De Maronitische Wereldkroniek (10) Abd al-Malik

Een achttiende-eeuwse weergave van het Derde Concilie van Constantinopel (680).

[Dit is laatste van tien blogjes met de vertaling van de Maronitische Wereldkroniek. Een inleiding, literatuur en een waarschuwing de vertaling niet al te letterlijk te nemen, vindt u hier.]

992 SE. ≡ 12 Konstantijn IV ≡ okt.680/sept.681

In het jaar 992, het twaalfde jaar van Konstantijn, vond er een onderzoek plaats naar de twee willen en de twee personen van Christus, en er kwam een concilie bijeen in Rome en ook in Constantinopel, waarna zij het geloof in de twee willen en de twee personen voorschreven en bevestigden. Vervolgens vervloekten en verwijderden zij allen die zich hiertegen verzetten, niet alleen degenen die op dat moment nog in leven waren, maar ook degenen die al lang geleden waren gestorven, namelijk paus Honorius van Rome, Sergios, de twee patriarchen Paulus en Petrus van de keizerstad, patriarch Cyrus van Alexandrië, en de zuivere Theodoretos van Paran, die allen waren overgegaan naar onze Heer. En zij vervloekten en verbannen Makarios de Antiocheen met Stefanos, zijn leerling, die zich bij hen hadden aangesloten.

Commentaar
Tijdens het Derde Concilie van Constantinopel werd het zogeheten monotheletisme veroordeeld. Dit was het door keizer Herakleios voorgestelde compromis waarmee hij de monofysieten weer binnen de staatskerk had willen halen en de eenheid van de kerk had willen herstellen. De monniken in het bovengenoemde klooster van Sint-Maron, dat lag in het Kalifaat en dus niet in het Byzantijnse Rijk, hielden vast aan het monotheletisme.

Het is bijzonder dat de samensteller van de Maronitische Wereldkroniek niet vermeldt dat de monotheletisten een eigen patriarch aanstelden, Johannes Maron. (Losse gedachte: is hij de auteur van deze kroniek?) Het is minder bijzonder dat de maronitische chroniqueur niet verbaasd is over de rampspoed waarmee het imperium na dit concilie werd getroffen.

Toen verzamelde keizer Konstantijn, nog voor het einde van het concilie, veel Romeinse troepen en trok op tegen het volk van de Bulgaren. Een groot aantal Romeinse manschappen kwam daar om het leven, en de keizer stond op het punt om samen met zijn leger te sterven door toedoen van dit barbaarse volk. Deze grote rampspoed, toegebracht door een vijand, vond plaats omdat degenen die regeerden het ware geloof hadden bezoedeld.
En nadat de keizer door het vreemde volk was verslagen, keerde hij terug om te vechten tegen zijn eigen familie. Hij verwondde zijn twee broers Tiberios en Herakleios in het gezicht en verdreef hen uit het paleis, en op dezelfde manier verdreef hij zijn moeder en zijn vrouw. Ook doodde hij Leo, patriciër van Sartina (?). Door al die verboden daden veranderde zijn bewind in tirannie.
……
… en hij stierf in zijn [achttiende] regeringsjaar. Toen regeerde Justinianus ……

Commentaar
Konstantijn IV, die na de nederlaag had afgerekend met zijn twee medekeizers/broers, overleed in 685 en werd opgevolgd door zijn zoon Justinianus II. De hieronder geciteerde passage gaat over de moeizame opvolging van Muawiya, de grondlegger van het Kalifaat van Damascus. (Op de blog van arabist Wim Raven leest u er meer over.) Eerst moest Yazid I zijn troon bevechten op imam Huseyn (zie boven), en daarna woedde een burgeroorlog. Na Yazids dood in 683 regeerde zijn zoon Muawiya II een winter lang; na diens troonafstand in 684 regeerde Marwan, maar hij bezweek aan een epidemie; uiteindelijk trad in het voorjaar van 685 zijn zoon Abd al-Malik aan.

994 SE. ≡ okt.682/sept.683

Hij stierf in het jaar 994, toen … in het volk van de Arabieren, en zij vochten elkaar in alle gebieden
……
Toen Marwan anderhalf jaar had geregeerd, overleed hij vóór hij alle Arabieren had onderworpen, en hij liet de regering van de Arabieren over aan zijn zoon Abd al-Malik.

Munt van een van Abd al-Maliks tegenstanders (Residenzschloss, Dresden)

997 SE. ≡ okt.685/sept.686

In het jaar 997, aan het begin van de heerschappij van keizer Justinianus II van de Romeinen en Abd al-Malik, koning van de Arabieren, waren de regen en de oogst slecht.

998 SE. ≡ okt.686/sept.687

In het volgende jaar brak er hongersnood uit en was er voedselschaarste in alle gebieden.
……

4 Justinianus II ≡ okt.688/sept.689

In het vierde jaar van Justinianus trok het leger van de Romeinen de Slavische gebieden binnen en richtte daar grote schade aan en hij deporteerde een grote menigte van hen en bracht hen naar het land waarvandaan hij was aangekomen.

Commentaar
Justinianus II had een verdrag gesloten met Abd al-Malik, waardoor de keizer troepen naar de Balkan kon verplaatsen. Daarmee herstelde hij de Byzantijnse positie. 30.000 krijgsgevangenen werden overgebracht naar Anatolië. Abd al-Malik had dankzij dit bestand eveneens de beschikking over troepen die hij elders kon inzetten.

Na vele malen tegen zijn eigen volk te hebben gestreden, had Abd al-Malik, leider van de Arabieren, hen allemaal tot zijn onderdanen gemaakt.

De door Abd al-Malik gebouwde Rotskoepel in Jeruzalem

1002 SE. ≡ okt.690/sept.691

Toen alle Arabieren in zijn rijk hem gehoorzaamden, hielden alle burgeroorlogen op en werden ze allemaal verzoend en sloten ze vrede met elkaar in het jaar 1002 volgens de Griekse jaartelling.

1004 SE. ≡ okt.692/sept.693

In het jaar 1004, het achtste jaar van de heerschappij van Justinianus en het negende jaar van de heerschappij van Abd al-Malik, kwam een einde aan het bestand tussen de Romeinen en de Arabieren.

Tot slot

Tot hier loopt de Maronitische Wereldkroniek. Het zal er niet meteen van afspatten, want de kroniekvorm staat garant voor ietwat droge materie, maar ik heb machtig veel plezier gehad aan het schrijven van deze tien blogjes.

#AbdAlMalik #AdrianPirtea #AlexHourani #bronnenuitgave #Bulgaren #DerdeConcilieVanConstantinopel #JohannesMaron #JustinianusII #KalifaatVanDamascus #KonstantijnIV #maronieten #MaronitischeWereldkroniek #monofysieten #monotheletisme #YazidI

De Maronitische Wereldkroniek (1) Inleiding

Sint-Maron

Dit is het eerste van tien blogjes over de onlangs ontdekte Maronitische Wereldkroniek. Ik zal daarin een becommentarieerde vertaling geven van het interessantste deel. En ik zeg meteen: die vertaling heeft geen enkele pretentie. Daarover straks meer. Maar eerst: wat is de Maronitische Wereldkroniek?

Het belang

Zoals de naam al aangeeft, is het een overzicht van de geschiedenis van de wereld, die volgens de samensteller al ruim zes millennia oud was. Het eerste deel is voor ons niet bijster interessant: het is vooral een overzicht van de bijbelse geschiedenis, dat we uit andere bronnen beter kennen. (Geestig is het synchronisme van de krachtpatsers Simson en Herakles.) Na de tijd van de twee koninkrijken en de Babylonische Ballingschap lezen we over Alexander de Grote en het hellenisme. De auteur schrijft dat keizer Augustus koningin Kleopatra liet vermoorden, iets wat vermoedelijk waar is, maar niet staat in andere bronnen.

Uiteraard is er een verwijzing naar het leven van Christus, en daarop volgt een combinatie van kerkgeschiedenis en informatie over het Romeinse Rijk. Leuk detail: de legende van de vorst die niet zou zijn overleden maar is heengegaan (zoals koning Arthur), zou door christenen zijn toegepast op Philippus Arabs.

Het wordt echter pas echt leuk als we nieuwe informatie krijgen over de vijfde, zesde en zevende eeuw. Dan gaat het over de problemen die een einde maakten aan wat ik maar even de “klassieke cultuur” zal noemen, over de Grote Arabische Veroveringen en over het ontstaan van het Kalifaat van Damascus. Toen, in de zevende eeuw, werden de contouren zichtbaar van een nieuw tijdperk, dat we meestal “Middeleeuwen” noemen. Over het Kalifaat hebben we aanzienlijk meer bronnen, maar de overgangsfase is slecht gedocumenteerd, dus elke bron is winst.

Maronitisch?

Het leuke is: deze rond 700 na Chr. samengestelde wereldkroniek is vrijwel contemporain. Hoewel de laatst genoemde gebeurtenis dateert uit 693 na Chr., lijkt de tekst twintig jaar later samengesteld te zijn, in “het jaar 1024” (in de Seleukidische Era). De tekst schijnt oorspronkelijk te zijn geschreven in Syrisch Aramees en is daarna vertaald in het Arabisch. In die versie kennen we haar; ze is gevonden in het Catharinaklooster in de Sinaïwoestijn.

Het is een christelijke tekst, maar we kunnen specifieker zijn. Er is aandacht voor Sint-Maron, voor het naar deze Syrische heilige vernoemde klooster, en voor de discussie over het monotheletisme, d.w.z. het idee dat Christus twee naturen maar één wil zou hebben gehad. Daarom denken de onderzoekers dat deze wereldkroniek is geschreven door een maronitische christen.

De maronieten woonden, op het moment dat de kroniek werd samengesteld, echter binnen de grenzen van het Kalifaat. De tekst komt dus wél uit het Kalifaat maar is niet islamitisch; en we hebben wél een christelijk perspectief, maar het is niet Byzantijns. De auteur is opmerkelijk positief over Mohammed en lijkt niet te hebben herkend dat de islam een wezenlijk andere godsdienst was dan het christendom. De oorlogen van de Rechtgeleide Kaliefen, waarvan hij de ellendige gevolgen voor de burgers niet ontkent, ziet hij als een straf voor zondige christenen.

Ik heb weinig reden om te twijfelen aan de typering van de bron als maronitisch. Een kanttekening die ik wél wil plaatsen is dat je van zo’n bron zou hebben verwacht dat Johannes Maron zou zijn genoemd, de eerste maronitische patriarch. Hoewel de gebeurtenis die de aanleiding was tot zijn verheffing, het Derde Concilie van Constantinopel in 680/681, wél wordt genoemd, wordt hij zelf niet vermeld. Dat is ronduit opmerkelijk. Ik vraag me af of dit niet is omdat Johannes Maron de auteur is.

Chronologie

Chronologische precisie heeft merkbaar de belangstelling van de samensteller. Een voorbeeld uit de voorgeschiedenis:

Toen Noach zeshonderd jaar oud was, kwam de Vloed over de aarde; het derde [door mij geconsulteerde] handschrift bevestigt dit. In Noachs 344e levensjaar liep het tweede millennium ten einde.

Hij heeft dus diverse bronnen gebruikt en probeert die te combineren. In het voor ons relevante deel dateert hij aan de hand van de regeringsjaren van vorsten, aan de hand van de islamitische jaartelling, aan de hand van een jaartelling sinds de schepping van de wereld en aan de hand van de zojuist genoemde Seleukidische Era: een jaartelling die begint in het jaar dat wij 311 v.Chr. noemen, waarin meestal een nieuwjaarsdag werd aangehouden 1 oktober. Hierop bestonden varianten en in Antiochië, een stad die de belangstelling heeft van onze chroniqueur, heeft men de nieuwjaarsdatum eens aangepast. Je snapt waardoor de kroniek een aardbeving in 458 vermeldt in de verkeerde maand.

Andere vergissingen hebben te maken met het inclusief of exclusief tellen van de regeringsjaren of verschillende manieren om te schrikkelen. Zo kan de samensteller de zonsverduistering van 418 in de verkeerde maand plaatsen. Soms zijn er doubletten: de aardbeving die in 526 Antiochië compleet verwoeste, krijgt niet alleen een verkeerde datum, maar lijkt ook tweemaal te zijn vermeld. Maar al met al snappen we het, en de onregelmatigheden bewijzen dat de auteur een kritische geest was, die geen genoegen nam met één enkele bron.

De vertaling

De Maronitische Wereldkroniek is, zoals gezegd, geschreven in het Syrische Aramees en later vertaald in het Arabisch. Alex Hourani heeft de tekst vorig jaar geheel vertaald in het Engels. En ik heb dat weer vertaald in het Nederlands. Aannemend dat bij elke vertaling 97% van de informatie correct is, zal de in de volgende blogjes geboden vertaling voor ongeveer negen tiende in orde zijn. Misschien ben ik daarmee iets te pessimistisch, want ik heb de indruk dat de tekst, waar controleerbaar, correspondeert met wat al bekend is; dat mogen we wellicht beschouwen als een soort externe controle. Toch noem ik dit even, want u kunt de hierna gegeven vertaling beter niet citeren.

Tot slot: ik heb de stof verdeeld over de negen hierop volgende blogjes, die ik in de loop van vijf of zes dagen online wil plaatsen. Mijns inziens wordt het interessanter naarmate de tekst vordert. Laat u zich niet afschrikken door de twee of drie eerstvolgende stukjes, die inderdaad wat saai zijn. Verderop wordt het spannender, als we aankomen bij de regering van Justinianus.

[Wordt vervolgd]

Literatuur

#AdrianPirtea #AlexHourani #ArabischeVeroveringen #bronnenuitgave #Catharinaklooster #chronologie #DerdeConcilieVanConstantinopel #JohannesMaron #KalifaatVanDamascus #maronieten #MaronitischeWereldkroniek #monotheletisme #SeleukidischeEra #SintMaron

Faits divers (48)

Zomaar een foto van Tipasa

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers. Ik probeer altijd wat eenheid aan te brengen, wat soms lukt en soms niet, maar dit keer zijn de faits divers echt heel divers.

Egypte in Leiden

Eerst wat nieuws uit eigen land, namelijk uit ons eigen Leidse Rijksmuseum van Oudheden: de mooie expositie over het ontdekken van het oude Egypte is tot 3 mei verlengd. “Wegens succes geprolongeerd”, heet zoiets, en de tentoonstelling is inderdaad heel goed bezocht, zonder dat het onprettig druk is. Gaat dat zien dus.

De regels van een spel

Verder hebben onderzoekers vastgesteld welk spel is gespeeld op een Romeins stenen spelbord uit de collectie van het Romeins Museum (v/h Thermenmuseum) in Heerlen. Ze lieten twee door artificiële intelligentie vervaardigde computerspelers AI-agenten tegen elkaar spelen, nu eens met de regels van het ene bekende oude bordspel, dan weer met de regels van een ander oud spel. De slijtage op het stenen speelbord suggereerde een spel dat lijkt op ons Barricade, dat alleen maar de jongste loot is aan een grotere boom van blokkeerspelletjes.

De voornaamste conclusie is dus I.D.O.H.Z.O. blokkeerspelletjes, wat gewoon geinig is en ook niet méér. Het bericht haalde diverse media, die de nadruk legden op het gebruik van artificiële intelligentie; de beste uitleg vond ik hier.

Maronitische Wereldkroniek

Zo’n gereconstrueerd spel verandert ons beeld van het verleden niet, maar dat is anders met de ontdekking van nieuwe (of beter: oude) geschreven bronnen – vooral als die betrekking hebben op belangrijke maar niet goed begrepen gebeurtenissen. Bij de digitalisering van de manuscripten in het Catharinaklooster (in de Sinaïwoestijn) bleek een dertiende-eeuws Arabisch handschrift de weergave te bevatten van een oorspronkelijk in het Aramees gestelde wereldkroniek uit 713. Ze is geschreven door een maronitische christen, en dat maakt het boeiend.

De maronieten waren toen een in Syrië levende groep die het door de Byzantijnse keizer Herakleios (r.610-641) gepropageerde monotheletisme had aanvaard. Dat was in ruwweg de tijd van de grote oorlog tussen de Byzantijnen en Sassaniden (602-628). Na de Arabische Veroveringen leefden de maronieten binnen de grenzen van het Kalifaat van Damascus, waar ze vasthielden aan hun theologische opvattingen, terwijl die in het Byzantijnse Rijk werden afgezworen. De maronieten hadden daardoor een perspectief op de opkomst van de islam dat wél christelijk was maar niet volgens de keizerlijke orthodoxie. Dat maakt de tekst potentieel belangrijk.

Tot slot

Mooi interview met een van de grootste vuursteenkenners van Nederland, Jaap Beuker. Het gaat niet alleen over hem, maar ook over de herkomst van en de handel in het materiaal, en ook over de reden waarom handel in vuursteen noodzakelijk was. Verder: het wonder van zeevaart naar Helgoland.

En uiteraard gaat de sloop van de geesteswetenschappen gewoon verder. We ronden ook deze faits divers er dus maar mee af. Tradities zijn er om in ere te houden: de universiteit van Ottawa dreigde in oktober de opleiding Griekse en Romeinse studies te sluiten, kwam daarvan terug, en voert het besluit nu toch uit. Het deprimerende overzicht van sluitingen en wat dies meer zij is nog steeds hier.

En o ja: ik organiseer een dure maar echt mooie reis naar Algerije.

#ArabischeVeroveringen #artificiëleIntelligentie #Catharinaklooster #FaitsDivers #Heerlen #KalifaatVanDamascus #maronieten #MaronitischeWereldkroniek #monotheletisme #RomeinsMuseumHeerlen #Sassaniden #spel #Thermenmuseum

Sint-Charbel

Sint-Charbel

De paus is op reis. Dat hoort sinds Johannes Paulus II tot de herderlijke core activities, dus veel nieuwswaarde heeft zo’n bezoek niet meer. Van de vorige paus zult u misschien hebben onthouden dat hij zich tijdens een van zijn reizen liet ontvallen dat het niet aan hem was over homoseksualiteit te oordelen zolang iemand van goede wil was, maar uit welk land hij toen terug kwam vliegen, zal u niet zijn bijgebleven.noot Ik moest het althans opzoeken. Het was Brazilië. Pauselijke reizen zijn geen nieuws meer.

Paus Leo XIV is nu in Turkije en doet daar wat je verwacht: een ontmoeting met het staatshoofd, waarschuwen voor de stukje bij beetje uitgevochten Derde Wereldoorlog, voorgaan in gebed, oproepen tot verzoening, handen schudden met geestelijken uit andere kerkgenootschappen. Die delen de geloofsbelijdenis die 1700 jaar geleden in Nikaia is opgesteld. Ik heb al eens verteld hoe keizer Constantijn de Grote daarmee de toenmalige kerk eenheid opdrong.

Maandagmiddag komt Leo XIV aan in Libanon. Hij schijnt dat land zelf te hebben toegevoegd aan het Turkse programma dat hij van zijn voorganger erfde. Ik verwacht dat de Nederlandse media aan het Libanese deel van de reis nog minder aandacht zullen besteden dan aan het Turkse. Het Turkse programma, met Nikaia als thema, valt journalistiek nog wel uit te leggen, maar Libanese christenen zijn ingewikkelder. Leg maar uit dat maronieten zijn begonnen als monotheletisten en dat ze tegelijk gelden als rooms-katholiek. Voor Nederlanders, merendeels seculier, is dat allemaal niet bijster interessant. Maar voor hen is het bezoek natuurlijk niet bedoeld. Het is vooral een opsteker voor de geteisterde Libanese bevolking: de wereld is hen niet vergeten.

De eerste dag bestaat uit de diplomatieke verplichtingen die een paus, zelf staatshoofd, nou eenmaal heeft. Op de derde dag draagt hij de mis op. Dat gebeurt op de plaats waar vijf jaar geleden die enorme explosie plaatsvond. De wereld is de slachtoffers niet vergeten, is de boodschap. Op de tweede dag, dinsdag, ontmoet de paus eerst katholieke geestelijken en later geestelijken van andere religies. Al met al geen programma vol verrassingen.

Sint-Charbel

Die tweede dag begint bij het graf van Sint-Charbel: een Libanese heilige die weinig Nederlanders zal aanspreken. Charbel Makhlouf is geboren in 1828 in een dorp in het Libanongebergte, waar hij de koeien moest hoeden, maar nogal eens dagenlang in een grot zat te bidden. Toen hij tweeëntwintig of drieëntwintig was, trad hij in bij de  baladieten, een op rooms-katholieke leest geschoolde maronitische monnikenorde, gesticht door patriarch Istifan al-Duwayhi. Het klooster waar Charbel een opvallend ascetisch bestaan leidde, Annaya, ligt twintig kilometer achter Byblos. Hij zou, nadat in 1860 de maronieten en druzen een bloedig conflict hadden uitgevochten, een bemiddelende rol hebben gespeeld.

Annaya

In de jaren zeventig van de negentiende eeuw ging Charbel apart wonen, als heremiet, bij een kapel die een kwartiertje verderop lag. Daar is hij op kerstavond 1898 overleden. De monniken die het lichaam naar de kloosterkerk droegen, moesten zich eerst een weg banen door de heftige sneeuwval, maar op de terugweg trok de bewolking op en was het plotseling een mooie, stille winternacht. Dat gold vanzelfsprekend als wonder.

En daar bleef het niet bij. De Libanezen schrijven allerlei genezingen toe aan Sint-Charbel, en ook andere wonderen. Het meest macabere verhaal is dat zijn lichaam bij vier inspecties – de laatste in 1965 – onaangetast bleek te zijn. Nog datzelfde jaar volgde een zaligverklaring. In 1976 bleek het lichaam toch vergaan, maar dat stond de heiligverklaring niet in de weg.

Wonderen

Een heiligverklaring is pas mogelijk na een erkend wonder. Dat bewijst, in het katholieke en maronitische denken, dat de heilige werkelijk bij God is en namens de gelovige een verzoek kan overbrengen. Dit klinkt simplistisch, en het is inderdaad een middeleeuwse visie, maar dat wil niet zeggen dat de kerk elke claim zomaar gelooft. Niemand wil immers dat een patiënt beweert genezen te zijn, stopt met het innemen van medicijnen en er vervolgens nog erger aan toe is dan voordien. In Lourdes moet iemand die claimt genezen te zijn, zich door een katholieke, een protestantse, een joodse of islamitische en een atheïstische arts laten onderzoeken, en zelfs als die allemaal constateren dat de patiënt op onverklaarbare wijze is genezen, is het bepaald geen uitgemaakte zaak dat de kerk erkent dat God heeft ingegrepen ten behoeve van de zieke. Voor zover ik weet is de canonisatie van Charbel volgens soortgelijke officiële regels verlopen.

Brieven aan Sint-Charbel

Veel Libanezen – en niet alleen christenen – hebben een enorm vertrouwen in Sint-Charbel, aan wie ze een veelvoud aan wonderen toeschrijven. Zo nu en dan worden ook verschijningen gerapporteerd; ik herinner me een berichtje uit 2015.

Dus dat is het: een opvallend ascetische monnik aan wie tal van wonderen worden toegeschreven. Ascese geldt in Noordwest-Europa niet werkelijk als deugd; je mag genieten. In wonderen geloven we niet: genezingen kunnen onverklaarbaar zijn, maar we vinden het hovaardig als een patiënt claimt dat God hem speciaal heeft uitverkoren voor een genezing. Ik ben in Annaya geweest en vanzelfsprekend respecteer ik de plek, maar ik kan niet ontkennen dat ik er geen klik mee heb. Sint-Charbel staat voor iets wat we in Nederland en België niet zijn. Maar juist dat maakt de Libanese heilige interessant.

#annaya #istifanAlDuwayhi #katholicisme #leoXiv #libanon #maronieten #paus #sintCharbel #turkije

Lodewijk de Heilige in Sidon

Lodewijk de Heilige begraaft de doden in Sidon: afbeelding uit het getijdenboek van Johanna van Évreux.

Binnenkort verzorg ik in Amsterdam een cursus over de Kruistochten. Een van de personen die dan aan bod zal komen, is de Franse koning Lodewijk de Heilige of, als u z’n koninklijke serienummer wil gebruiken, Lodewijk IX. In de jaren vóór zijn expeditie naar het Heilig Land was de situatie van de Kruisvaardersstaatjes sterk verbeterd. Keizer Frederik II had tijdens de Zesde Kruistocht (1227) Jeruzalem in handen weten te krijgen en in de daarop volgende jaren hadden westerse troepen, profiterend van de verdeeldheid van de Arabische heersers, het Koninkrijk Jeruzalem nog wat verder vergroot.

Deze terreinwinst werd echter in één klap ongedaan gemaakt door de aankomst van een voordien onbekend leger uit het Verre Oosten. Tot de vele Turkse groepen in Centraal-Azië behoorden ook de Chorasmiërs in het huidige Oezbekistan en Iran, maar hun staat was onder de voet gelopen tijdens de Mongolenstorm. Een deel van het Chorasmische leger was naar het westen getrokken en had zich verbonden met de sultan van Egypte, die deze soldaten aanspoorde Jeruzalem in te nemen. In 1244 verwoestten ze de stad. De christelijke leiders en de emir van Damascus keerden zich nu tegen de Egyptische en Chorasmische troepen, maar werden vlakbij Gaza zo totaal verslagen dat er feitelijk geen christelijk leger meer was in het Koninkrijk Jeruzalem. Dat was eind 1244 gereduceerd tot enkele havensteden, en zou zich nooit meer herstellen.

Deze implosie was de aanleiding tot de Zevende Kruistocht (1248-1254), onder leiding van Lodewijk de Heilige. Het werd een mislukking met vérstrekkende gevolgen. Op zoek naar bondgenoten stuurde hij ambassadeurs naar de Mongolen, die de diplomatieke geschenken uitlegden als tribuut en Lodewijk aanmoedigden nog wat vaker zulke blijken van onderwerping te sturen. Ondanks dit diplomatiek debacle zouden de Franse en Mongoolse legers gelijktijdig strijden tegen de islamitische wereld.

Lodewijk landde in Egypte, nam de havenstad Damietta in, kreeg in ruil Jeruzalem aangeboden, weigerde te onderhandelen met de heidenen en begon aan een opmars richting Caïro. Begin 1250 trok sultan Turanshah hem tegemoet en in een gevecht aan de oevers van de Nijl versloeg hij Lodewijk, die hij zelfs krijgsgevangen wist te nemen. De Tempeliers kochten de vernederde koning weer vrij en die reisde af naar Akko, waar hij de havensteden van het Koninkrijk Jeruzalem begon te reorganiseren. Na zijn nederlaag was de uiteindelijke val van deze steden onvermijdelijk, maar de steden konden in staat van verdediging worden gebracht.

Zo begon hij Sidon, waar hij regelmatig verbleef, te versterken volgens alle regels van de middeleeuwse belegeringskunst. Zolang de arbeiders bezig waren, was de stad echter kwetsbaar en het leger van Damascus rukte daarom op naar Sidon. Het kon een bloedbad aanrichten: honderden soldaten werden gedood, vele poorters werden gevangengenomen. Lodewijk arriveerde te laat om in te grijpen, maar hielp wel om de al ontbindende lijken te begraven. Een van de aanwezigen, Jean van Joinville, zou later schrijven dat de vorst persoonlijk de rottende en stinkende lichamen had helpen wegdragen om ze te begraven in greppels. “Hij bedekte nooit zijn neus, hoewel anderen dat wel deden.”  Zie de afbeelding bovenaan dit blogje.

Een archeologisch rapport uit 2021 meldt hoe bij het door Lodewijk gebouwde kasteel in Sidon twee massagraven zijn gevonden uit het midden van de dertiende eeuw. Veel lijken vertoonden sporen van wonden in de rug, die suggereren dat het gaat om vluchtelingen; anderen waren onthoofd. De lichamen moeten enkele weken onbegraven hebben gebleven voordat iemand ze begroef, en het is een fascinerende gedachte dat dit de lijken zijn die koning Lodewijk heeft begraven.

Het kasteel van Lodewijk de Heilige in Sidon

Lodewijk de Heilige en de maronieten

In deze tijd, waarin Lodewijk de christelijke posities in het Heilig Land reorganiseerde, heeft hij ook contact gehad met de maronitische christenen in het Libanongebergte. Ik citeerde de oorkonde uit 1250 al eens. Daarin vroeg Lodewijk de Heilige subtiel om steun: de maronieten “mochten deel hebben aan alle Franse ondernemingen”. Verder zegde Lodewijk namens hemzelf en zijn opvolgers bescherming toe aan de maronieten. Bovendien adviseerde hij ze een eigen aristocratie te ontwikkelen. Dit suggereert dat de verschillen tussen rijk en arm, die in het latere Libanon een belangrijke sociale scheidslijn vormden, rond het midden van de dertiende eeuw nog niet groot waren. Het suggereert bovendien dat de maronitische kerk op dat moment nog geen gedefinieerde hiërarchie kende. Dat maakt deze tekst tot een belangrijk sociologisch document.

Mits het echt is. De authenticiteit van de oorkonde, waarvan de Arabische tekst is ontdekt in de negentiende eeuw, staat ter discussie. Er is namelijk geen afschrift in de Franse archieven. Tegelijk: ze past bij Lodewijks pogingen de christelijke posities in het Heilig Land te versterken. Na de nederlaag in Egypte waren alle bondgenoten welkom en we weten dat Lodewijk in deze tijd ook de Vlaamse franciscaanse monnik Willem van Rubroeck zond naar het Mongoolse hof in Karakorum.

De Mongolen komen

Zonder diplomatie naderden de Mongolen evengoed. Isfahan was al in 1236 gevallen, in het volgende jaar bereikten ze de Tigris. In 1251 kwam het commando in handen van Hulagu Khan. Hij verwoestte in 1258 Bagdad, waarbij de Mongolen de christenen spaarden en alleen de moslims doodden – 200.000 in getal, schreef Hulagu later aan koning Lodewijk.

De gebeurtenis markeert het einde van het eeuwenoude Kalifaat van de Abbasiden en men spreekt wel van het einde van de gouden eeuw van de islam. Het zelfvertrouwen van de moslims, die eeuwenlang de beste legers ter wereld hadden gehad en tegenslagen als de Eerste Kruistocht hadden weten te overwinnen, was aangetast. Bovendien leek het geloofwaardig dat de christenen gemene zaak hadden gemaakt met de Mongolen. De islamitische overheden zouden de druk op christelijke groepen, die op dat moment ongeveer de helft van de Levantijnse bevolking vormden, beginnen op te voeren. In de loop der eeuwen zou het percentage christenen steeds verder afnemen.

In militaire zin was de Zevende Kruistocht volkomen mislukt, maar de gevolgen waren nog veel ingrijpender: in de islamitische wereld zag men christenen niet langer als andersgelovige landgenoten, maar als verraders. Lodewijks mislukking was totaler dan hij zich heeft kunnen voorstellen.

PS

Soort vervolg hier.

#Akko #Damietta #HulaguKhan #Kruistochten #Libanon #LodewijkIXDeHeilige #maronieten #Mongolen #Mongolenstorm #Sidon #Turanshah #WillemVanRubroeck #ZevendeKruistocht

Cursus: De Kruistochten - Livius.nl

De Kruistochten vonden plaats van 1095 tot 1291 - lang geleden dus. Maar de erfenis van deze oorlogen is giftig gebleken.

Livius.nl

Maron, een laatantieke kluizenaar

Een moderne afbeelding van Maron

Effe een stukje over de Late Oudheid, over de christelijke kluizenaar Maron. Hij is op afbeeldingen herkenbaar aan een zwarte habijt en een stola, en hij heeft meestal een staf in de hand, waardoor hij te identificeren is als abt. Hij zou zelf hebben opgekeken van die typering, want een abt staat aan het hoofd van een klooster, dus een gemeenschap van monniken. Maron was daarentegen een alleen levende kluizenaar.

Het was in zijn tijd, zo rond het jaar 400 na Chr., niet ongebruikelijk dat mensen in het lijden van Christus wilden delen door in eenzaamheid een sober leven te leiden, liefst in een ontoegankelijk gebied. Zo ook Maron, die leefde bij een verlaten heidense tempel in de buurt van de Syrische stad Kyrrhos. Dat zijn hele bezit bestond uit een leren tent, was voor die tijd opvallend sober: meestal leefden kluizenaars en monniken in grotten of simpele huisjes. Blijkbaar trok Marons nog radicalere versterving de aandacht, want hij had nogal wat volgelingen, die in de omgeving kwamen wonen. Die zullen Marons gezag hebben erkend en op zondag zijn samengekomen voor de eredienst, maar hadden verder weinig gemeenschappelijk. Helemaal alleen waren ze dus niet, een georganiseerd klooster waren ze evenmin; men noemt deze tussenvorm weleens een laura.

Het bovenstaande is eigenlijk alles wat we weten over Maron. Ik ontleen het aan de frustrerend korte biografische schets die een bisschop van datzelfde Kyrrhos, Theodoretos, een kwart eeuw na Marons dood opnam in een collectie monnikenlevens. Het zijn er in totaal dertig, en diverse gebiografeerden waren leerlingen van Maron.

Monnikenorde

Die leerlingen leefden niet altijd meer in tenten: een van hen, Jakobus de Eenzame, gaf zelfs dat comfort op en leefde in de open lucht. Domnica organiseerde een vrouwengemeenschap. Abraham trok naar het Libanongebergte en woonde in een grot bij Afqa, bij de bron van de rivier de Adonis. (Die heet sindsdien Nahr Ibrahim, “Abrahamrivier”.) Een andere volgeling van Maron die zich als kluizenaar vestigde in Libanon, was Simeon, die woonde in de Qadishavallei.

Kortom, Maron was de stichter van een religieuze beweging, en hoewel hij zelf een tent wel voldoende vond, schonk keizer Marcianus in 452 een groep vroege maronieten een oude vluchtburcht bij de bron van de rivier de Orontes. Het bouwsel was hoog in de rotsen uitgehouwen en het houdt het midden tussen een verzameling kunstmatige grotten en een klooster. De tiende-eeuwse Arabische auteur Al-Masudi (ik citeerde hem al eens) meende dat in dit aan Sint-Maron gewijde klooster wel driehonderd monniken woonden.

Het klooster bij de bron van de Orontes

Bronnen

Terug naar Maron zelf. Het is wonderlijk dat Theodoretos, die toch bisschop was in de stad waar Maron had geleefd, over zijn leerlingen vrij veel heeft te vertellen, maar over hun meester eigenlijk niets weet. De vier korte paragrafen waar het om draait, bieden allerlei stichtelijks, maar weinig inhoudelijks.

De gedachte komt dan al snel bij je op dat Maron misschien niet heeft bestaan. Dat is geen hyperscepsis. Anderhalve eeuw later leefde namelijk Johannes Maron, die voor de maronieten even belangrijk was. Daarover zo meteen meer. Het zou niet vreemd zijn als er een persoonsverwisseling is geweest – of beter, een persoonsverdubbeling. Maar zo is het toch niet. We beschikken namelijk over een in 407 geschreven briefje waarin de kerkleraar Johannes Chrysostomos hoffelijk informeert naar Marons gezondheid.

Gezagscrisis

In de vroege zevende eeuw veroverden de Sassanidische Perzen de Levant. De patriarch van Antiochië vluchtte naar Constantinopel. Hij had daarna feitelijk geen gezag meer in de oorlogszone. Dit maakte de maronitische kloosters belangrijker dan ze ooit eerder waren geweest, ook toen keizer Herakleios in 628 het Byzantijnse gezag herstelde. Zes jaar later arriveerden immers de Arabische veroveraars, die de door de eerdere oorlog uitgeputte regio in minder dan geen tijd onderwierpen.

Inmiddels hadden de maronieten – op dit moment dus feitelijk een kloosterorde met veel aanhang bij de bevolking – een ietwat ongebruikelijke geloofsopvatting: ze hingen het monotheletisme aan, een door Herakleios voorgesteld compromis om de diverse soorten christenen te herenigen. Het wilde zeggen dat Christus weliswaar twee naturen had gehad, maar slechts één wil. De theologen en bisschoppen van het Byzantijnse Rijk typeerden het op het Derde Concilie van Constantinopel (680/681) als onorthodox.

Het kerkje in Yanouh

Maar daar trokken de maronieten zich weinig van aan. Zij woonden al bijna een halve eeuw in het Kalifaat en hielden vast aan hun eigen opvattingen. Om dat te onderstrepen, wezen ze ook een eigen patriarch aan, de zojuist genoemde Johannes Maron. Hij resideerde in een klooster te Kfarhay bij het havenstadje Batroun. Later verplaatste de residentie zich naar een klooster bij Yanouh, hoog in de bergen.

Maronieten

De maronieten moesten zich eeuwenlang voortdurend te weer stellen tegen moslims én Byzantijnse christenen. En omdat de vijand van mijn vijand mijn vriend is, werden ze tijdens de Kruistochten de bondgenoot van de Kruisridders. Het verleden moest wel worden herschreven: de maronieten presenteerden zich voortaan als een buitenpost van het Latijnse christendom. En dat doen ze nog steeds.

Wat me brengt bij de dag van vandaag. Libanezen hebben op deze planeet de meeste vrije dagen, want de feestdagen van alle confessies zijn voor iedereen een vrije dag. En dat nemen ze serieus. Omdat Sint-Maron dit jaar valt op zondag (namelijk vandaag), zou er eigenlijk geen extra vrije dag zijn. Dus die is nu, zo begrijp ik, verplaatst naar aanstaande maandag.

#Afqa #AlMasudi #DerdeConcilieVanConstantinopel #JohannesChrysostomos #JohannesMaron #Kyrrhos #Marcianus #maronieten #Qadishavallei #SintMaron

Istifan al-Duwayhi

Istifan al-Duwayhi

Vorig jaar was ik in april in Libanon, waar mijn vriendin Françoise me meenam naar de Qadishavallei. Dat is zoiets als een combinatie van het Vaticaan, Genève, Ons’ Lieve Heer op Solder en de Athos. Hier verblijft de maronitische patriarch, hier werkten de beste theologen, hier was een schuilplaats voor gelovigen en hier staan allerlei kloosters. Die zijn prachtig gelegen op volkomen onbereikbare plaatsen. Voor wie het even kwijt was: maronieten zijn Libanese christenen met een eigen liturgie, die het gezag erkennen van de paus. Er waren ooit theologische verschillen maar die zijn sinds de dertiende eeuw steeds verder onder het tapijt geveegd.

Eén van de kloosters in de Qadishavallei staat bekend als Onze Lieve Vrouwe van Qannoubine en was van de vijftiende tot negentiende eeuw de residentie van de patriarch. Ik noemde dit klooster al eens toen ik hier Girolamo Dandini citeerde, die in 1596 aanwezig was bij een maronitische synode. Zou hij een eeuw later in Libanon zijn geweest, dan zou hij hier niet alleen Cornelis de Bruijn hebben kunnen ontmoeten, maar ook patriarch Istifan al-Duwayhi. (“Isitifan” is de Arabische weergave van de Griekse naam die wij weergeven als Stefanus of Étienne.)

Naar een hoger intellectueel peil

Het Vaticaan probeerde in die tijd, die van de Contrareformatie, enerzijds de scholing van de priesters te verbeteren en anderzijds de banden met christenen elders te versterken. Daarom hadden paus Gregorius XIII (die van de kalender) en de maronitische patriarch Sarkis Rizzi in 1584 een school opgericht voor maronitische priesters in Rome. Studenten leerden aan het Collegio dei Maroniti over hun eigen, oosterse liturgie en over de rooms-katholieke eredienst, en bestudeerden ook allerlei academische vakken.

Istifan al-Duwayhi, geboren ten tijde van de regering van de druzische emir Fakhr ad-Din en opgeleid in Rome, werd in 1670 gekozen tot patriarch en oefende dat ambt uit tot zijn dood in 1704. Hij had in Italië kennis gemaakt met het Europese onderwijs, dat hij hoger aansloeg dan het onderricht in het Ottomaanse Rijk, zodat hij ervoor ijverde zoveel mogelijk priesters naar Italië te sturen, in de hoop dat ze bij terugkeer het intellectueel niveau van het onderwijs in de maronitische dorpen konden verhogen. De hervorming van het kloosterleven diende hetzelfde doel – een doel dat overigens is gehaald.

Zelf deed Al-Duwayhi historisch onderzoek en publiceerde hij een overzicht van de diverse patriarchen, een kroniek van de maronitische kerk, diverse geschriften over de liturgie en een Liber brevis explicationis de Maronitarum origine eorumque perpetua orthodoxia et salute ab omni hæresi et superstitione.noot Boek met korte uitleg van de oorsprong der maronieten en van hun aloude rechtzinnigheid en onbezoedeldheid door alle ketterij en bijgeloof. Ook deed Al-Duwayhi pogingen de Grieks-orthodoxen van zijn tijd ervan te overtuigen dat het goed was samen te werken met het Vaticaan. Dat leidde bij die christelijke groep tot een – eerlijk gezegd – nogal amusante kerkscheuring, waarover ik al eens eerder heb geschreven.

Arabisch

De paus zag het liefst dat de maronieten ook de Latijnse mis zouden overnemen. Maar daartegen had Al-Duwayhi bezwaar. Hij erkende wel het onderliggende probleem, namelijk dat de maronitische liturgie in het Aramees was, wat de meeste mensen niet verstonden. En de apostel Paulus schreef:

Als een trompet een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan gereed voor de strijd? Voor u geldt hetzelfde: hoe moet men u begrijpen als u in onverstaanbare klanken spreekt? Uw woorden verdwijnen in het niets.noot 1 Korintiërs 14.8-9; NBV21.

Het invoeren van het Latijn was echter geen oplossing. Turks, de taal van de bestuurlijke elite, was dat evenmin. Beter was het om de mis in het Arabisch op te dragen. En zo is het ook gelopen: een maronitische mis is grotendeels in het Arabisch, met enkele gebeden in het aloude Aramees. Al-Duwayhi vertaalde daarom religieuze literatuur en legde Aramese teksten uit in het Arabisch.

Ik verbeeld me niet dat u, seculiere Nederlander of Vlaming, dit alles met bovengemiddelde interesse leest, maar met zijn nadruk op scholing, op het eigen verleden en op de eigen taal deelt Istifan al-Duwayhi belangstellingen met de grote Europese romantici van de vroege negentiende eeuw. Bij de een kwam die belangstelling voort uit pastorale betrokkenheid, bij de anderen speelde nationalisme een rol, maar de parallel is opvallend.

[Ik gebruik de tijd van mijn revalidatie voor het schrijven van Libanon. Een korte geschiedenis. Dit vond ik een leuk detail.]

#Contrareformatie #FrançoiseHbeiqa #GirolamoDandini #GregoriusXIII #IstifanAlDuwayhi #Libanon #LibanonEenKorteGeschiedenis #maronieten #nationalisme #OnzeLieveVrouweVanQannoubine #Qadishavallei

Op bezoek in Libanon (3): de maronieten - Mainzer Beobachter

Ik reis deze dagen door Libanon om vrienden op te zoeken. Ik houd erg van dit land en daarom blog ik vandaag over de maronieten.

Mainzer Beobachter

Druzen en Maronieten (2)

Christelijke vluchtelingen

In 1860 brak een grootschalige burgeroorlog uit tussen de Druzen en de Maronieten in het Libanongebergte. Het conflict hing al een tijd in de lucht en zou uiteindelijk ook Damascus treffen. Er zijn allerlei verslagen van de verschrikkingen uit deze dagen, die uiteindelijk leidde tot een Franse interventie. Een van de ooggetuigen was de Britse consul in Beiroet, Charles Churchill, die was getrouwd met een Libanese en in het land woonde. Hun dochters zouden trouwen met Druzische prinsen.

Zijn verslag van de eerste gevechten, te vinden in The Druzes and the Maronites under the Turkish Rule from 1840 to 1860 (1862), is verward en op allerlei punten onjuist. Hij maakt echter duidelijk dat de Ottomaanse autoriteiten, die aanvankelijk nog het gezag hadden om een conflict te temperen, uiteindelijk de situatie niet meer controleerden. Het boek eindigt met een Havelaar-achtig appel aan de Europese vorsten om te interveniëren.

***

Op 3 augustus 1859 vond er een ernstig incident plaats tussen de Druzen en de Maronieten in het dorp Beit Mery, op drie uur afstand, in de bergen, van Beiroet. De aanleiding was een ruzie tussen een Druzische en een christelijke jongen.

Na afloop daarvan maakte de vader van laatstgenoemde, daarin bijgevallen door drie andere Maronieten, verwijten aan de vader van de Druzische jongen. Hij stond erop dat die zijn zoon zou straffen. De Druzische vader informeerde zijn verwanten, die, zeer opgewonden, versterkingen lieten komen van Druzen uit naburige dorpen. De volgende ochtend kwamen ze bijeen om excuses te eisen voor de belediging. De Maronieten stonden op het punt om op dat verzoek in te gaan, toen een paar Druzen bij wijze van bravoure hun musketten afvuurden. Eerstgenoemden, die dit opvatten als provocatie, grepen naar hun wapens en vuurden een salvo af op de Druzen, gevolgd door een krachtige aanval. De Druzen werden met grote verliezen uit het dorp verdreven.

De volgende dag, een zondag, hergroepeerden de Druzen. Een wanhopig treffen tussen de twee sekten volgde. Het duurde de hele dag en dit keer werden de christenen verslagen. Over het geheel genomen hadden de Druzen echter achtentwintig doden meer dan de christenen, die bij deze gelegenheid ongewone moed hadden getoond.

Bemiddeling

De Turkse autoriteiten waren duidelijk verrast. Er werd onmiddellijk een officier naar het dorp gestuurd, die de belangrijkste overtreders van beide kanten in verzekerde bewaring nam en een ogenschijnlijke verzoening tot stand bracht.

De Druzen in andere delen van het gebergte hadden het gevecht echter opgevat als begin van een burgeroorlog. Woedend over hun onverwachte nederlaag en hun zware verliezen, waren ze onder leiding van een van hun sjeiks al begonnen met het platbranden van enkele christelijke dorpen, toen Khurshid Pasha, gealarmeerd door de ernst van de gebeurtenissen, met enige soldaten oprukte naar een centraal punt aan de Damascusweg, om zo de verdere voortgang van de ellende te stoppen.

Ter plekke ontbood hij de leiders van de twee partijen en beval hun de vrede te bewaren. De orde werd onmiddellijk hersteld. Maar de Druzen die de genoemde wandaden hadden begaan, werden niet gestraft of gearresteerd. Het vermogen van de Turk om de bergbewoners tot gehoorzaamheid te dwingen, werd zo duidelijk bewezen. Er was geen artillerie, cavalerie of troepenmacht nodig geweest om de strijders van elkaar te scheiden. Niemand wilde een burgeroorlog. Iedereen wilde dat de vijandelijkheden ophielden – en ze hielden op.

Escalatie

Maar iedereen die het temperament van de strijdende partijen kende, zag dat een burgeroorlog, ondanks dit respijt, vanaf nu nog maar een kwestie van tijd was. Twee weken later heerste er een algemene onrust in de Druzische districten van de Libanon. Geïsoleerde christenen, soms zelfs groepen christenen, werden door de Druzen aangevallen en vermoord op de hoofdwegen. Ontzet en ongerust verlieten hele families christenen hun dorpen en zochten hun toevlucht in centrale plaatsen als Zahlé en Deir el-Qamar.

Er kon nu geen twijfel meer bestaan over de aard van de Druzische agressie, en de christenen namen uit zelfverdediging de handschoen op. Op 27 mei [1860] rukten de mannen van Zahlé, 3000 in getal, op naar het Druzische dorp Ain Dara. Ze werden op de Damascusweg opgewacht door 600 Druzen, aangevoerd door hun sjeiks. Zo vond het eerste geregelde gevecht tussen de twee bevolkingsgroepen plaats. De strijd duurde de hele dag en eindigde in een nederlaag van de christenen, die zich in opperste verwarring terugtrokken.

De Druzen volgden hun succes snel op en verspreidden zich naar het naburige district Metn, waar ze even succesvol waren en enkele christelijke dorpen platbrandden. Gedurende de rest van de burgeroorlog, die een maand duurde, was dit district het toneel van voortdurende gevechten tussen de vijandige partijen. Ze streden met afwisselend succes, totdat alle dorpen, in totaal meer dan zestig, waren vernietigd.

Op 28 mei stuurden de opstandige Maronieten van Kesrouan, uit angst voor het lot van hun geloofsgenoten in het dorp Baabda, ooit een residentie van de Shehab-emirs, op een uur afstand van Beiroet, een groep van driehonderd man om hen te beschermen.

Op de ochtend van de 30e mei daalden de Druzen, na daartoe een afspraak te hebben gemaakt met de Turken, en zelfs wachtend op hun signaal, af van de bergen boven het zojuist genoemde en inmiddels verlaten dorp, en begonnen een woedende aanval. De christenen – mannen, vrouwen en kinderen uit de nabije omgeving – vluchtten in opperste ontzetting.

Honderd Turkse soldaten, eerder opgesteld om de Druzen te ondersteunen, sloten zich nu aan bij de achtervolging van de vluchtelingen. De Turkse cavaleristen deden ook mee aan deze achtervolging, hieuwen elke christen die ze tegenkwamen neer en beroofden en molesteerden de vrouwen die de Druzen nog niet hadden mishandeld. De Turken waren al met het brandschatten begonnen vóór de Druzen ter plekke waren. Het christelijke verlies aan mensenlevens was niet heel groot, maar de hoeveelheid verwoeste eigendommen was immens.

***

PS

U hebt begrepen dat ik deze dagen extra blog over Libanon omdat het land, dat al rijk is aan problemen, er een oorlog bij krijgt. Mijn blogjes zullen de situatie daar niet verbeteren, maar u kunt dat wel. Als u wat kunt missen, doneer dan voor de zorg van de vluchtelingen: dit is een project van iemand die ik persoonlijk ken en vertrouw.

#Beiroet #CharlesChurchill #DeirAlQamar #druzen #Libanon #maronieten #Zahlé

1860 civil conflict in Mount Lebanon and Damascus - Wikipedia

Druzen en Maronieten (1)

De Maronieten ten strijde

De Fransman Gérard de Nerval (1808-1855), die eigenlijk Gérard Labrunie heette, was een veelzijdig man: dichter, republikein bloemlezer, toneelschrijver, vandaal, journalist, reiziger. In 1843 bezocht hij het Ottomaanse Rijk, waarover hij een geromantiseerd verslag schreef: Voyage en Orient (1851). Het is bepaald niet vrij van vooroordelen, zoals wel blijkt uit het volgende verslag van een conflict tussen de twee belangrijkste bevolkingsgroepen van het huidige Libanon: de Druzen en de Maronieten.

Doorgaans konden die het redelijk met elkaar vinden. Nog kort daarvoor had de lokale leider Bashir Shihab II, een bestuurder die meer luisterde naar Muhamad Ali in Egypte dan naar de sultan in Constantinopel, geregeerd over beide groepen. De Britten en Oostenrijkers hadden echter de sultan gesteund in zijn pogingen het Ottomaanse gezag te herstellen, en Bashir was in 1840/1841 in ballingschap gegaan. Het was dus onrustig toen De Nerval door Libanon trok.

Het gezag over de Druzen had nu moeten liggen bij de garnizoenscommandant van de provincie Sidon, die resideerde in Beiroet. In de eerste vijf jaren van het herstelde Ottomaanse gezag waren er echter niet minder dan acht kandidaten, zodat het nog een wonder is dat ze de Druzen gedeeltelijk wisten te ontwapenen. De Maronieten woonden in de bergen in de provincie Tripoli, waar Omar Pasha (een Oostenrijker in Ottomaanse dienst) zulke maatregelen niet had genomen. Het door De Nerval beschreven incident had kunnen ontploffen, maar de leiders aan beide zijden hielden het hoofd koel en het liep met een sisser af.

***

Geruchten

Die avond was iedereen vol van een verontrustend bericht: paniekerige monniken kwamen vanuit naburige kloosters naar de kust en spraken over grote groepen Druzische strijders die uit hun eigen gebied [de provincie Sidon] waren gekomen naar de gemengde dorpen, die de pasha in Beiroet juist kort daarvoor had ontwapend. In de Kesrouan, in de provincie Tripoli, hadden de Maronieten echter toestemming om hun wapens te behouden; dus vonden de Druzen dat ze hun weerloze broeders [in de gemengde dorpen] te hulp moesten komen. Om dit te doen, moesten ze de Nahr al-Kalb oversteken, die de grens vormt tussen de twee gebieden. Dit betekende een ernstig conflict.

De gewapende en ongeduldige [Maronitische] bergbewoners verdrongen zich over het dorp en de velden. Ruiters reden snel naar de naburige gebieden en schreeuwden de traditionele oproepen tot oorlog: “Snel, volg de roep van God; snel, naar de strijd!”

De Maronitische prins nam me apart. “Ik weet niet wat er aan de hand is; de berichten kunnen overdreven zijn, maar in elk geval moeten we ons klaarmaken om onze buren te helpen. De hulp van de pasha komt meestal te laat. Het is misschien veiliger voor jou om naar het klooster in Aintoura te gaan, of om over zee terug te gaan naar Beiroet.”

“Nee,” smeekte ik, ”laat me met je meegaan.”

De Maronieten gaan op pad

Na vier uur lopen stopten we bij het klooster van Mar Hanna, waar verschillende mensen uit de bergen zich bij ons voegden. De monniken serveerden de lunch. Volgens hen was het beter te wachten omdat er nog steeds geen teken was dat de Druzen het district werkelijk waren binnengevallen.

De nieuwkomers waren echter een andere mening toegedaan en we besloten verder te gaan. We lieten onze paarden achter om een kortere weg door het woud te nemen, en hoorden toen de alarmerende geluiden – het was bijna avond – van geweerschoten, die echoden op de rotsen.

Ik ging naar boven om me bij de prins te voegen, die erg geïrriteerd was. Toen hij zag dat een paar Maronieten met brandende dennentakken op wat huizen afliepen, beval hij ze terug te gaan. De mannen om hem heen schreeuwden: “De Druzen hebben christelijke eigendommen verbrand; nu zijn we sterk, we moeten hetzelfde met hen doen.”

Een Druzische leider

Ondertussen werd in de huizen maar één oude man gevonden, iemand met een witte tulband [een hoogwaardigheidbekleder]. Hij werd meegenomen en ik herkende hem meteen: het was de man die me zo vriendelijk had uitgenodigd om bij hem thuis te komen rusten tijdens mijn bezoek aan Beit Mery. Hij werd gebracht naar de christelijke dorpssjeik, die een beetje in verlegenheid was door alle tumult. Samen met de prins probeerde hij de onrust te bedaren. De Druzische ouderling bleef kalm en zei tegen de prins:

“Vrede zij met je. Wat doe je op ons land?”

“Waar zijn je broeders?” vroeg de prins. “Zijn ze weggerend toen ze ons zagen aankomen?”

De oude man antwoordde: “Je weet heel goed dat dat niet onze gewoonte is. Maar omdat ze zagen dat er onvoldoende mannen waren tegenover al jullie mensen, brachten ze de vrouwen en kinderen in veiligheid. Wat mijzelf betreft, ik wilde blijven.”

“Er is ons verteld dat jullie de Druzen uit de Chouf hebben geroepen. Ze zouden in groten getale zijn gekomen.”

“Je werd misleid. Je hebt naar slechte mensen geluisterd, buitenlanders die het prachtig vinden als jullie ons zouden doden, zodat onze broeders jullie op hun beurt komen doden om ons te wreken!”

Oud zeer

De oude man was tijdens dit gesprek blijven staan. De sjeik in wiens huis we allemaal verbleven leek geïnteresseerd in zijn woorden en zei tegen hem: “Waarom doe je alsof je onze gevangene bent?  We waren tot voor kort vrienden; waarom kom je niet bij ons zitten?”

“Omdat jullie zijn in mijn huis,” antwoordde de oude man.

“Kom, laten we dat allemaal vergeten,” zei de christelijke sjeik. “Kom zitten op deze bank, dan laat ik koffie en een waterpijp brengen.”

“Weet je niet dat Druzen nooit iets aannemen van een Turk of van een van z’n vrienden, omdat het de buit kan zijn van onrechtvaardige belastingen?” antwoordde de oude man.

“Ik ben geen vriend van de Turken!”

“Hebben ze jou niet tot sjeik benoemd, terwijl ik sjeik was in de tijd van [de Egyptische gouverneur] Ibrahim? Toen leefden jouw volk en het mijne in vrede. Ben jij niet degene die ging klagen bij de pasha vanwege een kleine ruzie, een verbrand huis, een onbeduidend incident dat goede buren gemakkelijk zonder buitenstaanders hadden kunnen oplossen?”

Herinneringen

De sjeik schudde zijn hoofd zonder te antwoorden, en de prins onderbrak de discussie en verliet het huis, hand in hand met de Druzische man. “Je zou koffie met mij kunnen drinken,” zei hij, “ik heb nooit iets aangenomen van de Turken.” En hij beval zijn bediende in de schaduw van de bomen om koffie te schenken.

“Ik was een vriend van je vader,” zei de oude man. ”In die tijd leefden Druzen en Maronieten in vrede.”

Ze praatten lang over de tijd dat de mensen van beide religies verenigd waren geweest, vroeger, tijdens de heerschappij van de familie Shihab, toen ze nog niet waren overgeleverd aan de onvoorspelbare uitkomst van gewapende conflicten.

Ze kwamen overeen dat de prins al zijn mensen mee terug naar huis zou nemen en dat de Druzen terug naar hun dorp konden komen zonder een beroep te doen op de hulp van buitenstaanders. Verder spraken ze af dat de schade die ze die dag hadden geleden, zou worden beschouwd als vergelding voor het christelijke huis dat vroeger eens verbrand was.

De Nervals analyse

In feite hebben deze mensen het diepste begrip voor elkaar. Ze vergeten nooit de banden die hen vroeger verenigden. Ze worden echter opgehitst door missionarissen en monniken, die handelen namens Europese belangen. Als de monniken oorlog prediken, moeten de mannen de wapens wel opnemen. Als de Engelse missionarissen toespraken houden en steekpenningen betalen, moeten ze fel uit de ogen kijken. Diep van binnen voelen ze echter twijfel en wanhoop. Iedereen is zich bewust van de wensen en doelen van de diverse Europese machten, die een kans krijgen door het gebrek aan vooruitziendheid van de Turken.

Door gevechten uit te lokken in gemengde dorpen denken de Europese machten de noodzaak aan te tonen van een volledige scheiding tussen de twee bevolkingsgroepen, die ooit verenigd waren en een gemeenschappelijke zaak hadden. Er zouden in de toekomst dan slechts twee bevolkingsgroepen zijn, de ene onder Oostenrijkse bescherming en de andere onder de bescherming van Engeland.

***

De Nerval heeft goed gezien dat het Ottomaanse Rijk zwak stond, maar het zou anders lopen. Eind 1843 wist de Oostenrijkse diplomaat Metternich een regeling te treffen die voor beide partijen en de sultan bevredigend was. Rond 1860 kwam het echter tot grootschalig bloedvergieten, wat leidde tot een Europese interventie – maar niet door Oostenrijk of Engeland. Het was Frankrijk dat, om de Maronieten te beschermen, een protectoraat schiep.

***

PS

U hebt begrepen dat ik deze dagen extra blog over Libanon omdat het land, dat al rijk is aan problemen, er een oorlog bij krijgt. Mijn blogjes zullen de situatie daar niet verbeteren, maar u kunt dat wel. Als u wat kunt missen, doneer dan voor de zorg van de vluchtelingen: dit is een project van iemand die ik persoonlijk ken en vertrouw.

#BashirShihabII #druzen #GérardDeNerval #KlemensVonMetternich #Libanon #maronieten #MuhamadAli #NahrAlKalb #OmarPasha #OttomaanseRijk #TripoliLibanon_

Gérard de Nerval - Wikipedia

De maronieten in 1596

Onze Lieve Vrouwe van Qannoubine, in de zestiende eeuw het patriarchaat van de maronieten.

Sinds de Kruistochten presenteerden de maronieten, die woonden in de afgelegen valleien van het Libanongebergte, zich als rooms-katholieken. De paus wees regelmatig nuntii (ambassadeurs) aan. In 1596 zond paus Clemens VIII de jezuïet Girolamo Dandini (1554-1634) naar het oosten om aanwezig te zijn bij een synode in het klooster van Onze Lieve Vrouw van Qannoubine in de Qadishavallei. Dit was de tijd van de Fakhr-ad-Din over wie ik al eens eerder schreef.

Dandini bleef drie maanden bij de maronieten. Hij was niet alleen geïnteresseerd in de religieuze opvattingen van deze christenen, maar ook in hun gewoontes. Dandini’s aantekeningen vormen een vroeg etnografisch rapport en zijn familie heeft het na zijn dood gepubliceerd als Missione apostolica al patriarca, e maroniti del Monte Libano (1656).

***

Het isolement van de maronieten

De maronieten zullen niet toestaan dat Turken zich bij hen vestigen, hoewel die wel overal elders in Syrië zijn. Maar bij de maronieten zul je ze niet zien. Daar zorgen hun diakens voor, die met dat doel noch hun portemonnee noch hun leven sparen. Op hun bergen wonen dus alleen de christenen die zich maronieten noemen. Ze hebben hun naam ontleend aan een abt die Maron heette.

Ze leven niet in grote steden of prachtige paleizen, maar in kleine dorpen, waarvan er op allerlei plaatsen veel zijn. Hun huizen zijn matig van kwaliteit en zonder grote waarde. Dat is niet alleen omdat er geen edele en rijke mensen onder hen zijn, maar ook omdat ze zó door de Turken worden onderdrukt, dat ze gedwongen zijn alle vormen van grandeur en praal te vermijden. Ze tonen zichzelf als arm, zodat ze een slechte behandeling kunnen vermijden. En ze vinden het ook zelf prettig om eenvoudig gekleed te gaan.

Hun kleding verschilt niet van die van de andere Levantijnen, en bestaat uit een tulband en een vest dat reikt tot de knieën of tot het midden van het been. Soms dragen ze een doublet of abaya om zich verder te bedekken. Ze gaan echter meestal met blote benen, hoewel sommigen een halflange broek dragen, op de Turkse manier, met schoenen. De wapens die ze gebruiken zijn de boog, de haakbus, het kromzwaard en de dolk.

Eten en drinken

De mannen zijn zeer lang, hebben een natuurlijke zachtheid, zijn ervaren met wapens en lijken meer op Italianen dan op andere volken. Ze gebruiken geen tafels of krukken om op te zitten, maar in plaats daarvan zitten ze met gekruiste benen op matten of tapijten die over de grond zijn uitgespreid. Daar eten en drinken ze. In plaats van een tafelkleed leggen ze een rond stuk leer op de grond en bedekken dat met brood, ook al eten ze maar z’n tweeën of drieën. Ze zitten rondom en leggen het eten in het midden. Ze eten net als de Turken, gebruiken geen servetten, messen of vorken, maar alleen mooie houten lepels.

Als ze drinken, gaat één glas rond. Het is de heer des huizes die iedereen bedient met zijn glas, zodat hij aan tafel weinig rust heeft. Ze drinken stevig, hoewel hun glazen slechts klein zijn. Hoe meer ze drinken, hoe meer eer ze denken te bewijzen aan hun gastheer; en ook als het leer dat als tafelkleed dient is opgeruimd, houden ze niet op met drinken – althans zolang er wijn in het vat zit. Deze leren tafelkleden worden netjes opgevouwen met een koordje eromheen. Als iemand binnenkomt nadat ze al aan tafel zitten, zal hij, nadat hij het gezelschap heeft begroet, gaan zitten, en zonder verdere omhaal mee-eten en drinken, en ’t zou een grote onbeleefdheid zijn het anders te doen.

Ze gebruiken geen lakens voor de bedden waarin ze slapen. Iedereen maakt een touwtje vast aan de deken en ligt er zo onder.

De maronitische vrouwen

De maronitische vrouwen zijn beschaafd en bescheiden. Hun manier van kleden verschilt niet veel van de Italiaanse. Hun kleding reikt tot op de grond en bedekt hun borsten en schouders volledig. Het is heel eenvoudig: slechts een doek van wit katoen of op z’n best iets met een paarse of blauwe kleur, soms een beetje bewerkt. Op hun hoofd dragen ze een soort linnen sluier, die hun haar zowel voor als achter bedekt.

Als ze toevallig een man tegenkomen die ze niet kennen, ontwijken ze hem of ze bedekken hun gezicht met hun sluier. Velen van hen dragen, net als de Turkse vrouwen, armbanden om hun armen en benen, en een kransvormig sieraad op het voorhoofd, met kleine stukjes zilver. Ze krullen hun haar niet, noch verven ze hun gezicht, noch zie je bij hen enige andere gelijksoortige nuffigheid; wat even prijzenswaardig bij hen is als het tegendeel schandelijk is bij onze Europese dames.

Wanneer de maronitische vrouwen ter kerke gaan, zitten ze niet tussen de mannen, waar hun gezichten te zien zouden zijn. Alle mannen zitten voor in de kerk, en zij blijven bij de deur om er als eersten uit te gaan zodra de dienst is afgelopen. Zo kan niemand hen zien. Er is ook geen man die van zijn plaats komt totdat alle vrouwen zijn vertrokken.

Het land van de maronieten is geheel vrij van losbandige en ordinaire vrouwen, zodat je er op geen enkele manier kunt horen over overspel of soortgelijke ondeugden, wat een bijzondere gunst van God is.

***

PS

U hebt begrepen dat ik deze dagen extra blog over Libanon omdat het land, dat al rijk is aan problemen, er een oorlog bij krijgt. Mijn blogjes zullen de situatie daar niet verbeteren, maar u kunt dat wel. Als u wat kunt missen, doneer dan voor de zorg van de vluchtelingen: dat kan hier en daar. Ik weet toevallig dat dit project wordt geheroriënteerd om de displaced persons te helpen.

#ClemensVIII #GirolamoDandini #jezuïeten #maronieten #OnzeLieveVrouwe #OnzeLieveVrouweVanQannoubine #Qadishavallei