Tweemaal de Eerste Tussenperiode

Een grafmodel uit Henen-Nesut (Herakleopolis) (Nationaal Museum, Kopenhagen)

De geschiedenis van Egypte begint in de Naqada-tijd, met dat mooie rood-zwarte aardewerk, toen het land langzaam een eenheid werd. Ongetwijfeld heeft daarbij de scheepvaart op de Nijl een rol gespeeld. Rond 3000 v.Chr. ontstond ook het koningschap: het Palet van Narmer toont de vorst als overwinnaar, wat blijkbaar een belangrijke taak was van de vroege heersers. Die taak kaderde in een andere, nog belangrijkere koninklijke verantwoordelijkheid: het handhaven van Maät, ofwel orde en gerechtigheid. Verder representeerde de farao de mensheid tegenover de grote goden.

Hofcultuur

Zo iemand was meer dan een gewoon mens en zo iemand raakte je dus niet aan. Een hoveling die koning Khufu (Cheops) per ongeluk wél had aangeraakt, noteerde later opgelucht dat de vorst hem had toegestaan te blijven leven. Wat we hier feitelijk zien, is het ontstaan van een hofcultuur: een geritualiseerde levenswijze, waarin bepaalde handelingen waren toegestaan, andere handelingen waren verboden, en alle handelingen waren onderworpen aan regels. We zien het ook aan de hoftitels: de hovelingen hadden taken die alleen zij mochten uitvoeren. Niet dat anderen er niet competent voor waren, maar de rol was nu eenmaal aan iemand anders opgedragen. Een ritueel.

En alles draaide om de koning, god onder de mensen. Hij kreeg een waardig graf: groot, groter, trappenpiramide, piramide. Mensen uit heel Egypte kwamen werken aan de bouw. Niet alleen de constructie van dat ene koningsgraf, overigens, want de hovelingen werden in de buurt bijgezet. Ook na de dood kende elke hoveling zijn voorgeschreven plek. Leven én dood waren, om zo te zeggen, tot in de puntjes geritualiseerd.

Crisis?

De greep van het hof strekte zich uit over Beneden- en Boven-Egypte, en naar de oases. Het was feitelijk een proces van schaalvergroting: zoals de koninklijke graven steeds groter werden, zo breidde de macht van het hof zich uit. Zou dit proces zijn doorgegaan, dan zouden de Egyptenaren na de Grote Piramide van Khufu een nóg grotere piramide hebben gebouwd. Maar de piramides van zijn opvolgers waren kleiner.

Het is verleidelijk te denken dat hier iets van verval begon in te zetten. Niet dat het Oude Rijk, zoals we het noemen, van de ene op de andere dag ten onder ging. Het gebeurde geleidelijk. Dat proces vond zijn eindpunt toen Egypte tijdens de lange regering van koning Pepi II in de drieëntwintigste eeuw v.Chr. uiteenviel en er deelrijken ontstonden, die zo nu en dan slaags raakten.

Zo althans lazen de grote oudheidkundigen van de negentiende eeuw de ontwikkeling. Ze keken, zoals onvermijdelijk is, naar Egypte vanuit hun eigen perspectief, en ze beschouwden de vorming van eenheidstaten als iets positiefs – denk aan de eenwording van Duitsland en Italië. De verdeeldheid die kort voor 2200 v.Chr. was begonnen, gold in de negentiende eeuw als een tijd van verval. De naam “Eerste Tussenperiode” is later ontstaan, na de Eerste Wereldoorlog, toen het uiteenvallen van de Ottomaanse, Habsburgse en Russische rijken catastrofaal verliepen.

De Vermaningen van Ipuwer (© Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Dat het een tussentijd was tussen twee bloeiperioden, en dus een periode van culturele neergang, is echter enigszins discutabel. De piramiden mochten dan kleiner zijn, ze werden, zo lang het Oude Rijk bestond, mooier versierd.

Maar vooral: het is de vraag of de Egyptische decentralisatie zo’n ramp was. Vanuit het perspectief van de ene farao was het natuurlijk een vorm van verval dat er meer heersers waren, maar er zijn geen aanwijzingen voor grote aantallen verlaten dorpen of een spectaculair gedaalde agrarische productie. We lezen wél over sociale onrust, maar die was er in de oude wereld wel vaker. Ook is een sombere tekst als de Vermaningen van Ipuwer, die weleens opgevat is geweest als bewijs voor een crisis, niet per se een accurate beschrijving van de tweeëntwintigste-eeuwse situatie. De welvaart nam in elk geval niet bewijsbaar af. De voornaamste verandering was dat één hof plaatsmaakte voor meerdere.

Norbert Elias

Het doet me allemaal wat denken aan wat de Duits-Britse socioloog Norbert Elias (1897-1990) beweerde over de West-Europese hofcultuur. Ook daarin bestond een proces van ritualisering van de omgangsvormen. Je wendde nooit je gezicht af van de vorst, ook niet als je van hem wegliep. Voedsel raakte je niet aan met je handen. Binnenskamers droeg je geen hoofddeksel. Iedere hoveling had een eigen, welomschreven taak. Elias noemde deze ritualisering van de omgangsvormen een civilisatieproces.

Deze Europese hofcultuur verspreidde zich van de vorstelijke hoven naar mindere echelons. Eerst naar de lagere hoven, vervolgens naar het stedelijk patriciaat en uiteindelijk naar de rest van de bevolking. Ook wij eten nu met mes en vork, en mannelijke lezers zullen zich misschien herinneren dat soldaten in de mess geen hoofddeksel dragen. Het is precies zoals het in Egypte ging: er ontstond een geritualiseerde hofcultuur die zich verspreidde naar lagere hoven.

Wat ik met dit alles wil zeggen is het volgende.

  • Voor veel tijdvakken zijn de oudheidkundige data onvoldoende en je kunt ze weliswaar niet alle, maar wel allerlei kanten op redeneren.
  • Wat een onderzoeker een logische uitleg vindt, zal afhangen van de aannames die hij deelt met zijn tijdgenoten.
  • Die aannames zijn voor een negentiende-eeuwer anders dan voor een twintigste-eeuwer, en onze eigen eenentwintigste eeuw zal weer nieuwe interpretaties bieden.

#cheops #eersteTussenperiode #farao #grotePiramide #hofcultuur #khufu #maat #norbertElias #oudeRijk #pepiIi #piramide #vermaningenVanIpuwer

Cornelis de Bruijn (4) Egypte

Cornelis de Bruijn, Alexandrië

Dit is het vierde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Egypte

Kunstenaars maakten een grand tour naar Italië: dat was niet bijzonder. Kooplieden voeren weleens naar les échelles du Levant: Smyrna, Constantinopel of de havens van wat nu Libanon heet. En er waren pelgrims in het Heilige Land. Maar slechts weinig mensen uit de Lage Landen kenden Egypte.

Hoewel Cornelis de Bruijn niet de eerste Hollander was die Ottomaans Egypte bezocht, besefte hij hoe bijzonder zijn verblijf was. Vanaf dit punt wordt Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië gedetailleerder en biedt De Bruijn informatie die nieuw en nuttig was voor de geleerden van zijn tijd (en onze eigen tijd). En de geleerden hadden het geluk dat De Bruijn een professioneel tekenaar was: hoewel de gravures uit zijn boek niet de allermooiste zijn, bevatten ze veel informatie en waren ze beter dan alles wat eind zeventiende eeuw in Europa bekend was.

Na veertien dagen in Damietta vertrok De Bruijn naar Caïro, waar hij ziek werd. Toch kon hij zijn huis verlaten en probeerde hij een mummie te kopen, maar de schilder en de verkoper konden geen overeenstemming bereiken over de prijs. In de laatste week van mei 1681 maakte hij twee korte excursies. Eerst bezocht hij de Koptische kerk van Matareya (waar Jozef, Maria en Jezus zouden hebben verbleven) en daarna nam hij deel aan een excursie naar de piramides van Giza, georganiseerd door de consul van Venetië. De meeste leden van het reisgezelschap gingen picknicken, maar De Bruijn ging verder.

De Grote Piramide

Hij ging de Grote Piramide binnen. Het was niet makkelijk. Hij moest “als een slang” kruipen door het kunstmatige gat kruipen dat de ingang vormde. In zijn boek waarschuwt hij dikkerds om het niet te proberen.

De Bruijn, De Grote Galerij

Eenmaal binnen kon hij enkele tekeningen maken en metingen uitvoeren. Hij probeerde echt met nuttige informatie naar huis terug te keren. En met succes! Zijn tekening van de Grote Galerij was de allereerste afbeelding van het interieur van een piramide. Vanaf nu kon niemand meer beweren dat de piramides graanschuren waren, een oude theorie die in Europa nog altijd gangbaar was.

Nadat hij door de smalle ingang was teruggekeerd en (tot vermaak van de andere toeristen) nogal vies was, klom de onvermoeibare De Bruijn naar de top van de Grote Piramide. Toen hij weer beneden was, stelde de Venetiaans consul voor terug te keren naar Caïro, maar een bezoek aan de Sfinx was uiteraard niet te versmaden, zelfs al was het monument destijds grotendeels bedekt met woestijnzand.

Cornelis de Bruijn, Piramiden en Sfinx van Giza

Kerststal

De Bruijns gravure is interessant, omdat deze iets vertelt over de manier waarop zijn boek tot stand is gekomen. De mannen en de ezel voor de sfinx lijken in de eerste plaats op een kerststal, en zijn waarschijnlijk een toevoeging van de graveur die de etser van het boek maakte, Jan Luyken.

Een ander opvallend detail is dat de piramides van De Bruijn, vergeleken met de echte monumenten, veel te spits zijn. Dit valt gemakkelijk te verklaren. In de Middeleeuwen en de Renaissance hadden kunstenaars het land van de Nijl niet kunnen bezoeken en ze geloofden daarom dat de piramides leken op een piramide die ze wel kenden: de Piramide van Cestius in Rome. Zo tonen de mozaïeken in de San Marco in Venetië, die het verhaal van Jozef illustreren, puntige graanschuren.

De piramide van Cestius en de piramiden in de San Marco

Cornelis de Bruijn, die in Rome de Piramide van Cestius had gezien en de mozaïeken van de San Marco kende, moet bij het voorbereiden van zijn boek zijn gaan twijfelen aan de tekeningen die hij haastig in Gizeh had gemaakt.

In juni maakte De Bruijn een derde excursie. Varend langs de westelijke tak van de Nijl bereikte hij Alexandrië, waar hij nieuwe tekeningen maakte. Een daarvan is de Obelisk die nu staat in het Central Park in New York. Na deze reis keerde hij terug naar Caïro en Damietta, en op 14 juli 1681 verliet hij Egypte, waar hij drie en een halve maand was geweest. Het bezoek had hem veranderd. Hij had nu de ambitie om tekeningen te maken voor geleerden.

Wordt vervolgd.

#Alexandrië #ÉchellesDuLevant #Cairo #CornelisDeBruijn #Damietta #Giza #grandTour #GrotePiramide #Kopten #Matareya #mummie #OttomaanseRijk #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #SfinxVanGiza

Cornelis de Bruijn (1) Jeugd - Mainzer Beobachter

Cornelis de Bruijn (1652-1727) was een Hollandse ontdekkingsreiziger, die onder meer Egypte, Rusland en Perzië bereisde - en tekende.

Mainzer Beobachter