig van. Het enige wat de klassieke auteurs ons aan informatie hebben nagelaten, zijn geruchten over goudbewakende gorgonen en amazones: een echo van de situatie in de Bambouk. Omdat archeologen dus  dateringsmoeilijkheden hebben, is er, vergeleken met bijvoorbeeld de Maghreb, een gat in onze kennis. Dit is een van de redenen dat subsaharaal Afrika een beetje wordt genegeerd. Zelfs Zenab Badawi, die in haar recente An African History of Africa licht wil werpen op dit werelddeel, besteedt er geen aandacht aan.

Thermoluminescentie

Gelukkig bestaan er meer oudheidkundige dateringstechnieken, zoals thermoluminescentie. Daarmee kunnen onderzoekers sedimenten en aardewerk dateren. Dit is geen nieuwe techniek of zo; archeologen kunnen het al meer dan een halve eeuw en dat ik het er nog niet eerder over heb gehad is gewoon omdat andere dingen actueler waren. Het principe is dat mineralen (en dus ook zandkorrels en kleideeltjes) van nature een zachte elektromagnetische straling hebben, de luminescentie. Na verhitting is die verwaarloosbaar, maar als het materiaal vervolgens wordt afgesloten van het licht, bijvoorbeeld omdat het onder de grond ligt, laadt het zich weer op vanuit natuurlijke radioactiviteit. Als een analist het materiaal in het lab belicht, komt de zo opgebouwde elektromagnetische straling weer vrij en daarna geldt: hoe meer, hoe ouder. Je kunt zo tienduizenden jaren teruggaan en de foutenmarge loopt op tot 10%.

In het Musée du Quai Branly in Parijs leerde ik vorige week iets over een mij nog onbekend resultaat. Rond het Tsjaad-meer, dus aan de zuidwestelijke rand van de Sahara, bestond ooit de zogeheten Sao-cultuur. Archeologen plaatsten die lange tijd in de ruim twee millennia tussen de negende eeuw v.Chr. en de veertiende eeuw na Chr. De stadstaten aan het einde van deze periode zijn ook bekend uit Arabische bronnen en vormen geen probleem, maar het beginpunt was feitelijk een slag in de lucht. In 2014 kwamen verschillende terracottabeeldjes als het bovenstaande naar het laboratorium en konden analisten vaststellen dat het begin van de Sao-cultuur zeven eeuwen later moet worden geplaatst, rond het midden van de tweede eeuw v.Chr.

Sao-aardewerk (Musée du Quai Branly, Parijs)

Betekenis

Maakt thermoluminescentie in dit geval veel uit? Voor de Romeinse handel niet: we wisten al dat men producten uitwisselde met Sao-kooplieden. Maar er ontstaat een interessant synchronisme tussen de opkomst van de Sao-cultuur en de neergang van de Karthaagse handel. We mogen speculeren – speculeren! – dat daardoor een eerdere elite verarmde en desintegreerde, waarna Sao-elites vrij baan kregen. De foutenmarge maakt echter ook de omgekeerde gang van zaken denkbaar: al eerder in de tweede eeuw v.Chr. bloeide de handel op tussen de nieuwe Sao-mensen en Karthago, dat daardoor in welvaart toenam, wat dan voor Rome weer aanleiding was tot militaire interventie.

Al met al is de herdatering van de Sao-cultuur geen werkelijk belangrijk nieuw resultaat; nieuwe hypotheses zijn zelfs helemaal geen resultaat. Maar er openen zich wel nieuwe denkpistes. En dat is gewoon leuk.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

PS

O ja: had u deze petitie al getekend?

#Bambouk #chronologie #DerdePunischeOorlog #koolstofdatering #MuséeDuQuaiBranly #petitie #Sahara #SaoCultuur #sediment #thermoluminescentie #Tsjaad #ZenabBadawi

Het hellenisme - Mainzer Beobachter

Het hellenisme was een nieuwe tijd. De Griekse cultuur verspreidde zich. Maar we moeten het ook weer niet overdrijven.

Mainzer Beobachter
Na maandenlang onderzoek is duidelijk wie er in de #loden #doodskist lag die vorig jaar in #Brugge is #opgegraven. Het gaat om #Boudewijn I, heer van #Assebroek, een ridder die midden 13e eeuw leefde. De onderzoekers combineerden hiervoor de kenmerken van het skelet en de beschildering van de grafkelder (#wapenschild van heren van Assebroek) waarin de kist lag met #koolstofdatering.
https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20240626_95518001
Man in loden kist blijkt Boudewijn I van Assebroek: “Een echte ridder vinden, dat maak je maar één keer in je

Eén jaar na de unieke vondst op de BRUSK-site heeft ‘de man in de loden kist’ een naam: Boudewijn I, heer van Assebroek. “Dankzij koolstofdatering en het wapenschild konden we hem identificeren”, zegt archeoloog Dieter Verwerft. “Voor mij is dit een jongensdroom die in vervulling gaat.”

nieuwsblad.be