Hak om, die boom

West-Europa, dus zeg maar onze cultuur, is ontstaan in de Frankische tijd. Zoals Jeroen Wijnendaele onlangs in zijn boek over koning Clovis benadrukte, ontstond in de Late Oudheid een politieke eenheid die niet primair op de Middellandse Zee was gericht. Onze taal (ons meest identiteitvormende erfgoed) stamt af van het Frankisch, de oudste laag in onze literatuur is Frankisch, het christendom verspreidde zich in de Frankische tijd. Maar hoe is de kerstening verlopen?

Er zijn allerlei vrome legendes, waarvan iedereen eigenlijk ook wel weet dat het alleen maar vrome legendes zijn. Elk mirakelverhaal veronderstelt immers dat de lieve god de natuurwetten opschortte ten behoeve van deze of gene patiënt, en zoiets hoeven we zelfs niet te overwegen. Tegelijk: op een zeker moment was het christendom aanwezig en het moet ergens vandaan zijn gekomen. En ook: sommige gebeurtenissen zijn voldoende gedocumenteerd om plausibel te zijn. Het lijdt bijvoorbeeld geen twijfel dat bewoners van Oostergo in 754 of 755 aan de Boorne een Frankisch leger hebben aangevallen en dat daarbij de stokoude aartsbisschop Bonifatius van Mainz om het leven kwam.

Vlaanderen

Waarmee ik een Nederlands voorbeeld geef van de problematiek: het ingeburgerde “755 Bonifatius bij Dokkum vermoord” is simpelweg onwaar. Soortgelijke correcties zijn vanzelfsprekend ook mogelijk voor andere regio’s en het is de verdienste van de Belgische historicus Geert Berings dat hij het in Hak om, die boom allemaal eens op een rijtje zet voor de vallei van de Schelde. Gewoon, historisch-kritisch onderzoek.

Berings is zeker niet de eerste die zich met de materie bezighoudt. In de loop der tijd is er echter een extra handschrift van het heiligenleven van Sint-Amandus bij gekomen, is de archeologie tot bloei gekomen en zijn tekstwetenschappers meer literaire parallellen gaan herkennen. Ook niet onbelangrijk: wat historici sinds de ontkerkelijking aan vertrouwdheid met het christendom hebben verloren, hebben ze aan kritische distantie gewonnen. Het Frankische christendom van vandaag is een ander dan dat van dertig jaar geleden.

De boom die moet worden omgehakt is dan ook niet alleen de aanslag op de laatantieke flora die de lezer op het omslag krijgt gepresenteerd. Berings schrijft dat hij met zijn boek ook enkele diepgewortelde ideeën over de kerstening wilde kappen, al erkent hij dat het eindresultaat meer een snoeibeurt is geweest. Het levert in elk geval een prettig boek op dat ik heb gelezen met plezier en met vrucht.

Een leeg landschap

Berings neemt een lange aanloop. In het eerste deel van zijn boek beschrijft hij de romanisering van de Scheldevallei en de laatantieke leegloop van het gebied. Ik leerde onder andere dat archeologen inmiddels aarzelen om de verwoestingen die, toen ik eind vorige eeuw De randen van de aarde schreef, nog werden toegeschreven aan een aanval van Germaanse piraten (de Chauken), met die gebeurtenis in verband te brengen.

Hoewel ik de eerste hoofdstukken dus met vrucht heb gelezen, begon het boek pas echt op blz.148, als Berings samenvat dat de noordelijke Scheldevallei was ontvolkt, dat de Gallo-Romeinse elite was vertrokken, en dat de schaarse bewoning bestond uit inheemse boeren en Germaanse immigranten. Zeg maar zoals in het onlangs onderzochte kustgebied bij Koksijde. Christenen waren er zeker nog niet op het moment dat Amandus er aankwam en twee kloosters stichtte aan de samenloop van Schelde en Leie – Gent.

Een leven van Amandus

Over de beroemde missionaris weten we weinig. In het tweede deel van Hak om, die boom bezoekt Berings de plaatsen waar de bisschop ooit moet zijn geweest. Die locaties kloppen wel – Amandus was van 648 tot 651 bisschop van Maastricht en stichtte onder andere het klooster van Nijvel – maar de verhalen die daar zijn gesitueerd, zijn vaak ongeloofwaardig. Berings wordt niet moe erop te wijzen dat veel informatie bestaat uit standaardmotieven die we ook aantreffen in andere Merovingische heiligenlevens, vooral dat van Martinus van Tours (“Sint-Maarten”).

De historische feiten lijken ongeveer te zijn dat Amandus kwam uit Aquitanië, een blauwe maandag woonde op het Île d’Yeu, zich enkele jaren liet inmetselen bij een kerk in Bourges, Rome bezocht, contacten had aan het hof van de Merovingische koning Dagobert (r.623-639), tot bisschop werd gewijd, begon aan de missionering van de Scheldevallei en een paar jaar bisschop was in Maastricht. Tussen de regels door herkennen we een man die zocht naar eenzaamheid.

De kerstening

Dat werpt een zeker licht op de stichting van de twee kloosters in wat nu de stad Gent is, maar toen een verlaten landschap. Het gaat om de Sint-Baafsabdij in het oosten van de stad en de Sint-Pietersabdij op de Blandijnberg in het zuiden. (Ik blogde er onlangs over.) Tegenwoordig loop je in een half uur van het ene naar het andere klooster, maar in de Frankische tijd waren het gescheiden werelden – en misschien herken je dat nog in het feit dat de twee religieuze vestigingen liggen bij twee spoorwegstations die toegang bieden tot totaal verschillende delen van Gent. Waar het Berings om gaat is dat het landschap leeg was en dat de kloosters waren bedoeld om in eenzaamheid te kunnen leven. Ze bestonden, net zoals de Ierse kloosters van die tijd en de laura’s uit het Nabije Oosten, vrijwel zeker uit een verzameling eenvoudige gebouwen. Grote abdijen werden het pas later.

Maar als de kloosters bedoeld waren om teruggetrokken te leven, als Amandus van de Germaanse boeren werd gescheiden door de taal, hoe is de regio dan gekerstend? In het derde deel van zijn boek behandelt Berings Amandus’ optreden, de kloosterstichtingen en de feitelijke kerstening, die zich voltrok vanuit de kerkjes en kapelletjes op de landgoederen. Dat klonk mij plausibel in de oren.

Tot slot

Uiteraard is er geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan. Zo is Berings’ presentatie van Constantijns keuze voor het christendom wel érg traditioneel. Daar was wel een boom om te hakken geweest. Het viel me ook op dat Berings, die gespitst is op de standaardmotieven in laatantieke en vroegmiddeleeuwse heiligenlevens, schrijft dat heilige bossen een belangrijke rol speelden in de religieuze beleving van de Germanen. Ik weet dat zo net nog niet: in het Grieks-Romeinse denken waren er aan de randen van de bewoonde wereld allerlei onherbergzame wouden, en als je die literaire obsessie weghaalt, blijft er weinig geboomte over in het oude Germanië.

Dat gezegd zijnde: Hak om, die boom is een fijn boek. Ik heb het, zoals gezegd, met veel plezier en met vrucht gelezen. Aanbevolen, van harte aanbevolen, aan eenieder die belangstelling heeft voor de geschiedenis van Vlaanderen, voor de kerstening en het ontstaan van de West-Europese cultuur.

#Amandus #België #bisschop #Bonifatius #DagobertI #Franken #GeertBerings #Gent #kerstening #Maastricht #MartinusVanTours #Merovingen #Nijvel #Schelde #SintMaarten #SintPietersabdij #Vlaanderen

De Franken - Mainzer Beobachter

De laatste Romeinse keizer die nog belang stelde in de gebieden ten noorden van de Alpen was Majorianus (r.457-461). Dat betekende dat hij het conflict aanging met de Franken, die inmiddels in het noorden van Gallië een staat aan het opbouwen waren. Ik blogde al eens over hun leider Childerik. De Romeinse auteur Sidonius Apollinaris … Meer lezen over De Franken

Mainzer Beobachter

Gravin Judith in Gent

Judith, geschilderd door Albrecht de Vriendt (1889)

Oké, het is nét geen tien. Het is een tien min. Maar de Judith-expositie in de Sint-Pietersabdij in Gent is de beste archeologische tentoonstelling in jaren. Het aanbod is precies groot genoeg om tot je te kunnen nemen zonder moe te worden, de voorwerpen zijn perfect gekozen, de uitleg is voorbeeldig, de inrichting deugt en het onderwerp is belangrijk. En dat onderwerp is niet de Karolingische prinses Judith.

Het onderwerp is het graf dat bekendstaat als S127. Het is in 2006 aangetroffen bij de aanleg van een onderaardse parkeergarage, ruwweg voor de ingang van de huidige abdijkerk. Een koolstofdatering maakte duidelijk dat het gebeente dateerde uit de negende eeuw; fysisch antropologisch onderzoek identificeerde het als het graf van een vrouw van een jaar of zestig. Omdat het graf lag binnen de grenzen van de Karolingische kerk, moest het gaan om iemand uit de absolute elite van de toenmalige samenleving.

Judith

De expositie presenteert de hypothese dat mevrouw S127 Judith moet zijn geweest, de rond 843 geboren dochter van koning Karel de Kale (r.840-877) en Ermentrudis. Voor Nederlandse lezers: Judith is de stammoeder van de graven van Vlaanderen. Haar ouders huwelijkten haar in 856 uit aan de koning van Wessex, Æthelwulf. Vijftien maanden later was koningin Judith alweer weduwe, maar ze hertrouwde meteen met haar stiefzoon Æthelbald, die ook al snel overleed. In 860 was Judith, die tweemaal een vermogen had geërfd, weer terug in het koninkrijk van haar vader.

En toen gebeurde er iets opmerkelijks: ze nam zelf het initiatief voor een derde huwelijk, tegen de zin van haar vader. Je kunt je voorstellen dat ze, inmiddels koningin, geen routine meer had in ondergeschiktheid. De man van haar keuze was Boudewijn met de IJzeren Arm, en haar vader nam meteen tegenmaatregelen: de bisschoppen spraken een banvloek uit over de relatie. De twee gelieven vertrokken naar Lotharingen, waar Lotharius II (r.855-869) aan de macht was.

Daarvandaan riepen ze de hulp in van paus Nicolaas I (r.858-867), die een verzoening wist te bewerkstelligen. De banvloek werd ingetrokken, het huwelijk werd ingezegend en Karel de Kale schonk zijn nieuwe schoonzoon het beheer over de kustprovincie Vlaanderen. Een verantwoordelijke positie, want inmiddels waren er Vikingaanvallen en Karel de Kale stelde alles in het werk om de kustverdediging te versterken.

Judith werd nog moeder van graaf Boudewijn II (r.879-918) en verdwijnt dan uit de bronnen, al zijn er speculaties dat ze heeft bemiddeld bij het huwelijk van haar zoon met een prinses uit Wessex. Vóór die speculatie pleit dat ze beschikte over de benodigde Britse contacten.

De hypothese

De gestorven leden van de Vlaamse grafelijke familie werden gewoonlijk bijgezet in de Sint-Pietersabdij, dus de hypothese dat ook Judith hier ligt begraven, is niet uit de lucht gegrepen. Meer precies: is het mevrouw S127?

De expositie presenteert voorbeeldig hoe wetenschappers zoiets toetsen. De uiteindelijke conclusie is dat ze de hypothese op bioarcheologische gronden noch kunnen bevestigen noch kunnen verwerpen. We zouden daarvoor een specifiek DNA-profiel moeten hebben en dat is er niet. Op historische gronden is er zelfs redelijke twijfel mogelijk, aangezien je zou hebben verwacht dat er in de Sint-Pietersabdij zou zijn gebeden voor Judith, althans, als ze er werkelijk begraven lag. Daarvoor zijn echter geen aanwijzingen. Het roept de vraag op wie dan wel in graf S127 is begraven.

Gelukkig heeft deze voorzichtige conclusie de makers van de tentoonstelling er niet van weerhouden een gezichtsreconstructie te maken van de vrouw uit S127 en die aan te kleden alsof het de Karolingische prinses, Britse koningin en Vlaamse gravin was. Ook is er een oogstrelend mooie jurk met dito sieraden. In zijzalen zijn aspecten van het toenmalige hofleven geïllustreerd, maar het hoofddeel van de tentoonstelling is de toetsing van de hypothese.

Gezichtsreconstructie, gebaseerd op S127

De historische context

De toetsing van de hypothese wordt langs twee lijnen gepresenteerd – het is immers een samenwerking van historici en archeologen. Voor wat betreft het historische onderzoek is een hele wand ingeruimd voor een tijdlijn. Het sterke ervan is dat hier niet alleen de voornaamste gebeurtenissen staan aangegeven, maar dat de betekenis daarvan meteen in twijfel wordt gesteld. De nuanceringen kunnen behoorlijk complex zijn, maar hier is een eenvoudig voorbeeld:

Einhard, de biograaf van Karel de Grote, was lekenabt van de Sint-Pietersabdij, en verder is er uitleg van het ambt van lekenabt én twijfel aan de bewering dat hij de stichter is van de abdij. Even verderop worden in de toelichting diverse motieven genoemd voor Judiths eerste huwelijk. Of we vernemen dat het verzet van Karel de Kale tegen Judiths derde huwelijk te maken kan hebben gehad met het feit dat de dubbele weduwe erg rijk was en de Vikingoorlogen Karels kas hadden uitgeput. Dat Boudewijn met de IJzeren Arm uit Laon zou komen, zoals vaak wordt beweerd, is “absoluut niet zeker”.

Deze vorm van historische toelichting is echt heel verhelderend. Ze voegt meer toe dan de historische context, maar toont tevens hoe ambigu onze informatie is. Ik kende deze presentatiewijze nog niet en ik hoop het voortaan in elk museum zo gedaan te zien.

Het archeologisch onderzoek

Ik stipte hierboven al aan dat mevrouw S127 is onderzocht met onder andere een koolstofdatering van het botmateriaal. Het fysisch antropologisch onderzoek waarmee is vastgesteld dat het skelet van een vrouw was, wordt geïllustreerd met bijvoorbeeld afgietsels van twee bekkens en schedels naast elkaar: je ziet zelf het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke variant. Het echte botmateriaal ligt in een vitrine met een deksel, waarop een nette waarschuwing staat dat je menselijke resten zult zien. We leren dat het dijbeen een aanwijzing biedt voor de totale lichaamslengte, terwijl een getoonde knie ouderdomskwaaltjes documenteert. De dikte van het tandglazuur van overledene S2372 heeft een defect dat duidt op een kinderziekte. Etc.

Plattegronden illustreren dat S127 lag binnen de Karolingische kerk, terwijl er ook aandacht is voor het isotopenonderzoek. Dat bewijst dat de overledene heen en weer is gegaan tussen het huidige Frankrijk, Groot-Brittannië en België. Het DNA-onderzoek, zo erkennen de tentoonstellingmakers, leverde weinig op omdat het middeleeuwse genetische materiaal nogal verbrokkeld was.

Heel goed is dat de expositie begint met de constatering dat bureauonderzoek de eerste fase is van welk archeologisch onderzoek dan ook. Ook is er nadruk op het belang van documentatie en het feit dat vondsten nooit voor zich spreken maar interpretatie behoeven. U weet wel, hermeneutiek is de gedeelde methode van de geesteswetenschappen. Het beste dat we momenteel mogen concluderen, vanuit de archeologie, is dat de maatschappelijke positie van mevrouw S127, haar mobiliteit en haar datering overeenkomen met wat we, vanuit de geschiedwetenschap, kunnen vertellen over het leven van Judith.

Kortom

Al met al een zeer succesvolle tentoonstelling. Te vaak beginnen archeologen, als ze hun vak moeten uitleggen, te neuzelen over vondsten, in plaats van dat ze mensen antwoord geven. Archeologie is een wetenschap en het gaat om interpretatie en het toetsen van hypotheses. Dat proces legt de Judith-expositie voorbeeldig uit en door de publieksvraag serieus te nemen, draagt ze bij aan het vertrouwen in de wetenschap.

Als er zo’n vijftig bruikleengevers zijn, weet je dat er werk van is gemaakt en dat zie je er meteen aan af. De wetenschappelijke publicatie, Judith of West Francia, Carolingian Princess and First Countess of Flanders onder redactie van Steven Vanderputten, mag er eveneens zijn. Kortom, een expositie om heel blij om te zijn. Ik heb dit blogje meteen zaterdagmiddag geschreven, in de trein terug naar huis. De expositie is nog tot en met 19 januari.

O ja: ik zei dat het rapportcijfer een tien min was. Geen tien. Het minpunt is de opening: een filmpje waarin vier onderzoekers hun verslag doen. Er is weer eens geen rekening gehouden met mensen die lijden aan hyperacusis. Als het gaat om inclusiviteit is er zelfs bij de beste tentoonstellingen nog een lange weg te gaan.

#ÆthelbaldVanWessex #ÆthelwulfVanWessex #BoudewijnIMetDeIJzerenArm #BoudewijnIIVanVlaanderen #Ermentrudis #fysischeAntropologie #Gent #gezichtsreconstructie #isotopenonderzoek #JudithVanWestFrancië #KarelDeKale #Karolingen #kinderziekten #koolstofdatering #LothariusII #NicolaasI #SintPietersabdij #Vlaanderen #Wessex

Judith, een Karo­lin­gi­sche prin­ses in Gent? |