Vragen rond de jaarwisseling (4)

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Zo’n drie weken geleden nodigde ik u uit om de traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik zal nu mijn best doen de meer beschouwende vragen te beantwoorden.

Wat vond je zelf de belangrijkste ontdekking?

Eerlijk gezegd heb ik in 2025 weinig bijzonders zien langskomen. Alles ging z’n gangetje. Je kunt natuurlijk niet elk jaar een nieuwswaardige doorbraak hebben.

Waar zou je dit jaar de Kasteel van Amstelprijs voor geven?

Ach ja, de Kasteel van Amstelprijs! In de eerste jaargangen van de Livius Nieuwsbrief reikte ik die uit aan de meest opzichtige manier om te vissen naar publiciteit. Ik noem nog maar eens Josephine Quinn, die de geschiedenis van Het Westen plaatst in de wijdere context. Voor de journalisten die haar kritiekloos aan het woord lieten: wereldgeschiedenis is een genre uit de jaren zeventig. De journalistiek relevante vraag is waarom wetenschappers publiciteit zoeken met iets dat dat al een halve eeuw in de belangstelling staat.

Archeologie is een sociale wetenschap

Hoe gaat het verder met de internationale oudheidkunde?

Dat is moeilijk te zeggen. Enerzijds zijn er de laatste jaren interessante mogelijkheden gekomen: de DNA-revolutie heeft de hermeneutische buitengrens onhoudbaar gemaakt en biedt daardoor (vooral aan classici) ongekende en onverkende mogelijkheden. Verder bieden computers kansen om causaliteit te toetsen, zodat historici de geschiedvorsing naar een hoger plan kunnen tillen. Artificiële intelligentie verbetert de paleografie; andere vormen van digitalisering verrijken de archeologie.

Er kan dus van alles, maar ik zie weinig initiatieven om het wetenschappelijk onderwijs zo aan te passen dat voldoende breed gevormde onderzoekers worden opgeleid. Te veel publicaties zijn nodeloos gespecialiseerd en dragen bij aan de Rückfall des Menschen in seine selbstverschuldete Unmündigkeit.

Ik heb een kop uit De Volkskrant even gecorrigeerd.

Hoe wordt er, vergeleken met Nederland, over archeologie geschreven in de media? Is het erger/beter/anders? En valt er iets te zeggen over oorzaken?

Nederland lijkt een middenmoter. In landen als Israël, Griekenland en Italië lijkt (voor zover ik overzien kan) nauwelijks normaal over archeologie geschreven te worden; uit Spanje krijg ik daarentegen regelmatig interessante stukken. Belangrijke nuance: overal zijn goede journalisten die weten waar het over gaat, en in alle landen speelt het probleem dat de algemene redacties berichten over het verleden niet herkennen als wetenschap en verzuimen door te geven aan de wetenschapsredactie.

Plus dat veel wetenschapsjournalisten denken dat ze archeologie voldoende begrijpen om er onvoorbereid over te kunnen schrijven. Dit wordt in de hand gewerkt doordat archeologen hun persberichten beperken tot meldingen over vondsten. Wie niet toont hoe de archeologie sociaalwetenschappelijke hypothesen toetst, versterkt het journalistieke vooroordeel dat het slechts gaat over vondsten waarover iedereen wel een stukje kan typen.

Rob Jetten vraagt jou als staatssecretaris van Onderwijs. Je krijgt nog geld mee ook. Welke vijf concrete programma’s stelt staatssecretaris Lendering voor?

  • Eerst open access.
  • Verder moeten de publicaties die de universiteiten de afgelopen dertig jaar achter betaalmuren hebben verborgen, onverwijld worden ontsloten.
  • Daarnaast moeten we de schade die door het verbergen van inzicht is ontstaan (“bad information drives out good”) tenietdoen.
  • Het middelbaar onderwijs in Nederland moet een jaar langer (zesjarige HAVO, zevenjarig VWO) en het (geestes)wetenschappelijk onderwijs moet hersteld tot het wetenschappelijk minimum van zes à zeven jaar.
  • Een automatische budgetkorting voor universiteiten, overeenkomend met 100% van het advertentiebudget. De zo vrijkomende gelden gaan naar het beroepsonderwijs.
  • Maar deze ideeën zijn slechts lapwerk. De eigenlijke problemen zitten dieper. De betaalmuren staan haaks op de missie van de universiteit (wettelijke definitie: inzichten overdragen aan de samenleving). De studieduurbekorting van de jaren tachtig stond haaks op de wetenschappelijkheid die we verwachten van academische vorming. Betaalmuren en te korte opleidingen zijn evident fout en je kunt daar, zonder dat er doden vallen of zo, zó gewoon iets van zeggen, dat ik niet begrijp waarom intelligente academici er medewerking aan hebben verleend. De waarschuwingen liggen er al sinds de jaren tachtig. Dat ik dit niet snap, verraadt mijn gebrekkige mensenkennis.

    Daarom denk ik dat ik de verkeerde staatssecretaris voor Onderwijs ben. Als Rob Jetten me zou vragen, verwijs ik hem naar WOinActie.

    #badInformationDrivesOutGood #DNARevolutie #hermeneutischeBuitengrens #vragenRondDeJaarwisseling #wereldgeschiedenis #wetenschapsjournalistiek #WOInActie #zelftrivialisering

    Faits divers (41)

    Muzikanten uit ZIncirli (Museum voor Anatolische Beschavingen, Ankara)

    Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers: ook dit keer een verzameling van berichtjes die mijn aandacht trokken. Niet per se het belangrijkste nieuws, niet per se belangrijk, niet per se nieuws.

    Muziek!

    Het eerste artikel begrijp ik eerlijk gezegd niet tot in detail, maar wat ik wel denk te begrijpen is dat muziek in Bronstijd-Ugarit en India vergelijkbaar klonk. Een en ander valt af te leiden uit het in Ugarit gevonden lied “De bruiloft van Nikkel en Yarich” en de Indische Rig-Veda.

    Assyrië

    In de IJzertijd lagen er in wat nu Israël/Palestina heet diverse grote steden, zoals Samaria, Jeruzalem en ook Lachis. De inname van de laatste stad werd in de Assyrische propaganda groots gevierd. Een interessante studie suggereert dat die laatste stad lange tijd een voorname handelspartner was van Damascus, de stadstaat die het hardnekkigst weerstand bood tegen de Assyriërs. Dat zou kunnen betekenen dat de Assyrische aanval op Lachis niet zozeer was gericht tegen het koninkrijkje Juda, als wel een soort opruimoperatie was na de val van Damascus.

    Keltisch Europa

    Een van de belangrijkste Keltische opgravingen is die bij Manching. De grote ronde stad bevindt zich op het terrein van de Audi-fabriek en een vliegveld. Het onderzoek loopt al jaren en levert nog altijd leuke vondsten op, die overigens geen grote sociaalwetenschappelijke vragen beantwoorden. Eerlijk is eerlijk: nieuwswaardig is het niet. Persoonlijk lees ik het graag, omdat het mijn vak nou eenmaal is en ik data wil kennen, maar het behoeft niet in de krant.

    Zelftrivialisering

    Daarmee komen we op het pijnlijke punt: archeologen willen vooral dát er over ze wordt gesproken en zijn minder geïnteresseerd in de juistheid van het gebodene of de feitelijke informatiebehoefte. Neem een recent ontdekt laatantiek grafveld in Nijmegen. Een leuke vondst, zeker, maar oef, hoe het in het nieuws komt… Hier is de slotzin:

    De archeologen onderzoeken de overige schatten de komende tijd met röntgenapparatuur.

    Er is een wereld gewonnen als journalisten zouden ophouden alle data “schatten” te noemen en als onderzoekers geen publiciteit zouden zoeken voordat het onderzoek was afgerond. Onvoldragen nieuwsberichten als dit zijn schadelijk, omdat ze de echte inzichten onzichtbaar maken: u zoekt iets, u vindt trivia, en het echte nieuws ligt bedolven onder de onvoldragenheden. Dit verschijnsel staat bekend als junk news en beperkt zich niet tot Nederland, zoals blijkt uit voorbeelden uit Egypte, Italië, Syrië of Ierland. Geen van deze berichtjes bevat zelfs maar een begin van nieuws.

    Tongeren

    Wil het voorgaande nou zeggen dat je als archeoloog helemaal geen trivia naar buiten mag brengen? Natuurlijk mag dat wel. Mits het berichtje verder leidt naar verdieping. Dat kan methodische uitleg zijn, of werkelijke informatie over de antieke wereld. Dat is goed gedaan in Tongeren, waar men Romeinse schrijftabletjes heeft gevonden. Nu het onderzoek is afgerond en gepubliceerd, kan men naar buiten treden met allerlei informatieve stukken. Een voorbeeld is hier en er is nog meer daar.

    De Pest

    Wetenschappers vermoedden al heel lang dat de grote epidemie rond het midden van de zesde eeuw na Chr. geen ander was dan de Pest (Yersinia pestis). Inmiddels lijkt het bewijs dat het inderdaad zo was, definitief te zijn geleverd.

    De grote wereld

    DNA-onderzoek, zo lezen we, bewijst de aanwezigheid van mensen uit West-Afrika in post-Romeins Afrika. Dit soort berichten lezen we nu alweer tien jaar, dus de vraag is: voor wie is dit nieuws? Geen wetenschapsjournalist zal zwaartekrachtgolven (ook tien jaar oud) nog typeren als iets nieuws, maar als het over de Oudheid gaat, laten wetenschapsjournalisten de innovatie onbesproken.

    Ik wil geen brompot zijn

    En zo rond ik deze mopperige faits divers af. Ik wil niet steeds de brompot uithangen, en daarom ga ik niet uitgebreid in op de open deuren die hier worden ingetrapt. Het is echter triest dat het vakgebied dat me lief is, keer op keer in het nieuws komt met gebeuzel & geneuzel. Terwijl er écht interessante dingen gebeuren, waar het publiek in geïnteresseerd is. Journalisten denken echter dat het te moeilijk is en wetenschappers laten het daarom ook maar onbesproken.

    Het gevolg van alle rondgepompte trivialiteiten is dat de oudheidkunde lijkt op een orkest dat de mooiste muziek maakt naast een heimachine. En dat is een probleem, want onderzoek dat verborgen blijft, is verspilling van talent, energie en tijd. De inzichten moeten bereikbaar zijn, zeker in een vakgebied met een grote groep enthousiaste liefhebbers. En het kan beter. Zoals ik al schreef: we winnen een wereld als onderzoekers pas publiciteit zoeken als het onderzoek is afgerond en als journalisten clichés gaan vermijden. Zo moeilijk is het allemaal niet.

    #Lachis #Manching #migratie #muziek #Nijmegen #Pest #Tongeren #Ugarit #wetenschapsjournalistiek #zelftrivialisering

    Oudheidkundige prietpraat

    Naar het schijnt is dit een van de betreffende kleitabletten.

    Zouden we toch deze week bijna hebben moeten laten voorbijgaan zonder oudheidkundige prietpraat… maar gelukkig, ook deze week is de overdrijving weer eens niet geschuwd. Een collectie kleitabletten die licht werpt op de Babylonische Ballingschap der Joden wordt getypeerd “la maggiore scoperta filologica dopo i manoscritti di Qumran”.

    Kom op zeg. Het terugvinden van de Archimedescodex-C, de ontdekking van Achaimenidische documenten in Afghanistan, de Vindolanda-tabletten, de Faëthon van Euripides, het Evangelie van Judas: allemaal teksten die bekend zijn bij degenen die de kranten een béétje bijhouden. Diezelfde krantenlezers werden vandaag weer eens bevestigd in hun vooroordeel dat oudheidkundigen maar wat roepen.

    Het is een leuke vondst, zo’n archiefje. Er is een fascinerend verhaal over te vertellen. Maar beweer niet dat dit de grootste filologische ontdekking is sinds de vondst van de Dode Zee-rollen, want dat is echt kletskoek, dat wordt doorgeprikt. En zelftrivialisering draagt alleen maar bij aan het afnemende draagvlak voor de geesteswetenschappen.

    #BabylonischeBallingschap #EvangelieVanJudas #Irak #KoninkrijkIsraël #koninkrijkJuda #kwakgeschiedenis #zelftrivialisering

    Wat is archeologie? (3) De media

    Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

    [Dit is het derde van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

    Ik kan me voorstellen dat u na mijn vorige blogje dacht dat mijn schets van de archeologie nogal abstract was en niet overeenkomt met uw beeld van dat mooie vak. Een vak dat hands on is, heel concreet, heel positief, sterk gebaseerd op het tastbare. Zo komt het immers in het nieuws en zo presenteren archeologen het ook. Vraag een archeoloog maar eens wat archeologie is en in vier van de vijf gevallen vertelt hij over vondsten. Dit is al zo sinds de jaren zeventig, maar zoals gezegd is dataverwerving slechts een voorwaarde voor wetenschap en geen wetenschap.

    Archeologie in het nieuws

    Archeologie gaat over het toetsen van hypothesen om de mensheid beter te begrijpen (“zeigen wie Menschen ticken”) en onvermoede aannames op te sporen (“unbekannte Werte messen”). Daar horen we echter weinig over. Het gaat vaker over bijvoorbeeld een ontdekt Romeins kamp, waarbij als bijzonderheid geldt dat het benoorden de limes lag – alsof dat belangwekkend zou zijn.noot De limes was geen ijzeren gordijn en kampen als Ermelo waren al bekend. Of het gaat over een monumentaal gebouw in Nijmegen, waarbij als bijzonderheid geldt dat zo dicht bij de Waal resten van de antieke stad bewaard zijn gebleven. Leuk als zulke nieuwtjes zijn, tonen ze niet hoe wezenlijk de feitelijke bijdrage is van de archeologie. Ze trekken wel de aandacht maar niet tot iets.

    Dit geldt niet alleen voor Nederland of Vlaanderen. Een internationaal overzicht vindt u hier en het nieuws blijft veelal beperkt tot vondsten en feiten. En het rare is: deze zelftrivialisering vind je niet bij andere wetenschappen. Het is bijvoorbeeld ondenkbaar dat pakweg een biograaf van Gerard ’t Hooft zou verzuimen te vertellen wat renormalisatie is. En zoals ik al constateerde: als archeologen niet uitleggen wat archeologie is, kan niemand het belang ervan ontdekken. Dan moet je er niet van opkijken als elke negenendertig dagen ergens een museum of wetenschappelijke instituut wordt bedreigd, of dat het voor politici electoraal aantrekkelijk is de draak te steken met verondersteld softe wetenschappen.

    Oorzaken

    Een deel van problematiek is dat journalisten geen zin hebben om af te wijken van de traditionele frames. Kind/voorbijganger/amateurarcheoloog/aannemer vindt voorwerp en meldt het bij de autoriteiten. Deze of gene site is het Pompeii van het noorden, van Utrecht, van Groot-Brittannië, van Jordanië. In de Oudheid hadden ze ook epidemieën, klimaatverandering, fake news, populisten. Als een journalist een vondst niet kan presenteren als de oudste in deze of gene categorie, maakt hij er wel een schat van. Je leest zelden dat bioarcheologische feiten nieuwe kansen bieden aan tekstwetenschappers.

    Dat het accent ligt op vondsten en niet op het eigenlijke archeologische proces, ligt vermoedelijk ook aan de archeologen zelf. Ongeveer een kwart van de vragen die aan mij wordt voorgelegd, valt te herformuleren als “hoe weet je wat je weet?” of “hoe draagt dit bij aan de wetenschap?”, maar ik heb de zeer sterke indruk dat archeologen (en hun collega-oudheidkundigen) onvoldoende herkennen hoe groot deze vraag naar inzicht in het wetenschappelijk proces momenteel is. De voorlichting negeert de sleuteldoelgroep.

    Ik ben weleens bang dat archeologen iets te veel vertrouwen hebben in de neoliberale geruststelling dat alles in orde is, aangezien de financiering is geregeld door de archeologie in te bedden in de ruimtelijke ordening. Misschien ben ik iets te bang; in elk geval is wetenschapsfinanciering geen wetenschapsbeleid, en ook geen communicatiebeleid, en ontbreekt een heldere visie op de wijze waarop archeologen en classici de Oudheid over het voetlicht moeten brengen. Bedenk namelijk: het publiek wil kennis van de oude wereld, en wil geen kennis van de oude wereld met de beperkingen van de archeologie of kennis van de oude wereld met de beperkingen van de antieke literatuur. Zolang wetenschappelijke specialismen het vertrekpunt van de voorlichting vormen, en niet de belangstelling van het publiek, zal het lastig zijn een echt goede voorlichting op te zetten, en bezuinigingsgeile politici en academische bestuurders de wind uit de zeilen te nemen.

    Want nogmaals: politici weten dat het aantrekkelijk is te schoppen tegen een wetenschap die zich niet verweert. Dat is het klootzakkengedrag van het schoolplein, waar de bullebakken het kind pesten dat niet heeft geleerd hoe het zich verdedigen kan. Het siert de archeologen en hun collega-oudheidkundigen dat ze zich niet willen verlagen tot het niveau van Halbe Zijlstra of het Belgische federale kabinet, maar de geesteswetenschappen zullen zich moeten verweren. Wat ons brengt bij de musea, die wel iets doen.

    [wordt vervolgd]

    #bioarcheologie #data #DNARevolutie #GerardTHooft #HalbeZijlstra #RomeinseLimes #WimDeetman #zelftrivialisering

    Wat is archeologie? (1) Onbegrip

    “You call this archaeology?”

    Twee weken geleden was het opnieuw raak. Op een besloten bijeenkomst klapte Wesley De Visscher, de kabinetschef van de Belgische minister van Financiën, uit de school over de wijze waarop het federale kabinet werkelijk denkt. Hij legde uit dat onderzoeksgelden ook naar echt onderzoek moesten gaan.

    Wat was daar de consensus rond de tafel? Dat er zeker … steun is voor universiteiten, akkoord. Maar moet dat ook voor een geschiedkundige of een kunstwetenschapper of een archeoloog?

    Zoals we alweer en duidelijk zien: op het hoogste niveau, waar bestuurders zitten met goede ambtelijke ondersteuning, heeft men geen idee van het belang van de oudheidkundige disciplines.

    Dat is alleen maar logisch. De betrokkenen komen zelden in het nieuws met wat ze nou eigenlijk doen. Deze trivialiteit is een mooi voorbeeld van aandacht trekken zonder duidelijk te maken waartoe de aandacht wordt getrokken. Of neem, iets langer geleden, de premature publiciteit voor een muntschat uit Bunnik: we lazen in de krant over de ontdekking en over “nader onderzoek”, maar het is plausibel dat we nooit zullen lezen wat in het eindrapport staat. Zo gaat het immers vaker: archeologen stappen vaak naar de pers als ze iets leuks hebben gevonden en de ontdekkingsvreugde kunnen delen, en stappen een stuk minder vaak naar de pers met eindconclusies. Er zijn gelukkig wat uitzonderingen, maar bijvoorbeeld alle publiciteit  over Pompeii, Israël en Griekenland valt in de categorie ontdekkingsvreugde. En dat is toch wel een beetje alsof je van Portugal-Spanje niet het wedstrijdverslag leest maar alleen een voorbeschouwing.

    Het imago van de archeologie

    Nu is het maar al te menselijk anderen in je ontdekkingsvreugde te laten delen. Ik herinner me het plezier toen ik tijdens een opgraving in Griekenland een bijzonder muntje uit het zand haalde. En op deze blog doe ik weinig anders dan schrijven over leuke dingen die ik nou weer heb ontdekt.

    Er is echter een schaduwzijde: wie wél de aandacht vraagt voor zijn vondsten, maar het eigenlijke wetenschappelijke proces zelden uitlegt, werkt in de hand dat het publiek weinig kennis heeft van archeologie. Verouderde noties – het Romeinse Rijk ging ten onder door migranten, om eens iets te noemen – blijven daarom almaar terugkeren. Wie zich moet baseren op wat in het nieuws komt, zal vroeg of laat concluderen dat archeologen alleszins plezierig werk hebben en toffe ontdekkingen doen, waardoor ze steeds opnieuw claimen dat de geschiedenisboeken moeten worden herschreven, maar dat dat eigenlijk nooit gebeurt en er feitelijk nooit nieuwe inzichten zijn. Je blijft immers maar lezen dat het Romeinse Rijk ten onder ging door migranten. Archeologen zijn enthousiaste hobbyisten, lijkt het, niet méér. Als een bewindspersoon dan zorgvuldig wil omgaan met de gemeenschapsmiddelen, zal die de vraag stellen wat hij heeft aan die opgegraven potten en pannen.

    Wat ik maar zeggen wil: de archeologie heeft een imagoprobleem: enerzijds biedt ze avontuur (Indiana Jones!) en ontdekkingsvreugde, anderzijds komt het wetenschappelijk belang niet voldoende over het voetlicht. Dus laat ik dat eens uitleggen, het is immers maandag. Wat is archeologie als wetenschap en wat is daarvoor de rechtvaardigingsgrond? Ik stel dat vooral het voorstadium van het wetenschappelijk proces de media haalt en dat daardoor de rechtvaardiging onduidelijk is. Ik zal tevens museale antwoorden behandelen en uiteindelijk concluderen dat de archeologie, zoals ze er nu voorstaat, anders moet. Maar eerst: hoe komen archeologen tot kennis?

    [wordt vervolgd]

    #IndianaJones #WesleyDeVisscher #zelftrivialisering

    Rode lichten in de archeologie (en aanverwante vakgebieden)

    Het zou simpel moeten zijn. Onderzoekers ontdekken dingen en doen de peer-review, waarna voorlichters en journalisten de informatie doorgeven aan het publiek. Zo simpel is het natuurlijk niet. Teveel artikelen komen door de peer-review die nooit gepubliceerd hadden mogen zijn. Vervelend. Journalisten en voorlichters willen hun publiek immers niet voor de gek houden. Zodoende moeten ze de aangeleverde informatie toch toetsen, terwijl ze daarvoor niet zijn toegerust. Veel benodigde informatie ligt immers achter academische betaalmuren. Dat veel media inmiddels navraag doen bij een deskundige, niet betrokken bij het onderzoek, is een kwestie van noodzakelijk geworden wantrouwen.

    Neem van mij aan: archeologen, classici en historici jokken weleens. In 2009 heb ik het geïnventariseerd en destijds bevatte ongeveer twee vijfde van de nieuwsberichten onjuistheden die de onderzoekers moesten hebben herkend. Doordat tegenwoordig elk bericht wordt gechurnalismd, valt zoiets niet langer te tellen, maar er is geen reden voor optimisme.

    Zonder hernieuwde inventarisatie van the good, the bad, and the ugly zijn enkele rode lichten echter herkenbaar genoeg. En ook enkele oranje en groene lichten, gelukkig.

    Rood licht 1: verdeelde deskundigen

    Eerst nog even die niet bij het onderzoek betrokken deskundige. Als die het persbericht tegenspreekt, weet je dat het in elk geval interessant is. Je zult bovendien snel genoeg ontdekken wie van de twee in zijn antwoord de meeste samenhang aanbrengt in de meest diverse informatie. Diens oordeel zal de doorslag moeten geven. Als je niet in staat bent te bepalen wie het beste overzicht heeft, moet je het onderwerp laten rusten. Niet publiceren is ook een journalistieke keuze.

    Rood licht 2: I.D.O.H.Z.O.

    Ofwel: “in de Oudheid hadden ze ook”. In de Oudheid hadden ze ook pandemieën. I.D.O.H.Z.O. fake news. I.D.O.H.Z.O. populisten. Allemaal waar, maar daarom nog niet nieuwswaardig. De informatie die we over de Oudheid hebben is voldoende om vast te stellen dát iets er is geweest, maar is onvoldoende robuust om te komen tot conclusies waar eenentwintigste-eeuwers iets mee kunnen. Er is onvoldoende kenniswinst om nieuws te zijn.

    Gelukkig hoeven oudheidkundigen helemaal niet achter andermans actualiteit aan te hobbelen. Ze hebben ook zélf iets te melden – zie de groene lichten hieronder.

    Rood licht 3: sensatiewoorden

    Bevat het persbericht sensatiewoorden als “paradigm shift? Is een nieuw inzicht “seminal”? Grote kans dat het feitelijk niet zo mooi is. Wetenschappelijke vooruitgang is in de oudheidkundige disciplines meestal gestaag. Er zijn weinig echte sprongen voorwaarts. Goede wijn behoeft geen krans, echt nieuws behoeft geen hype.

    Rood licht 4: de wet

    Nieuw ontdekte papyri en archeologische vondsten komen weleens van de zwarte markt. In enkele gevallen gaat het om vervalsingen en in álle gevallen gaat het om een wetsovertreding. De publicatie van gestolen data, wetenschappelijk of journalistiek, drijft de verkoopprijs op, maakt degene die erover schrijft mogelijk medeplichtig aan heling en schendt zeker de gedragscodes. Eigenlijk zouden voorlichters en journalisten ergens aan de bel moeten kunnen trekken zonder hun academische netwerk op te blazen, maar tot het zover is, moeten ze, in plaats van de wetenschappelijke claims door te geven, het schandaal benoemen.

    Oranje licht 1: signaalwoorden

    Van enkele thema’s weet je: dit wordt flauwekul. Berichten over Pompeii zijn eigenlijk altijd sterk overdreven, zoals dit en dat verhaal. Als het gaat over Nederland in de Romeinse tijd, ligt het feitelijke nieuws de laatste jaren bedolven onder het geraaskal van de limes. Steeds opnieuw horen we dezelfde, vlakke boodschap en verduistert junk nieuws het eigenlijke nieuws.

    Oranje licht 2: religie

    In de Oudheid zijn het jodendom, het christendom en de islam ontstaan. En er zijn nog steeds joden, christenen en moslims, alsmede mensen die vinden dat er beter geen religie zou zijn. Kortom: er staat wat op het spel. Er zijn hier twee valkuilen.

    • De eerste is dat je het misleidende frame overneemt dat de Bijbel wel/niet waar is. Het is gewoon een verzameling oude teksten, met alle gebreken en kwaliteiten van dien.
    • De andere valkuil is dat een thema relevantie toegedicht krijgt door het te contrasteren met een verondersteld kerkelijk standpunt. Trouw bracht eens het bericht dat het Bijbelverhaal over de verboden vrucht niet ging over zonde – maar dat beweert dan ook geen enkele oudheidkundige en is in de theologie marginaal.

    Je hoeft de wetenschap niet door religie te laten gijzelen en je hoeft religie niet te laten gijzelen door ultraorthodoxen.

    Oranje licht 3: idées reçues

    De Grote Volksverhuizingen zijn het bekendste voorbeeld: steeds opnieuw keert het idee terug dat het Romeinse Rijk ten onder is gegaan door migratie, waardoor uiteindelijk de Romeinse grenzen zouden zijn bezweken. Historici weten al een eeuw dat het niet waar is, en afgezien van de Leidse historicus M. Rutte neemt niemand deze interpretatie serieus.

    Oudheidkundigen (en politici) veronderstellen echter onthutsend vaak dat het publiek nog leeft in de negentiende eeuw. Maar weet je: menigeen weet allang dat christenen niet zo grootschalig zijn vervolgd en menigeen weet allang dat Griekse en Romeinse standbeelden niet roomblank waren. Neem het publiek toch eens serieus.

    Oranje licht 4: belangen

    Niet zelden hebben onderzoeksresultaten betrekking op politieke thema’s of zijn er andere belangen. Bedenk dat menig persbericht dient om toeristen te lokken of de ruimtelijke ordening te beïnvloeden. Dat heb je snel genoeg in de gaten, bijvoorbeeld als er nog geen wetenschappelijke publicatie is en men toch naar de pers stapt. Dat wil niet zeggen dat er geen nieuws is. Toen bij Herwen de tempel werd geïdentificeerd waaraan het dorpje zijn naam (Germaans voor “heiligdom”) ontleent, was het zinvol dat de archeologen wat reuring creëerden, om zo te tonen dat dit belangrijk was en ondersteuning verdiende. Benoem zulke belangen.

    Oranje licht 5: data

    Wetenschap gaat niet over data maar veronderstelt ze. Onderzoekers interpreteren data, ontdekken patronen, verwerven inzicht en zien eerdere hypothesen bevestigd of weerlegd. De data zijn slechts het materiaal dat onderzoekers nodig hebben en de voorlichter of journalist die zijn publiek vertrouwd probeert te maken met het wetenschappelijk proces, hoeft niet zoveel aandacht te besteden aan dataverwerving. Jammer voor de archeologen, die elke vondst, hoe onbenullig ook, typeren als uniek en belangrijk.

    Het echte nieuws zit in de patronen, in de hypothesen, in de zelfcorrectie. Slechts een doodenkele keer, zoals bij de ontdekking van de Hemelschijf van Nebra en de Dode-Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT, is er werkelijk sprake van een ontdekking die alles op z’n kop zet.

    Groen licht 1: nieuwe soorten inzicht

    Als wetenschap bestaat uit interpretatie, het ontdekken patronen, het verwerven inzicht en de toetsing van hypothesen, dan is het wetenschapsnieuws als er nieuwe soorten inzicht zijn. En zoals ik al schreef: oudheidkundigen hebben iets te melden. Dankzij digitale paleografie en andere AI-technieken zijn tekstwetenschappers nu in staat heel andere soorten conclusies te trekken dan we gewend zijn. Laboratoriumtechnieken werpen licht op het antieke klimaat – een onderwerp dat in zichzelf interessant is en niet hoeft te worden gepresenteerd als I.D.O.H.Z.O. klimaataanpassing. Nieuwe vormen van prospectie dwingen tot nieuwe vormen van erfgoedbeheer. En vooral: het bioarcheologische inzicht dat mensen ooit verschrikkelijk mobiel zijn geweest, laat oudheidkundigen nadenken over de migratie van ideeën en dwingt tot nieuwe interpretatieve methoden.

    Groen licht 2: brede onderzoeksgroepen

    Een breed samengesteld team kent meer zelfkritiek en betere resultaten. Let dus op interdisciplinariteit. Een tijdje geleden was er de claim dat archeologisch was vastgesteld waar Hannibal de Alpen zou zijn overgestoken. Je kon aan de publicatie zien dat geen classicus was geraadpleegd – en de claim klopte dan ook niet.

    Wat we willen, zijn voldoende breed samengestelde teams. Breed belezen ook: veel goede artikelen over de Oudheid verschijnen in het Frans, Italiaans en Duits. Een veeltalige literatuurlijst is een aanwijzing voor goed onderzoek.

    Groen licht 3: musea

    Veel musea hebben een wetenschappelijke staf en bij tentoonstellingen verschijnen bundels met wetenschappelijke artikelen. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden heeft bijvoorbeeld de PALMA-reeks. De exposities zijn ideaal voor wie wetenschap wil uitleggen aan het grote publiek: de conservatoren werken samen met collega’s uit diverse taalgebieden, komen met nieuwe inzichten (en een enkele keer met nieuwe soorten inzicht) en maken de vertaalslag naar het grote publiek. Je kunt, als voorlichter of journalist, je geen beter vertrekpunt wensen dan een expositie.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn wetenschappen en moeten niet overwegend worden gepresenteerd met vondsten en leutige weetjes, want een wetenschap die zichzelf presenteert met trivialiteiten, wordt niet herkend als wetenschap. Een overzicht van stukjes over dit wetenschappelijk aspect, vindt u daar.

    Dit stuk verscheen oorspronkelijk in de Rode-Lichten-reeks op de website van de Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -Communicatie Nederland (VWN).]

    #churnalism #erfgoedsector #framing #IDOHZO_ #zelftrivialisering

    Churnalism - Wikipedia