XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

In de jaren na 118 stond het legioen onder bevel van Quintus Marcius Turbo Fronto, een persoonlijke vriend van keizer Hadrianus, die Dacië was belast met de pacificatie van Dacië, dat na de dood van Trajanus onrustig was geworden. XXX Ulpia Victrix moet wat politiewerk hebben gedaan.

Xanten

Na 122 werd het legioen gestuurd naar Castra Vetera ofwel Xanten in Germania Inferior. De locatie van deze basis is bekend, maar verzwolgen door de Rijn. Het Dertigste zou er, zoals gezegd, eeuwenlang blijven: het was er nog rond 400 en de burgerlijke nederzetting nabij de basis heette enige tijd eenvoudigweg Tricensimae, wat zoiets als “bij het Dertigste” betekent.

Germania Inferior wordt nauwelijks genoemd in onze bronnen, en inscripties zijn ons enige bewijs voor de activiteiten van het legioen. Militaire aangelegenheden blijven vrijwel onvermeld, wat (misschien ten onrechte) suggereert dat het rustig was in de regio. Een inscriptie vermeldt dat een officier in Keulen het heiligdom van Jupiter Dolichenus herbouwde; dezelfde man richtte twee heiligdommen in voor Mercurius en enkele godinnen met de opvallende naam Matres Paternae (“vaderlijke moeders”). Andere inscripties bewijzen dat de gouverneur van Germania Inferior soldaten uit het Dertigste gebruikte als klerken. Een onderafdeling van vijftig legionairs was gestationeerd in Iversheim, waar ze bakstenen en dakpannen vervaardigde.

Helm van een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

EXGERINF

Een andere onderafdeling was met I Minervia, het andere legioen in deze provincie, gestationeerd in Bonn. Andere onderafdelingen lijken in Remagen en aan de grens met Germania Superior te hebben verbleven. Dit is opmerkelijk omdat beide plaatsen dichter bij Bonn, de basis van I Minervia, liggen dan bij Xanten. De twee legioenen opereerden echter vaak samen. Inscripties uit ons rivierengebied vermelden vaak “het leger van Germania Inferior” (exercitus Germaniae Inferioris, kortweg EXGERINF).

Tijdens het bewind van keizer Septimius Severus (r.198-211) dienden onderafdelingen van deze twee legioenen als garnizoen van Lyon, de hoofdstad van de Gallische provincies. Het aantal inscripties van XXX Ulpia Victrix is ​​opmerkelijk groot. Andere inscripties bewijzen dat legionairs van het Dertigste overal in Gallië werden ingezet: in Châlons, in Parijs, in Bourges, in Auch bij de Pyreneeën en in de Alpen. Het lijkt erop dat XXX Ulpia Victrix een soort uitzendbureau was.

Militaire operaties

Toch diende het ook in oorlogen. Tijdens de regering van keizer Antoninus Pius (r.138-161) was een onderafdeling gestationeerd in Mauretanië, waar het de Mauri bestreed. Toen I Minervia in de jaren zestig van de tweede eeuw deelnam aan de campagne tegen het Parthische Rijk van Lucius Verus, waren daarbij ook soldaten van het Dertigste betrokken. Het is waarschijnlijk dat andere onderafdelingen betrokken waren bij de oorlogen van Marcus Aurelius tegen de Marcomannen (165-175 en 178-180), en deelnamen aan de campagne van de gouverneur van Gallia Belgica, Didius Julianus, tegen de Chauken in 173.

In 193 brak er een burgeroorlog uit. Munten bewijzen dat het Dertigste, Zegevierende Ulpische Legioen onmiddellijk de kant koos van Septimius Severus koos. Dit was moedig omdat een andere pretendent, Clodius Albinus, dichterbij was. In 196/197 moet het legioen bij de daadwerkelijke gevechten betrokken zijn geweest. Severus zegevierde en beloonde het legioen van Xanten met de titel Pia Fidelis (“trouw en loyaal”).

Inscriptie voor een soldaat van XXX Ulpia Victrix (Stara Zagora)

Na 208 nam XXX Ulpia Victrix waarschijnlijk deel aan Severus’ Schotse campagne, en in 235 waren onderafdelingen actief tijdens de Perzische campagne van Severus Alexander. Uit archeologische vondsten kunnen we afleiden dat rond 240 de Rijngrens in een crisis verkeerde, en we moeten aannemen dat XXX Ulpia Victrix op een zeker moment een nederlaag heeft geleden. Het wist echter ook het Nederlandse rivierengebied te heroveren.

Late Oudheid

Dit gebeurde opnieuw in 256-258, toen de Franken Gallië binnenvielen. Keizer Gallienus kon ze teruggooien en moet daarbij het EXGERINF hebben gebruikt. In 260 waren de Franken terug, en deze keer werden ze verslagen door generaal Postumus, die prompt werd uitgeroepen tot keizer in een Gallisch Rijk. Dit waren de moeilijke jaren van de Crisis van de Derde Eeuw.

XXX Ulpia Victrix koos de kant van Postumus, die de regio tot rust bracht. Na 274 heroverde de Romeinse keizer Aurelianus Gallië echter, en hij haalde veel troepen weg voor een oorlog tegen keizerin Zenobia van Palmyra. Onmiddellijk staken de Franken de Rijn weer over en liepen het Nederlandse rivierengebied onder de voet. Het idee dat de limes totaal instortte, geldt inmiddels als achterhaald.

In de vierde eeuw veranderde de strategie. Mobiele cavalerielegers in het achterland vormden de ruggengraat van het Romeinse leger. De legioenen langs de Rijn waren nu minder belangrijk. Ze waren gestationeerd in goed-versterkte kastelen, waar ze de vijand opwachtten en tegenhielden totdat de cavalerie arriveerde. XXX Ulpia Victrix bleef in Xanten, waarschijnlijk op de plaats van wat ooit de burgerlijke nederzetting was geweest, maar had zijn werkelijke betekenis verloren. Het lijkt uit de geschiedenis te zijn verdwenen in de loop van de vroege vijfde eeuw.

#AntoninusPius #Bonn #Brigetio #ClodiusAlbinus #CrisisVanDeDerdeEeuw #Dacië #DidiusJulianus #EXGERINF #Gallienus #GallischKeizerrijk #GermaniaInferior #Hadrianus #IMinervia #IITraianaFortis #Iversheim #Keulen #legioen #LuciusVerus #Lyon #Marcomannen #MarcusAurelius #Mauretanië #Mauri #ParthischeRijk #Postumus #Rijn #RomeinsLeger #RomeinseLimes #SeptimiusSeverus #SeverusAlexander #Szöny #Trajanus #Vetera #Xanten #XIClaudia #XXXUlpiaVictrix #Zenobia

Museum Dorestad heropend (2)

Munt uit Dorestad (Teylersmuseum, Haarlem)

[Tweede deel van een blog over het belang van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Het eerste was hier.]

En de Germanen dan?

Hier zijn echter vraagtekens te plaatsen. Al vanaf de vroege zestiende eeuw staan in het Nederlandse geschiedbeeld de Germanen centraal. Het hertogdom Gelre, al snel gevolgd door de Republiek, identificeerde zich met de Bataven; de bewoners van de noordelijke gewesten noemen zich nog altijd Friezen; een krant uit Twente noemt zich Tubantia; tal van gemeentes beschikken over Chamavenstraten, Frankenwegen of Saksenlanen; er is een ware industrie van Batavia’s, Batavi Droogstoppels, Batavus-fietsen en Batavier-bieren.

Vreemd is deze identificatie met het Germaanse verleden niet: het Nederlands stamt immers af van het Frankisch, het christendom kwam hier aan in de Frankische tijd, de oudste laag van onze literatuur stamt uit die tijd en de Rotterdamse havens gaan via Dordrecht terug op – daar zijn we! – het Frankische Dorestad. Nederland wortelt in een Germaans verleden, maar dat verleden heeft een dubbele handicap, namelijk dat het enerzijds moeilijk beleefbaar valt te maken (wie van u bezocht Erve Eme in Zutphen?) en anderzijds nogal unzeitgemäβ is in het zich verenigende Europa.

Mede door de canonisering van de limes is Nederland zijn Germaanse verleden kwijt aan het raken. De Commissie Van Oostrom had ook de Bataafse Opstand kunnen kiezen. Begrijp me niet verkeerd: ik ben lid van een pro-Europese partij en waardeer geschiedschrijving vanuit een bovennationaal perspectief. Dat maakt me echter niet blind voor het feit dat Nederland een pan-Europees verleden prioriteit heeft gegeven boven een vaderlands verleden, zonder dat er sprake was van excess empirical content. Deze jargonterm wil zeggen dat een nieuw geschiedbeeld een betere verklaring biedt omdat het relevante data beter met elkaar verbindt. Ik heb daarom wat aarzelingen bij de canonisering van de limes.

Die aarzelingen hoeft u niet met me te delen, maar het feit blijft dat de Germanen uit ons verleden zijn verdwenen. Een tikje verontrustend is dat wel. Historische feiten kunnen mensen van alle generaties en alle windstreken verbinden: ongeacht of u een gepensioneerde bent uit Venlo of een Generatie Z-er uit Alkmaar, Bonifatius is in 754 om het leven gebracht bij de Boorne. Door iets dat we traditioneel centraal stelden, te vervangen door iets dat momenteel in de mode is, delen generaties niet meer hetzelfde verleden.

Daarom is de heropening van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede mijns inziens belangrijk. Nederland krijgt een deel van zijn aloude verleden terug.

Dorestad

Dorestad is al bekend sinds de negentiende eeuw, toen mensen die op zoek waren naar botten (om beenderlijm van te maken), de grafvelden doorzochten. Ze vonden ook aardewerk en mantelspelden, die belandden in de collecties van plaatselijke verzamelaars. Er kwamen professionele opgravingen, men concludeerde dat hier een Frankisch fort was geweest en in 1926 werd het museum opgericht.

In de naoorlogse jaren wilde Wijk bij Duurstede uitbreiden, maar onderzoekers uit Wageningen attendeerden op grote concentraties fosfaat, die duidden op menselijke aanwezigheid, zodat er eerst oudheidkundig bodemonderzoek moest worden gedaan. Onder leiding van archeoloog Wim van Es werd ruim tachtig hectare onderzocht, wat Dorestad maakte tot een van de grotere opgravingen in Europa. Het hele Kromme Rijn-gebied werd in de analyse meegenomen.

Het stroomgebied van die rivier was vruchtbaar en is altijd bewoond geweest, maar eeuwenlang ging dat om gehuchten van twee of drie boerderijen. Daar tussenin, aan de splitsing van de Rijn en Lek, bleek dus een complete stad te liggen, die bloeide van de zevende tot en met de negende eeuw. Via de Rijn was Dorestad verbonden met Centraal-Europa, via de Lek en Kromme Rijn met de Britse eilanden, via de Vecht met Scandinavië, via de Zoel en Maas met Gallië. Dorestad kon niet anders zijn dan een handelscentrum. En niet zomaar een handelscentrum: het was veel groter dan andere handelssteden als Birka, Haithabu, York, Londen, Dinant, Quentowic. Een beroemde zevende-eeuwse mantelspeld, momenteel in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, illustreert de rijkdom.

Een geschiedenis van Dorestad

Het museum is acht jaar geleden gesloten maar vorige week heropend op een nieuwe locatie, in het oude raadhuis, boven het VVV-kantoor. Het is niet groot. In drie kwartier kun je alles hebben gezien. Maar het documenteert een weggemoffeld maar belangrijk deel van het Nederlandse verleden.

Dorestad lag tussen twee taalgebieden in: in het noorden sprak men Fries en heersten Friese vorsten met namen als Aldgisl en Radbod, in het zuiden heersten de Franken, wier taal sterk lijkt op de onze. In 689 veroverde de Frankische oorlogsleider Pippijn van Herstal het handelscentrum. Radbod week uit maar huwelijkte later zijn dochter uit aan de zoon van Pippijn, en zou de grootvader van een Frankische heerser zijn geweest als die laatste een burgeroorlog zou hebben gewonnen. Radbod intervenieerde zelfs: hij rukte op naar Keulen, maar werd uiteindelijk verslagen en de nieuwe Frankische leider, Karel Martel, onderwierp de Friese koning.

Dorestad was nu definitief Frankisch en werd een verplichte tolhaven. De stad werd rijker en rijker, en kreeg dankzij bisschop Bonifatius zelfs enkele privileges, zoals een vrijstelling van belasting en koninklijke rechtspraak. Het staat vast dat via Dorestad veel zilver binnenkwam. Dat was een destijds in Europa zeldzaam metaal, en uit chemische analyses weten we dat het afkomstig is geweest uit het verre Khorasan (in het noordoosten van Iran), en door Noormannen over de Wolga en Oostzee is aangevoerd. Vanaf de regering van Karel de Grote circuleerde weer enig muntgeld in West-Europa – het begin van een nieuw type, gemonetariseerde economie.

Rond het midden van de negende eeuw ontstonden conflicten tussen de kleinzonen van Karel de Grote, waarbij de diverse strijdende partijen er niet voor terugdeinsden om Noormannen te verzoeken hun tegenstanders aan te vallen. Dorestad doorstond enkele plunderingen maar werd als belangrijkste haven in het Rijnland vervangen door Tiel, Dordrecht en uiteindelijk Rotterdam. Kortom: een interessante geschiedenis!

[Wordt over een half uur afgerond, maar als u zo lang niet wil wachten, kunt u het stuk hier al helemaal lezen, want ik publiceerde het afgelopen zaterdag al op VersTwee.]

#Bonifatius #CommissieVanOostrom #Dorestad #ErveEme #excessEmpiricalContent #Franken #Friezen #Haithabu #KarelDeGrote #KarelMartel #monetarisering #MuseumDorestad #Noormannen #PippijnVanHerstal #Radboud #RomeinseLimes #WijkBijDuurstede #WimVanEs #zilver

Museum Dorestad heropend (1)

Maquette van Dorestad (Museum Dorestad, Wijk bij Duurstede)

Het probleem met het verleden is het heden. Onze belangstelling verschuift. Momenteel staan klimaat en onvrije arbeid in de belangstelling, hiervóór was vrouwengeschiedenis populair en in de jaren zeventig stonden wereldgeschiedenis en globalisering centraal. Elke generatie heeft nieuwe zorgen, elke generatie stelt nieuwe vragen, elke generatie herschrijft geschiedenisboeken. De aangepaste canons zijn een voorbeeld. Dit is de dagdagelijkse geschiedvorsing.

Presentisme

Tegelijk – en dit is wezenlijker – verandert ons denken over de relaties tussen verleden, heden en toekomst. Hierover heeft de Franse historicus François Hartog behartenswaardige dingen geschreven. Ooit meenden we dat we in het heden lessen konden leren van het verleden, waardoor we beter voorbereid zouden zijn op de toekomst. Als het gaat om de tijd voor pakweg het jaar 1000, is dit echter kentheoretisch onmogelijk, aangezien we onvoldoende informatie hebben. Je kunt bezwaarlijk onrobuuste data gebruiken om een samenleving tjokvol robuuste data te adviseren.

In de negentiende eeuw ontstond een tweede visie op de verhouding tussen toen, nu en straks: utopisme. Het verleden en heden werden onderschikt gemaakt aan de toekomst. Ik hoef niet uit te leggen hoe het heden eruit ziet in een samenleving die zich richt op een communistisch of fascistisch ideaal. Evenmin hoef ik uit te leggen hoe de bestudering van het verleden daardoor wordt ingeperkt.

Onze eenentwintigste eeuw ziet naast deze twee soorten relatie tussen verleden, heden en toekomst een derde soort, die Hartog aanduidt als presentisme. Momenteel zijn verleden noch toekomst maatgevend; alles draait om toepasbaarheid in het heden. Het verleden is belangrijk als we er meteen iets mee kunnen. Denk aan de archeologie, die financieel is ingekaderd in de ruimtelijke ordening, denk aan herdenkingen, aan historische excuses en denk – opnieuw – aan aangepaste canons, historisch of literair of anders.

Beleefbaarheid

U heeft de kop van dit blogje gezien en vraagt zich inmiddels af wat deze lange inleiding te maken met het vorige week heropende Museum Dorestad, dat is gewijd aan een van de belangrijkste opgravingen in Europa. Voor ik daarover meer vertel, zult u me echter een tweede inleiding moeten toestaan.

Een van de uitingen van presentisme is de nadruk op de beleefbaarheid van de geschiedenis: de ervaring van het verleden op dit eigenste moment, zoals in een toegankelijk gemaakt kasteel, zoals door re-enactors die in uniform uitleg geven, zoals in workshops historisch koken. In beleidsnota’s lezen we over “erfgoedtoerisme” en “erfgoedparticipatie” als strategieën om te voldoen aan de behoefte aan contact met het verleden.

Er is niets mis met beleefbaarheid, al wil het nog weleens leiden tot nep-verleden, zoals het nagebouwde Romeinse fort in Leiden. Presentisme heeft hier voorrang gekregen boven de confrontatie met een verleden dat wezenlijk anders was, dat schuurt met het heden en dat, voor wie er de dialoog mee aan gaat, helpt om het plaats- en tijdgebondene te zien van eigentijdse ideeën.

Ik noemde het nagebouwde fort omdat het Romeinse verleden vrij eenvoudig beleefbaar valt te maken. De Romeinen bouwden stevig, monumentaal, groot. In Archeon is bijvoorbeeld een herberg nagebouwd die het uitstekend doet als moderne horecagelegenheid; in Xanten documenteren reconstructies zelfs een complete stad. Een ander voordeel van het Romeinse verleden is dat de bouwvormen sinds de Renaissance opnieuw zijn gebruikt en daardoor voor iedereen herkenbaar zijn. Het Romeinse verleden sluit tot slot goed aan bij de hedendaagse groei van een pan-Europese identiteit. Er zijn Romeinse resten in eenentwintig van de zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie; de Romeinse rijksgrens (limes) slingert door tien EU-landen. De Commissie Van Oostrom heeft de Romeinse limes in 2007 gecanoniseerd en die keuze overleefde in 2020 de Herzieningscommissie Kennedy.

[Wordt vervolgd]

#Archeon #canon #CommissieKennedy #CommissieVanOostrom #Dorestad #FrançoisHartog #MuseumDorestad #presentisme #reEnactment #RomeinseLimes #WijkBijDuurstede #Xanten

De Romeinse keizers van Gallië (1)

Postumus, stichter van het Gallisch Keizerrijk (Bodemuseum, Berlijn)

Ik heb het, in het kader van mijn reeks over Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, al vaker gehad over de fase van de Romeinse geschiedenis die bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. De crisis als geheel, de Sassaniden en de afname van de economische mogelijkheden kwamen al aan de orde. De gevolgen waren immens. Rond 270 was het Romeinse Rijk in drieën uiteengevallen. Het centrale rijk (bestuurd door achtereenvolgens Gallienus, Claudius II Gothicus en Aurelianus) bestond uit Italië, de Afrikaanse provincies en een onrustige Balkan. In het oosten was het Rijk van Palmyra, in het westen het Gallisch Keizerrijk.

Je kunt die afsplitsingen zien als dieptepunt van een crisis, maar dat is te eenzijdig. Dat de Galliërs in alle opzichten het “echte” Romeinse Rijk imiteerden, bewijst vooral hoe grondig de romanisering was geweest, hoe groot het zelfvertrouwen van de provincies was en hoe vitaal de Romeinse wereld bleef.

Gallienus en Postumus

Het verhaal van het Gallisch Keizerrijk begint in de jaren 250, toen keizer Valerianus zijn zoon Gallienus naar Gallië stuurde om daar orde op zaken te stellen. Op dat moment waren allerlei Germaanse groepen actief in het Rijnland. Gallienus deed wat werd gevraagd.

In 260 viel Gallienus’ vader Valerianus echter in handen van de Sassanidische koning Shapur. Gallienus had nu andere prioriteiten en allerlei Germaanse groepen staken de Rijn over. Ik blogde al eens over muntschatten uit dat jaar. Binnen een paar maanden hadden ze Noord-Italië bereikt, waar Gallienus ermee afrekende. In Gallië was de commandant van de Romeinse legers een zekere Postumus, die in de omgeving van het heiligdom van Hercules Magusanus in Empel (bij Den Bosch) een groep Franken versloeg. Ik blogde al eens over zijn biografische schets in de Historia Augusta.

De overwinning moet beslissend zijn geweest, want we horen meer dan tien jaar niets over Germaanse invallen. Dit kan verband houden met een van Postumus’ maatregelen: hij stond verslagen krijgers toe zich als boeren in het rijk te vestigen, op voorwaarde dat ze tegen nieuwe indringers zouden vechten. Zo werden verlaten landbouwgronden opnieuw in gebruik genomen en waren er nieuwe belastingbetalers. Het resultaat zou echter niet duurzaam zijn.

Munt met de triomf van keizer Postumus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Het Gallisch Keizerrijk

Postumus was de eerste heerser van het Gallisch Keizerrijk, dat al snel heel Gallië, Britannia, Iberië en Beieren besloeg. Een aanval van Gallienus werd afgeslagen en de twee keizers spraken daarna af elkaar met rust te laten. Inderdaad intervenieerde Postumus niet toen de bewoners van de Povlakte hem uitnodigden. In 265 deed Gallienus een tweede poging, zonder resultaat.

Het Gallisch Keizerrijk was, zoals gezegd, een uitdrukking van het zelfvertrouwen van de noordelijke provincies. Als de centrale regering de Rijngrens niet kon verdedigen, zouden de Galliërs het zelf doen. En met succes. In 262-263 stak Postumus de rivier over om de Franken en Alamannen thuis aan te vallen, en daarna bleef alles stil.

Verdediging in de diepte

Postumus’ belangrijkste bijdrage aan de stabiliteit van het Gallisch Keizerrijk was een nieuwe militaire strategie, de diepteverdediging. Hij begreep dat één linie van forten langs de Rijn onvoldoende was. Als de Germanen die doorbraken, was het onmogelijk ze in het achterland tegen te houden. Daarom bouwde hij een tweede linie, die in België heel goed is gedocumenteerd: Aardenburg – Velzeke – Mechelen – TongerenMaastrichtKeulen. Daarachter stonden cavalerie-eenheden, die vrij snel konden oprukken naar een bedreigde sector. Het plaatste aanvallers voor een operationeel dilemma: als ze door de eerste linie waren, begaven ze zich tussen twee linies in; als ze de bres in de eerste linie wilden verbreden, arriveerden de troepen uit de tweede linie. Hierdoor konden de Franken nooit de belangrijke verbindingsweg tussen Boulogne, Bavay, Tongeren en Keulen en de belangrijke vruchtbare lössgronden bedreigen.

De tempel van Vesta op een munt van Postumus: hoe Romeins wil je het hebben? (Bodemuseum, Berlijn)

Gallienus nam soortgelijke maatregelen langs de Donau. Het was maar een van de zaken waarin de Galliërs het officiële rijk imiteerden. Ze hadden een eigen keizer, eigen legioenen, eigen gouverneurs, eigen consuls en andere magistraten en een eigen senaat. Alles was hetzelfde, tot en met de goden aan toe. Op de eigen munten stond overigens opvallend vaak de Romeinse halfgod Hercules, tevens de Magusanus van Empel, die blijkbaar de beschermheer van het rijk was.

Wordt vervolgd. Maar eerst nog even iets anders. Zoals u weet wordt elke vier maanden ergens op aarde een oudheidkundig instituut gesloten. De eerste dit jaar is Grieks en Latijn aan Queen’s University in Kingston, Canada. De petitie is hier.

 [Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]

#alamannen #aurelianus #claudiusIiGothicus #crisisVanDeDerdeEeuw #deBloisEnVanDerSpek #diepteverdediging #empel #franken #gallienus #gallischKeizerrijk #handboek #hercules #herculesMagusanus #petitie #postumus #romeinseLimes #strategie #thuringers #valerianus

Wat is een grens? (2)

Detail van de Peutinger-kaart: Arae Philaenorum wordt hier getypeerd als de grens tussen de provincies Africa en Cyrenaica, m.a.w. als de grens tussen de imperia van twee gouverneurs.

[In het eerste deel van dit artikel constateerde ik aan de hand van Baktrië en Germanië dat machtsuitoefening – dat wil zeggen: dat je mensen dingen kunt laten doen die ze anders niet zouden hebben gedaan – niet altijd archeologisch terug te vinden is. Hoe herken je in het bodemarchief waar een grens heeft gelegen?]

***

Dat machtsuitoefening niet samenvalt met de bouw van forten, wegen en andere monumenten, en dat ze daardoor archeologisch moeilijk vindbaar is, past goed bij het Romeinse denken over macht. Het woord imperium is misschien het beste te vertalen als “invloedssfeer” en duidt niet – of beter: niet per se – op een territoriaal begrensd gebied. Het slaat op de bevoegdheden van een magistraat (bijvoorbeeld het imperium proconsulare).

Voor ons relevant is het commando in een oorlog. De commandanten van de noordelijke legers hadden elk een eigen imperium om aan de overzijde van de rivier te vechten, maar er was geen duidelijke grens aan het strijdtoneel. Het was daardoor mogelijk dat een commandant die imperium had in het ene gebied, actief raakte in een gebied waar ook anderen actief waren. Eén oplossing was het imperium maius, waarin werd vastgelegd wie dan voorrang had. Een andere maatregel was het aanwijzen van gebieden waarin het imperium geldig was: een provincia. De voor zover ik weet enige territoriale afbakening die een imperium kende, was dus de grens met het imperium van een collega. Zie ook het plaatje hierboven.

Wat geldt voor het machtsbereik van een magistraat geldt eveneens voor het machtsbereik van de Romeinse overheid: de Romeinen vatten het imperium Romanum niet op als territoriaal begrensd geheel. Ze bouwden forten om hun belangrijkste gebieden te beschermen, maar dat wil niet zeggen dat deze forten een grens waren. Als de Romeinen na 9 hun troepen legeren aan de Rijn en aan de overzijde van die rivier Haltern aanhouden, betekent dat niet dat ze geen macht meer uitoefenden op de andere oever. De loodmijnen bleven gewoon in gebruik. Minimaal een deel van de Romeinse invloedssfeer is archeologisch niet te vinden.

***

Langs de Beneden-Rijn ligt een reeks forten: de limes. Die forten beschermden een transportroute, zoveel is zeker, maar vormden ze ook een grens? Zoals we hebben gezien kunnen we dat uit het bodemarchief niet afleiden terwijl de geschreven bronnen het grensbegrip problematiseren. (Voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat de Romeinen nooit grenzen kenden. Het gaat om het kentheoretische probleem en mijn voorbeeld is Nederland.)

Zoals we zagen in Baktrië, kan de overname van het netwerk van machtsrelaties door een of andere veroveraar archeologisch onvindbaar zijn. Op dit punt vind ik de vernieuwde expositie in het Rijksmuseum van Oudheden zo goed: ze toont enerzijds nederzettingen waar wél dingen veranderden toen ze kwamen te liggen binnen de Romeinse sfeer, zoals Nijmegen, maar toont ook vondsten uit opgravingen waar niets veranderde, zoals Dronrijp en Rijswijk. Zouden ze de opgraving in Brabant hebben getoond waar ik zelf ooit werkte, het verhaal zou ruwweg hetzelfde zijn.

In de twee zuidelijke opgravingen constateren we dat er geen verandering was ondanks de Romeinse overheersing; in de noordelijke zouden we – zie opnieuw Baktrië – hetzelfde kunnen constateren. Door handel veranderde de materiële cultuur hier of daar, maar dat zegt niet zoveel over de eigenlijke cultuur: de boeren – 90% van de bevolking in de oude wereld – oogstten en ploegden, zaaiden en maaiden, en droegen een deel van hun oogst af aan hun elite. Net als in het Baktrië in de tijd van Alexander de Grote was boven die elite een andere meester gekomen en in die zin was alles veranderd, maar op de grond veranderde er eigenlijk weinig.

Of toch? Ik heb nog gedacht aan de munten. Ten zuiden van de limes is de aanvoer vrij regelmatig, wat duidt op integratie in een groter economisch systeem; benoorden de limes komen de munten aan in golven, die kunnen worden verklaard doordat de Romeinen in crisissituaties óf groepen krijgers uit het noordelijk kustgebied in dienst namen óf afkochten. Weliswaar is er zo sprake van twee verschillende vormen van beheersing, maar in beide gevallen zou een Romein het noordelijk kustgebied hebben aangeduid als onderdeel van het imperium.

***

Waar komt, als het archeologisch niet documenteerbaar is en als de Romeinse ideeënwereld andere opties kende dan de territoriaal begrensde staat, het idee dan vandaan dat de limes een grens is geweest? Het is een negentiende-eeuwse interpretatie van de geschreven bronnen. Van een Florus, die op alle scholen werd gelezen en paste in een (Duits) nationalistisch aanbod. Van een beroemde passage uit Tacitus waarin staat dat keizer Claudius generaal Corbulo gelastte zijn troepen terug te trekken op de linker Rijnoever, die destijds werd geïnterpreteerd vanuit de toen gangbare visie dat je je troepen legerde aan de grens.

Je zou denken: de negentiende eeuw is voorbij. Maar oudheidkunde is een complex vak dat steeds complexer wordt, terwijl de opleidingen in de jaren tachtig zijn verkort. Dat de oproep tot interdisciplinariteit eindeloos wordt herhaald, duidt op de hieruit voortvloeiende problemen. De archeologie is zich steeds meer gaan beperken tot dat wat rechtstreeks uit het bodemarchief valt te halen; er is weinig tijd om na te denken over kentheoretische problemen; en daarom herhaalt men allerlei ingeburgerde noties. Noties die vaak verouderd zijn.

Dat Nijmegen en Tongeren ooit stedelijke rechten (de municipium-status) zouden hebben verworven is een onschuldig voorbeeld; dat het Romeinse Rijk een territoriaal begrensde eenheid was, heeft politieke implicaties in een tijd waarin Nieuw Rechts hamert op de goed bewaakte grenzen van de nationale staat. De archeologie zou een zinvolle bijdrage kunnen leveren door uit te leggen dat het idee van de territoriaal begrensde staat negentiende-eeuws is en dat er alternatieven zijn, zodat we, links of rechts, ons eigen denken beter begrijpen. We kunnen alleen constateren dat de voorlichting over de limes, juist nu ze haar belang kan bewijzen, in alle toonaarden zwijgt.

Maar ook al bekreunen archeologen zich minder dan vroeger om kentheorie en om hun betekenis voor het maatschappelijk debat: de limes vormt een waanzinnig kentheoretisch thema. Kunnen we invloedssferen en de eindigheid van macht herkennen in het bodemarchief? Zo ja, in welk opzicht is dan de reeks forten langs de Beneden-Rijn hetzelfde als de clausura in het zuiden van Tunesië? Wat is de overeenkomst met de muur van Hadrianus? (Ik ga er gemakshalve van uit dat dit werkelijk grenzen zijn geweest.) Of omgekeerd: indien we zouden kunnen vaststellen dat pakweg Dronrijp lag buiten het imperium van de Romeinen, in welk opzicht verschilt het dan van Baktrië? En in welk opzicht stemmen Rijswijk en Noord-Brabant met Baktrië overeen?

Dit is een fantastisch thema. Hier liggen – pun intended – de grenzen van de wetenschap.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

#Dronrijp #grens #imperium #nationaleStaat #Philaeni #PubliusCorneliusTacitus #RijswijkZH_ #RomeinseLimes

De Germanen van Theodor Holman

Romeins masker van een Germaan: let op de knoop in het haar (British Museum)

De Amsterdamse journalist Theodor Holman houdt van de oude wereld, die steeds weer in zijn oeuvre opduikt. Zo schreef hij eens, gezeten in de etalage van De Bijenkorf, in één dag een boek, waarin een heel hoofdstuk was opgenomen over de (fictieve) toespraken van Hannibal en Scipio vlak voor de slag bij Zama. Daarin legde Holman perfect uit hoe de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius, die deze twee toespraken heeft verzonnen, ze benut om de karakters van de sprekers te typeren. De oude Hannibal weet teveel van oorlog om er nog in te geloven, de jonge Scipio ruikt bloed.

In zijn beste roman, De plant die muziek maakte, voert Holman zijn oude lerares Latijn, mevrouw Van Katwijk-Knapp, terloops ten tonele. (Ik heb haar overigens nog eens geïnterviewd.) In Holmans daaropvolgende boek, De grootste truc aller tijden, speelt een Egyptische papyrus een rol. Kortom, Holman heeft een liefde voor de Oudheid.

Gisteren wijdde hij zijn dagelijkse column in Het Parool aan de onhandige vergelijking van Mark Rutte tussen de EU en het Romeinse Rijk waarover ook ik onlangs schreef. Het gaat me nu niet om wat Holman betoogt, maar om iets wat hij terloops schrijft.

Is het verdedigen van grenzen uiteindelijk nutteloos? Wij – de Germanen – dachten van niet toen de Romeinen in 12 voor Christus Nederland wilden binnendringen. De Romeinen rukten op, maar de Germanen hadden daar geen zin in, en ofschoon ze veel zwakker waren dan de Romeinen, kwamen die niet de Rijn over. Die Germanen hielden nadien toch 400 jaar stand, waarna de Friezen, Franken en de Saksen de boel nog een tijd beheerden.

Holman handhaaft hier de traditionele visie op de Nederlandse Oudheid, waarin ons eigen verleden (“wij”) wordt gezocht bij de Germanen en de Franken, en niet bij de Romeinen. Daar is heel, heel veel voor te zeggen, want we spreken nu eenmaal een Germaanse taal en onze middelnederlandse literatuur staat in de Frankische traditie.

Ik wijs hierop omdat Holman, die dus oprecht belang stelt in de oude wereld, zich het actuele verhaal over de limes, waarin dat “wij” nogal wordt genuanceerd, niet heeft eigen gemaakt. Niet dat hij er nooit van heeft gehoord, maar de oudheidkundige informatie die de laatste jaren over Nederland is uitgestort, heeft geen aansluiting gevonden bij wat Holman al weet over de Oudheid. De Nederlandse Oudheid en de limes zijn gescheiden werelden gebleven.

Dat ligt niet aan Holman. Het ligt aan de wijze waarop de limes wordt gepropageerd: steeds weer worden de feiten gepresenteerd, maar de zo geboden informatie sluit slecht aan bij de bestaande geschiedbeelden. Bij mijn weten heeft nog niemand de moeite genomen uit te leggen waarom het nieuwe beeld van Nederlands antieke verleden beter is dan het oudere. De voorlichting blijft gericht op de eerste kennismaking, biedt geen methodische verdieping en anticipeert niet op de groeiende wetenschapsscepsis.

Anders gezegd: ze is erg gericht op het vergroten van de naamsbekendheid, terwijl die groot genoeg is en veel mensen al redelijk limes-moe zijn. Wie dan méér van hetzelfde biedt en niet uitlegt waarom het nieuwe geschiedbeeld een verbetering is, roept een herhaling van de Nijmeegse aquaductenaffaire over zich af.

De voorlichting moet, nu de meeste geïnteresseerden weten wat de limes is, de diepte in en moet aansluiting zoeken bij bestaande geschiedbeelden. Anders zullen zelfs enthousiaste liefhebbers van het antieke erfgoed (mensen dus als Theodor Holman) de limes niet herkennen als hun eigen antieke verleden. Dat is zorgwekkend, want als het zo doorgaat zitten we binnenkort opgezadeld met een limes die werelderfgoed is – en die nauwelijks iemand werkelijk iets zegt.

#Franken #RomeinseLimes #TheodorHolman

Wat is archeologie? (3) De media

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

[Dit is het derde van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Ik kan me voorstellen dat u na mijn vorige blogje dacht dat mijn schets van de archeologie nogal abstract was en niet overeenkomt met uw beeld van dat mooie vak. Een vak dat hands on is, heel concreet, heel positief, sterk gebaseerd op het tastbare. Zo komt het immers in het nieuws en zo presenteren archeologen het ook. Vraag een archeoloog maar eens wat archeologie is en in vier van de vijf gevallen vertelt hij over vondsten. Dit is al zo sinds de jaren zeventig, maar zoals gezegd is dataverwerving slechts een voorwaarde voor wetenschap en geen wetenschap.

Archeologie in het nieuws

Archeologie gaat over het toetsen van hypothesen om de mensheid beter te begrijpen (“zeigen wie Menschen ticken”) en onvermoede aannames op te sporen (“unbekannte Werte messen”). Daar horen we echter weinig over. Het gaat vaker over bijvoorbeeld een ontdekt Romeins kamp, waarbij als bijzonderheid geldt dat het benoorden de limes lag – alsof dat belangwekkend zou zijn.noot De limes was geen ijzeren gordijn en kampen als Ermelo waren al bekend. Of het gaat over een monumentaal gebouw in Nijmegen, waarbij als bijzonderheid geldt dat zo dicht bij de Waal resten van de antieke stad bewaard zijn gebleven. Leuk als zulke nieuwtjes zijn, tonen ze niet hoe wezenlijk de feitelijke bijdrage is van de archeologie. Ze trekken wel de aandacht maar niet tot iets.

Dit geldt niet alleen voor Nederland of Vlaanderen. Een internationaal overzicht vindt u hier en het nieuws blijft veelal beperkt tot vondsten en feiten. En het rare is: deze zelftrivialisering vind je niet bij andere wetenschappen. Het is bijvoorbeeld ondenkbaar dat pakweg een biograaf van Gerard ’t Hooft zou verzuimen te vertellen wat renormalisatie is. En zoals ik al constateerde: als archeologen niet uitleggen wat archeologie is, kan niemand het belang ervan ontdekken. Dan moet je er niet van opkijken als elke negenendertig dagen ergens een museum of wetenschappelijke instituut wordt bedreigd, of dat het voor politici electoraal aantrekkelijk is de draak te steken met verondersteld softe wetenschappen.

Oorzaken

Een deel van problematiek is dat journalisten geen zin hebben om af te wijken van de traditionele frames. Kind/voorbijganger/amateurarcheoloog/aannemer vindt voorwerp en meldt het bij de autoriteiten. Deze of gene site is het Pompeii van het noorden, van Utrecht, van Groot-Brittannië, van Jordanië. In de Oudheid hadden ze ook epidemieën, klimaatverandering, fake news, populisten. Als een journalist een vondst niet kan presenteren als de oudste in deze of gene categorie, maakt hij er wel een schat van. Je leest zelden dat bioarcheologische feiten nieuwe kansen bieden aan tekstwetenschappers.

Dat het accent ligt op vondsten en niet op het eigenlijke archeologische proces, ligt vermoedelijk ook aan de archeologen zelf. Ongeveer een kwart van de vragen die aan mij wordt voorgelegd, valt te herformuleren als “hoe weet je wat je weet?” of “hoe draagt dit bij aan de wetenschap?”, maar ik heb de zeer sterke indruk dat archeologen (en hun collega-oudheidkundigen) onvoldoende herkennen hoe groot deze vraag naar inzicht in het wetenschappelijk proces momenteel is. De voorlichting negeert de sleuteldoelgroep.

Ik ben weleens bang dat archeologen iets te veel vertrouwen hebben in de neoliberale geruststelling dat alles in orde is, aangezien de financiering is geregeld door de archeologie in te bedden in de ruimtelijke ordening. Misschien ben ik iets te bang; in elk geval is wetenschapsfinanciering geen wetenschapsbeleid, en ook geen communicatiebeleid, en ontbreekt een heldere visie op de wijze waarop archeologen en classici de Oudheid over het voetlicht moeten brengen. Bedenk namelijk: het publiek wil kennis van de oude wereld, en wil geen kennis van de oude wereld met de beperkingen van de archeologie of kennis van de oude wereld met de beperkingen van de antieke literatuur. Zolang wetenschappelijke specialismen het vertrekpunt van de voorlichting vormen, en niet de belangstelling van het publiek, zal het lastig zijn een echt goede voorlichting op te zetten, en bezuinigingsgeile politici en academische bestuurders de wind uit de zeilen te nemen.

Want nogmaals: politici weten dat het aantrekkelijk is te schoppen tegen een wetenschap die zich niet verweert. Dat is het klootzakkengedrag van het schoolplein, waar de bullebakken het kind pesten dat niet heeft geleerd hoe het zich verdedigen kan. Het siert de archeologen en hun collega-oudheidkundigen dat ze zich niet willen verlagen tot het niveau van Halbe Zijlstra of het Belgische federale kabinet, maar de geesteswetenschappen zullen zich moeten verweren. Wat ons brengt bij de musea, die wel iets doen.

[wordt vervolgd]

#bioarcheologie #data #DNARevolutie #GerardTHooft #HalbeZijlstra #RomeinseLimes #WimDeetman #zelftrivialisering

De klucht van het Nationaal Historisch Museum

Uitleg in het Nationaal Historisch Museum

Waarom de foto hierboven betekent dat het maar goed is dat het Nationaal Historisch Museum verdwijnt, leg ik u zo uit. Maar eerst een simpele vraag. Waarom zou de tweede van de hieronder genoemde onderwijzers moeten worden ontslagen?

  • Een onderwijzer heeft op een schoolreisje een klas van twintig kinderen mee. Als ze in de bus zitten, telt hij er negentien. Bij controle zijn er toch twintig. Gerustgesteld laat hij de chauffeur vertrekken.
  • Nog een onderwijzer, nog een schoolreisje, nog eens twintig kinderen. Deze onderwijzer telt meteen twintig kinderen en laat de buschauffeur vertrekken.

U weet het antwoord. De eerste onderwijzer telde ten onrechte negentien kinderen en controleerde zijn informatie. De kans dat de tweede een telfout heeft gemaakt is precies even groot, maar hij controleerde zijn informatie niet. Iedereen die wel eens een groep op sleeptouw heeft gehad, kent dit probleem, en daarom tellen onderwijzers, toerleiders en kleuterjuffrouwen hun groepen altijd twee keer. Ze weten namelijk dat de kans op een fout bij ‘onmiddellijk het juiste aantal’ net zo groot is als bij ‘de eerste keer het verkeerde aantal’.

Controle is het wezen van kennis. Of informatie je vreemd of vertrouwd voorkomt maakt niet uit: in beide gevallen kan de informatie onjuist zijn en dus moet je haar in beide gevallen controleren. Wie alleen vreemde informatie aan een controle onderwerpt en dit nalaat bij vertrouwde informatie, is dom. Dit is een bepaald soort domheid, die niets zegt over intelligentie of opleiding. Misschien komt deze vorm zelfs wel vaker voor bij intelligente mensen die eraan gewend zijn de feiten goed te kennen; de laagopgeleide is er meer aan gewend dat hij fouten kan maken, en is meer op zijn hoede.

Terug naar de foto. De fout is dat de Romeinen pas in 19 v.Chr. de Beneden-Rijn bereikten. De limes kan onmogelijk achtentwintig jaar daarvóór zijn aangelegd. (Wie het precies wil weten: de limes behoort vermoedelijk bij de Claudiaanse legerhervormingen, 41-42 na Chr.)

Het is weliswaar geen heel grote fout – en dit zeg ik met enige nadruk – maar ze is wél verschrikkelijk erg, wat iets anders is. Deze fout verraadt namelijk dat de directie van het Nationaal Historisch Museum de geboden informatie niet heeft laten controleren. Elke eerstejaarsstudent geschiedenis kan je uitleggen waarom je informatie nooit, maar dan ook nooit, mag vertrouwen, en dat je alles, maar dan ook alles, moet controleren, niet slechts als je aarzelt maar vooral als je het zeker denkt te weten. Deze fout verraadt dat men bij het museum het historisch ambacht niet beheerst.

Goed dat er een einde komt aan deze klucht.

#domheid #NationaalHistorischMuseum #RomeinseLimes