Gaius Marius

De zogenaamde “Marius” (Glyptothek, München)

Op donderdag blog ik meestal over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld. Soms heb ik commentaar, soms vat ik samen, soms breid ik uit, zoals toen ik het had over Jugurtha of over de hervormingen die Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus hadden voorgesteld.

De aanhangers van laatstgenoemde waren in opdracht van Lucius Opimius gewelddadig opgeruimd en de boodschap was duidelijk: wie een rol van betekenis wilde spelen in de Romeinse politiek, had gewapende steun nodig. In de komende decennia zouden in snelle opeenvolging, met toenemende agressie en met afnemende legitimiteit een half dozijn politici de top bereiken. En een voor een kwamen Gaius Marius, Lucius Cornelius Cinna, Lucius Cornelius Sulla, Pompeius de Grote, Julius Caesar en Marcus Antonius ten val.

Gaius Marius

De eerste in het rijtje was Gaius Marius (157-86). Omdat hij afkomstig was uit de ridderstand, de financiële elite, sprak het niet vanzelf dat hij doordrong tot de senatoriële, bestuurlijke elite. In de regel zorgden de senatoren ervoor dat alleen hun eigen zonen voor magistraturen in aanmerking kwamen. Maar Marius had ooit, in de oorlog tegen de Keltiberische stad Numantia, in een duel een vijandelijke leider gedood. Romeinse kiezers beschouwden dat als voldoende kwalificatie voor om het even welk ambt. Bovendien genoot Marius de steun van de machtige familie der Caecilii Metelli, die wel meer talentvolle ridders ondersteunde.

Marius’ verdere carrière verliep spectaculair. Hij was volkstribuun, praetor en provinciegouverneur, trouwde met Julia (een meisje uit de verarmde aristocratische familie der Julii Caesares) en bekleedde in 107 het consulaat. Dat ambt gebruikte hij om zich door de Volksvergadering naar de oorlog tegen de Numidische vorst Jugurtha te laten sturen.

Hij was dus een popularis. Marius versloeg de Numidiër, wist hem in handen te krijgen en liet hem terechtstellen. Het was het zoveelste hoogtepunt in een fenomenale loopbaan en Marius deed er alles aan om te benadrukken dat hij zijn carrière zélf had gemaakt, en niet dankte aan een senatoriële vader. Hij gold nu als Romes beste generaal.

Kimbren en Teutonen

In 105 v.Chr. leden de Romeinen bij Orange een enorme nederlaag tegen de Germaanse Kimbren en Teutonen. (Een legioenkamp uit deze tijd is hier geïdentificeerd.) Er kwamen die dag meer mensen om het leven dan bij Cannae. In paniek koos de bevolking Marius tot consul voor het jaar 104. Dit was illegaal, want tussen twee consulaten moesten minimaal tien jaren verstrijken. Maar de senatoren konden er niets tegen doen, want Marius was populair bij de Volksvergadering. Hij zou de hoge magistratuur vijf jaar onafgebroken bekleden.

In afwachting van het beslissende treffen met de Germanen trainde Marius het leger. Historici hebben daar vroeger veel van gemaakt. Eigenlijk zijn alle verschillen tussen het leger van de vroege tweede eeuw v.Chr. en dat van Julius Caesar wel een keer verklaard met een beroep op de veronderstelde hervormingen van Marius. Inmiddels zien krijgshistorici dat de veranderingen allemaal wat minder abrupt zijn geweest.

Een re-enactor demonstreert hoe een soldaat in de tijd van Marius eruit zag.

Feit is dat de legers na Marius minder dan voordien werden gerekruteerd uit dienstplichtige boeren, en meer uit het stedelijk proletariaat. Nieuw was dat niet. Er was al een quasi-professionele kern voor de Romeinse legers. Sommige centuriones dienden wel twintig jaar. Echte beroeps dus. Er is wel op gewezen dat we in deze tijd steeds minder horen over de aristocratische tribunen en meer over de wat volksere centuriones, en dat er een sociale omwenteling was. Misschien is dat waar.

Met dit leger kon Marius de Teutonen in de Provence (102) en de Kimbren bij de Po (101) verslaan. Om deze overwinning te herdenken bouwde Marius’ medeconsul een tempel voor het Geluk van deze Dag en offerde de opgeluchte bevolking aan de goden en aan Marius.

Ondertussen was zo’n beroepsleger gevaarlijk. De soldaten eisten dat ze aan het eind van hun diensttijd land zouden krijgen en waren daarom trouw aan hun generaal. Niet aan Rome. En er was nog een probleem: het nieuwe leger was duur. Ik had me dat niet zo gerealiseerd, maar De Blois en Van der Spek schrijven:

De nieuwe lasten die op de staatskas drukten, bevorderden het Romeinse imperialisme. Rome ging op zoek naar nieuwe belastbare gebieden.

Saturninus

Al eerder had Marius gebruikgemaakt van de diensten van volkstribuun Lucius Appuleius Saturninus, die een wet door de Volksvergadering had geloodst om land in het huidige Tunesië ter beschikking te stellen aan Marius’ veteranen. In 100 werkten de twee mannen samen aan een soortgelijke wet.

Appuleius, de politieke erfgenaam van de gebroeders Gracchus, had geconcludeerd dat zijn hervormingsmaatregelen alleen succes konden hebben als hij beschikte over militaire steun. Toen Marius in de gaten kreeg dat Appuleius land zocht voor de veteranen om zo een privéleger te creëren, was het te laat. Met geweld herstelde Marius de orde waarvoor hij als consul verantwoordelijk was. Appuleius werd vermoord in het Senaatsgebouw.

Inscriptie ter ere van Marius (afgietsel; Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

Dit was het voorlopige einde van Marius’ rol in de Romeinse politiek. Hij had zich gekeerd tegen de Volksvergadering waaraan hij zijn carrière dankte. Voor een popularis was dit politieke zelfmoord. In de Senaat raakte hij eveneens geïsoleerd. Hij had een beroep kunnen doen op zijn veteranen, maar zag daarvan af. Zijn loopbaan had meer dan eens op gespannen voet gestaan met het Romeinse staatsrecht, maar Gaius Marius was in zijn hart geen revolutionair.

Al snel zou Rome echter een revolutie én een contrarevolutie aanschouwen. Daarover volgende week.

[Een overzicht van deze reeks over het handboek oude geschiedenis is hier.]

#DeBloisEnVanDerSpek #GaiusMarius #GaiusSemproniusGracchus #handboek #Jugurtha #JuliaI #Kimbren #LuciusAppuleiusSaturninus #LuciusOpimius #Numantia #Orange #populares #RomeinseRevolutie #Teutonen #TiberiusSemproniusGracchus #volksvergadering

De Romeinse keizers van Gallië (1)

Postumus, stichter van het Gallisch Keizerrijk (Bodemuseum, Berlijn)

Ik heb het, in het kader van mijn reeks over Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, al vaker gehad over de fase van de Romeinse geschiedenis die bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. De crisis als geheel, de Sassaniden en de afname van de economische mogelijkheden kwamen al aan de orde. De gevolgen waren immens. Rond 270 was het Romeinse Rijk in drieën uiteengevallen. Het centrale rijk (bestuurd door achtereenvolgens Gallienus, Claudius II Gothicus en Aurelianus) bestond uit Italië, de Afrikaanse provincies en een onrustige Balkan. In het oosten was het Rijk van Palmyra, in het westen het Gallisch Keizerrijk.

Je kunt die afsplitsingen zien als dieptepunt van een crisis, maar dat is te eenzijdig. Dat de Galliërs in alle opzichten het “echte” Romeinse Rijk imiteerden, bewijst vooral hoe grondig de romanisering was geweest, hoe groot het zelfvertrouwen van de provincies was en hoe vitaal de Romeinse wereld bleef.

Gallienus en Postumus

Het verhaal van het Gallisch Keizerrijk begint in de jaren 250, toen keizer Valerianus zijn zoon Gallienus naar Gallië stuurde om daar orde op zaken te stellen. Op dat moment waren allerlei Germaanse groepen actief in het Rijnland. Gallienus deed wat werd gevraagd.

In 260 viel Gallienus’ vader Valerianus echter in handen van de Sassanidische koning Shapur. Gallienus had nu andere prioriteiten en allerlei Germaanse groepen staken de Rijn over. Ik blogde al eens over muntschatten uit dat jaar. Binnen een paar maanden hadden ze Noord-Italië bereikt, waar Gallienus ermee afrekende. In Gallië was de commandant van de Romeinse legers een zekere Postumus, die in de omgeving van het heiligdom van Hercules Magusanus in Empel (bij Den Bosch) een groep Franken versloeg. Ik blogde al eens over zijn biografische schets in de Historia Augusta.

De overwinning moet beslissend zijn geweest, want we horen meer dan tien jaar niets over Germaanse invallen. Dit kan verband houden met een van Postumus’ maatregelen: hij stond verslagen krijgers toe zich als boeren in het rijk te vestigen, op voorwaarde dat ze tegen nieuwe indringers zouden vechten. Zo werden verlaten landbouwgronden opnieuw in gebruik genomen en waren er nieuwe belastingbetalers. Het resultaat zou echter niet duurzaam zijn.

Munt met de triomf van keizer Postumus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Het Gallisch Keizerrijk

Postumus was de eerste heerser van het Gallisch Keizerrijk, dat al snel heel Gallië, Britannia, Iberië en Beieren besloeg. Een aanval van Gallienus werd afgeslagen en de twee keizers spraken daarna af elkaar met rust te laten. Inderdaad intervenieerde Postumus niet toen de bewoners van de Povlakte hem uitnodigden. In 265 deed Gallienus een tweede poging, zonder resultaat.

Het Gallisch Keizerrijk was, zoals gezegd, een uitdrukking van het zelfvertrouwen van de noordelijke provincies. Als de centrale regering de Rijngrens niet kon verdedigen, zouden de Galliërs het zelf doen. En met succes. In 262-263 stak Postumus de rivier over om de Franken en Alamannen thuis aan te vallen, en daarna bleef alles stil.

Verdediging in de diepte

Postumus’ belangrijkste bijdrage aan de stabiliteit van het Gallisch Keizerrijk was een nieuwe militaire strategie, de diepteverdediging. Hij begreep dat één linie van forten langs de Rijn onvoldoende was. Als de Germanen die doorbraken, was het onmogelijk ze in het achterland tegen te houden. Daarom bouwde hij een tweede linie, die in België heel goed is gedocumenteerd: Aardenburg – Velzeke – Mechelen – TongerenMaastrichtKeulen. Daarachter stonden cavalerie-eenheden, die vrij snel konden oprukken naar een bedreigde sector. Het plaatste aanvallers voor een operationeel dilemma: als ze door de eerste linie waren, begaven ze zich tussen twee linies in; als ze de bres in de eerste linie wilden verbreden, arriveerden de troepen uit de tweede linie. Hierdoor konden de Franken nooit de belangrijke verbindingsweg tussen Boulogne, Bavay, Tongeren en Keulen en de belangrijke vruchtbare lössgronden bedreigen.

De tempel van Vesta op een munt van Postumus: hoe Romeins wil je het hebben? (Bodemuseum, Berlijn)

Gallienus nam soortgelijke maatregelen langs de Donau. Het was maar een van de zaken waarin de Galliërs het officiële rijk imiteerden. Ze hadden een eigen keizer, eigen legioenen, eigen gouverneurs, eigen consuls en andere magistraten en een eigen senaat. Alles was hetzelfde, tot en met de goden aan toe. Op de eigen munten stond overigens opvallend vaak de Romeinse halfgod Hercules, tevens de Magusanus van Empel, die blijkbaar de beschermheer van het rijk was.

Wordt vervolgd. Maar eerst nog even iets anders. Zoals u weet wordt elke vier maanden ergens op aarde een oudheidkundig instituut gesloten. De eerste dit jaar is Grieks en Latijn aan Queen’s University in Kingston, Canada. De petitie is hier.

 [Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]

#alamannen #aurelianus #claudiusIiGothicus #crisisVanDeDerdeEeuw #deBloisEnVanDerSpek #diepteverdediging #empel #franken #gallienus #gallischKeizerrijk #handboek #hercules #herculesMagusanus #petitie #postumus #romeinseLimes #strategie #thuringers #valerianus

De IJzertijd

Een koning uit de IJzertijd: Warpalas van Tuwanuva (Archeologische Musea van Istanbul)

Het handboek van De Blois en Van der Spek waarover ik elke week blog, Een kennismaking met de oude wereld, gaat na de behandeling van de IJzertijd in de Levant (de Aramese en Neo-Hittitische stadstaatjes, de Fenicische havens, Israël en Juda) over naar het oosterse wereldrijk. Met die parapluterm, waarover zo meteen meer, bedoel ik de opeenvolging Assyrië, Babylonië, Achaimenidisch Perzië, Seleukiden, Parthen, Sassanidisch Perzië, het Kalifaat van Damascus en het Kalifaat van Bagdad. Na algemene hoofdstukken over religie en economie van het Nabije Oosten, verleggen de auteurs hun aandacht naar het westen, naar Griekenland en daarna Rome.

Anatolië en Centraal-Eurazië

Dit is een wat conventionele indeling en dat is op zich niet erg. Zoals gezegd: een handboek moet iets zijn om over te discussiëren. Toch wil ik er – en hier begint dus de discussie – op wijzen dat dit weinig recht doet aan het onderzoek van de afgelopen halve eeuw. Dat betreft in de eerste plaats de IJzertijdrijken van Anatolië. Dus staten als Tarhuntassa, Tuwanuva, Malida en Tabal, de beide Ciliciës, Urartu, Frygië en Lydië. De Blois en Van der Spek behandelen dit nu allemaal nogal stiefmoederlijk. (Een boek dat de recente inzichten samenvat is Christian Mareks Geschichte Kleinasiens in der Antike [2010], verschenen in dezelfde reeks als Pohls boek over de Avaren en Meiers boek over de Grote Volksverhuizingen.)

Ik denk in de tweede plaats aan de steppenomaden. Zeg maar de Kimmeriërs en de Skythen. Ook die komen er bekaaid vanaf. (Voor wie meer wil lezen: zie het lastige maar solide boek van Cunliffe.) In de huidige opbouw van Een kennismaking met de oude wereld ligt de nadruk wel erg op de gebieden waar men kon schrijven; de nomaden van Centraal Eurazië zijn met deze prioritering van de filologie boven de archeologie automatisch marginaal.

Je kunt à la Beckwith een ander perspectief kiezen, waarin je centrum en periferie verwisselt. Dus dat je focust op degenen die oost en west verbonden en dat je de schrijvende volken beschouwt als de sedentaire periferie. Ik vind dit een verhelderende omkering. Niet dat dit de nieuwe en enige en absolute waarheid is. Intuïtief leg ook ik de nadruk op de schrijvende volken. Maar dit alternatieve perspectief had in een handboek best in een kader gekund.

Continuïteit

Bon. Er zijn dus andere thema’s om te behandelen en alternatieve perspectieven. Een handboek moet ergens de zaken vereenvoudigen en De Blois en Van der Spek maken daarbij dus een traditionele, filologische keuze. Een andere vereenvoudiging betreft het oosterse wereldrijk. Zoals gezegd: het begint met de Assyriërs, daarna kwamen de Babyloniërs en de Perzen, daarna Alexander de Grote. De Blois en Van der Spek merken op

… dat de rijken die na Alexander ontstonden, qua structuur veel leken op de voorgaande rijken en dat de culturen van Voor-Azië en Egypte onder Grieks-Macedonische overheersing voortleefden.

Continuïteit dus. De visie dat er één rijk is met steeds een andere, etnisch gedefinieerde elite, is al te vinden in de Bijbel: “Door onrecht, geweld en hebzucht wordt de heerschappij van volk naar volk doorgegeven,” zoals Jezus Sirach het formuleert.

Dat levert een heel ander beeld van Mesopotamië op dan we hebben van China. Daar verdelen we de geschiedenis over de diverse dynastieën (Zhou, Han, Tang…), waardoor we het idee houden dat er één rijk is. Of Egypte, waar de dynastieën nummers hebben. Zo geef je meer erkenning aan de culturele continuïteit dan als je het ene volk na het andere opvoert.

Ook hier kun je een andere keuze maken. Er is geen foute of goede keuze. De enige foute keuze is die waardoor geen discussie ontstaat.

[Een overzicht van deze reeks is hier.]

#DeBloisEnVanDerSpek #handboek #IJzertijd #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanDamascus #KoninkrijkIsraël #koninkrijkJuda #oosterseWereldrijk #Tarhuntassa

De stad: een onbruikbaar concept

De Wetten van Gortyn (Louvre, Parijs)

Eén van de grote thema’s van de Archaïsche Periode is de opkomst van de polis. Maar wat is dat? Een definitie is moeilijk te geven. In het handboek waarover ik geregeld schrijf, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, lees ik dat veel nederzettingen uit de Vroege IJzertijd zich ontwikkelden tot “zelfstandige, autonome stadstaten”. Maar wat is dan een staat, wat is een vroege staat, wat is een stad? En zo we die laatste konden definiëren, wat is dan een polis?

Ik ben niet de eerste die de vraag stelt. De Amerikaans-Britse historicus Moses Finley probeerde eens een analyse aan de hand van de ideaaltypische vormen van gezag die Max Weber had geformuleerd. De polis, constateerde Finley, was geen belichaming van charismatisch, van traditioneel of van legaal gezag. Ik ga het probleem vandaag ook niet oplossen. Ik denk dat ik wel een deelprobleem kan benoemen: onze fixatie op steden, Romeins of Grieks of anders.

Civitas, colonia, municipium?

Er zijn twee moeilijkheden. De eerste is onze notie dat een stad betrekkelijk groot moet zijn en een belangrijke sociaal-economische functie moet hebben. De tweede moeilijkheid is dat ergens de notie blijft meespelen van de middeleeuwse stad. Die

  • valt concreet op de landkaart aan te wijzen (bijvoorbeeld omdat ze een stadsmuur had),
  • had een juridische status die voor het ommeland niet gold en
  • bracht op één plek religieuze, politieke, culturele en economische functies samen.
  • Alle drie aspecten zijn voor de Oudheid misplaatst. De op de Middeleeuwen gebaseerde notie heeft er echter toe geleid dat historici zijn gaan zoeken naar Romeinse rechtenpakketten. Niet ten onrechte. Ze bestonden ook. Althans tot op een bepaalde hoogte. De basiseenheid in het Romeinse Keizerrijk was de civitas, wat zowel stam als gemeente betekent. En zo’n basiseenheid had rechten. Waren dat de voorvaderlijke rechten, dan heette de civitas een municipium. Ze kon echter de status krijgen van colonia, wat betekent dat alle (vrijgeboren, mannelijke, volwassen) ingezetenen het Romeinse burgerrecht kregen. Er was geen onderscheid tussen binnen of buiten de stadsmuren wonen. Het zijn dus geen stadsrechten.

    Er is in het verleden veel gemaakt van een speciale municipium-status die de Romeinse overheid zou verlenen. Nu kon een Romeinse keizer veel, maar voorvaderlijke rechten geven, dat kon natuurlijk niet. De juridische definitie is zo helder als kristal en het denkbeeld is daarom allang vergeten. (Behalve, helaas, door de city-promotie van Nijmegen en, onlangs, het boek van de TV-serie Het verhaal van Nederland.) Het misverstand is in zoverre relevant omdat historici ook zijn gaan zoeken naar de officiële status van de Griekse polis.

    Panopeus

    Juridisch onderscheid tussen binnen de stadsmuren en daarbuiten bestond ook in Griekenland niet. Er zijn legio verhalen over Atheense burgers uit landelijke districten die voor zonsopgang van huis opbreken om op tijd te zijn voor de Volksvergadering. “Het gaat bij ‘polis’ in principe om stad met ommeland,” schrijven De Blois en Van der Spek terecht.

    Maar als u uit de vorige paragraaf zou afleiden dat een polis in elk geval een centrum moest hebben voor vergaderingen, dan heeft u het mis. De auteur Pausanias vermeldt bijvoorbeeld dat Panopeus geen gemeentehuis, geen theater, geen watervoorziening, geen sportschool en zelfs geen markt had. De bewoners leefden in hutten. Dat laat onverlet dat Panopeus gold als polis.

    Bewoningskernen

    Pausanias heeft het niet over stadsmuren. Wat in de Middeleeuwen het meest gold als de grens van een stad, speelde bij een polis geen rol. Athene, pas in de vijfde eeuw v.Chr. voorzien van een muur, was ook daarvóór een polis. Dat muren niets zeiden over stad-of-geen-stad, blijkt ook wel uit de uitgestrekte muren van bijvoorbeeld Syracuse of Ai Khanum, die enorme stukken platteland omgaven.

    Zelfs een centrum was niet nodig. Sparta, met vijf bewoningskernen, was geen stad zoals wij zouden verwachten, maar wel een polis. Dat gold ook voor niet-Griekse, eh, steden. De residentie van de Perzische koningen, Persepolis, bestond uit verschillende bewoningskernen, een terras met koninklijke paleizen en een gebied met koninklijke tombes. Idemdito Memfis: een tachtig kilometer lange strook vol woonkernen, paleizen, opslagplaatsen en begraafplaatsen. Nauwelijks wat wij een stad noemen. De Grieken hadden er echter geen moeite mee Memfis of Persepolis een polis te noemen.

    Je zou het ook van de Romeinse wereld kunnen zeggen. Veel gemeentes hadden diverse bewoningskernen en de functionele integratie – dus dat economische, religieuze, culturele, politieke functies op één punt samenkwamen – kwam pas in de Late Oudheid.

    Sedentair versus nomadisch

    Kortom, antieke steden zijn niet te definiëren. Dat geldt ook voor de poleis. Die  lijken vooral een cultureel fenomeen: ze waren, als centra van sedentaire landbouw, het tegengestelde van de herders die leefden aan de rand van de antieke wereld. De Griekse auteurs, meestal rijke mannen die hun handen nooit vuil hoefden maken, beschouwden zichzelf als beschaafder dan die rondtrekkende herders.

    Dat is natuurlijk onzin. De levenswijze van nomadische herders, trekkend door moeilijk bewoonbare ecologische niches, is een triomf van menselijk vernuft. Toch is het oude idee blijven hangen dat steden de dragers zijn van de antieke beschavingen. Het is daarop dat we ons concentreren. Het is immers waar bijna al onze bronnen zijn geschreven. En steden zijn in het bodemarchief herkenbaarder dan herdershutten.

    Tot slot

    Het is echter belangrijk te onthouden dat veel mensen niet woonden in steden. Herders en boeren kwamen slechts zo nu en dan naar de markt. Wat de antieke steden ook geweest mogen zijn, en wat van soort stad de polis ook was, ze waren altijd uitzonderlijk.

    Ik zou graag eindigen met de constatering dat de stad weliswaar ondefinieerbaar is, maar dat er zoiets bestaat als een ideaaltypische of een typische stad. Of dat de diverse nederzettingen familiegelijkenis vertonen. Maar het lukt me niet. Als je het mij nu vraagt, zijn zowel stad als polis voor de oudheidkundige analyse slecht bruikbaar.

    [Een overzicht van deze reeks is hier.]

    #archaïschePeriode #DeBloisEnVanDerSpek #handboek #MaxWeber #MosesFinley #Panopeus #polis #stad

    Italië op weg naar een crisis

    Het geld van Italië: Romeinse munt uit de late tweede eeuw v.Chr. (Bodemuseum, Berlijn)

    Hoe begint een burgeroorlog? Wat gaat er aan vooraf? Ik heb daar geen ervaring mee, althans dat hoop ik, maar ik zou geneigd zijn te zeggen dat er iets goed mis gaat als aan de voorwaarden is voldaan waaraan Italië eind tweede eeuw voldeed.

    Ressentimenten in Italië

    Om te beginnen: een reeks economische tegenstellingen, zoals een elite die enorme rijkdommen verwierf terwijl de boerenklasse nauwelijks het hoofd boven water kon houden. Verder een ongelijkmatige verdeling van de lasten en lusten van een imperium: wie het Romeins burgerrecht bezat, kreeg forse delen van de buit, wie mee vocht als Italische bondgenoot, profiteerde aanzienlijk minder. Sprekend over het imperium: het bestond uit wingewesten die nauwelijks rechten hadden. Ze moesten betalen, niet méér. Raubkapitalismus.

    Dat zijn alvast drie soorten ressentiment. De auteurs van het handboek dat wij onderhand zo goed kennen, Een kennismaking met de oude wereld van Luuk de Blois en Bert van der Spek, maken bovendien gewag van “de geestelijke ontworteling die een grote trek naar de stad gewoonlijk met zich meebrengt”, wat ik ervaar als moralisme en niet als geschiedschrijving. Maar dit is duidelijk: wie stennis wilde trappen, kon mensen vinden om daarbij te helpen.

    Falende staat

    Dat hoefde niet erg te zijn indien Rome een redelijk functionerend staatsapparaat zou hebben gehad. Maar dat was er niet. Het handboek verraste me met de rake formulering dat in de late tweede eeuw v.Chr. de relaties tussen centrale overheid en provincie nog werden gezien in termen van patronage. Als dat in 1985 al in de eerste druk stond, was ik het glad vergeten, maar het is natuurlijk correct.

    Het staatsapparaat was niet toegesneden op het bestuur van een imperium. Er waren te weinig bestuurders. Ambtenaren waren er überhaupt nauwelijks. Een gouverneur nam zijn eigen slaven en vrijgelatenen mee naar zijn provincie. (Eigenlijk zou ik provincia moeten zeggen:  er waren geen of nauwelijks territoriale grenzen. Een gouverneur had imperium, gezag dus, en kreeg wat troepen voor een slecht gedefinieerde oorlogszone, en dat was wat een provincia was.)

    Je mag de vraag stellen of in een voorindustriële samenleving een ambtelijk apparaat überhaupt wel kan bestaan. Eigenlijk lukt het besturen van een maatschappij pas de afgelopen twee eeuwen een beetje. Dus het zij de Romeinen vergeven dat het niet meteen lukte. En eerlijk is eerlijk: ze stelden rechtbanken in om corruptie te bestraffen. (Er werd daarna decennia lang gesteggeld over de samenstelling van de jury’s.) Ook probeerden ze bestuurders in te tomen met wetgeving om de bestuurlijke loopbaan te reguleren. Regels die helaas voortdurend werden aangepast. Het uitbreken van de Tweede Burgeroorlog (Caesar tegen de Senaat) had alles te maken met een verandering van de regels.

    Eroderende tradities

    Waarmee een volgend probleem in beeld komt: het ontbreken van consensus. Er waren tradities over de dingen geregeld hoorden te worden, maar die tradities erodeerden. We zagen al dat Tiberius Sempronius Gracchus zich herkiesbaar stelde, een collega afzette en zich bemoeide met buitenlandse financiën: alle drie niet verboden maar hoogst ongebruikelijk.

    Voeg toe: nieuwe ideeën. De Griekse filosofie deed haar intrede in Rome – vorige week vertelde Kees Alders op deze plaats over Karneades – en de nieuwe opvattingen bewezen dat de traditionele opvattingen niet de enig mogelijke waren. Dat was niet per se verkeerd. Onder invloed van de Stoa kregen rijke vrouwen wat meer speelruimte en dat lijkt niet te zijn ervaren als een groot probleem. Althans, niet zo groot als de ilias van rampen die ik in het blogje van vandaag aan het opsommen ben.

    Verder was er onduidelijkheid over de weg naar legitimiteit. Er waren twee manieren: via de Volksvergadering en via de Senaat. Politici die de eerste weg kozen, heetten populares; de tweede weg was die van de optimates.

    Geweld

    Verdeeldheid troef dus, al was iedereen het erover eens dat hervormingen nodig waren. De hervormingen van Gaius Sempronius Gracchus waren echter in bloed gesmoord. Wie nog hervormingen wilde, wist wat hem te doen stond: zorg dat je een eigen leger of een generaal aan je zijde krijgt. De groeiende populariteit van de eerste gladiatoren zou best weleens drempelverlagend gewerkt kunnen hebben.

    Kortom, iedereen die zo rond 120 v.Chr. de krant las, Polybios bijvoorbeeld, kon weten dat het er slecht uitzag voor Rome. En dus voor Italië en voor het hele Middellandse Zee-gebied.

    [Een overzicht van deze reeks over het handboek oude geschiedenis is hier.]

    #DeBloisEnVanDerSpek #GaiusSemproniusGracchus #handboek #Karneades #optimates #populares #rechtbank #RomeinseRevolutie #TiberiusSemproniusGracchus

    De grenzen van de Oudheid

    Ik had een reeks beloofd over handboekkennis. Na die belofte en wat gefantaseer over hoe mijn eigen handboek eruit zou zien, neem ik vandaag de Inleiding ter hand van Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De auteurs geven daarin aan dat de Oudheid op zichzelf een boeiend onderdeel van de menselijke geschiedenis is. De Oudheid is gewoon leuk en dat is volgens mij voldoende rechtvaardiging om je ermee bezig te houden. (Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen.)

    De Oudheid als bakermat

    Maar wat is die Oudheid nou? Vrij simpel: de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 à 800 na Chr. Daarvóór hebben we alleen archeologische data, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om echt geschiedenis te schrijven. De Oudheid is de tussenfase: wel bronnen maar onvoldoende. Dataschaarste is hét centrale thema.

    De auteurs noemen deze periode “de bakermat van de Europese en islamitische beschavingen” en spreken van

    de landen rondom de Middellandse Zee, en in het bijzonder de cultuurcentra van het oude Nabije Oosten enerzijds en de antieke Grieken en Romeinen anderzijds.

    Hier zouden zaken zijn ontstaan die de westerse en islamitische culturen bepalen. Bepalen. We zijn in het land van de sociale wetenschappen.

    Bepalen, vormen, beïnvloeden

    Bepalen is vormen. U en ik maken elke dag op allerlei momenten allerlei keuzes. Als iets of iemand ons gedrag bepaalt, zijn die keuzes niet langer helemaal vrij. Wat De Blois en Van der Spek dus feitelijk zeggen is dat de Oudheid een cultuur had die ons gedrag nog altijd beïnvloedt. Een vroegere samenleving vormt, bepaalt, beïnvloedt door de eeuwen heen het gedrag in een latere samenleving.

    Een voorbeeld. Terwijl ik dit schrijf, moet ik kiezen of ik straks ga slapen in mijn slaapkamer of dat ik mijn matras in de woonkamer leg, waar een kachel staat. Die tweede keuze is praktisch, de eerste is ingegeven door een traditie. We maken al eeuwen onderscheid tussen woonvertrekken en slaapvertrekken. We hebben een soort natuurlijke reflex, een habitus, om het te doen zoals we altijd hebben gedaan. Ooit is dat onderscheid ontstaan, het is doorgegeven en het bepaalt hoe we nu handelen. We kunnen het anders doen, maar dat is dan een keuze tegen wat we van nature van culture geneigd zijn te doen.

    Voorbeelden

    Ik vind het moeilijk zaken uit de Oudheid aan te wijzen die ons leven nog steeds vormen. Als ik het erover heb, wijs ik vaak op ons dagritme. We hebben allemaal verschillende circadiaanse ritmes maar toch is onze hele samenleving ingericht op ochtendmensen. Dat is een erfenis uit een agrarische samenleving, waarin het gros van de mensen met de kippen op stok ging en opstond om de koeien te melken. Maar veel verder dan dit voorbeeld kom ik eigenlijk niet en ik ben me ervan bewust dat dit eerder iets uit de Prehistorie is dan uit de Oudheid.

    De Blois en Van der Spek geven andere voorbeelden.

    • De grote monotheïstische godsdiensten: dat is inmiddels zo’n wijd conglomeraat aan ideeën dat je elk denkbeeld én zijn tegendeel eraan kunt ophangen. De drie godsdiensten zijn vooral zélf gevormd door de samenlevingen waarin ze bestaan.
    • Bouwkunst, beeldende kunsten, letterkunde: hier is geen sprake van invloed maar van inspiratie – de actieve keuze van iemand in een latere periode om aansluiting te zoeken bij het verleden. Dit is dus het tegengestelde van invloed, die er altijd is en die je ondergaat, tenzij je er een keuze tegen maakt.
    • Recht: we hebben de vormentaal ontleend aan de Romeinse wereld maar drukken daarmee een volkomen andere inhoud uit.
    • Filosofie: idemdito, maar dan met Grieken.
    • Opvoeding in de Griekse en Romeinse cultuur: tautologie (“We zijn gevormd door de antieke cultuur omdat we mensen opvoeden in de antieke cultuur”)
    • Wetenschap: definitiekwestie.

    Vorm en inhoud

    Wat volgens mij het geval is, is dat er in de religie, bouwkunst, beeldende kunsten, recht en filosofie antieke vormentalen bestaan die we nog altijd hanteren, hoewel de inhoud aan vormende krachten wezenlijk anders is. Ik denk dat te verdedigen valt dat die inhoud – zeg gemakshalve: de westerse beschaving – is ontstaan tijdens de Renaissance van de Twaalfde Eeuw of de Verlichting. Dit geldt niet voor trivialiteiten als slaapkamers, maar de echt grote gedachten van onze tijd, die ons gedrag werkelijk beïnvloeden, zijn niet antiek.

    (Tussen haakjes: de ironie dat ik hier een Aristoteliaans onderscheid tussen vorm en inhoud gebruik om iets uit te leggen, ontgaat me niet.)

    (Nog een tussen haakje: u merkt dat ik de islamitische cultuur uit het verhaal weglaat. Dat is omdat die, kort door de bocht, ook een kant heeft die het klassieke erfgoed afwees en haar creatieve kant juist dáár zit. Dit is ook waar haar bijdrage aan de westerse beschaving het sterkst is.)

    (Nog een tussen haakjes: het gemakzuchtige argument dat alle denken over culturele continuïteiten ontaardt in essentialisme, is precies dat – gemakzuchtig.)

    Besluit

    Ik denk dan ook dat De Blois en Van der Spek iets anders hadden moeten schrijven: de Europese cultuur heeft de afgelopen eeuwen inspiratie ontleend aan de Joods-Grieks-Romeinse cultuur en hun voorgangers in Egypte en Mesopotamië. Het is een latere keuze geweest om op de Oudheid terug te grijpen en de grenzen van de Oudheid zijn niet die van het object dat onze cultuur vormt, maar zijn de grenzen die het kennend subject eraan oplegt.

    In gewone mensentaal: de Oudheid van De Blois en Van der Spek is simpelweg wat we in West-Europa altijd de Oudheid hebben genoemd. De grenzen van de wetenschappelijke vakgebieden zijn nu eenmaal historisch gegroeid.

    [Een overzicht van deze reeks is hier.]

    #antiekeCultuur #dataschaarste #DeBloisEnVanDerSpek #grenzenVanDeOudheid #handboek #inspiratie #invloed

    De invloed van Mommsen

    Italische soldaat, vierde eeuw v.Chr. (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

    Ik geloof dat ik al eens heb verteld dat een van de plannen die ik voor de wat langere termijn heb voor deze blog, een geschiedenis is van Rome in de vierde eeuw v.Chr. Die bestaat in hoofdlijnen uit de boeken zes tot en met tien (“de tweede pentade”, in jargon) van de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius, in combinatie met andere bronnen, zoals Diodoros, en het archeologisch materiaal. In deze periode wist Rome, dat in 387 v.Chr. nog een nederlaag had geleden tegen een schare Gallische krijgers, centraal Italië aan zich te onderwerpen en de rest met verdragen aan zich te binden. In 295 v.Chr. was, met de slag bij Sentinum, een grootmacht ontstaan die het kon opnemen tegen de hellenistische staten in het oosten.

    De materie behoort niet tot de “grote” oudheidkundige thema’s, zoals de Atheense democratie, de antieke economie of het keizerschap van Augustus. De Romeinse geschiedenis begint eigenlijk pas met de Tweede Punische Oorlog, terwijl archeologen meer belangstelling hebben voor archaïsch Italië – denk aan de Nederlandse opgravingen in Satricum en Crustumerium. Wat natuurlijk niet betekent dat er nóóit iets wordt opgegraven uit de vierde eeuw, maar ik heb niet de indruk dat er veel gebeurt.

    De vierde eeuw, steeds hetzelfde

    Dat heeft gevolgen, waarvan ik me bewust werd toen ik mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek schreef. Het viel me toen op dat de presentatie van de vijfde en vierde eeuw v.Chr. door-en-door traditioneel was: een afwisseling van enerzijds Italische conflicten en anderzijds institutionele aanpassingen. Hoe ontstond deze of gene magistratuur, hoe en waarom evolueerde volksvergadering, wie mochten welke ambten bekleden? Steeds stond de wisselwerking tussen krijgsgeschiedenis en institutionele geschiedenis centraal.

    De helft van de antwoorden is voor het handboek echter helemaal niet ter zake. Het is bijvoorbeeld irrelevant dat studenten de voorgeschiedenis kennen van het ambt van dictator, want tegen de tijd dat deze functie belangrijk wordt, is het een totaal andere dan de oorspronkelijke.

    De Blois en Van der Spek zijn niet de enigen. In zijn Macht zonder grenzen heeft Fik Meijer een vergelijkbare presentatie en in SPQR doet Mary Beard hetzelfde. Bij andere oudheidkundige thema’s is meer variatie.

    Theodor Mommsen

    Deze vorm van presenteren – oorlog en institutionele ontwikkeling – gaat terug op de Römische Geschichte van Theodor Mommsen, de grote Duitse oudhistoricus. In zijn tijd, de tweede helft van de negentiende eeuw, was de Duitse wereld volop in beweging. En die beweging bestond onder meer uit een reeks oorlogen die leidden tot de eenwording en institutionele ontwikkeling van Duitsland, culminerend in het keizerschap. Vandaar de door Mommsen gelegde accenten.

    Die accenten zijn daar in de historiografische traditie blijven liggen, althans voor de vierde eeuw v.Chr. Het is immers een onderwerp waar oudhistorici en archeologen niet voldoende vaak naar omkijken om te ontdekken dat het ook anders kan. Als Mommsen dan ook nog een van de best schrijvende oudheidkundigen is, wordt het moeilijk je los te maken van zijn invloed.

    ***

    Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.

    #Crustumerium #DeBloisEnVanDerSpek #FikMeijer #handboek #ItaliëInDeVierdeEeuwVChr_ #MaryBeard #Satricum #TheodorMommsen #TitusLivius

    Het Rijk van de Sassaniden (1)

    Shapur I (Bishapur)

    Ik kondigde het al aan: in mijn reeks naar aanleiding van het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag een stuk over de Sassaniden. Deze dynastie, die vanuit Perzië regeerde over Irak, Iran, Afghanistan en omringende gebieden, speelde een belangrijke rol in wat voor het Romeinse Rijk “de Crisis van de Derde Eeuw” heet. De Sassaniden waren echter meer dan een Angstgegner voor de Romeinen. De periode tussen 224 en 651 is ook te beschouwen als onderdeel van de geschiedenis van Voor-Azië. Een recente studie heet Re-Orientalizing the Sasanians.

    De vroege Sassaniden

    De naam “Sassaniden” is afgeleid van die van een Anahita-priester genaamd Sassan, die gold als de voorouder van de dynastie. De familie behoorde tot wat De Blois en Van der Spek de “grootgrondbezittende aristocratie van krijgers” noemen. Haar grootgrondbezit was in de omgeving van Firuzabad en Istakhr, dat niet ver ligt van het aloude Persepolis. Deze streek heette Persis, het Perzische kernland. Een van Sassans zonen, Papak, kwam aan het begin van de derde eeuw na Chr. in opstand kwam tegen de wettige heerser van heel Iran, de Parthische koning Artabanos IV.

    De overwinning van Ardašir (Salmas)

    Tot dan toe was Persis een Parthische vazal geweest, maar Papak en zijn zoon Ardašir wisten rond 224 de onafhankelijkheid te bevechten. In 226 nam Ardašir Ktesifon in, de hoofdstad van het Parthische Rijk. Vervolgens werden de lokale heersers vervangen door leden van de Sassanidische dynastie of andere bondgenoten, en daarmee waren alle Parthische vazallen omgezet in Sassanidische vazallen. Het resultaat was een staat die centraler werd bestuurd.

    Er waren ook continuïteiten. Ktesifon bleef de stad waar de koningen werden gekroond en Ardašir aanvaardde de titel van “koning der koningen”, die tot dan toe gebruikt was geweest door de Parthische heerser en – eeuwen daarvoor – door de Achaimenidische heersers.

    Rotsreliëf met de investituur van Ardašir (links), die de macht krijgt van Ahuramazda (rechts).

    De religie van de Sassaniden

    In hun inscripties omschrijven de Sassanidische vorsten zichzelf als “Mazda-aanbiddende koningen”: ze vereerden dus de oppergod Ahuramazda. Koning Ardašir verleende privileges aan de magiërs, de religieuze specialisten van het zoroastrisme, die zo grote politieke macht verwierven. Ze speelden bijvoorbeeld een rol bij de inauguratieceremonie in Ktesifon, fungeerden als rechters en als belastinginners. In de Sassanidische rotsreliëfs zien we vaak “investituurscènes”, waarin Ahuramazda, gezeten op een paard, de macht overdraagt ​​aan een koning.

    Deze religieuze ideologie liet aanvankelijk weinig ruimte voor andere ideeën. De profeet Mani (216-276), die had geprobeerd het christendom, het boeddhisme en het zoroastrisme te combineren, belandde in de cel. Toen het Romeinse Rijk, de aartsvijand van het Sassanidische Rijk, steeds christelijker werd, nam in Perzië de vervolging van de christenen toe. Zoals in het Romeinse Rijk het Perzische manicheïsme werd vervolgd, zo zag men in het Sassanidische Rijk christenen als sympathisanten van een buitenlands geloof.

    Paleis, Firuzabad

    Shapur I

    Het conflict met Rome, dat in 231 begon met gevechten aan de Eufraat, escaleerde onder Ardaširs zoon en opvolger Shapur I (r.241-272). Volgens Romeinse bronnen stelden de Sassaniden territoriale eisen: ze zouden het Achaimenidische Rijk willen herstellen en eisten alle Romeinse gebieden in Azië op. Deze claim stemt ruwweg overeen met de titel “koning van Iran en niet-Iran” maar lijkt overdreven. In feite wilde Shapur vermoedelijk vooral de gebieden terugkrijgen die ooit door de Parthen geregeerd waren geweest, waaronder Hatra en Armenië. Toekomstige oorlogen zouden zich dan ook concentreren op de regio langs de bovenloop van de Tigris. Wie deze regio beheerste, beheerste de zuidelijke toegangswegen naar Armenië en kon Romeins Syrië binnenvallen.

    Zulke oorlogen waren niet nieuw. Ook de Parthen hadden met Rome gestreden om dit gebied. Het verschil was enerzijds dat de Sassaniden ernaar streefden bufferstaten te annexeren en anderzijds dat de Sassaniden er, zo schrijven De Blois en Van der Spek,

    beter dan hun voorgangers in staat waren belastingen te heffen en voorraden te verzamelen en (mede daardoor) grote, sterke legers konden mobiliseren.

    Om de sleutelstad Nisibis te bemachtigen, viel Shapur ook delen van Romeins Syrië aan. Toen hij Antiochië had geplunderd, was een Romeinse tegenaanval onvermijdelijk. Keizer Gordianus III viel Mesopotamië binnen en was aanvankelijk succesvol, maar sneuvelde (244). Om zijn leger te behouden moest zijn opvolger, Philippus Arabs, een weinig eervol vredesverdrag sluiten. Met enige  rechtvaardiging beweerde Shapur Philippus op de Romeinse troon te hebben geplaatst. Romeinse krijgsgevangenen werden gedwongen de stad Bishapur te bouwen, waar een rotsreliëf Shapurs triomf herdacht. Soortgelijke reliëfs zijn ook elders te zien.

    Mozaïek uit Bishapur (Nationaal Museum, Teheran)

    Meer Perzische successen volgden. De Romeinse keizer Valerianus werd niet alleen verslagen, hij werd zelfs gevangengenomen (260). De vernedering, weergegeven op de rotsreliëfs in Bishapur en Naqš-e Rustam, kon niet completer zijn en de gebeurtenis markeert het dieptepunt van Romes Crisis van de Derde Eeuw. Onder de keizers Odaenathus (r.261-267), Carus (r.282-283), Diocletianus (r.284-305) en Galerius (r.293-311) herstelde Rome echter zijn posities. In 298 sloten de Romeinen en de Sassaniden een vredesverdrag waarin de Perzen gebieden in het noorden van Mesopotamië opgaven.

    Het oosten

    Rome was niet de enige vijand van Sassanidisch Perzië. Shapur viel ook de Kushana’s aan, die regeerden over Gandara (de vallei van de rivier de Kabul) en de Punjab. De Perzen bezetten Peshawar en namen als buit onder meer de bedelnap van Boeddha mee. Die zal nog wel ergens in Bishapur zijn.

    Door een Sassanidisch leger opgeworpen belegeingsdam bij Doura Europos. De mijnen, waarin ze gifgassen inzetten, lagen uiteraard onderaards.

    De inkomsten van de plundering van Peshawar en Antiochië werden benut om grote stukken voordien ongebruikt land in cultuur te brengen. Er kwamen nieuwe wegen en bruggen. De Sassaniden openden handelsroutes met India en Arabië en ontwikkelden nieuwe banksystemen. Leuk weetje: ons woord cheque gaat terug op een Perzisch woord.

    Zo meteen meer.

     [Een overzicht van de blogjes over het handboek oude geschiedenis is hier.]

    #ahuramazda #antiochie #ardasirI #artabanosIv #bishapur #boeddha #carus #crisisVanDeDerdeEeuw #deBloisEnVanDerSpek #diocletianus #galerius #gandara #gordianusIii #handboek #hatra #istakhr #ktesifon #kushanas #mani #manicheisme #naqsERustam #nisibis #odaenathus #parthischeRijk #persis #peshawar #philippusArabs #punjab #sassaniden #sassanidischeRotsreliefs #shapurI #valerianus #zoroastrisme

    Gaius Julius Caesar (1): consul

    Vroeg portret van Julius Caesar (Museum van Korinthe)

    In de donderdagse reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag een stukje dat ik vreesde: Julius Caesar. Over hem – of beter: over de door hem ontketende Tweede Burgeroorlog – heb ik het immers al zo vaak in mijn reeks #RealTimeCaesar. En over zijn Gallische Oorlog heb ik het ook al vaker gehad, zoals hier en hier en hier en hier en daar. Maar vandaag dan toch: wat ging vooraf aan de Gallische Oorlog en de Tweede Burgeroorlog?

    De opkomst van Julius Caesar

    Caesar werd een bekende Romein in het jaar 69 v.Chr., toen zijn tante Julia overleed, de weduwe van Gaius Marius. Het jaar daarvoor hadden Pompeius en Crassus de rechten van de door Sulla gekortwiekte Volksvergadering hersteld. Daarover blogde ik al eens. In zijn grafrede bracht Caesar de aanwezigen Marius’ verdiensten in herinnering. Zo verwierf Caesar, die al een reputatie had als oorlogsheld, vrij eenvoudig een eigen achterban. Het betekende ook dat hij voor zijn verdere politieke loopbaan veroordeeld was tot een bestaan als popularis.

    En hij werd almaar populairder. In 65 organiseerde indrukwekkende spelen, werd gekozen in 63 tot opperpriester, bepleitte steeds opnieuw de zaken van het stedelijke proletariaat, en kreeg daardoor in de Volksvergadering alles gedaan. Zijn schulden waren echter astronomisch en brachten hem in de sfeer van de schatrijke maar weinig geliefde Marcus Licinius Crassus, die instond voor Caesars financiën, maar politieke steun eiste.

    In 61 was Caesar gouverneur in Andalusië. Daar heerste onrust en onder het mom van het herstel van de orde bezette Caesar verschillende steden, plunderde die en leidde vervolgens een bliksemcampagne langs de westkust van het Iberische Schiereiland naar de zilvermijnen van Galicië. Wanneer een belegerde stad – of het nu in Portugal was of in Romeins Andalusië – zich overgaf, liet Caesar die toch plunderen en verwoesten. Dit maakte hem tot een oorlogsmisdadiger, ook naar antieke begrippen, en vanaf nu moest Caesar permanent een ambt bekleden om onschendbaar te zijn.

    Consul

    De oorlog op het Iberische Schiereiland maakte Caesar gevaarlijk rijk. Behoudende senatoren als Marcus Porcius Cato probeerden hem te isoleren. Caesar kon weliswaar lobby’s financieren voor zowel het consulaat als een triomftocht, maar moest nu kiezen. De triomf zou hem de meeste populariteit opleveren, maar kon alleen plaatsvinden als hij nog aan het hoofd stond van een leger. Maar dan kon hij geen kandidaat zijn voor het consulaat, dat hij nodig had om een rechtszaak te vermijden. Caesar koos er dus voor om voor het consulaat te lobbyen. Zijn tegenstanders wisten te bereiken dat de populaire politicus in elk geval een tegenstander als collega kreeg: Marcus Calpurnius Bibulus.

    Het jaar 59 verliep dramatisch. De twee consuls spraken niet met elkaar en op een gegeven moment zou Caesar zijn partner zelfs van het Forum hebben laten wegsturen. De volgende dag zou deze zijn beklag hebben gedaan in de Senaat, maar Caesars gewapende lijfwacht zorgde ervoor dat niemand de arme consul durfde te steunen. De berichten over dit incident kunnen wat overdreven zijn, maar het is zeker dat Caesar meer invloed had dan zijn collega. Mensen grapten dat dit het jaar was waarin Julius en Caesar consuls waren. Desondanks kwamen Caesar en Bibulus ook tot positieve resultaten, zoals een reorganisatie van sommige belastingen, een wet tegen afpersing en de regel dat de handelingen van de Senaat openbaar moesten zijn.

    [Wordt vervolgd; een overzicht van deze reeks over het handboek oude geschiedenis is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Leuke migranten: flora en fauna

    april 5, 2019
    Maës, de antieke Marco Polo (3)

    september 7, 2022
    B6: Boeddhisme als oosterse filosofie

    juni 9, 2024 Deel dit: #RealTimeCaesar #CatoDeJongere #DeBloisEnVanDerSpek #GaiusMarius #handboek #JuliaI #JuliusCaesar #LuciusCorneliusSulla #MarcusCalpurniusBibulus #MarcusLiciniusCrassus #populares #RomeinseRevolutie #volksvergadering
    Handboek Platformeconomie

    De opkomst van digitale platforms heeft een enorme impact op onze economie en maatschappij. Ondernemers vinden nieuwe verdienmodellen, consumenten profiteren van innovaties, gevestigde bedrijven vrezen voor hun bestaansrecht. Tegelijkertijd zijn er zorgen over publieke belangen rond nieuwsvoorziening, privacy, macht en democratie. Digitale technologie is niet zaligmakend.   Hoe het platformmodel bedrijven en markten verandert Handboek Platformeconomie legt uit hoe businessmodellen van platforms en hun maatschappelijke impact onlosmakelijk verbonden zijn. Hoe leiden we als samenleving en overheid de platformrevolutie in goede banen? Hoe profiteren we van de innovatie door platforms zonder dat zij publieke belangen ondermijnen?   Voor wie Vanuit hun expertise in beleid, economisch onderzoek en businessmodellen beschrijven de auteurs de essentie van platforms. Aan de hand van theorie en praktijk bespreken zij hoe platforms markten en sectoren op hun kop zetten en daarbij publieke belangen kunnen ondersteunen maar ook schaden. Een onmisbaar handboek voor professionals en managers in overheidsbeleid en markttoezicht, en voor iedereen die de platformsamenleving wil begrijpen.   Aanbevelingen Leest als een trein en geeft een goed inzicht in de werking van platforms aan de hand van pakkende voorbeelden en toegankelijke modellen’ - Huub Vermeulen, voormalig CEO bol.com   ‘Niet alleen een aanrader voor studenten economie en bestuurskunde, ook beleidsmakers en eigenlijk iedereen die geïnteresseerd is in digitale platforms zal dit boek waarderen door zijn toegankelijke stijl en vele voorbeelden’ - José van Dijck, hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht   ‘Buitengewoon heldere uitleg over de werking en invloed van de online platforms die ons leven verrijken, en tegelijk soms publieke belangen bedreigen. Verplichte kost voor iedereen die aan een productieve, volwassen platformeconomie werkt’ - Michiel Boots, directeur-generaal Economie en Digitalisering bij het ministerie van EZK