Toerist in Sevilla

De kathedraal van Sevilla

Sevilla! Het is de laatste stad in onze Spaanse zwerftocht, want morgenochtend begint terugreis. Ik ben eind jaren tachtig hier geweest, kort na de ontdekking van de Lex Irnitana (de meest complete versie van de Romeinse gemeentewet), die hier in het museum zou zijn. Een paar dagen daarvoor had ik de plek bezocht waar de bronzen tabletten waren gevonden. Ze bleken destijds echter niet aanwezig in Sevilla, maar zouden worden geëxposeerd in Madrid. Toen ik later daar aankwam, bleek de tentoonstelling nog niet geopend. Nu ik opnieuw in Sevilla ben, is het plaatselijke archeologische museum gesloten. Dat wisten we al vóór we de reis planden, dus dit is geen teleurstelling.

Stad aan een rivier

En we hebben gewoon een leuke dag gehad. Zoals de trouwe lezers van dit narcistische winterfeuilleton weten, staat deze reis een beetje in het teken van de Oudheid en de Arabische Middeleeuwen, en daarover valt in Sevilla genoeg te zien. De stad ligt aan de benedenloop van de Guadalquivir; antieke en middeleeuwse zeeschepen konden tot hier komen. (Dit is dan ook de stad waar Christoffel Columbus vertrok.) Er was dus altijd een basis voor welvaart. De vroegste geschiedenis is onduidelijk, maar de schat van El Carambolo, die ik al eens noemde, is vlakbij Sevilla gevonden.

Leander van Sevilla

De stad was in de Romeinse tijd een knooppunt voor de handel, werd in de zesde eeuw na Chr. een belangrijk centrum van het Chalkedonische christendom en beleefde een gouden eeuw na de ondergang van het Kalifaat van Córdoba. Achtereenvolgens heersten toen de Almoraviden en de Almohaden over El-Andalus, en laatstgenoemden maakten Sevilla in 1149 tot hoofdstad. Een eeuw later, in 1248, nam koning Ferdinand III de Heilige van Castilië de stad in.

De Almohaden

Er zijn diverse resten uit de Almohadische tijd. Na de betrekkelijke eenvoud van Córdoba en de al wat complexere decoratie van Madinat al-Zahra, zijn de muren uit deze periode helemaal rijk en verfijnd versierd.

Om te beginnen staan er her en der nog resten van de stadsmuur, met in het noorden van het historische centrum de Puerta de Córdoba. Tot mijn plezier ontdekte ik dat ernaast een ere-inscriptie was aangebracht voor de Hermenegild waarover ik onlangs blogde. Dit stuk van de stadswal was overigens eeuwen later het decor van nog een gewelddadige gebeurtenis: tijdens de Spaanse Burgeroorlog plaatsten de nationalisten hier de republikeinen tegen de muur.

Ere-inscriptie voor Hermenegild

Een ander deel van de Almohadische verdedigingswerken is de Torre del Oro, vlakbij de rivierhaven. Er is een museum voor de Spaanse vloot. Elders in de stad is een café, de Cervecería Giralda, ingericht in een voormalig Arabisch badhuis. Je herkent de pilaren en de koepel in een oogopslag. In de koninklijke paleizen, de Reales Alcázares, zijn her en der Arabische resten te vinden, variërend van kapitelen afkomstig uit Madinat al-Zahra in de Salón de los Embajadores via een op een Almohadisch origineel teruggaande tuin in de Patio del Crucero naar het hof van de Palacio del Yeso. Hoewel deze resten er dus zijn, is het paleizencomplex als geheel grotendeels recenter ontstaan.

Cervecería Giralda

Het voornaamste Almohadische erfgoed is iets anders: de Giralda ofwel de klokkentoren naast de immense kathedraal. Het is volgens een van de personages uit de Quichot een reuzin de oude minaret, bijna honderd meter hoog. De kathedraal zelf staat op de plek van de oude Vrijdagsmoskee, maar is een complete nieuwbouw uit de Late Gotiek. Het gebouw valt in de categorie “mooi maar geen Toledo”. Ik vond het leuk dat er kapellen waren ingericht voor Leander van Sevilla (over wie ik onlangs blogde) en Isidorus van Sevilla (de encyclopedist). Minder leuk was dat de kapel met het graf van Ferdinand III wegens verbouwing was gesloten. In deze kathedraal is overigens ook het graf van Christoffel Columbus.

De Giralda in Sevilla

Meer Sevilla

Sevilla heeft ook een antiquarium, dat wil zeggen dat onder een plein de archeologische resten uit de Romeinse tot en met Almohadische tijd zijn ontsloten. Romeinse huizen met mozaïeken, laatantieke huizen, een Arabische watermolen. Het is prachtig gedaan, maar wie er zonder audiotour doorheen gaat, krijgt eigenlijk geen informatie. De nieuwe tijd, net wat u zegt, maar het maakt me wat melancholiek.

Naast de kathedraal bezochten we van het christelijke erfgoed de Basílica de la Macarena, met een beroemd beeld van een huilende Maria. Helemaal aan het andere einde van het historische centrum, in het zuiden, ligt de Plaza de España. Het is het decor van enkele scènes uit het de speelfilm Lawrence of Arabia en van de Netflix-serie Kaos. Er zijn mozaïeken die de geschiedenis van Spanje verbeelden, ongeveer een eeuw oud, met vooral heel veel aandacht voor door Arabieren bestuurde steden die in handen vielen van de vorsten van Castilië of Aragón.

Torre del Oro

Het zegt veel over Spanje dat men honderd jaar geleden dacht dat de Arabier “de ander” was en men tegenwoordig een andere visie heeft op het verleden, waarbij de Arabier net zo goed onderdeel is van de Spaanse geschiedenis. Geschiedbeelden veranderen voortdurend – en het kan geen kwaad te benadrukken dat dit niet mag gebeuren omdat de politieke of culturele wind de andere kant op is gaan waaien, zoals we in Nederland zagen toen we in plaats van de Germanen de Romeinen tot canonvenster maakten. De aanpassing van een geschiedbeeld behoort een autonoom wetenschappelijk proces te zijn. Een niet selectief gegroeid databestand, gevarieerdere data, excess empirical content: dat is wat de motor achter veranderende geschiedbeelden behoort te zijn, en in Spanje is dat, zo zagen wij de afgelopen twee weken, heel aardig gelukt.

#Almohaden #ChristoffelColumbus #ElCarambolo #excessEmpiricalContent #FerdinandIIIDeHeiligeVanCastilië #Hermenegild #Sevilla #SpaanseBurgeroorlog

Museum Dorestad heropend (2)

Munt uit Dorestad (Teylersmuseum, Haarlem)

[Tweede deel van een blog over het belang van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Het eerste was hier.]

En de Germanen dan?

Hier zijn echter vraagtekens te plaatsen. Al vanaf de vroege zestiende eeuw staan in het Nederlandse geschiedbeeld de Germanen centraal. Het hertogdom Gelre, al snel gevolgd door de Republiek, identificeerde zich met de Bataven; de bewoners van de noordelijke gewesten noemen zich nog altijd Friezen; een krant uit Twente noemt zich Tubantia; tal van gemeentes beschikken over Chamavenstraten, Frankenwegen of Saksenlanen; er is een ware industrie van Batavia’s, Batavi Droogstoppels, Batavus-fietsen en Batavier-bieren.

Vreemd is deze identificatie met het Germaanse verleden niet: het Nederlands stamt immers af van het Frankisch, het christendom kwam hier aan in de Frankische tijd, de oudste laag van onze literatuur stamt uit die tijd en de Rotterdamse havens gaan via Dordrecht terug op – daar zijn we! – het Frankische Dorestad. Nederland wortelt in een Germaans verleden, maar dat verleden heeft een dubbele handicap, namelijk dat het enerzijds moeilijk beleefbaar valt te maken (wie van u bezocht Erve Eme in Zutphen?) en anderzijds nogal unzeitgemäβ is in het zich verenigende Europa.

Mede door de canonisering van de limes is Nederland zijn Germaanse verleden kwijt aan het raken. De Commissie Van Oostrom had ook de Bataafse Opstand kunnen kiezen. Begrijp me niet verkeerd: ik ben lid van een pro-Europese partij en waardeer geschiedschrijving vanuit een bovennationaal perspectief. Dat maakt me echter niet blind voor het feit dat Nederland een pan-Europees verleden prioriteit heeft gegeven boven een vaderlands verleden, zonder dat er sprake was van excess empirical content. Deze jargonterm wil zeggen dat een nieuw geschiedbeeld een betere verklaring biedt omdat het relevante data beter met elkaar verbindt. Ik heb daarom wat aarzelingen bij de canonisering van de limes.

Die aarzelingen hoeft u niet met me te delen, maar het feit blijft dat de Germanen uit ons verleden zijn verdwenen. Een tikje verontrustend is dat wel. Historische feiten kunnen mensen van alle generaties en alle windstreken verbinden: ongeacht of u een gepensioneerde bent uit Venlo of een Generatie Z-er uit Alkmaar, Bonifatius is in 754 om het leven gebracht bij de Boorne. Door iets dat we traditioneel centraal stelden, te vervangen door iets dat momenteel in de mode is, delen generaties niet meer hetzelfde verleden.

Daarom is de heropening van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede mijns inziens belangrijk. Nederland krijgt een deel van zijn aloude verleden terug.

Dorestad

Dorestad is al bekend sinds de negentiende eeuw, toen mensen die op zoek waren naar botten (om beenderlijm van te maken), de grafvelden doorzochten. Ze vonden ook aardewerk en mantelspelden, die belandden in de collecties van plaatselijke verzamelaars. Er kwamen professionele opgravingen, men concludeerde dat hier een Frankisch fort was geweest en in 1926 werd het museum opgericht.

In de naoorlogse jaren wilde Wijk bij Duurstede uitbreiden, maar onderzoekers uit Wageningen attendeerden op grote concentraties fosfaat, die duidden op menselijke aanwezigheid, zodat er eerst oudheidkundig bodemonderzoek moest worden gedaan. Onder leiding van archeoloog Wim van Es werd ruim tachtig hectare onderzocht, wat Dorestad maakte tot een van de grotere opgravingen in Europa. Het hele Kromme Rijn-gebied werd in de analyse meegenomen.

Het stroomgebied van die rivier was vruchtbaar en is altijd bewoond geweest, maar eeuwenlang ging dat om gehuchten van twee of drie boerderijen. Daar tussenin, aan de splitsing van de Rijn en Lek, bleek dus een complete stad te liggen, die bloeide van de zevende tot en met de negende eeuw. Via de Rijn was Dorestad verbonden met Centraal-Europa, via de Lek en Kromme Rijn met de Britse eilanden, via de Vecht met Scandinavië, via de Zoel en Maas met Gallië. Dorestad kon niet anders zijn dan een handelscentrum. En niet zomaar een handelscentrum: het was veel groter dan andere handelssteden als Birka, Haithabu, York, Londen, Dinant, Quentowic. Een beroemde zevende-eeuwse mantelspeld, momenteel in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, illustreert de rijkdom.

Een geschiedenis van Dorestad

Het museum is acht jaar geleden gesloten maar vorige week heropend op een nieuwe locatie, in het oude raadhuis, boven het VVV-kantoor. Het is niet groot. In drie kwartier kun je alles hebben gezien. Maar het documenteert een weggemoffeld maar belangrijk deel van het Nederlandse verleden.

Dorestad lag tussen twee taalgebieden in: in het noorden sprak men Fries en heersten Friese vorsten met namen als Aldgisl en Radbod, in het zuiden heersten de Franken, wier taal sterk lijkt op de onze. In 689 veroverde de Frankische oorlogsleider Pippijn van Herstal het handelscentrum. Radbod week uit maar huwelijkte later zijn dochter uit aan de zoon van Pippijn, en zou de grootvader van een Frankische heerser zijn geweest als die laatste een burgeroorlog zou hebben gewonnen. Radbod intervenieerde zelfs: hij rukte op naar Keulen, maar werd uiteindelijk verslagen en de nieuwe Frankische leider, Karel Martel, onderwierp de Friese koning.

Dorestad was nu definitief Frankisch en werd een verplichte tolhaven. De stad werd rijker en rijker, en kreeg dankzij bisschop Bonifatius zelfs enkele privileges, zoals een vrijstelling van belasting en koninklijke rechtspraak. Het staat vast dat via Dorestad veel zilver binnenkwam. Dat was een destijds in Europa zeldzaam metaal, en uit chemische analyses weten we dat het afkomstig is geweest uit het verre Khorasan (in het noordoosten van Iran), en door Noormannen over de Wolga en Oostzee is aangevoerd. Vanaf de regering van Karel de Grote circuleerde weer enig muntgeld in West-Europa – het begin van een nieuw type, gemonetariseerde economie.

Rond het midden van de negende eeuw ontstonden conflicten tussen de kleinzonen van Karel de Grote, waarbij de diverse strijdende partijen er niet voor terugdeinsden om Noormannen te verzoeken hun tegenstanders aan te vallen. Dorestad doorstond enkele plunderingen maar werd als belangrijkste haven in het Rijnland vervangen door Tiel, Dordrecht en uiteindelijk Rotterdam. Kortom: een interessante geschiedenis!

[Wordt over een half uur afgerond, maar als u zo lang niet wil wachten, kunt u het stuk hier al helemaal lezen, want ik publiceerde het afgelopen zaterdag al op VersTwee.]

#Bonifatius #CommissieVanOostrom #Dorestad #ErveEme #excessEmpiricalContent #Franken #Friezen #Haithabu #KarelDeGrote #KarelMartel #monetarisering #MuseumDorestad #Noormannen #PippijnVanHerstal #Radboud #RomeinseLimes #WijkBijDuurstede #WimVanEs #zilver

De grote Arabische veroveringen

De Jarmuk, waar de Arabieren de Byzantijnen beslissend versloegen

De vestiging van het Arabische wereldrijk verliep extreem snel: tussen 632, het overlijdensjaar van de profeet Mohammed, en 750, toen een einde kwam aan de Umayyadische dynastie, verschoof de grens elk jaar met zo’n vijfenzestig kilometer. Dat is ruim zeven meter per uur, dertien centimeter per minuut, twee millimeter per seconde: je zou, als de grens herkenbaar zou zijn als een lijn op de grond, de expansie kunnen hebben zien plaatsvinden. Het eindresultaat was een imperium, groter dan het Romeinse ooit was geweest, zich uitstrekkend van de Atlantische tot de Indische Oceaan en van de Pyreneeën tot de Pamir.

Arabisering en islamisering

De Arabische legers trokken door allerlei gebieden, verwierven de loyaliteit van de heersende klassen en gingen verder naar het aangrenzende gebied. Hun enorme snelheid betekende dat de veroveraars meer nieuwe volken onderwierpen dan ze tot de islam konden bekeren. Anders gezegd: de vestiging van het Arabische wereldrijk was niet hetzelfde als de islamisering van de onderdanen, die eeuwen kon duren. De eigenlijke leer ontstond pas in de achtste eeuw en de bekering van het gros der onderdanen liet nog langer op zich wachten. Landen als Turkije, Syrië en Egypte hebben nog altijd niet-islamitische minderheden; in Libanon is de christelijke minderheid zelfs de grootste van alle bevolkingsgroepen.

In zijn boek De grote Arabische veroveringen (The Great Arab Conquests) vertelt de Britse historicus Hugh Kennedy hoe de Arabieren erin slaagden het Midden-Oosten politiek aan zich onderdanig te maken. Het is zeker een goed boek, en als u meer over krijgsgeschiedenis wil weten, moet u het zeker lezen. Desondanks heb ik wat kanttekeningen.

Wat in elk geval gewoon goed is, is dat Kennedy een gedegen overzicht biedt van wat er nu ruwweg is gebeurd. Campagne voor campagne, landstreek voor landstreek, en met een bonte troupe van personages. Hij is zeker niet de eerste die erover schrijft, maar nog elk jaar verschijnen nieuwe artikelen en boeken en nog regelmatig worden nieuwe bronnen ontsloten. De grote Arabische veroveringen plaatst alles net even wat preciezer bij elkaar dan eerdere boeken. Soms is er een nieuwe interpretatie van de gebeurtenissen, dan weer biedt hij de “tegenstemmen” van de verslagenen, en een enkele keer dateert hij deze of gene gebeurtenis wat accurater: het oogt misschien weinig spectaculair, maar soms is de voortgang van de geschiedschrijving ook niet meer dan slechts een synthese die excess empirical content heeft ten opzichte van eerdere syntheses. Daar is niets mis mee.

En toch. Een land veroveren is één ding, een land blijvend bezetten een ander. Er moet iets zijn dat de overwonnenen doet besluiten te berusten in hun nederlaag of zelfs met de overwinnaars mee te werken. Voor deze kant van de veroveringen heeft Kennedy, die vooral campagnes beschrijft, weinig oog, al noemt hij de tegenstemmen van de verslagenen wel degelijk. Maar het boek is nogal “top down” geschreven, terwijl een “bottom up”-verhaal niet alleen mogelijk is, maar zelfs wenselijk.

Egaliteit

Aan de Arabische veroveringen ging iets vooraf: de enorme oorlog tussen de Byzantijnen en de Sassanidische Perzen. Archeologen hebben aangetoond dat het Midden-Oosten van de Taurus tot de Sinaï nogal een puinhoop was. Het stedelijk leven kwam ten einde. Zowel joden en christenen als zoroastrianen meenden dat het einde der tijden nabij was, en in Mekka kreeg Mohammed soortgelijke visioenen. De overlevenden van deze strijd waren sterk verarmd en walgden van de Byzantijnse en Sassanidische overheden: sterk hiërarchische belastingverteerders, die niets beters met het kapitaal wisten te doen dan oorlog voeren.

De boodschap van de vroegste islam, die niet precies meer valt te reconstrueren maar waarin in elk geval egalitarisme een rol speelde, moet voor menigeen aantrekkelijk zijn geweest. De Arabische veroveraars waren wellicht minder veroveraars dan soldaten die een gebied werden binnengezogen waar men verlangde naar een ander soort heerschappij dan de Byzantijnse of de Sassanidische. Het ontstaan van het Arabische wereldrijk kan, zoals Fred Donner oppert, wel eens een grassroots-beweging zijn geweest, waarvan de campagnes die Kennedy zo grondig beschrijft, niet meer waren dan het opvallendste aspect.

Kennedy noemt de frictie tussen de (monofysitische) Egyptische bevolking en de (Grieks-orthodoxe) Byzantijnse overheid, maar er moet meer hebben gespeeld, veel meer, en daarom had ik uiteindelijk gehoopt op iets meer van de theologische achtergrond. Kennedy mag dan krijgshistoricus zijn, als theologische geschillen en verlangens een factor zijn die het verloop van campagnes kunnen beïnvloeden, zouden die toch ook moeten zijn behandeld. Dat gezegd hebbende: wie de campagnes, de veldslagen en de belegering eens allemaal in een boek bij elkaar wil hebben, heeft met De grote Arabische veroveringen precies wat hij zoekt.

#ArabischeVeroveringen #excessEmpiricalContent #FredDonner #HughKennedy #Mohammed #Umayyaden