De verledens van Spanje (2)
Een Dressel-20-amfoor (Archeologisch Museum, Córdoba)Het is niet voor niets dat we wetenschappers en erfgoedspecialisten faciliteiten bieden. We krijgen daar als samenleving immers iets voor terug. Dat kan bijvoorbeeld ontstaansgeschiedenis zijn, zoals ik in het vorige blogje illustreerde aan de hand van de visies op het Spaanse verleden: eerst was er een frame waarin de maatschappelijke, linguïstische, religieuze en nationale eenheid centraal stond, de afgelopen halve eeuw groeide een beeld dat meer ruimte liet aan variatie. Volgden oudheidkundigen en mediëvisten aanvankelijk een door nationalistische historici bepaalde visie, ook na 1975 volgden ze andermans agenda. Weliswaar een sympathiekere agenda, maar toch: de wetenschap handelde niet autonoom.
De sociale wetenschappen
Er zijn ook betere manieren om betekenis toe te kennen aan het verleden, ook al is dat voorbij en betekenisloos, en ook al is het door de schaarste van de ambigue archeologische en tekstuele data slecht kenbaar. Eén van die betere manieren is vertellen hoe de samenleving zich ontwikkelde.
Deze benadering, die tenminste uit de wetenschap zélf voortkomt, was in de jaren zeventig opnieuw populair. Wereldgeschiedenis en globalisering waren destijds in de mode, en er was discussie ontstaan over het bestaande sociaalwetenschappelijk instrumentarium. Geschiedschrijvers onderscheiden al sinds de Middeleeuwen bepaalde maatschappijtypen (zoals nomadisch, agrarisch, feodaal, kapitalistisch) en hoewel die wel degelijk nuttig zijn, bleek het zinvol nuanceringen aan te brengen, nu bleek dat er wereldwijd allerlei varianten bestaan. Voor Spanje was relevant:
- Hoe hadden de antieke en middeleeuwse samenlevingen zich ontwikkeld?
- Welke typeringen waren het meest verhelderend? (anders gezegd: hoe interpreteren we de schaarse en ambigue data?)
- Hoe voltrokken de overgangen zich?
Wanneer we verleden samenlevingen goed begrijpen, krijgen we vat op grotere ontwikkelingen en zijn we beter voorbereid op de toekomst. Zoals gezegd: het is niet voor niets dat we als samenleving faciliteiten bieden aan archeologen, geschiedkundigen, classici, erfgoedspecialisten en wat dies meer zij. Oudheidkunde en mediëvistiek zijn wetenschappen, meer precies sociale wetenschappen. En als zodanig zijn ze belangrijk.
Baetica en El-Andalus
De bestudering van het antieke en middeleeuwse aardewerk is te beschouwen als een autonome ontwikkeling binnen de wetenschap. Ik ben althans niet op de hoogte van politici die vroegen om een verspreidingskaart van Romeinse Dressel-20-amforen of Arabisch loza dorada-keramiek.
Die Romeinse amforen zijn gebruikt om te bewijzen dat in de vroege keizertijd in Andalusië, dat destijds Baetica heette, op een waarlijk industriële schaal olijfolie is geproduceerd en geëxporteerd. De pottenbakkerijen waar de kruiken zijn vervaardigd, zijn geïdentificeerd en omdat elke Dressel-20-amfoor een paar stempels had, kunnen we van elke amfoor vaststellen waar de pottenbakker werkte. Beginnend aan de Beneden-Guadalquivir breidde het productiegebied zich steeds verder stroomopwaarts uit.
Wat dit ook van samenleving was, dit was geen simpele agrarische wereld. De vraag of we de productie en handel moeten typeren als kapitalistisch, vormt het onderwerp van een bekende discussie. Het antwoord biedt een model om de samenleving als geheel te doorgronden, en dat is belangrijk. Ik weet het antwoord niet, maar in elk geval is deze vraag voor het eerst mogelijk geworden dankzij het aardewerk.
Iets dergelijks geldt voor loza dorada, een dubbelgebakken aardewerk met een mooie metaalglans. Dit is uitgevonden in het Midden-Oosten en verspreidde zich naar het westen, waar de steden aan de Spaanse oostkust belangrijke productiecentra werden. Deze verspreiding documenteert contact tussen het centrum en de periferie van de Arabische wereld, en maakt vragen mogelijk over de mate van arabisering. Was die wel zo oppervlakkig als de historici aanvankelijk hadden aangenomen?
Maatschappelijke verandering
Die vraag keert terug als we kijken naar de islam. In mijn vorige blogje wees ik erop dat lange tijd gedacht is geweest dat de islam in El-Andalus een eigen karakter had gehad. Dat is een truïsme, aangezien religies zich sowieso aanpassen aan hun omgeving. Tegelijk kun je onderzoeken op welke wijze de islam zich aanpaste aan het Iberische Schiereiland, en dan is het wel zo fijn dat de afgelopen halve eeuw steeds meer Arabische bronnen zijn ontsloten. Dit gebeurde vrij aselectief, dus we hebben werkelijk de beschikking over meer data.
Uit de twee boeken die ik onlangs las, Muslim Spain Reconsidered van Richard Hitchcock en Kingdoms of Faith van Brian Catlos, leerde ik dat de moslims aanvankelijk behoorden tot de rechtsscholen van Abu Hanifa en Malik ibn Anas, en dat die laatste stroming steeds belangrijker werd. Een deel van de verklaring is dat de Abbasidische kalief in Bagdad Hanafiet was, en dat de Umayyadische emir van Córdoba een eigen koers wilde varen. Dat duidt opnieuw op grondig contact. Het toont ook dat de Arabische invloed niet zo oppervlakkig was als eerder aangenomen, en dat het overdreven was geweest te claimen dat de Spaanse islam wezenlijk anders was dan die in de kerngebieden.
Politiek in El-Andalus
En dat roept weer vragen op over het karakter van de middeleeuwse samenleving. Zo is wel geopperd dat de Arabische invloed zó groot was dat Andalusië van een overwegend stedelijke samenleving veranderde in een Arabische stamsamenleving. Als dit waar is, is hier een vrij zeldzaam type maatschappijverandering gedocumenteerd. Het betekent ook dat Arabisch Spanje heel, heel anders was dan het feodale noorden, en dat de macht van de centrale overheid gering was. De archeologie van de waterwerken is op dit punt belangrijk. Ze bewijst dat als El-Andalus al een stamsamenleving was, ze in elk geval geen nomadische stammen kende. De bevolking was sedentair.
Een andere mogelijkheid is dat zuidelijk en noordelijk Iberië allebei een feodaal karakter hadden, geërfd uit het Rijk van Toledo. Uiteraard veronderstelt dit dat ook het Rijk van Toledo zo’n feodaal karakter had, en het impliceert bovendien dat de Arabische veroveraars zich aanpasten aan degenen die ze in 711 onderwierpen. Ook hier helpt de archeologie. Je kunt immers kijken naar degenen die de kastelen bouwden: waren dat, zoals in bijvoorbeeld Italië, de lokale heren, of was dat de centrale overheid? En op welk moment?
Nu we beschikken over GIS-systemen, blijkt dat de kastelen van de vijfde tot en met achtste eeuw vooral door plaatselijke heren zijn gebouwd, maar dat dit later veranderde. Er was toen sprake van een wisselwerking tussen de vorst en de boeren: de kastelen beheersten de plekken waar vanouds agrarische productie plaatsvond. Zo is dus gedocumenteerd dat de eerste emirs moesten samenwerken met feodale heren maar dat ze, toen ze hun macht hadden geconsolideerd, iets schiepen dat leek op een centrale staat.
Zo blijkt dus dat het Emiraat van Córdoba in culturele zin zeker behoorde tot de grotere Arabische wereld, en dat het vorstelijk gezag in El-Andalus groter was dan in de feodale staatjes in het noorden. Misschien is voor dit laatste aspect Normandisch Sicilië de meest nabije parallel.
#AbuHanifa #Dressel20Amfoor #emiraatVanCórdoba #feodaleSamenleving #GISSystemen #hanafisme #MalikIbnAnas #malikisme #RijkVanToledo #socialeWetenschappen
