De verledens van Spanje (3)

Romeins en Arabisch Spanje bij elkaar in Málaga

Wat ik met de twee voorgaande blogjes (een, twee) heb willen vertellen, is dat het beeld van het verleden van Spanje verandert doordat de wind uit een andere politieke en culturele hoek is gaan waaien, wat een beetje de dagelijkse omgang is met het verleden, terwijl er tegelijk ook echte wetenschappelijke ontwikkelingen zijn: nieuwe technieken, nieuwe vragen, nieuwe data, nieuwe onzekerheden, nieuwe hypothesen. Die leiden overigens en gelukkig niet meteen tot nieuwe conclusies.

Je mag voor de toekomst verwachten dat onderzoekers, nu er allerlei nieuwe bioarcheologische technieken zijn, zullen gaan kijken naar de routes waarlangs herders hun kuddes verweidden. Mij zou het niet verbazen als vee over grotere afstanden blijkt te zijn verplaatst dan we zouden verwachten aan de hand van de bekende cañadas, want dat is in elk geval elders in Europa bewezen: denk aan de Romeinse herders die van Schotland naar Zuid-Engeland kwamen. Dat documenteert dan ook weer de verspreiding van ideeën. De DNA-revolutie is vooral een hermeneutische revolutie, net wat u zegt.

Twee losse constateringen

Ik heb nog twee losse constateringen. Ten eerste: met mijn opmerking over het verweiden van kuddes verplaatste ik de aandacht van het kustgebied en Andalusië naar de Spaanse Hoogvlakte. Zoals ik in het eerste stukje al aangaf, zijn er de afgelopen halve eeuw veel data bij gekomen dankzij ruilverkaveling langs de Guadalquivir en vastgoedprojecten aan de kust. De balans is al met al nogal oneven, nogal selectief.

En dat is wel een beetje de makke van de archeologie: ze is wel heel erg gebaseerd op data – of dat nu vondsten zijn, surveys of de patronen die dankzij GIS-systemen zichtbaar worden. Archeologen zijn “hands on”, concreet. Maar de analyse van het verleden veronderstelt ook denken over data die je niet hebt. Daar zijn oudhistorici dan weer goed in. En hier speelt het beruchte probleem dat archeologen de voorkeur geven aan de correspondentietheorie van de waarheid en historici meer neigen naar de coherentietheorie. In Nederland bemoeilijkt dat samenwerking. Ik vrees dat dat in Spanje niet anders zal zijn.

Ten tweede: weinig clichés over het verleden zijn onzinniger dan de zelfs niet langer als oxymoron te presenteren claim dat het niet voorbij zou zijn. Het verleden is hartstikke voorbij en betekent helemaal niets, tot wij er betekenis aan geven. De ontstaansgeschiedenis die ik in het eerste blogje noemde is één mogelijkheid om dat te doen, het doorgronden van maatschappijtypen en wijzen van verandering, zoals beschreven in het tweede blogje, is een ander. Maar er zijn meer manieren om betekenis toe te kennen, zoals het reconstrueren van ideeën uit het verleden, die reconstructies contrasteren met je eigen opvattingen, en zo opsporen waarom zij dachten zoals zij dachten en waarom jij denkt zoals jij denkt. Dat contrast leidt tot zelfinzicht.

Tot slot

Tot zover enkele min of meer officiële rechtvaardigingen voor een liefde voor het verleden. Persoonlijk vind ik ontstaansgeschiedenis niet interessant, omdat ze continuïteiten veronderstelt die doorgaans onbewijsbaar zijn. Over contrasterende opvattingen heb ik het in deze drie blogjes niet gehad, dus die laat ik rusten. Het doorgronden van antieke maatschappijtypen is echter belangrijk: inzicht in (de ontwikkeling van) samenlevingen is een voorname reden om historici archeologen en classici oudheidkundig onderzoek te laten doen.

Maar voor u en mij, ongesubsidieerde liefhebbers, geldt dat minder. Voor ons kunnen Oudheid en Middeleeuwen gewoon leuk zijn. Iets om van te genieten. En dat is wat ik binnenkort zal gaan doen: ik ga twee weken op vakantie en ik hoef u na deze drie blogjes niet meer te vertellen naar welk land.

#coherentietheorieVanDeWaarheid #correspondentietheorieVanDeWaarheid #DNARevolutie #emiraatVanCórdoba #RijkVanToledo #socialeWetenschappen

Vragen rond de jaarwisseling (4)

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Zo’n drie weken geleden nodigde ik u uit om de traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik zal nu mijn best doen de meer beschouwende vragen te beantwoorden.

Wat vond je zelf de belangrijkste ontdekking?

Eerlijk gezegd heb ik in 2025 weinig bijzonders zien langskomen. Alles ging z’n gangetje. Je kunt natuurlijk niet elk jaar een nieuwswaardige doorbraak hebben.

Waar zou je dit jaar de Kasteel van Amstelprijs voor geven?

Ach ja, de Kasteel van Amstelprijs! In de eerste jaargangen van de Livius Nieuwsbrief reikte ik die uit aan de meest opzichtige manier om te vissen naar publiciteit. Ik noem nog maar eens Josephine Quinn, die de geschiedenis van Het Westen plaatst in de wijdere context. Voor de journalisten die haar kritiekloos aan het woord lieten: wereldgeschiedenis is een genre uit de jaren zeventig. De journalistiek relevante vraag is waarom wetenschappers publiciteit zoeken met iets dat dat al een halve eeuw in de belangstelling staat.

Archeologie is een sociale wetenschap

Hoe gaat het verder met de internationale oudheidkunde?

Dat is moeilijk te zeggen. Enerzijds zijn er de laatste jaren interessante mogelijkheden gekomen: de DNA-revolutie heeft de hermeneutische buitengrens onhoudbaar gemaakt en biedt daardoor (vooral aan classici) ongekende en onverkende mogelijkheden. Verder bieden computers kansen om causaliteit te toetsen, zodat historici de geschiedvorsing naar een hoger plan kunnen tillen. Artificiële intelligentie verbetert de paleografie; andere vormen van digitalisering verrijken de archeologie.

Er kan dus van alles, maar ik zie weinig initiatieven om het wetenschappelijk onderwijs zo aan te passen dat voldoende breed gevormde onderzoekers worden opgeleid. Te veel publicaties zijn nodeloos gespecialiseerd en dragen bij aan de Rückfall des Menschen in seine selbstverschuldete Unmündigkeit.

Ik heb een kop uit De Volkskrant even gecorrigeerd.

Hoe wordt er, vergeleken met Nederland, over archeologie geschreven in de media? Is het erger/beter/anders? En valt er iets te zeggen over oorzaken?

Nederland lijkt een middenmoter. In landen als Israël, Griekenland en Italië lijkt (voor zover ik overzien kan) nauwelijks normaal over archeologie geschreven te worden; uit Spanje krijg ik daarentegen regelmatig interessante stukken. Belangrijke nuance: overal zijn goede journalisten die weten waar het over gaat, en in alle landen speelt het probleem dat de algemene redacties berichten over het verleden niet herkennen als wetenschap en verzuimen door te geven aan de wetenschapsredactie.

Plus dat veel wetenschapsjournalisten denken dat ze archeologie voldoende begrijpen om er onvoorbereid over te kunnen schrijven. Dit wordt in de hand gewerkt doordat archeologen hun persberichten beperken tot meldingen over vondsten. Wie niet toont hoe de archeologie sociaalwetenschappelijke hypothesen toetst, versterkt het journalistieke vooroordeel dat het slechts gaat over vondsten waarover iedereen wel een stukje kan typen.

Rob Jetten vraagt jou als staatssecretaris van Onderwijs. Je krijgt nog geld mee ook. Welke vijf concrete programma’s stelt staatssecretaris Lendering voor?

  • Eerst open access.
  • Verder moeten de publicaties die de universiteiten de afgelopen dertig jaar achter betaalmuren hebben verborgen, onverwijld worden ontsloten.
  • Daarnaast moeten we de schade die door het verbergen van inzicht is ontstaan (“bad information drives out good”) tenietdoen.
  • Het middelbaar onderwijs in Nederland moet een jaar langer (zesjarige HAVO, zevenjarig VWO) en het (geestes)wetenschappelijk onderwijs moet hersteld tot het wetenschappelijk minimum van zes à zeven jaar.
  • Een automatische budgetkorting voor universiteiten, overeenkomend met 100% van het advertentiebudget. De zo vrijkomende gelden gaan naar het beroepsonderwijs.
  • Maar deze ideeën zijn slechts lapwerk. De eigenlijke problemen zitten dieper. De betaalmuren staan haaks op de missie van de universiteit (wettelijke definitie: inzichten overdragen aan de samenleving). De studieduurbekorting van de jaren tachtig stond haaks op de wetenschappelijkheid die we verwachten van academische vorming. Betaalmuren en te korte opleidingen zijn evident fout en je kunt daar, zonder dat er doden vallen of zo, zó gewoon iets van zeggen, dat ik niet begrijp waarom intelligente academici er medewerking aan hebben verleend. De waarschuwingen liggen er al sinds de jaren tachtig. Dat ik dit niet snap, verraadt mijn gebrekkige mensenkennis.

    Daarom denk ik dat ik de verkeerde staatssecretaris voor Onderwijs ben. Als Rob Jetten me zou vragen, verwijs ik hem naar WOinActie.

    #badInformationDrivesOutGood #DNARevolutie #hermeneutischeBuitengrens #vragenRondDeJaarwisseling #wereldgeschiedenis #wetenschapsjournalistiek #WOInActie #zelftrivialisering

    Wat is archeologie? (4) Museale antwoorden

    [Dit is het voorlaatste van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

    Als politici voordeel zien in trappen tegen de geesteswetenschappen, staat buiten kijf dat de wetenschap moet worden verdedigd. En hoewel uitleg niet helpt tegen pure kwaadwillendheid,noot Hier is een nare aanval op de egyptologie en daar ontdekt u waarom dat geen incident was. helpt uitleg wel om te verhinderen dat insinuaties invloed krijgen. Driekwart van de mensen staat positief tegenover de wetenschap, één procent haat haar, en de tussenliggende groep kun je voor dwaling behoeden met proactieve uitleg – dus uitleg vóór er twijfel is aan wetenschappelijke conclusies. Als die twijfel er eenmaal is, helpt toelichting over de methode niet langer (het backfire-effect).

    En zoals op deze blog al vaker gezegd: de oudheidkundige disciplines laten het afweten. Als ik moet vertellen wat classici doen, moet ik verwijzen naar de boeken van de theologen. De archeologen kwamen de afgelopen tijd weliswaar met de expositie Dig It All in Groningen, met de houtkamer in Leidse Rijn en met Geheimen van het Pottenbakkerswiel in Amsterdam, maar een permanent overzicht van archeologie als wetenschap ontbreekt.

    Boven Het Maaiveld

    Momenteel is in het Rijksmuseum van Oudheden (Leiden) echter de tentoonstelling Boven Het Maaiveld. Die is een bezoek meer dan waard; ze is helder gestructureerd en toont allerlei interessante voorwerpen. Het is geen stap maar een sprong in de goede richting en hoewel we met die sprong niet aan de overkant komen, zal mijn eerste en laatste woord zijn dat u die expositie moet bezoeken.

    U ziet dan zo’n vijfhonderd bodemvondsten die archeologen de afgelopen kwart eeuw hebben gedaan in Nederland en de West. Sommige zijn heel recent, zoals de hierboven al genoemde schat van Bunnik, inscripties uit Herwen en een religieus Bronstijdlandschap achter Tiel. Sommige vondsten zijn esthetisch de moeite waard, andere zijn op een onverwachte plek gevonden, weer andere zijn opvallend informatief. Er is bovendien uitleg van de technieken, zoals isotopenonderzoek en de andere methoden die ik op maandag behandel, en de expositie begint met de frames waarmee archeologie het nieuws haalt. Ik schreef het al: dat deze of gene vondst het oudste voorbeeld is van deze of gene vondstcategorie. Dat werk.

    De tentoonstelling dekt alle tijdvakken van de Prehistorie tot de Nieuwste Tijd, en zoals gezegd draait het vooral om de vondsten. Er is daarbij ook aandacht voor thema’s als migratie en gender, waar met isotopen en met DNA-onderzoek natuurlijk het een en ander over te zeggen valt. Maar juist op dit punt had het uitgebreider gekund. Hoe komt het immers dat sommige actuele zaken wél archeologisch worden geagendeerd terwijl andere de aandacht niet trekken? Hoe verhoudt een nieuw inzicht zich tot de kennis waarop ze een aanvulling is? Waarom stellen archeologen vooral middenklasse-vragen? Anders gezegd: hoe blij ik ook ben met deze expositie, ze is niet breed genoeg.

    Breder bereik

    Boven Het Maaiveld is niet de tentoonstelling die het kabinet van België of de trendzettende rechtse politici in Nederland, zal overtuigen van het belang van archeologisch onderzoek. Uiteraard heeft de expositie die bedoeling ook niet, dus dit is geen verwijt. Ze zou echter, vermoed ik, met een bredere opzet meer impact hebben gehad.

    Breder: door de nadruk te leggen op de vondsten, op de technieken, op de eerste fase van de interpretatie en op de geconstateerde feiten, blijven de hogere niveaus in het hierboven behandelde schema onvoldoende belicht. De wijze waarop hedendaagse maatschappelijke problemen invloed hebben op de vraagstellingen, de wijze waarop de sociaalwetenschappelijke theorieën tot stand komen en de wijze waarop de geconstateerde feiten helpen inzicht te verwerven, zijn net zo goed belangrijk. Het draait in de archeologie immers niet alleen om het object, maar ook om het subject. Ik kan iets op de tentoonstelling of in het publieksboek over het hoofd hebben gezien, maar ik heb de indruk dat dit is genegeerd.

    Ik breng de Judith-expositie in Gent in herinnering. Daar stonden niet de vondsten, maar de vragen centraal. Niet het bottom-up-aspect, zoals in Leiden, maar het top-down-aspect. Die keuze maakte het tot een superieure tentoonstelling, die inzicht bood in het wetenschappelijk proces en duidelijk maakte waarom archeologen en historici werk verrichten dat ertoe doet.

    En nu ik toch bezig ben met het prijzen van België: Le Phare in Andenne biedt feitelijk hetzelfde als de expositie in Leiden, namelijk uitleg van vondsten en interpretatie, maar gaat daarna verder door naar de hogere niveaus. Zoals ik al eens vertelde, gebruikt het museum één archeologische vondst, een onderkaak, om een neanderthaler-meisje, haar omzwervingen en haar samenleving te reconstrueren, én de vraag op te werpen wie wij, eenentwintigste-eeuwse mensen, eigenlijk zijn, nu de ooit genoemde verschillen met neanderthalers stuk voor stuk blijken weg te vallen.

    De bijdragen van de archeologie

    U begrijpt: ik denk dat de Leidse expositie een succes is, en een sprong in de juiste richting, maar net niet ver genoeg. Ik zou liever, zoals in de Belgische voorbeelden, hebben gezien dat Boven Het Maaiveld ook aandacht vroeg voor archeologische bijdragen aan andere wetenschappennoot De voornaamste is de DNA-revolutie. Boven Het Maaiveld besteedt aandacht aan DNA-onderzoek en aan migratie, maar vertelt niet dat de bioarcheologen de kooi hebben opengezet waarin classici zaten opgesloten. én op het top-down-aspect van de archeologie. De tentoonstelling had wat mij betreft mogen eindigen met door ons gekoesterde waarden waarbij de archeologie een contrapunt zet.noot Dat zoiets museaal kan, toonde de expositie Zwart en Wit in het toenmalige Tropenmuseum. Dat de archeologie toont “wie Menschen ticken” en “unbekannte Werte” in kaart te brengt, is te belangrijk om onderbelicht te laten. Zulke uitleg zal de Belgische regering niet overtuigen, maar zal wel aan het electoraat duidelijk maken waarom een regering die de oudheidkundige disciplines niet begrijpt, haar prioriteiten niet op orde heeft.

    Kortom, ik denk dat Boven Het Maaiveld breder had gekund. En langer. Het is onbevredigend dat deze tentoonstelling op 7 september voorbij is. Ze behoort permanent te zijn. Ik heb dus weliswaar wat kritiek, maar herhaal dat de expositie de doelen die ze stelt, ook haalt, en dat u haar moet bezoeken.

    [wordt vervolgd]

    #backfireEffect #DNAOnderzoek #DNARevolutie #Houtkamer #isotopenonderzoek #migratie #tentoonstelling

    Wat is archeologie? (3) De media

    Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

    [Dit is het derde van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

    Ik kan me voorstellen dat u na mijn vorige blogje dacht dat mijn schets van de archeologie nogal abstract was en niet overeenkomt met uw beeld van dat mooie vak. Een vak dat hands on is, heel concreet, heel positief, sterk gebaseerd op het tastbare. Zo komt het immers in het nieuws en zo presenteren archeologen het ook. Vraag een archeoloog maar eens wat archeologie is en in vier van de vijf gevallen vertelt hij over vondsten. Dit is al zo sinds de jaren zeventig, maar zoals gezegd is dataverwerving slechts een voorwaarde voor wetenschap en geen wetenschap.

    Archeologie in het nieuws

    Archeologie gaat over het toetsen van hypothesen om de mensheid beter te begrijpen (“zeigen wie Menschen ticken”) en onvermoede aannames op te sporen (“unbekannte Werte messen”). Daar horen we echter weinig over. Het gaat vaker over bijvoorbeeld een ontdekt Romeins kamp, waarbij als bijzonderheid geldt dat het benoorden de limes lag – alsof dat belangwekkend zou zijn.noot De limes was geen ijzeren gordijn en kampen als Ermelo waren al bekend. Of het gaat over een monumentaal gebouw in Nijmegen, waarbij als bijzonderheid geldt dat zo dicht bij de Waal resten van de antieke stad bewaard zijn gebleven. Leuk als zulke nieuwtjes zijn, tonen ze niet hoe wezenlijk de feitelijke bijdrage is van de archeologie. Ze trekken wel de aandacht maar niet tot iets.

    Dit geldt niet alleen voor Nederland of Vlaanderen. Een internationaal overzicht vindt u hier en het nieuws blijft veelal beperkt tot vondsten en feiten. En het rare is: deze zelftrivialisering vind je niet bij andere wetenschappen. Het is bijvoorbeeld ondenkbaar dat pakweg een biograaf van Gerard ’t Hooft zou verzuimen te vertellen wat renormalisatie is. En zoals ik al constateerde: als archeologen niet uitleggen wat archeologie is, kan niemand het belang ervan ontdekken. Dan moet je er niet van opkijken als elke negenendertig dagen ergens een museum of wetenschappelijke instituut wordt bedreigd, of dat het voor politici electoraal aantrekkelijk is de draak te steken met verondersteld softe wetenschappen.

    Oorzaken

    Een deel van problematiek is dat journalisten geen zin hebben om af te wijken van de traditionele frames. Kind/voorbijganger/amateurarcheoloog/aannemer vindt voorwerp en meldt het bij de autoriteiten. Deze of gene site is het Pompeii van het noorden, van Utrecht, van Groot-Brittannië, van Jordanië. In de Oudheid hadden ze ook epidemieën, klimaatverandering, fake news, populisten. Als een journalist een vondst niet kan presenteren als de oudste in deze of gene categorie, maakt hij er wel een schat van. Je leest zelden dat bioarcheologische feiten nieuwe kansen bieden aan tekstwetenschappers.

    Dat het accent ligt op vondsten en niet op het eigenlijke archeologische proces, ligt vermoedelijk ook aan de archeologen zelf. Ongeveer een kwart van de vragen die aan mij wordt voorgelegd, valt te herformuleren als “hoe weet je wat je weet?” of “hoe draagt dit bij aan de wetenschap?”, maar ik heb de zeer sterke indruk dat archeologen (en hun collega-oudheidkundigen) onvoldoende herkennen hoe groot deze vraag naar inzicht in het wetenschappelijk proces momenteel is. De voorlichting negeert de sleuteldoelgroep.

    Ik ben weleens bang dat archeologen iets te veel vertrouwen hebben in de neoliberale geruststelling dat alles in orde is, aangezien de financiering is geregeld door de archeologie in te bedden in de ruimtelijke ordening. Misschien ben ik iets te bang; in elk geval is wetenschapsfinanciering geen wetenschapsbeleid, en ook geen communicatiebeleid, en ontbreekt een heldere visie op de wijze waarop archeologen en classici de Oudheid over het voetlicht moeten brengen. Bedenk namelijk: het publiek wil kennis van de oude wereld, en wil geen kennis van de oude wereld met de beperkingen van de archeologie of kennis van de oude wereld met de beperkingen van de antieke literatuur. Zolang wetenschappelijke specialismen het vertrekpunt van de voorlichting vormen, en niet de belangstelling van het publiek, zal het lastig zijn een echt goede voorlichting op te zetten, en bezuinigingsgeile politici en academische bestuurders de wind uit de zeilen te nemen.

    Want nogmaals: politici weten dat het aantrekkelijk is te schoppen tegen een wetenschap die zich niet verweert. Dat is het klootzakkengedrag van het schoolplein, waar de bullebakken het kind pesten dat niet heeft geleerd hoe het zich verdedigen kan. Het siert de archeologen en hun collega-oudheidkundigen dat ze zich niet willen verlagen tot het niveau van Halbe Zijlstra of het Belgische federale kabinet, maar de geesteswetenschappen zullen zich moeten verweren. Wat ons brengt bij de musea, die wel iets doen.

    [wordt vervolgd]

    #bioarcheologie #data #DNARevolutie #GerardTHooft #HalbeZijlstra #RomeinseLimes #WimDeetman #zelftrivialisering

    Gilgameš en Achilleus

    Achilleus en Patroklos (Altes Museum, Berlijn)

    Ik heb vaker verteld dat er nogal wat overeenkomsten zijn tussen de diverse mythen, sagen en sprookjes. De grote vis van Sindbad de Zeeman is die van Sint-Brandaan; de voor zijn zonden gestrafte plek kan de stad Sodom zijn maar ook het klooster in het Solse Gat of het dorp van Filemon en Baukis. Zulke overeenkomsten zijn er. Om het tot heldenverhalen te beperken: het overzicht van Jan de Vries is oud maar nog altijd handig. Voor verhalen in het algemeen is er de Aarne-Thompson-Uther Index, die ik onder andere hier beschreef.

    Een deel van de verklaring tussen de overeenkomsten zal zijn gelegen in de menselijke psyche: ik wil aannemen dat mannen uit alle culturen draken willen doden & prinsessen bevrijden. Ook zijn er migranten die verhalen meenemen, zoals Sjaak en de Bonenstaak. En verder springen verhaalmotieven sowieso over van de ene naar de andere cultuur. Zo kan het gebeuren dat de Olympische Spelen het een en ander gemeen hebben met het verhaal over de lijkspelen die Gilgameš voor Enkidu organiseerde.

    Gilgameš en Achilleus

    Ook de parallellen tussen Gilgameš en Achilleus zijn intrigerend. Het zijn beide krachtpatsers, zoals ook Simson, Cúchulainn, Rostam, Beowulf, Herakles en Siegfried. De mannetjesputter is een standaardtype, dat voortleeft in Spiderman, Wonder Woman, Batman, Jerom en The Bride.

    Er zijn meer gelijkenissen. Gilgameš en Achilleus zijn halfgoden: de Griek is een zoon van de godin Thetis, de Mesopotamiër is zelfs voor tweederde goddelijk. Dit is inherent aan het krachtpatsertype, zie het overzicht van De Vries nog even. Een andere gelijkenis tussen Gilgameš en Achilleus, eveneens behorend tot het standaardrepertoire, is dat ze een vriend hebben, Enkidu en Patroklos. Parallellen te over natuurlijk: David en Jonathan, Herakles en Iolaos, Asterix en Obelix.

    Specifieker is dat de verhalen over Gilgameš en Achilleus ook thematisch overeenstemmen. Immers, beide helden verliezen hun vriend, en deze confrontatie met de eindigheid van het leven leidt tot inzicht. Dit is minder algemeen, al komt het Nibelungenlied natuurlijk pas op gang als Kriemhild haar partner Siegfried verliest, waarna we wachten op de mokerslag van de slotregel. De overeenkomst met het Nibelungenlied is overigens niet helemaal zuiver, want het literair knappe is vanzelfsprekend dat het inzicht wél de lezer maar niet Kriemhild bereikt.

    Er zijn meer overeenkomsten tussen Gilgameš en Achilleus, en ik heb er voor dit blogje nog even naar gekeken, maar ik voor mij vind ze zelden overtuigend. Eén voorbeeld is dat Homeros een mooie vergelijking inlast waarin hij Achilleus’ rouwbeklag vergelijkt met het gebrul van een leeuw, en dat de redacteur van het Epos van Gilgameš iets soortgelijks schrijft. Tja. Zoveel vergelijkingsmateriaal stond dichters nou ook weet niet ter beschikking. Los daarvan: een leeuwenbeeldspraak ligt voor de hand als je het hebt over een held van het krachtpatsertype.

    Kortom, de parallellen tussen Gilgameš en Achilleus zijn nogal standaard of nogal voor de hand liggend. Ze zijn er omdat ze er, heldenverhalen zijnde heldenverhalen, altijd zijn. Alleen het feit dat ze niet alleen hun vriend verliezen maar daardoor ook komen tot inzicht, is werkelijk opvallend. Je zou iets specifiekers willen hebben om te bewijzen dat een van de twee dichters bekend was met het – ongetwijfeld mondeling doorgegeven – werk van de ver weg wonende collega of iets soortgelijks.

    Criteria

    Begrijp me niet verkeerd: de overeenkomsten zijn er. Ik veronderstel dat Sin-leqi-unnini (zoals de redacteur van het Epos van Gilgameš heet) informatie heeft geput uit dezelfde zee van verhalen waaruit Homeros putte. Het zou dus vooral vreemd zijn geweest als er tussen de twee krachtpatsers géén overeenkomsten waren. Dat is de basis. Er kan daarenboven ook beïnvloeding zijn geweest: de oostelijke tekst, of iets dat erop leek, is op een of andere manier bekend geweest in het westen. Of andersom, want niets weerhoudt ons van de aanname dat de Babyloniër een Mykeens verhaal heeft gehoord.

    Maar je zult zoiets moeten bewijzen. Minimaal moet je vaststellen dat er culturele contacten zijn geweest. (Dat is in dit geval overigens niet moeilijk.) Maar er zijn veel, veel meer criteria nodig. Dit is des te urgenter nu de hermeneutische buitengrens is weggevallen. Het denken daarover is, zoals de trouwe lezers van deze blog weten, het wezen van de DNA-revolutie. En ik vrees dat de oudheidkunde te weinig generalisten heeft om er echt werk van te maken.

    #Achilleus #Batman #DNARevolutie #Enkidu #EposVanGilgameš #Gilgameš #Herakles #hermeneutischeBuitengrens #Homeros #Ilias #Kriemhild #leeuw #mondelingeLiteratuur #Patroklos #Siegfried #SinLeqiUnnini #Spiderman #Thetis

    Mondelinge literatuur - Mainzer Beobachter

    De DNA-revolutie plaatst de mondelinge literatuur centraal omdat de hermeneutische buitengrens in feite is verdwenen.

    Mainzer Beobachter